Elohim Bijbel

Openbaring 21

12345678910111213141516171819202122

De nieuwe hemel en de nieuwe aarde, het nieuwe Jeruzalem, de bruid van het Lam: haar muren, poorten en maten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

1En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde zijn weggegaan, en de zee is er niet meer.
Καὶ
(Kai)
En
εἶδον
(eidon)
ik zag
οὐρανὸν
(ouranon)
hemel
καινὸν
(kainon)
nieuwe
καὶ
(kai)
en
γῆν
(gen)
aarde
καινήν
(kainen)
nieuwe
ὁ
(ho)
de
γὰρ
(gar)
want
πρῶτος
(protos)
eerste
οὐρανὸς
(ouranos)
hemel
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
πρώτη
(prote)
eerste
γῆ
(ge)
aarde
ἀπῆλθαν
(apelthan)
gingen weg
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
θάλασσα
(thalassa)
zee
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ἔτι
(eti)
meer
Bron: SBLGNT
Uitleg

καινός (kainos), ‘nieuw’: nieuw van aard, niet alleen later in de tijd; hetzelfde woord als in ‘een nieuwe naam’ (2:17, 3:12) en ‘een nieuw lied’ (5:9). ἀπῆλθαν (apelthan), ‘zijn weggegaan’: de eerste hemel en de eerste aarde.

‘De zee is er niet meer’: de zee waaruit het beest opkwam (13:1).

Vergelijk Jes. 65:17 en Jes. 66:22, en 2 Petr. 3:13.

Zie ook Jes. 65:17; Jes. 66:22; 2 Petr. 3:13; Openb. 13:1.

2En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, neerdalen uit de hemel, van Elohim, toebereid als een bruid, getooid voor haar man.
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
τὴν
(ten)
de
ἁγίαν
(hagian)
heilige
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
καινὴν
(kainen)
nieuwe
εἶδον
(eidon)
ik zag
καταβαίνουσαν
(katabainousan)
neerdalend
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἡτοιμασμένην
(hetoimasmenen)
toebereid
ὡς
(hos)
als
νύμφην
(nymphen)
bruid
κεκοσμημένην
(kekosmemenen)
getooid
τῷ
(to)
voor de
ἀνδρὶ
(andri)
man
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda; de berg Sion wordt van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Let op: in Hebreeën 12:22 en Openbaring 3:12 en 21 gaat het om het hemelse of nieuwe Jeruzalem; het kaartpunt is het aardse Jeruzalem.

Uitleg

‘Een nieuw Jeruzalem’: καινὴν (kainen) staat achter ‘Jeruzalem’ en hoort bij de stad; zie ook 3:12. ἡτοιμασμένην (hetoimasmenen), ‘toebereid’: zoals de bruid in 19:7. κεκοσμημένην (kekosmemenen), ‘getooid, versierd’. νύμφη (nymfe), ‘bruid’.

Zie ook Openb. 3:12; Openb. 19:7; Jes. 52:1; Jes. 61:10.

3En ik hoorde een grote stem uit de troon zeggen: „Zie, de tent van Elohim is bij de mensen. Hij zal bij hen tenten, en zij zullen Zijn volkeren zijn, en Elohim Zelf zal bij hen zijn.
καὶ
(kai)
en
ἤκουσα
(ekousa)
ik hoorde
φωνῆς
(phones)
stem
μεγάλης
(megales)
grote
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
θρόνου
(thronou)
troon
λεγούσης
(legouses)
zeggend
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἡ
(he)
de
σκηνὴ
(skene)
tent
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
καὶ
(kai)
en
σκηνώσει
(skenosei)
zal tenten
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zij
λαοὶ
(laoi)
volkeren
αὐτοῦ
(autou)
van Hem
ἔσονται
(esontai)
zullen zijn
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
ἔσται
(estai)
zal zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

σκηνή (skene), ‘tent’: de verblijfplaats; het werkwoord σκηνόω (skenoo), ‘tenten’, is gebaseerd op hetzelfde woord.

Het Grieks heeft λαοί (laoi), ‘volkeren’, in het meervoud; wij schrijven ‘volkeren’ om het meervoud te laten zien; ἔθνη (ethne) is in 21:24 en 21:26 ‘volken’.

Vergelijk Lev. 26:11–12; Ezech. 37:27; Zach. 2:14–15.

De woorden van de stem lopen door tot en met vers 4.

Zie ook Lev. 26:11; Lev. 26:12; Ezech. 37:27; Zach. 2:14; Openb. 7:15.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij θρόνου (thronou), ‘troon’; λαοὶ (laoi), ‘volkeren’ en de woorden μετ’ αὐτῶν ἔσται (met auton estai), ‘met hen zal zijn’.

Wij volgen de SBLGNT.

