Elohim Bijbel

2 Samuël 8

123456789101112131415161718192021222324

Davids overwinningen en zijn bestuur

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Filistijnen en Moab

1Daarna versloeg David de Filistijnen en onderwierp hen. David nam Metheg-Amma uit de hand van de Filistijnen.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֔ן
(ken)
zo
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en versloeg
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיַּכְנִיעֵ֑ם
(vayakhniem)
en onderwierp hen
וַיִּקַּ֥ח
(vayiqach)
en nam
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥תֶג
(meteg)
Metheg
הָאַמָּ֖ה
(haama)
Amma
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Metheg-Amma (ligging onzeker): Metheg-Amma wordt in 1 Kronieken 18:1 met Gat en de omliggende dorpen verbonden.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

מֶתֶג הָאַמָּה (metheg haamma), ‘Metheg-Amma’: letterlijk ‘de teugel van de Amma’.

Wat dat is, is onzeker.

In 1 Kron. 18:1 staat op deze plaats ‘Gat en de dorpen eromheen’.

Gat was de belangrijkste stad van de Filistijnen.

Het kan dus gaan om de teugel, dat wil zeggen de macht, over de Filistijnse steden.

2Hij versloeg Moab. Hij mat hen af met het snoer, terwijl hij hen op de grond liet liggen. Hij mat twee snoeren af om te doden en een vol snoer om in leven te laten. Zo werd Moab voor David tot dienaren die schatting brachten.
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en versloeg
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹאָ֗ב
(moav)
Moab
וַֽיְמַדְּדֵ֤ם
(vaymadedem)
en mat hen af
בַּחֶ֨בֶל֙
(bachevel)
met het snoer
הַשְׁכֵּ֣ב
(hashkev)
om te laten liggen
אוֹתָ֣ם
(otam)
hen
אַ֔רְצָה
(artsa)
op de grond
וַיְמַדֵּ֤ד
(vaymaded)
en mat af
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
חֲבָלִים֙
(chavalim)
snoeren
לְהָמִ֔ית
(lehamit)
om te doden
וּמְלֹ֥א
(umelo)
en volheid van
הַחֶ֖בֶל
(hachevel)
het snoer
לְהַחֲי֑וֹת
(lehachayot)
om in leven te laten
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en werd
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
voor David
לַעֲבָדִ֖ים
(laavadim)
tot dienaren
נֹשְׂאֵ֥י
(noseei)
dragers van
מִנְחָֽה
(mincha)
schatting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Moab (מוֹאָב) ligt ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

De uitleg van het meten met het snoer is niet zeker.

Twee snoerlengtes gingen naar de dood, een volle lengte bleef in leven; waarschijnlijk twee derde werd dus gedood.

מִנְחָה (minchah), ‘schatting’: een gave die een onderworpen volk brengt. Bij de offers vertalen wij hetzelfde woord als ‘graanoffer’.

Hadadezer en de Arameeërs

3David versloeg ook Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Tsoba, toen die ging om zijn hand terug te brengen bij de Rivier.
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en versloeg
דָּוִ֔ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הֲדַדְעֶ֥זֶר
(hadadezer)
Hadadezer
בֶּן
(ben)
zoon van
רְחֹ֖ב
(rechov)
Rechob
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
צוֹבָ֑ה
(tsova)
Tsoba
בְּלֶכְתּ֕וֹ
(belekhto)
toen hij ging
לְהָשִׁ֥יב
(lehashiv)
om terug te brengen
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
בִּֽנְהַר
(binhar)
bij de Rivier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tsoba (צוֹבָה) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus.

De precieze ligging is onzeker; het lag in het gebied van het huidige Syrië en Libanon.

Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon.

De precieze ligging is niet vast te stellen.

Uitleg

בִּנְהַר (binhar), ‘bij de Rivier’: met ‘de Rivier’ is de Eufraat bedoeld, zoals in Gen. 15:18.

לְהָשִׁיב יָדוֹ (lehashiv yado), ‘zijn hand terug te brengen’: een uitdrukking voor het herstellen of vestigen van macht. Wie met ‘hij’ bedoeld is, David of Hadadezer, zegt de tekst niet.

