Openbaring 21
De nieuwe hemel en de nieuwe aarde, het nieuwe Jeruzalem, de bruid van het Lam: haar muren, poorten en maten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde
καινός (kainos), ‘nieuw’: nieuw van aard, niet alleen later in de tijd; hetzelfde woord als in ‘een nieuwe naam’ (2:17, 3:12) en ‘een nieuw lied’ (5:9). ἀπῆλθαν (apelthan), ‘zijn weggegaan’: de eerste hemel en de eerste aarde.
‘De zee is er niet meer’: de zee waaruit het beest opkwam (13:1).
Vergelijk Jes. 65:17 en Jes. 66:22, en 2 Petr. 3:13.
Zie ook Jes. 65:17; Jes. 66:22; 2 Petr. 3:13; Openb. 13:1.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda; de berg Sion wordt van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Let op: in Hebreeën 12:22 en Openbaring 3:12 en 21 gaat het om het hemelse of nieuwe Jeruzalem; het kaartpunt is het aardse Jeruzalem.
‘Een nieuw Jeruzalem’: καινὴν (kainen) staat achter ‘Jeruzalem’ en hoort bij de stad; zie ook 3:12. ἡτοιμασμένην (hetoimasmenen), ‘toebereid’: zoals de bruid in 19:7. κεκοσμημένην (kekosmemenen), ‘getooid, versierd’. νύμφη (nymfe), ‘bruid’.
Zie ook Openb. 3:12; Openb. 19:7; Jes. 52:1; Jes. 61:10.
σκηνή (skene), ‘tent’: de verblijfplaats; het werkwoord σκηνόω (skenoo), ‘tenten’, is gebaseerd op hetzelfde woord.
Het Grieks heeft λαοί (laoi), ‘volkeren’, in het meervoud; wij schrijven ‘volkeren’ om het meervoud te laten zien; ἔθνη (ethne) is in 21:24 en 21:26 ‘volken’.
Vergelijk Lev. 26:11–12; Ezech. 37:27; Zach. 2:14–15.
De woorden van de stem lopen door tot en met vers 4.
Zie ook Lev. 26:11; Lev. 26:12; Ezech. 37:27; Zach. 2:14; Openb. 7:15.
De SBLGNT markeert hier varianten bij θρόνου (thronou), ‘troon’; λαοὶ (laoi), ‘volkeren’ en de woorden μετ’ αὐτῶν ἔσται (met auton estai), ‘met hen zal zijn’.
Wij volgen de SBLGNT.
ἐξαλείφω (exaleifo), ‘afwissen, uitwissen’: zoals in 7:17.
‘De dood zal er niet meer zijn’: vergelijk Jes. 25:8. πένθος (penthos), ‘rouw’; κραυγή (krauge), ‘geschreeuw’; πόνος (ponos), ‘pijn’.
‘De eerste dingen’ (τὰ πρῶτα, ta prota): wat voorafging, zoals de eerste hemel en de eerste aarde in vers 1.
Zie ook Jes. 25:8; Jes. 65:19; Openb. 7:17.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ἐκ (ek), ‘uit’ en ἔτι (eti), ‘meer’.
Wij volgen de SBLGNT.
Hier spreekt Hij die op de troon zit zelf (vergelijk 1:8). καινά (kaina), ‘nieuw’: ‘Ik maak alles nieuw’, niet ‘Ik maak nieuwe dingen’. γράψον (grapson), ‘schrijf’: zoals in 1:19, 14:13 en 19:9. πιστός (pistos), ‘trouw’; ἀληθινός (alethinos), ‘waar’ (zoals in 3:14: ‘de trouwe en ware Getuige’).
Vergelijk Jes. 43:19.
Zie ook Jes. 43:19; Openb. 1:19; Openb. 14:13; Openb. 19:9.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden καινὰ ποιῶ πάντα (kaina poio panta), ‘nieuwe ik maak alles’; λέγει (legei), ‘Hij zegt’ en de woorden πιστοὶ καὶ ἀληθινοί (pistoi kai alethinoi), ‘trouw en waar’.
Wij volgen de SBLGNT.
γέγοναν (gegonan), ‘het is geschied’: het werkwoord γίνομαι (ginomai), ‘worden, geschieden’; vergelijk 16:17, ‘Het is geschied’.
Het werkwoord staat hier in het meervoud (‘zij zijn geschied’), in 16:17 in het enkelvoud.
‘Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde’: zoals in 1:8 en 22:13.