4En Hij zal elke traan uit hun ogen afwissen. En de dood zal er niet meer zijn. Noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er nog zijn. De eerste dingen zijn weggegaan.”
καὶ
(kai)
en
ἐξαλείψει
(exaleipsei)
zal afwissen
πᾶν
(pan)
elke
δάκρυον
(dakryon)
traan
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ὀφθαλμῶν
(ophthalmon)
ogen
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θάνατος
(thanatos)
dood
οὐκ
(ouk)
niet
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἔτι
(eti)
meer
οὔτε
(oute)
noch
πένθος
(penthos)
rouw
οὔτε
(oute)
noch
κραυγὴ
(krauge)
geschreeuw
οὔτε
(oute)
noch
πόνος
(ponos)
pijn
οὐκ
(ouk)
niet
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἔτι
(eti)
meer
τὰ
(ta)
de
πρῶτα
(prota)
eerste dingen
ἀπῆλθαν
(apelthan)
gingen weg
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξαλείφω (exaleifo), ‘afwissen, uitwissen’: zoals in 7:17.

‘De dood zal er niet meer zijn’: vergelijk Jes. 25:8. πένθος (penthos), ‘rouw’; κραυγή (krauge), ‘geschreeuw’; πόνος (ponos), ‘pijn’.

‘De eerste dingen’ (τὰ πρῶτα, ta prota): wat voorafging, zoals de eerste hemel en de eerste aarde in vers 1.

Zie ook Jes. 25:8; Jes. 65:19; Openb. 7:17.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij ἐκ (ek), ‘uit’ en ἔτι (eti), ‘meer’.

Wij volgen de SBLGNT.

5En Hij die op de troon zit, zei: „Zie, Ik maak alles nieuw.” En Hij zegt: „Schrijf, want deze woorden zijn trouw en waar.”
Καὶ
(Kai)
En
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
Hij die
καθήμενος
(kathemenos)
zit
ἐπὶ
(epi)
op
τῷ
(to)
de
θρόνῳ
(throno)
troon
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
καινὰ
(kaina)
nieuwe
ποιῶ
(poio)
ik maak
πάντα
(panta)
alles
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
Hij zegt
Γράψον
(Grapson)
schrijf
ὅτι
(hoti)
want
οὗτοι
(houtoi)
deze
οἱ
(hoi)
de
λόγοι
(logoi)
woorden
πιστοὶ
(pistoi)
trouw
καὶ
(kai)
en
ἀληθινοί
(alethinoi)
waar
εἰσιν
(eisin)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Hier spreekt Hij die op de troon zit zelf (vergelijk 1:8). καινά (kaina), ‘nieuw’: ‘Ik maak alles nieuw’, niet ‘Ik maak nieuwe dingen’. γράψον (grapson), ‘schrijf’: zoals in 1:19, 14:13 en 19:9. πιστός (pistos), ‘trouw’; ἀληθινός (alethinos), ‘waar’ (zoals in 3:14: ‘de trouwe en ware Getuige’).

Vergelijk Jes. 43:19.

Zie ook Jes. 43:19; Openb. 1:19; Openb. 14:13; Openb. 19:9.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden καινὰ ποιῶ πάντα (kaina poio panta), ‘nieuwe ik maak alles’; λέγει (legei), ‘Hij zegt’ en de woorden πιστοὶ καὶ ἀληθινοί (pistoi kai alethinoi), ‘trouw en waar’.

Wij volgen de SBLGNT.

6En Hij zei tot mij: „Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Aan wie dorst heeft, zal Ik geven uit de bron van het water van het leven, om niet.
καὶ
(kai)
en
εἶπέν
(eipen)
zei
μοι
(moi)
tot mij
Γέγοναν
(Gegonan)
het is geschied
ἐγὼ
(ego)
Ik
τὸ
(to)
de
Ἄλφα
(Alpha)
Alfa
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
Ὦ
(O)
Omega
ἡ
(he)
het
ἀρχὴ
(arche)
begin
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
τέλος
(telos)
einde
ἐγὼ
(ego)
Ik
τῷ
(to)
aan hem die
διψῶντι
(dipsonti)
dorst
δώσω
(doso)
zal geven
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
πηγῆς
(peges)
bron
τοῦ
(tou)
van het
ὕδατος
(hydatos)
water
τῆς
(tes)
van het
ζωῆς
(zoes)
leven
δωρεάν
(dorean)
om niet
Bron: SBLGNT
Uitleg

γέγοναν (gegonan), ‘het is geschied’: het werkwoord γίνομαι (ginomai), ‘worden, geschieden’; vergelijk 16:17, ‘Het is geschied’.

Het werkwoord staat hier in het meervoud (‘zij zijn geschied’), in 16:17 in het enkelvoud.

‘Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde’: zoals in 1:8 en 22:13.

Alfa en Omega zijn de eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet. διψάω (dipsao), ‘dorst hebben’; πηγὴ τοῦ ὕδατος τῆς ζωῆς (pege tou hydatos tes zoes), ‘de bron van het water van het leven’: zie 7:17 en 22:1. δωρεάν (dorean), ‘om niet, voor niets’.

Vergelijk Jes. 55:1; Joh. 4:10; Joh. 7:37.

De rode tekst loopt door in de verzen 7 en 8.

Zie ook Jes. 55:1; Joh. 4:10; Joh. 7:37; Openb. 1:8; Openb. 7:17; Openb. 16:17; Openb. 22:1; Openb. 22:13.