Lezing

In 1 Kron. 18:3 staat: ‘om zijn macht te vestigen aan de rivier de Eufraat’.

4David nam van hem 1.700 ruiters en 20.000 man voetvolk gevangen. David verlamde de paarden van alle strijdwagens. Hij hield er 100 strijdwagens van over.
וַיִּלְכֹּ֨ד
(vayilkod)
en nam gevangen
דָּוִ֜ד
(david)
David
מִמֶּ֗נּוּ
(mimenu)
van hem
אֶ֤לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁבַע
(usheva)
en zeven
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
פָּרָשִׁ֔ים
(parashim)
ruiters
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִ֣ישׁ
(ish)
man
רַגְלִ֑י
(ragli)
voetvolk
וַיְעַקֵּ֤ר
(vayaqer)
en verlamde
דָּוִד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרֶ֔כֶב
(harekhev)
het wagenspan
וַיּוֹתֵ֥ר
(vayoter)
en hield over
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van hem
מֵ֥אָה
(mea)
honderd
רָֽכֶב
(rakhev)
strijdwagens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְעַקֵּר (vayakker), ‘verlamde’: het werkwoord betekent ‘de hielpezen doorsnijden’.

Dat kan alleen bij paarden.

Wij vullen ‘de paarden van’ aan.

Vergelijk Joz. 11:6 en 11:9.

Lezing

In 1 Kron. 18:4 staan 1.000 strijdwagens en 7.000 ruiters.

De Masoretische tekst heeft hier 1.700 ruiters.

Wij volgen de Masoretische tekst.

5De Arameeërs van Damascus kwamen Hadadezer, de koning van Tsoba, te hulp. David versloeg 22.000 man van de Arameeërs.
וַתָּבֹא֙
(vatavo)
en kwam
אֲרַ֣ם
(aram)
Aram
דַּמֶּ֔שֶׂק
(dameseq)
Damascus
לַעְזֹ֕ר
(lazor)
om te helpen
לַהֲדַדְעֶ֖זֶר
(lahadadezer)
Hadadezer
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
צוֹבָ֑ה
(tsova)
Tsoba
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en versloeg
דָּוִד֙
(david)
David
בַּֽאֲרָ֔ם
(baaram)
onder Aram
עֶשְׂרִֽים
(esrim)
twintig
וּשְׁנַ֥יִם
(ushenayim)
en twee
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Damascus (דַּמֶּשֶׂק) is de hoofdstad van het huidige Syrië.

Aram is het land van de Arameeërs.

Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon.

De precieze ligging is niet vast te stellen.

6David stelde bezettingen in Aram van Damascus. Aram werd voor David tot dienaren die schatting brachten. Yahweh gaf David de overwinning overal waar hij ging.
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en stelde
דָּוִ֤ד
(david)
David
נְצִבִים֙
(netsivim)
bezettingen
בַּאֲרַ֣ם
(baaram)
in Aram
דַּמֶּ֔שֶׂק
(dameseq)
Damascus
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en werd
אֲרָם֙
(aram)
Aram
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
voor David
לַעֲבָדִ֖ים
(laavadim)
tot dienaren
נוֹשְׂאֵ֣י
(noseei)
dragers van
מִנְחָ֑ה
(mincha)
schatting
וַיֹּ֤שַׁע
(vayosha)
en gaf de overwinning
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֔ד
(david)
David
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
overal
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
הָלָֽךְ
(halakh)
hij ging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

נְצִיבִים (netsivim), ‘bezettingen’: troepen of bestuurders die David daar neerzet.

De betekenis is niet helemaal zeker.

וַיּוֹשַׁע (vayosha), ‘gaf de overwinning’: het werkwoord betekent ‘redden’ of ‘helpen’. Het is hetzelfde grondwoord als in de naam Yeshua (‘Yahweh redt’).