Alfa en Omega zijn de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet. διψάω (dipsao), ‘dorst hebben’; πηγὴ τοῦ ὕδατος τῆς ζωῆς (pege tou hydatos tes zoes), ‘de bron van het water van het leven’: zie 7:17 en 22:1. δωρεάν (dorean), ‘om niet, voor niets’.
Vergelijk Jes. 55:1; Joh. 4:10; Joh. 7:37.
De rode tekst loopt door in de verzen 7 en 8.
Zie ook Jes. 55:1; Joh. 4:10; Joh. 7:37; Openb. 1:8; Openb. 7:17; Openb. 16:17; Openb. 22:1; Openb. 22:13.
De SBLGNT markeert bij de woorden Γέγοναν ἐγὼ (gegonan ego), ‘het is geschied Ik’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
νικάω (nikao), ‘overwinnen’: de belofte aan wie overwint (2:7, 2:11, 2:17, 2:26, 3:5, 3:12, 3:21).
‘Ik zal hem tot Elohim zijn, en hij zal Mij tot zoon zijn’: de taal van 2 Sam. 7:14 en Ps. 89:27–28.
Het Grieks heeft ‘zoon’ (υἱός, huios), in het enkelvoud.
Zie ook 2 Sam. 7:14; Ps. 89:27; Openb. 2:7; Openb. 3:21.
De lijst begint met δειλοῖς (deilois), ‘lafaards’: wie uit angst niet standhoudt. ἀπίστοις (apistois), ‘ongelovigen’; ἐβδελυγμένοις (ebdelygmenois), ‘met gruwel bevlekten’: wie door βδέλυγμα (bdelygma), ‘gruwel’, besmet zijn (17:4–5). φονεῦσι (foneusi), ‘moordenaars’; πόρνοις (pornois), ‘ontuchtplegers’; φαρμάκοις (farmakois), ‘tovenaars’; εἰδωλολάτραις (eidololatrais), ‘afgodendienaars’; ψευδέσιν (pseudesin), ‘leugenaars’.
‘Het meer dat brandt van vuur en zwavel’: zie 19:20 en 20:10.
‘De tweede dood’: zie 2:11, 20:6 en 20:14.
Met dit vers eindigt de rode tekst die in vers 6 begon.
Zie ook Openb. 2:11; Openb. 17:4; Openb. 19:20; Openb. 20:10; Openb. 20:14; Openb. 22:15.
De SBLGNT markeert bij ἀπίστοις (apistois), ‘ongelovigen’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De bruid, de vrouw van het Lam
Deze zin lijkt op 17:1: ook daar komt een van de 7 engelen die de 7 schalen hadden, om iets te laten zien.
‘De bruid, de vrouw van het Lam’ (τὴν νύμφην τὴν γυναῖκα τοῦ ἀρνίου): de bruid wordt hier ‘de vrouw’ genoemd; vergelijk 19:7.
De engel zegt: ‘de bruid’, en wat Johannes ziet is de stad (vers 10).
Zie ook Openb. 17:1; Openb. 19:7.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden τῶν γεμόντων (ton gemonton), ‘die vol waren’ en de woorden νύμφην τὴν γυναῖκα (nymfen ten gynaika), ‘bruid de vrouw’.
Wij volgen de SBLGNT.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda; de berg Sion wordt van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Let op: in Hebreeën 12:22 en Openbaring 3:12 en 21 gaat het om het hemelse of nieuwe Jeruzalem; het kaartpunt is het aardse Jeruzalem.
‘In de Geest’ (ἐν πνεύματι, en pneumati): zoals in 1:10, 4:2 en 17:3.
‘Een grote en hoge berg’: vergelijk Ezech. 40:2, waar ook een gezicht van een stad op een zeer hoge berg wordt gegeven.
De stad is hier ‘de heilige stad Jeruzalem’; in vers 2 stond ‘een nieuw Jeruzalem’.
Zie ook Ezech. 40:2; Openb. 1:10; Openb. 4:2; Openb. 17:3; Openb. 21:2.
De SBLGNT markeert bij πόλιν (polin), ‘stad’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: zoals in 15:8. φωστήρ (foster), ‘lichtbron, lichtgever’: dat wat licht geeft; het woord komt alleen hier in Openbaring voor, en in Fil. 2:15 voor de lichten in de wereld.
De vergelijking is met ἴασπις (iaspis), ‘jaspis’, en κρυσταλλίζω (krystallizo), ‘kristalhelder zijn’: de jaspis is hier doorzichtig.