Lezing

De SBLGNT markeert bij de woorden Γέγοναν ἐγὼ (gegonan ego), ‘het is geschied Ik’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

7Wie overwint, zal deze dingen erven, en Ik zal hem tot Elohim zijn, en hij zal Mij tot zoon zijn.
ὁ
(ho)
hij die
νικῶν
(nikon)
overwint
κληρονομήσει
(kleronomesei)
zal erven
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
καὶ
(kai)
en
ἔσομαι
(esomai)
Ik zal zijn
αὐτῷ
(auto)
voor hem
θεὸς
(theos)
Elohim
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
hij
ἔσται
(estai)
zal zijn
μοι
(moi)
voor mij
υἱός
(huios)
zoon
Bron: SBLGNT
Uitleg

νικάω (nikao), ‘overwinnen’: de belofte aan wie overwint (2:7, 2:11, 2:17, 2:26, 3:5, 3:12, 3:21).

‘Ik zal hem tot Elohim zijn, en hij zal Mij tot zoon zijn’: de taal van 2 Sam. 7:14 en Ps. 89:27–28.

Het Grieks heeft ‘zoon’ (υἱός, huios), in het enkelvoud.

Zie ook 2 Sam. 7:14; Ps. 89:27; Openb. 2:7; Openb. 3:21.

8Maar voor de lafaards en ongelovigen en met gruwel bevlekten, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars is hun deel in het meer dat brandt van vuur en zwavel. Dat is de tweede dood.”
τοῖς
(tois)
aan de
δὲ
(de)
maar
δειλοῖς
(deilois)
lafaards
καὶ
(kai)
en
ἀπίστοις
(apistois)
ongelovigen
καὶ
(kai)
en
ἐβδελυγμένοις
(ebdelygmenois)
met gruwel bevlekten
καὶ
(kai)
en
φονεῦσι
(phoneusi)
moordenaars
καὶ
(kai)
en
πόρνοις
(pornois)
ontuchtplegers
καὶ
(kai)
en
φαρμάκοις
(pharmakois)
tovenaars
καὶ
(kai)
en
εἰδωλολάτραις
(eidololatrais)
afgodendienaars
καὶ
(kai)
en
πᾶσι
(pasi)
aan alle
τοῖς
(tois)
de
ψευδέσιν
(pseudesin)
leugenaars
τὸ
(to)
het
μέρος
(meros)
deel
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
λίμνῃ
(limne)
meer
τῇ
(te)
dat
καιομένῃ
(kaiomene)
brandt
πυρὶ
(pyri)
met vuur
καὶ
(kai)
en
θείῳ
(theio)
zwavel
ὅ
(ho)
wat
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
θάνατος
(thanatos)
dood
ὁ
(ho)
de
δεύτερος
(deuteros)
tweede
Bron: SBLGNT
Uitleg

De lijst begint met δειλοῖς (deilois), ‘lafaards’: wie uit angst niet standhoudt. ἀπίστοις (apistois), ‘ongelovigen’; ἐβδελυγμένοις (ebdelygmenois), ‘met gruwel bevlekten’: wie door βδέλυγμα (bdelygma), ‘gruwel’, besmet zijn (17:4–5). φονεῦσι (foneusi), ‘moordenaars’; πόρνοις (pornois), ‘ontuchtplegers’; φαρμάκοις (farmakois), ‘tovenaars’; εἰδωλολάτραις (eidololatrais), ‘afgodendienaars’; ψευδέσιν (pseudesin), ‘leugenaars’.

‘Het meer dat brandt van vuur en zwavel’: zie 19:20 en 20:10.

‘De tweede dood’: zie 2:11, 20:6 en 20:14.

Met dit vers eindigt de rode tekst die in vers 6 begon.

Zie ook Openb. 2:11; Openb. 17:4; Openb. 19:20; Openb. 20:10; Openb. 20:14; Openb. 22:15.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἀπίστοις (apistois), ‘ongelovigen’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

De bruid, de vrouw van het Lam

9En een van de 7 engelen die de 7 schalen hadden, vol van de 7 laatste plagen, kwam en sprak met mij. Hij zei: „Kom, ik zal je de bruid laten zien, de vrouw van het Lam.”
Καὶ
(Kai)
En
ἦλθεν
(elthen)
kwam
εἷς
(heis)
een
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ἑπτὰ
(hepta)
7
ἀγγέλων
(angelon)
engelen
τῶν
(ton)
die
ἐχόντων
(echonton)
hadden
τὰς
(tas)
de
ἑπτὰ
(hepta)
7
φιάλας
(phialas)
schalen
τῶν
(ton)
die
γεμόντων
(gemonton)
vol waren
τῶν
(ton)
de
ἑπτὰ
(hepta)
7
πληγῶν
(plegon)
plagen
τῶν
(ton)
de
ἐσχάτων
(eschaton)
laatste
καὶ
(kai)
en
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
mij
λέγων
(legon)
zeggend
Δεῦρο
(Deuro)
kom
δείξω
(deixo)
ik zal laten zien
σοι
(soi)
aan je
τὴν
(ten)
de
νύμφην
(nymphen)
bruid
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
τοῦ
(tou)
van het
ἀρνίου
(arniou)
Lam
Bron: SBLGNT
Uitleg

Deze zin lijkt op 17:1: ook daar komt een van de 7 engelen die de 7 schalen hadden, om iets te laten zien.