7David nam de gouden schilden die de dienaren van Hadadezer droegen en bracht ze naar Jeruzalem.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
דָּוִ֗ד
(david)
David
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
שִׁלְטֵ֣י
(shiltei)
de schilden van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָי֔וּ
(hayu)
waren
אֶ֖ל
(el)
bij
עַבְדֵ֣י
(avdei)
de dienaren van
הֲדַדְעָ֑זֶר
(hadadazer)
Hadadezer
וַיְבִיאֵ֖ם
(vayviem)
en bracht ze
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שִׁלְטֵי (shiltei), ‘schilden’: de betekenis van dit woord is niet helemaal zeker.

Zie ook Hoogl. 4:4.

8Uit Betach en uit Berotai, steden van Hadadezer, nam koning David zeer veel koper.
וּמִבֶּ֥טַח
(umibetach)
en uit Betach
וּמִבֵּֽרֹתַ֖י
(umiberotay)
en uit Berotai
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
הֲדַדְעָ֑זֶר
(hadadazer)
Hadadezer
לָקַ֞ח
(laqach)
nam
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֛ד
(david)
David
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
koper
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
veel
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betach en Berotai (בֶּטַח, בֵּרֹתַי) zijn steden van Hadadezer.

De ligging is onzeker.

Berotai lag misschien tussen Damascus en Chamat in (vergelijk Ezech. 47:16).

Lezing

In 1 Kron. 18:8 heten de steden Tibchat en Kun.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Toi van Chamat

9Toi, de koning van Chamat, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer had verslagen.
וַיִּשְׁמַ֕ע
(vayishma)
en hoorde
תֹּ֖עִי
(toi)
Toi
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
חֲמָ֑ת
(chamat)
Chamat
כִּ֚י
(ki)
dat
הִכָּ֣ה
(hika)
had verslagen
דָוִ֔ד
(david)
David
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
חֵ֥יל
(cheil)
het leger van
הֲדַדְעָֽזֶר
(hadadazer)
Hadadezer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chamat (חֲמָת) lag aan de rivier de Orontes, bij het huidige Hama in Syrië.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

10Toi stuurde zijn zoon Joram naar koning David. Joram moest naar Davids welzijn vragen en hem zegenen, omdat David tegen Hadadezer had gestreden en hem had verslagen. Want Hadadezer was een man van oorlogen met Toi. In zijn hand waren voorwerpen van zilver, voorwerpen van goud en voorwerpen van koper.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
תֹּ֣עִי
(toi)
Toi
אֶת
(et)
(obj.)
יֽוֹרָם
(yoram)
Joram
בְּנ֣וֹ
(beno)
zijn zoon
אֶל
(el)
naar
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּ֠וִד
(david)
David
לִשְׁאָל
(lishal)
om te vragen
ל֨וֹ
(lo)
naar hem
לְשָׁל֜וֹם
(leshalom)
naar welzijn
וּֽלְבָרֲכ֗וֹ
(ulevarakho)
en om hem te zegenen
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
נִלְחַ֤ם
(nilcham)
hij had gestreden
בַּהֲדַדְעֶ֨זֶר֙
(bahadadezer)
tegen Hadadezer
וַיַּכֵּ֔הוּ
(vayakehu)
en versloeg hem
כִּי
(ki)
want
אִ֛ישׁ
(ish)
man van
מִלְחֲמ֥וֹת
(milchamot)
oorlogen
תֹּ֖עִי
(toi)
Toi
הָיָ֣ה
(haya)
was
הֲדַדְעָ֑זֶר
(hadadazer)
Hadadezer
וּבְיָד֗וֹ
(uveyado)
en in zijn hand
הָי֛וּ
(hayu)
waren
כְּלֵֽי
(kelei)
voorwerpen van
כֶ֥סֶף
(kesef)
zilver
וּכְלֵֽי
(ukhelei)
en voorwerpen van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
וּכְלֵ֥י
(ukhelei)
en voorwerpen van
נְחֹֽשֶׁת
(nechoshet)
koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלוֹם (shalom), ‘welzijn’: Toi laat vragen hoe het met David gaat.

אִישׁ מִלְחָמוֹת תֹּעִי (ish milchamot Toi), ‘een man van oorlogen met Toi’: Hadadezer en Toi voerden vaak oorlog tegen elkaar.

Lezing

In 1 Kron. 18:10 heet de zoon van Toi Hadoram (הֲדוֹרָם).