Vergelijk 4:3, waar Hij die op de troon zit ‘als een jaspis’ is.
Zie ook Openb. 4:3; Openb. 15:8.
De stad is een vierkant (vers 16) met 12 poorten, 3 aan elke kant (vers 13).
‘De 12 stammen van de zonen van Israël’: de namen staan op de poorten.
Vergelijk Ezech. 48:30–35, waar de poorten van de stad de namen van de stammen van Israël dragen.
Vergelijk 7:4–8.
Zie ook Ezech. 48:30; Ezech. 48:31; Ezech. 48:32; Ezech. 48:33; Ezech. 48:34; Ezech. 48:35; Openb. 7:4.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden τοῖς πυλῶσιν (tois pylosin), ‘de poorten’; ἐστιν (estin), ‘zijn’ en φυλῶν (fylon), ‘stammen’.
Wij volgen de SBLGNT.
De volgorde in het Grieks is: oosten, noorden, zuiden, westen. ἀνατολή (anatole), ‘opkomst’ (van de zon): het oosten; δυσμαί (dysmai), ‘ondergang’: het westen.
Vergelijk Ezech. 48:31–34, waar elke kant 3 poorten heeft.
Zie ook Ezech. 48:31; Ezech. 48:32; Ezech. 48:33; Ezech. 48:34.
De SBLGNT markeert bij ἀνατολῆς (anatoles), ‘oosten’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
θεμέλιος (themelios), ‘fundering’.
‘De 12 apostelen van het Lam’: het Grieks noemt hier de twaalf bij hun naam niet.
Vergelijk Ef. 2:20, waar de gemeente is gebouwd op de fundering van de apostelen en profeten.
Zie ook Ef. 2:20; Matt. 10:2.
De SBLGNT markeert bij ἔχων (echon), ‘hebbend’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De maten van de stad
μέτρον (metron), ‘maat’; κάλαμος (kalamos), ‘rietstok’: een riet dat als maatstaf gebruikt werd; zie ook 11:1, waar Johannes een rietstok krijgt, en Ezech. 40:3, waar de man een meetsnoer en een meetriet heeft.
Hier is de rietstok van goud.
Zie ook Ezech. 40:3; Zach. 2:5; Openb. 11:1.
τετράγωνος (tetragonos), ‘vierkant’.
Het Grieks heeft ‘12 duizendtallen stadiën’: 12.000 stadiën.
Een stadie is ongeveer 185 m; 12.000 stadiën zijn dan ongeveer 2200 km.
Het Grieks zegt niet duidelijk of dit de omtrek van de stad is of de lengte van elke zijde; wij vertalen wat er staat: ‘12.000 stadiën’ en laten ‘lengte, breedte, hoogte’ gelijk zijn (ἴσα, isa).
Wij rekenen niet verder.
Vergelijk Ezech. 48:16, waar de stad 4500 maten is aan elke zijde.
Zie ook Ezech. 48:16; Ezech. 48:30–35.
De SBLGNT markeert hier varianten bij ὅσον (hoson), ‘zoveel als’; σταδίους (stadious), ‘stadiën’ en χιλιάδων (chiliadon), ‘duizendtallen’.
Wij volgen de SBLGNT.
πῆχυς (pechys), ‘el’: de afstand van de elleboog tot de top van de middelvinger, ongeveer 45 cm; 144 el zijn dan ongeveer 65 m.
Het Grieks zegt niet of dit de hoogte of de dikte van de muur is; wij vertalen wat er staat.
‘Een mensenmaat, dat is een engelenmaat’ (μέτρον ἀνθρώπου, ὅ ἐστιν ἀγγέλου): de maat die de engel gebruikt, is een menselijke maat. 144 is 12 × 12.
De muur, de funderingen en de poorten
ἐνδώμησις (endomesis), ‘bouw, bouwwerk’: in het Nieuwe Testament komt het woord alleen hier voor; het gaat om het materiaal waarmee de muur is opgetrokken. ἴασπις (iaspis), ‘jaspis’. χρυσίον καθαρόν (chrysion katharon), ‘zuiver goud’; ὕαλος (hyalos), ‘glas’: zoals ‘een glazen zee’ in 4:6.
Het glas is ‘zuiver’, en ‘doorschijnend’ in vers 21.
Zie ook Openb. 4:6; Openb. 21:11; Openb. 21:21.