‘De bruid, de vrouw van het Lam’ (τὴν νύμφην τὴν γυναῖκα τοῦ ἀρνίου): de bruid wordt hier ‘de vrouw’ genoemd; vergelijk 19:7.

De engel zegt: ‘de bruid’, en wat Johannes ziet is de stad (vers 10).

Zie ook Openb. 17:1; Openb. 19:7.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden τῶν γεμόντων (ton gemonton), ‘die vol waren’ en de woorden νύμφην τὴν γυναῖκα (nymfen ten gynaika), ‘bruid de vrouw’.

Wij volgen de SBLGNT.

10En hij voerde mij in de Geest weg naar een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad Jeruzalem, die neerdaalde uit de hemel, van Elohim.
καὶ
(kai)
en
ἀπήνεγκέν
(apenenken)
voerde weg
με
(me)
mij
ἐν
(en)
in
πνεύματι
(pneumati)
Geest
ἐπὶ
(epi)
op
ὄρος
(oros)
berg
μέγα
(mega)
grote
καὶ
(kai)
en
ὑψηλόν
(hypselon)
hoge
καὶ
(kai)
en
ἔδειξέν
(edeixen)
toonde
μοι
(moi)
mij
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
τὴν
(ten)
de
ἁγίαν
(hagian)
heilige
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
καταβαίνουσαν
(katabainousan)
neerdalend
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda; de berg Sion wordt van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Let op: in Hebreeën 12:22 en Openbaring 3:12 en 21 gaat het om het hemelse of nieuwe Jeruzalem; het kaartpunt is het aardse Jeruzalem.

Uitleg

‘In de Geest’ (ἐν πνεύματι, en pneumati): zoals in 1:10, 4:2 en 17:3.

‘Een grote en hoge berg’: vergelijk Ezech. 40:2, waar ook een gezicht van een stad op een zeer hoge berg wordt gegeven.

De stad is hier ‘de heilige stad Jeruzalem’; in vers 2 stond ‘een nieuw Jeruzalem’.

Zie ook Ezech. 40:2; Openb. 1:10; Openb. 4:2; Openb. 17:3; Openb. 21:2.

Lezing

De SBLGNT markeert bij πόλιν (polin), ‘stad’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

11Zij had de heerlijkheid van Elohim. Haar lichtbron was gelijk aan een zeer kostbare steen, als een kristalheldere jaspis.
ἔχουσαν
(echousan)
hebbend
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ὁ
(ho)
de
φωστὴρ
(phoster)
lichtbron
αὐτῆς
(autes)
haar
ὅμοιος
(homoios)
gelijk
λίθῳ
(litho)
aan steen
τιμιωτάτῳ
(timiotato)
zeer kostbare
ὡς
(hos)
als
λίθῳ
(litho)
steen
ἰάσπιδι
(iaspidi)
jaspis
κρυσταλλίζοντι
(krystallizonti)
kristalhelder
Bron: SBLGNT
Uitleg

δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: zoals in 15:8. φωστήρ (foster), ‘lichtbron, lichtgever’: dat wat licht geeft; het woord komt alleen hier in Openbaring voor, en in Fil. 2:15 voor de lichten in de wereld.

De vergelijking is met ἴασπις (iaspis), ‘jaspis’, en κρυσταλλίζω (krystallizo), ‘kristalhelder zijn’: de jaspis is hier doorzichtig.

Vergelijk 4:3, waar Hij die op de troon zit ‘als een jaspis’ is.

Zie ook Openb. 4:3; Openb. 15:8.

12Zij had een grote en hoge muur, met 12 poorten, en bij de poorten 12 engelen, en namen die erop geschreven waren: de namen van de 12 stammen van de zonen van Israël.
ἔχουσα
(echousa)
hebbend
τεῖχος
(teichos)
muur
μέγα
(mega)
grote
καὶ
(kai)
en
ὑψηλόν
(hypselon)
hoge
ἔχουσα
(echousa)
hebbend
πυλῶνας
(pylonas)
poorten
δώδεκα
(dodeka)
12
καὶ
(kai)
en
ἐπὶ
(epi)
op
τοῖς
(tois)
de
πυλῶσιν
(pylosin)
poorten
ἀγγέλους
(angelous)
engelen
δώδεκα
(dodeka)
12
καὶ
(kai)
en
ὀνόματα
(onomata)
namen
ἐπιγεγραμμένα
(epigegrammena)
opgeschreven
ἅ
(ha)
die
ἐστιν
(estin)
zijn
τῶν
(ton)
van de
δώδεκα
(dodeka)
12
φυλῶν
(phylon)
stammen
υἱῶν
(huion)
zonen
Ἰσραήλ
(Israel)
van Israël
Bron: SBLGNT
Uitleg

De stad is een vierkant (vers 16) met 12 poorten, 3 aan elke kant (vers 13).

‘De 12 stammen van de zonen van Israël’: de namen staan op de poorten.