Wij volgen de Masoretische tekst.

11Ook die voorwerpen wijdde koning David toe aan Yahweh, samen met het zilver en het goud. Dat had hij toegewijd uit alle volken die hij had onderworpen:
גַּם
(gam)
ook
אֹתָ֕ם
(otam)
hen
הִקְדִּ֛ישׁ
(hiqdish)
wijdde toe
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֖ד
(david)
David
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
עִם
(im)
met
הַכֶּ֤סֶף
(hakesef)
het zilver
וְהַזָּהָב֙
(vehazahav)
en het goud
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִקְדִּ֔ישׁ
(hiqdish)
hij wijdde toe
מִכָּל
(mikal)
van alle
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
כִּבֵּֽשׁ
(kibesh)
hij onderwierp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִקְדִּישׁ (hiqdish), ‘toewijden’: iets heilig maken voor Yahweh.

Vergelijk Joz. 6:19, waar zilver en goud naar de schatkamer van Yahweh gaan.

12van Aram, Moab, de zonen van Ammon, de Filistijnen en Amalek, en van de buit van Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Tsoba.
מֵאֲרָ֤ם
(mearam)
van Aram
וּמִמּוֹאָב֙
(umimoav)
en van Moab
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
וּמִפְּלִשְׁתִּ֖ים
(umipelishtim)
en van de Filistijnen
וּמֵֽעֲמָלֵ֑ק
(umeamaleq)
en van Amalek
וּמִשְּׁלַ֛ל
(umishelal)
en van de buit van
הֲדַדְעֶ֥זֶר
(hadadezer)
Hadadezer
בֶּן
(ben)
zoon van
רְחֹ֖ב
(rechov)
Rechob
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
צוֹבָֽה
(tsova)
Tsoba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon.

De precieze ligging is niet vast te stellen.

Uitleg

Amalek (עֲמָלֵק): zie Exod. 17:8–16 en Deut. 25:17–19.

Lezing

In de Masoretische tekst staat מֵאֲרָם (me-Aram), ‘van Aram’.

In 1 Kron. 18:11 staat אֱדוֹם (Edom).

Wij volgen de Masoretische tekst.

Edom

13David maakte zich een naam toen hij terugkeerde van het verslaan van Aram in het Zoutdal, 18.000 man.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en maakte
דָּוִד֙
(david)
David
שֵׁ֔ם
(shem)
een naam
בְּשֻׁב֕וֹ
(beshuvo)
toen hij terugkeerde
מֵהַכּוֹת֥וֹ
(mehakoto)
van zijn verslaan
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
בְּגֵיא
(begei)
in het dal van
מֶ֑לַח
(melach)
zout
שְׁמוֹנָ֥ה
(shemona)
acht
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het Zoutdal (גֵּיא מֶלַח) lag ten zuiden van de Zoutzee, in het gebied van het huidige Jordanië en Israël.

De precieze plek is onzeker.

Uitleg

Het woord ‘man’ staat er niet; het Hebreeuws zegt alleen ‘18.000’.

Wij vullen ‘man’ aan.

Lezing

De Masoretische tekst heeft אֲרָם (Aram), ‘Aram’.

Vers 14 gaat over Edom.

In 1 Kron. 18:12 verslaat Abisai 18.000 Edomieten in het Zoutdal.

Het opschrift van Ps. 60 noemt Joab en Edom.

Wij volgen de Masoretische tekst.

14Hij stelde bezettingen in Edom. In heel Edom stelde hij bezettingen. Heel Edom werd dienaren voor David. Yahweh gaf David de overwinning overal waar hij ging.
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en stelde
בֶּאֱד֜וֹם
(beedom)
in Edom
נְצִבִ֗ים
(netsivim)
bezettingen
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֱדוֹם֙
(edom)
Edom
שָׂ֣ם
(sam)
stelde hij
נְצִבִ֔ים
(netsivim)
bezettingen
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en werd
כָל
(kal)
heel
אֱד֖וֹם
(edom)
Edom
עֲבָדִ֣ים
(avadim)
dienaren
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
voor David
וַיּ֤וֹשַׁע
(vayosha)
en gaf de overwinning
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֔ד
(david)
David
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
overal
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
הָלָֽךְ
(halakh)
hij ging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Edom (אֱדוֹם) ligt ten zuiden van de Zoutzee, in het huidige zuiden van Jordanië.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

Dit sluit aan bij Gen. 25:23 (‘de oudste zal de jongste dienen’) en Num. 24:18.