De SBLGNT markeert bij καὶ (kai), ‘en’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
De 12 stenen: ἴασπις, σάπφιρος, χαλκηδών, σμάραγδος (vers 19), σαρδόνυξ, σάρδιον, χρυσόλιθος, βήρυλλος, τοπάζιον, χρυσόπρασος, ὑάκινθος, ἀμέθυστος (vers 20).
Wij geven de gangbare Nederlandse namen weer; bij sommige is niet zeker welke steen de Griekse naam bedoelt, want de oude namen van stenen komen niet altijd overeen met de onze.
Vergelijk de 12 stenen op de borstplaat van de hogepriester in Exod. 28:17–20; in onze vertaling daar staan de stenen in een andere volgorde en met deels andere namen.
Zie ook Exod. 28:17; Exod. 28:18; Exod. 28:19; Exod. 28:20; Jes. 54:11–12.
De SBLGNT markeert bij οἱ (hoi), ‘de’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Zie de Uitleg bij vers 19.
De opsomming loopt van vers 19 door; de rangtelwoorden (de vijfde tot en met de twaalfde) staan hier in letters.
Zie ook Exod. 28:17–20; Openb. 21:19.
μαργαρίτης (margarites), ‘parel’. ἀνὰ εἷς ἕκαστος (ana heis hekastos), ‘ieder afzonderlijk, één voor één’. πλατεῖα (plateia), ‘straat, brede weg’; het Grieks heeft het enkelvoud; vergelijk 22:2. διαυγής (diauges), ‘doorschijnend’: letterlijk ‘waar het licht doorheen komt’.
Zie ook Openb. 22:2; Jes. 54:12.
Geen heiligdom: Elohim en het Lam
ναός (naos), ‘heiligdom’: in 11:1–2 en 15:5 is er een heiligdom; hier is het ‘de Heer, Elohim, de Almachtige’ zelf.
Wij schrijven ‘Yahweh Elohim, de Almachtige’ (κύριος ὁ θεὸς ὁ παντοκράτωρ, kyrios ho theos ho pantokrator), zoals in 1:8 en 4:8.
Het Lam staat naast Hem als heiligdom.
Zie ook Openb. 1:8; Openb. 4:8; Openb. 11:19; Openb. 15:5.
χρεία (chreia), ‘behoefte, nodig hebben’. φωτίζω (fotizo), ‘verlichten’. λύχνος (lychnos), ‘lamp’: haar lamp is het Lam.
Vergelijk Jes. 60:19–20, waar de zon en de maan niet meer nodig zijn omdat Yahweh het eeuwige licht is.
Zie ook Jes. 60:19; Jes. 60:20; Openb. 22:5.
περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’.
‘Door haar licht’ (διὰ τοῦ φωτὸς αὐτῆς, dia tou fotos autes).
‘De koningen van de aarde’ brengen hun heerlijkheid: vergelijk Jes. 60:3 en Jes. 60:11, waar koningen en volken naar het licht van Jeruzalem komen.
Zie ook Jes. 60:3; Jes. 60:11; Ps. 72:10–11; Openb. 21:26.
De SBLGNT markeert bij de woorden τὴν δόξαν αὐτῶν (ten doxan auton), ‘de heerlijkheid hun’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
οὐ μὴ κλεισθῶσιν (ou me kleisthosin), ‘zullen beslist niet gesloten worden’: de dubbele ontkenning is sterk.
De poorten staan ‘overdag’ open, en ‘nacht zal er niet zijn’: dus altijd.
Vergelijk Jes. 60:11 en Openb. 22:5.
Zie ook Jes. 60:11; Openb. 22:5.
τιμή (time), ‘eer, kostbaarheid’: wat het meest waardevol is bij de volken.
Vergelijk Jes. 60:5–6 en 60:11.
Zie ook Jes. 60:5; Jes. 60:6; Openb. 21:24.
κοινός (koinos), ‘gewoon, onrein’: wat gemeen is, het tegengestelde van heilig. βδέλυγμα (bdelygma), ‘gruwel’; ψεῦδος (pseudos), ‘leugen’.
‘Het boek van het leven van het Lam’: zie 13:8 en 20:12.
Vergelijk Jes. 52:1 en Jes. 35:8.
Zie ook Jes. 35:8; Jes. 52:1; Openb. 13:8; Openb. 20:12; Openb. 22:14; Openb. 22:15.
De SBLGNT markeert bij ποιῶν (poion), ‘doend’ een variant.
Wij volgen de SBLGNT.