Vergelijk Ezech. 48:30–35, waar de poorten van de stad de namen van de stammen van Israël dragen.

Vergelijk 7:4–8.

Zie ook Ezech. 48:30; Ezech. 48:31; Ezech. 48:32; Ezech. 48:33; Ezech. 48:34; Ezech. 48:35; Openb. 7:4.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden τοῖς πυλῶσιν (tois pylosin), ‘de poorten’; ἐστιν (estin), ‘zijn’ en φυλῶν (fylon), ‘stammen’.

Wij volgen de SBLGNT.

13Aan de oostkant drie poorten, aan de noordkant drie poorten, aan de zuidkant drie poorten en aan de westkant drie poorten.
ἀπὸ
(apo)
aan
ἀνατολῆς
(anatoles)
oosten
πυλῶνες
(pylones)
poorten
τρεῖς
(treis)
drie
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
aan
βορρᾶ
(borra)
noorden
πυλῶνες
(pylones)
poorten
τρεῖς
(treis)
drie
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
aan
νότου
(notou)
zuiden
πυλῶνες
(pylones)
poorten
τρεῖς
(treis)
drie
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
aan
δυσμῶν
(dysmon)
westen
πυλῶνες
(pylones)
poorten
τρεῖς
(treis)
drie
Bron: SBLGNT
Uitleg

De volgorde in het Grieks is: oosten, noorden, zuiden, westen. ἀνατολή (anatole), ‘opkomst’ (van de zon): het oosten; δυσμαί (dysmai), ‘ondergang’: het westen.

Vergelijk Ezech. 48:31–34, waar elke kant 3 poorten heeft.

Zie ook Ezech. 48:31; Ezech. 48:32; Ezech. 48:33; Ezech. 48:34.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἀνατολῆς (anatoles), ‘oosten’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

14En de muur van de stad had 12 funderingen, en daarop de 12 namen van de 12 apostelen van het Lam.
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
τεῖχος
(teichos)
muur
τῆς
(tes)
van de
πόλεως
(poleos)
stad
ἔχων
(echon)
hebbend
θεμελίους
(themelious)
funderingen
δώδεκα
(dodeka)
12
καὶ
(kai)
en
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτῶν
(auton)
hen
δώδεκα
(dodeka)
12
ὀνόματα
(onomata)
namen
τῶν
(ton)
van de
δώδεκα
(dodeka)
12
ἀποστόλων
(apostolon)
apostelen
τοῦ
(tou)
van het
ἀρνίου
(arniou)
Lam
Bron: SBLGNT
Uitleg

θεμέλιος (themelios), ‘fundering’.

‘De 12 apostelen van het Lam’: het Grieks noemt hier de twaalf bij hun naam niet.

Vergelijk Ef. 2:20, waar de gemeente is gebouwd op de fundering van de apostelen en profeten.

Zie ook Ef. 2:20; Matt. 10:2.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἔχων (echon), ‘hebbend’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

De maten van de stad

15En hij die met mij sprak, had als maat een gouden rietstok, om de stad te meten en haar poorten en haar muur.
Καὶ
(Kai)
En
ὁ
(ho)
hij die
λαλῶν
(lalon)
sprak
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
mij
εἶχεν
(eichen)
had
μέτρον
(metron)
maat
κάλαμον
(kalamon)
rietstok
χρυσοῦν
(chrysoun)
gouden
ἵνα
(hina)
opdat
μετρήσῃ
(metrese)
hij zou meten
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
πυλῶνας
(pylonas)
poorten
αὐτῆς
(autes)
haar
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
τεῖχος
(teichos)
muur
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

μέτρον (metron), ‘maat’; κάλαμος (kalamos), ‘rietstok’: een riet dat als maatstaf gebruikt werd; zie ook 11:1, waar Johannes een rietstok krijgt, en Ezech. 40:3, waar de man een meetsnoer en een meetriet heeft.

Hier is de rietstok van goud.

Zie ook Ezech. 40:3; Zach. 2:5; Openb. 11:1.

16En de stad ligt vierkant, en haar lengte is even groot als haar breedte. En hij mat de stad met de rietstok: 12.000 stadiën. De lengte en de breedte en haar hoogte zijn gelijk.
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
πόλις
(polis)
stad
τετράγωνος
(tetragonos)
vierkant
κεῖται
(keitai)
ligt
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
μῆκος
(mekos)
lengte
αὐτῆς
(autes)
haar
ὅσον
(hoson)
zoveel als
τὸ
(to)
de
πλάτος
(platos)
breedte
καὶ
(kai)
en
ἐμέτρησεν
(emetresen)
mat
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
τῷ
(to)
met de
καλάμῳ
(kalamo)
rietstok
ἐπὶ
(epi)
tot
σταδίους
(stadious)
stadiën
δώδεκα
(dodeka)
12
χιλιάδων
(chiliadon)
duizendtallen
τὸ
(to)
de
μῆκος
(mekos)
lengte
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
πλάτος
(platos)
breedte
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
ὕψος
(hypsos)
hoogte
αὐτῆς
(autes)
haar
ἴσα
(isa)
gelijk
ἐστίν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

τετράγωνος (tetragonos), ‘vierkant’.