Davids bestuur

15David regeerde over heel Israël. David deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk.
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en regeerde
דָּוִ֖ד
(david)
David
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en was
דָוִ֗ד
(david)
David
עֹשֶׂ֛ה
(ose)
doende
מִשְׁפָּ֥ט
(mishpat)
recht
וּצְדָקָ֖ה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
לְכָל
(lekhal)
aan heel
עַמּֽוֹ
(amo)
zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט וּצְדָקָה (mishpat utsedaqah), ‘recht en gerechtigheid’: de twee woorden horen bij elkaar.

Vergelijk Gen. 18:19.

16Joab, de zoon van Zeruja, was over het leger. Josafat, de zoon van Achilud, was archivaris.
וְיוֹאָ֥ב
(veyoav)
en Joab
בֶּן
(ben)
zoon van
צְרוּיָ֖ה
(tseruya)
Zeruja
עַל
(al)
over
הַצָּבָ֑א
(hatsava)
het leger
וִיהוֹשָׁפָ֥ט
(vihoshafat)
en Josafat
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיל֖וּד
(achilud)
Achilud
מַזְכִּֽיר
(mazkir)
archivaris
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַזְכִּיר (mazkir), ‘archivaris’: letterlijk ‘hij die in herinnering brengt’.

Een ambtenaar die gebeurtenissen vastlegde en de koning adviseerde.

Zeruja was de moeder van Joab, Abisai en Asaël (1 Kron. 2:16).

17Zadok, de zoon van Achitub, en Achimelech, de zoon van Abjatar, waren priesters. Seraja was schrijver.
וְצָד֧וֹק
(vetsadoq)
en Zadok
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיט֛וּב
(achituv)
Achitub
וַאֲחִימֶ֥לֶךְ
(vaachimelekh)
en Achimelech
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶבְיָתָ֖ר
(evyatar)
Abjatar
כֹּהֲנִ֑ים
(kohanim)
priesters
וּשְׂרָיָ֖ה
(useraya)
en Seraja
סוֹפֵֽר
(sofer)
schrijver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In de Masoretische tekst is Achimelech de zoon van Abjatar.

In 1 Sam. 22:20 is Abjatar de zoon van Achimelech.

Wij volgen de Masoretische tekst.

De naam van de schrijver staat in andere lijsten anders (2 Sam. 20:25; 1 Kon. 4:3).

18Benaja, de zoon van Jojada, was over de Kerethieten en de Pelethieten. De zonen van David waren priesters.
וּבְנָיָ֨הוּ֙
(uvenayahu)
en Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְה֣וֹיָדָ֔ע
(yehoyada)
Jojada
וְהַכְּרֵתִ֖י
(vehakereti)
en de Kerethieten
וְהַפְּלֵתִ֑י
(vehapeleti)
en de Pelethieten
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
דָוִ֖ד
(david)
David
כֹּהֲנִ֥ים
(kohanim)
priesters
הָיֽוּ
(hayu)
waren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּרֵתִי וּפְלֵתִי (kereti ufeleti), ‘Kerethieten en Pelethieten’: de lijfwacht van de koning.

Hun naam wijst misschien op Kreta en de Filistijnen, maar dat is onzeker.

Zie ook 1 Sam. 30:14.

כֹּהֲנִים (kohanim), ‘priesters’: de zonen van David zijn geen nakomelingen van Aäron (Exod. 28:1).

Lezing

In de Masoretische tekst staat ‘en de Kerethieten en de Pelethieten’, zonder ‘over’.

Wij lezen ‘was over’, zoals in 2 Sam. 20:23.

In 1 Kron. 18:17 staat in plaats van ‘priesters’: ‘de eersten aan de zijde van de koning’. Wij volgen de Masoretische tekst.