Het Grieks heeft ‘12 duizendtallen stadiën’: 12.000 stadiën.

Een stadie is ongeveer 185 m; 12.000 stadiën zijn dan ongeveer 2200 km.

Het Grieks zegt niet duidelijk of dit de omtrek van de stad is of de lengte van elke zijde; wij vertalen wat er staat: ‘12.000 stadiën’ en laten ‘lengte, breedte, hoogte’ gelijk zijn (ἴσα, isa).

Wij rekenen niet verder.

Vergelijk Ezech. 48:16, waar de stad 4500 maten is aan elke zijde.

Zie ook Ezech. 48:16; Ezech. 48:30–35.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij ὅσον (hoson), ‘zoveel als’; σταδίους (stadious), ‘stadiën’ en χιλιάδων (chiliadon), ‘duizendtallen’.

Wij volgen de SBLGNT.

17En hij mat haar muur: 144 el, een mensenmaat, dat is een engelenmaat.
καὶ
(kai)
en
ἐμέτρησεν
(emetresen)
mat
τὸ
(to)
de
τεῖχος
(teichos)
muur
αὐτῆς
(autes)
haar
ἑκατὸν
(hekaton)
100
τεσσεράκοντα
(tesserakonta)
40
τεσσάρων
(tessaron)
4
πηχῶν
(pechon)
el
μέτρον
(metron)
maat
ἀνθρώπου
(anthropou)
van mens
ὅ
(ho)
wat
ἐστιν
(estin)
is
ἀγγέλου
(angelou)
van engel
Bron: SBLGNT
Uitleg

πῆχυς (pechys), ‘el’: de afstand van de elleboog tot de top van de middelvinger, ongeveer 45 cm; 144 el zijn dan ongeveer 65 m.

Het Grieks zegt niet of dit de hoogte of de dikte van de muur is; wij vertalen wat er staat.

‘Een mensenmaat, dat is een engelenmaat’ (μέτρον ἀνθρώπου, ὅ ἐστιν ἀγγέλου): de maat die de engel gebruikt, is een menselijke maat. 144 is 12 × 12.

De muur, de funderingen en de poorten

18En de bouw van haar muur was jaspis, en de stad was zuiver goud, gelijk aan zuiver glas.
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
ἐνδώμησις
(endomesis)
bouw
τοῦ
(tou)
van de
τείχους
(teichous)
muur
αὐτῆς
(autes)
haar
ἴασπις
(iaspis)
jaspis
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
πόλις
(polis)
stad
χρυσίον
(chrysion)
goud
καθαρὸν
(katharon)
zuiver
ὅμοιον
(homoion)
gelijk
ὑάλῳ
(hyalo)
aan glas
καθαρῷ
(katharo)
zuiver
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐνδώμησις (endomesis), ‘bouw, bouwwerk’: in het Nieuwe Testament komt het woord alleen hier voor; het gaat om het materiaal waarmee de muur is opgetrokken. ἴασπις (iaspis), ‘jaspis’. χρυσίον καθαρόν (chrysion katharon), ‘zuiver goud’; ὕαλος (hyalos), ‘glas’: zoals ‘een glazen zee’ in 4:6.

Het glas is ‘zuiver’, en ‘doorschijnend’ in vers 21.

Zie ook Openb. 4:6; Openb. 21:11; Openb. 21:21.

Lezing

De SBLGNT markeert bij καὶ (kai), ‘en’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

19De funderingen van de muur van de stad waren getooid met alle soorten kostbare steen: de eerste fundering was jaspis, de tweede saffier, de derde chalcedoon, de vierde smaragd,
οἱ
(hoi)
de
θεμέλιοι
(themelioi)
funderingen
τοῦ
(tou)
van de
τείχους
(teichous)
muur
τῆς
(tes)
van de
πόλεως
(poleos)
stad
παντὶ
(panti)
met elke
λίθῳ
(litho)
steen
τιμίῳ
(timio)
kostbare
κεκοσμημένοι
(kekosmemenoi)
getooid
ὁ
(ho)
de
θεμέλιος
(themelios)
fundering
ὁ
(ho)
de
πρῶτος
(protos)
eerste
ἴασπις
(iaspis)
jaspis
ὁ
(ho)
de
δεύτερος
(deuteros)
tweede
σάπφιρος
(sapphiros)
saffier
ὁ
(ho)
de
τρίτος
(tritos)
derde
χαλκηδών
(chalkedon)
chalcedoon
ὁ
(ho)
de
τέταρτος
(tetartos)
vierde
σμάραγδος
(smaragdos)
smaragd
Bron: SBLGNT
Uitleg

De 12 stenen: ἴασπις, σάπφιρος, χαλκηδών, σμάραγδος (vers 19), σαρδόνυξ, σάρδιον, χρυσόλιθος, βήρυλλος, τοπάζιον, χρυσόπρασος, ὑάκινθος, ἀμέθυστος (vers 20).

Wij geven de gangbare Nederlandse namen weer; bij sommige is niet zeker welke steen de Griekse naam bedoelt, want de oude namen van stenen komen niet altijd overeen met de onze.

Vergelijk de 12 stenen op de borstplaat van de hogepriester in Exod. 28:17–20; in onze vertaling daar staan de stenen in een andere volgorde en met deels andere namen.

Zie ook Exod. 28:17; Exod. 28:18; Exod. 28:19; Exod. 28:20; Jes. 54:11–12.

Lezing

De SBLGNT markeert bij οἱ (hoi), ‘de’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

20de vijfde sardonyx, de zesde sardius, de zevende chrysoliet, de achtste beril, de negende topaas, de tiende chrysopraas, de elfde hyacint, de twaalfde amethist.
ὁ
(ho)
de
πέμπτος
(pemptos)
vijfde
σαρδόνυξ
(sardonyx)
sardonyx
ὁ
(ho)
de
ἕκτος
(hektos)
zesde
σάρδιον
(sardion)
sardius
ὁ
(ho)
de
ἕβδομος
(hebdomos)
zevende
χρυσόλιθος
(chrysolithos)
chrysoliet
ὁ
(ho)
de
ὄγδοος
(ogdoos)
achtste
βήρυλλος
(beryllos)
beril
ὁ
(ho)
de
ἔνατος
(enatos)
negende
τοπάζιον
(topazion)
topaas
ὁ
(ho)
de
δέκατος
(dekatos)
tiende
χρυσόπρασος
(chrysoprasos)
chrysopraas
ὁ
(ho)
de
ἑνδέκατος
(hendekatos)
elfde
ὑάκινθος
(hyakinthos)
hyacint
ὁ
(ho)
de
δωδέκατος
(dodekatos)
twaalfde
ἀμέθυστος
(amethystos)
amethist
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie de Uitleg bij vers 19.

De opsomming loopt van vers 19 door; de rangtelwoorden (de vijfde tot en met de twaalfde) staan hier in letters.

Zie ook Exod. 28:17–20; Openb. 21:19.

21En de 12 poorten waren 12 parels, elke poort afzonderlijk was uit één parel. En de straat van de stad was zuiver goud, als doorschijnend glas.
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
δώδεκα
(dodeka)
12
πυλῶνες
(pylones)
poorten
δώδεκα
(dodeka)
12
μαργαρῖται
(margaritai)
parels
ἀνὰ
(ana)
elk
εἷς
(heis)
een
ἕκαστος
(hekastos)
ieder
τῶν
(ton)
van de
πυλώνων
(pylonon)
poorten
ἦν
(en)
was
ἐξ
(ex)
uit
ἑνὸς
(henos)
één
μαργαρίτου
(margaritou)
parel
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
πλατεῖα
(plateia)
straat
τῆς
(tes)
van de
πόλεως
(poleos)
stad
χρυσίον
(chrysion)
goud
καθαρὸν
(katharon)
zuiver
ὡς
(hos)
als
ὕαλος
(hyalos)
glas
διαυγής
(diauges)
doorschijnend
Bron: SBLGNT
Uitleg

μαργαρίτης (margarites), ‘parel’. ἀνὰ εἷς ἕκαστος (ana heis hekastos), ‘ieder afzonderlijk, één voor één’. πλατεῖα (plateia), ‘straat, brede weg’; het Grieks heeft het enkelvoud; vergelijk 22:2. διαυγής (diauges), ‘doorschijnend’: letterlijk ‘waar het licht doorheen komt’.

Zie ook Openb. 22:2; Jes. 54:12.

Geen heiligdom: Elohim en het Lam

22En ik zag geen heiligdom in haar, want Yahweh Elohim, de Almachtige, is haar heiligdom, en het Lam.
Καὶ
(Kai)
En
ναὸν
(naon)
heiligdom
οὐκ
(ouk)
niet
εἶδον
(eidon)
ik zag
ἐν
(en)
in
αὐτῇ
(aute)
haar
ὁ
(ho)
de
γὰρ
(gar)
want
κύριος
(kyrios)
Yahweh
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
ὁ
(ho)
de
παντοκράτωρ
(pantokrator)
Almachtige
ναὸς
(naos)
heiligdom
αὐτῆς
(autes)
haar
ἐστιν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
ἀρνίον
(arnion)
Lam
Bron: SBLGNT
Uitleg

ναός (naos), ‘heiligdom’: in 11:1–2 en 15:5 is er een heiligdom; hier is het ‘de Heer, Elohim, de Almachtige’ zelf.

Wij schrijven ‘Yahweh Elohim, de Almachtige’ (κύριος ὁ θεὸς ὁ παντοκράτωρ, kyrios ho theos ho pantokrator), zoals in 1:8 en 4:8.

Het Lam staat naast Hem als heiligdom.

Zie ook Openb. 1:8; Openb. 4:8; Openb. 11:19; Openb. 15:5.

23En de stad heeft de zon en de maan niet nodig om op haar te schijnen, want de heerlijkheid van Elohim heeft haar verlicht, en haar lamp is het Lam.
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
πόλις
(polis)
stad
οὐ
(ou)
niet
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχει
(echei)
heeft
τοῦ
(tou)
van de
ἡλίου
(heliou)
zon
οὐδὲ
(oude)
noch
τῆς
(tes)
van de
σελήνης
(selenes)
maan
ἵνα
(hina)
opdat
φαίνωσιν
(phainosin)
zij schijnen
αὐτῇ
(aute)
op haar
ἡ
(he)
de
γὰρ
(gar)
want
δόξα
(doxa)
heerlijkheid
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐφώτισεν
(ephotisen)
verlichtte
αὐτήν
(auten)
haar
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
λύχνος
(lychnos)
lamp
αὐτῆς
(autes)
haar
τὸ
(to)
het
ἀρνίον
(arnion)
Lam
Bron: SBLGNT
Uitleg

χρεία (chreia), ‘behoefte, nodig hebben’. φωτίζω (fotizo), ‘verlichten’. λύχνος (lychnos), ‘lamp’: haar lamp is het Lam.

Vergelijk Jes. 60:19–20, waar de zon en de maan niet meer nodig zijn omdat Yahweh het eeuwige licht is.

Zie ook Jes. 60:19; Jes. 60:20; Openb. 22:5.

24En de volken zullen wandelen door haar licht, en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid in haar.
καὶ
(kai)
en
περιπατήσουσιν
(peripatesousin)
zullen wandelen
τὰ
(ta)
de
ἔθνη
(ethne)
volken
διὰ
(dia)
door
τοῦ
(tou)
het
φωτὸς
(photos)
licht
αὐτῆς
(autes)
haar
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
βασιλεῖς
(basileis)
koningen
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
φέρουσιν
(pherousin)
brengen
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
αὐτῶν
(auton)
hun
εἰς
(eis)
in
αὐτήν
(auten)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’.

‘Door haar licht’ (διὰ τοῦ φωτὸς αὐτῆς, dia tou fotos autes).

‘De koningen van de aarde’ brengen hun heerlijkheid: vergelijk Jes. 60:3 en Jes. 60:11, waar koningen en volken naar het licht van Jeruzalem komen.

Zie ook Jes. 60:3; Jes. 60:11; Ps. 72:10–11; Openb. 21:26.

Lezing

De SBLGNT markeert bij de woorden τὴν δόξαν αὐτῶν (ten doxan auton), ‘de heerlijkheid hun’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

25En haar poorten zullen overdag beslist niet gesloten worden, want daar zal geen nacht zijn.
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πυλῶνες
(pylones)
poorten
αὐτῆς
(autes)
haar
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
κλεισθῶσιν
(kleisthosin)
zullen gesloten worden
ἡμέρας
(hemeras)
overdag
νὺξ
(nyx)
nacht
γὰρ
(gar)
want
οὐκ
(ouk)
niet
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἐκεῖ
(ekei)
daar
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐ μὴ κλεισθῶσιν (ou me kleisthosin), ‘zullen beslist niet gesloten worden’: de dubbele ontkenning is sterk.

De poorten staan ‘overdag’ open, en ‘nacht zal er niet zijn’: dus altijd.

Vergelijk Jes. 60:11 en Openb. 22:5.

Zie ook Jes. 60:11; Openb. 22:5.

26En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de volken in haar brengen.
καὶ
(kai)
en
οἴσουσιν
(oisousin)
zullen brengen
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
τιμὴν
(timen)
eer
τῶν
(ton)
van de
ἐθνῶν
(ethnon)
volken
εἰς
(eis)
in
αὐτήν
(auten)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

τιμή (time), ‘eer, kostbaarheid’: wat het meest waardevol is bij de volken.

Vergelijk Jes. 60:5–6 en 60:11.

Zie ook Jes. 60:5; Jes. 60:6; Openb. 21:24.

27En er zal beslist niets onreins in haar binnengaan, en niemand die gruwel en leugen doet, behalve zij die geschreven staan in het boek van het leven van het Lam.
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
εἰσέλθῃ
(eiselthe)
zal binnengaan
εἰς
(eis)
in
αὐτὴν
(auten)
haar
πᾶν
(pan)
alles
κοινὸν
(koinon)
onreins
καὶ
(kai)
en
ποιῶν
(poion)
doend
βδέλυγμα
(bdelygma)
gruwel
καὶ
(kai)
en
ψεῦδος
(pseudos)
leugen
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
οἱ
(hoi)
de
γεγραμμένοι
(gegrammenoi)
geschrevenen
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
βιβλίῳ
(biblio)
boek
τῆς
(tes)
van het
ζωῆς
(zoes)
leven
τοῦ
(tou)
van het
ἀρνίου
(arniou)
Lam
Bron: SBLGNT
Uitleg

κοινός (koinos), ‘gewoon, onrein’: wat gemeen is, het tegengestelde van heilig. βδέλυγμα (bdelygma), ‘gruwel’; ψεῦδος (pseudos), ‘leugen’.

‘Het boek van het leven van het Lam’: zie 13:8 en 20:12.

Vergelijk Jes. 52:1 en Jes. 35:8.

Zie ook Jes. 35:8; Jes. 52:1; Openb. 13:8; Openb. 20:12; Openb. 22:14; Openb. 22:15.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ποιῶν (poion), ‘doend’ een variant.

Wij volgen de SBLGNT.