Elohim Bijbel

2 Koningen 9

12345678910111213141516171819202122232425

Jehu wordt gezalfd en doodt Joram, Achazia en Izebel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elisa laat Jehu zalven

1Elisa, de profeet, riep een van de zonen van de profeten. Hij zei tegen hem: „Gord je lendenen, neem dit flesje olie in je hand en ga naar Ramot in Gilead.
וֶאֱלִישָׁע֙
(veelisha)
en Elisa
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
קָרָ֕א
(qara)
riep
לְאַחַ֖ד
(leachad)
een
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
הַנְּבִיאִ֑ים
(haneviim)
de profeten
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֜וֹ
(lo)
tegen hem
חֲגֹ֣ר
(chagor)
gord
מָתְנֶ֗יךָ
(mateneikha)
je lendenen
וְ֠קַח
(veqach)
en neem
פַּ֣ךְ
(pakh)
flesje van
הַשֶּׁ֤מֶן
(hashemen)
de olie
הַזֶּה֙
(haze)
deze
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in je hand
וְלֵ֖ךְ
(velekh)
en ga
רָמֹ֥ת
(ramot)
naar Ramot
גִּלְעָֽד
(gilad)
in Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ramot in Gilead: zie 8:28.

Uitleg

בְּנֵי הַנְּבִיאִים (benei hanevi’im), ‘zonen van de profeten’: leden van een gemeenschap van profeten.

חֲגֹר מָתְנֶיךָ (chagor motnekha), ‘gord je lendenen’: maak je kleren vast om snel te kunnen gaan. Vergelijk 1 Kon. 18:46.

פַּךְ (pakh), ‘flesje’: een klein vat voor olie. Vergelijk 1 Sam. 10:1.

2Als je daar bent, kijk dan uit naar Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi. Ga naar binnen, laat hem opstaan uit het midden van zijn broers en breng hem in een kamer binnen in een kamer.
וּבָ֖אתָ
(uvata)
en kom
שָׁ֑מָּה
(shama)
daarheen
וּרְאֵֽה
(uree)
en zie
שָׁ֠ם
(sham)
daar
יֵה֨וּא
(yehu)
Jehu
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹשָׁפָ֜ט
(yehoshafat)
Josafat
בֶּן
(ben)
zoon van
נִמְשִׁ֗י
(nimshi)
Nimsi
וּבָ֨אתָ֙
(uvata)
en ga naar binnen
וַהֲקֵֽמֹתוֹ֙
(vahaqemoto)
en laat hem opstaan
מִתּ֣וֹך
(mitokh)
uit het midden van
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
וְהֵבֵיאתָ֥
(veheveita)
en breng
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
חֶ֥דֶר
(cheder)
een kamer
בְּחָֽדֶר
(bechader)
in een kamer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶדֶר בְּחֶדֶר (cheder becheder), letterlijk ‘een kamer in een kamer’: een binnenkamer, buiten het zicht van de anderen.

Jehu heet hier ‘zoon van Josafat, zoon van Nimsi’. In 1 Kon. 19:16 heet hij ‘zoon van Nimsi’. Deze Josafat is niet de koning van Juda.

3Neem het flesje met olie, giet het over zijn hoofd en zeg: ‘Zo zegt Yahweh: Ik heb je gezalfd tot koning over Israël.’ Open dan de deur en vlucht. Wacht niet.”
וְלָקַחְתָּ֤
(velaqachta)
en neem
פַךְ
(pakh)
flesje van
הַשֶּׁ֨מֶן֙
(hashemen)
de olie
וְיָצַקְתָּ֣
(veyatsaqta)
en giet
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en zeg
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מְשַׁחְתִּ֥יךָֽ
(meshachtikha)
Ik heb je gezalfd
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
אֶל
(el)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּפָתַחְתָּ֥
(ufatachta)
en open
הַדֶּ֛לֶת
(hadelet)
de deur
וְנַ֖סְתָּה
(venasta)
en vlucht
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תְחַכֶּֽה
(techake)
wacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De woorden ‘Zo zegt Yahweh’ zijn woorden van een profeet die Yahweh citeert.

Zij staan daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

Elisa voert hier de opdracht uit die Yahweh aan Elia gaf (1 Kon. 19:16).

מָשַׁח (mashach), ‘zalven’: het toewijden van een koning met olie. Vergelijk 1 Sam. 10:1 en 16:13.

4De jongen, de jongen van de profeet, ging naar Ramot in Gilead.
וַיֵּ֧לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הַנַּ֛עַר
(hanaar)
de jongen
הַנַּ֥עַר
(hanaar)
de jongen van
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
רָמֹ֥ת
(ramot)
naar Ramot
גִּלְעָֽד
(gilad)
in Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

Het Hebreeuws heeft twee keer ‘de jongen’: ‘de jongen, de jongen van de profeet’.

Wij vertalen letterlijk.

5Hij kwam daar, en zie, de bevelhebbers van het leger zaten bijeen. Hij zei: „Ik heb een woord voor u, bevelhebber.” Jehu zei: „Voor wie van ons allen?” Hij zei: „Voor u, bevelhebber.”
וַיָּבֹ֗א
(vayavo)
en kwam
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
שָׂרֵ֤י
(sarei)
bevelhebbers van
הַחַ֨יִל֙
(hachayil)
het leger
יֹֽשְׁבִ֔ים
(yoshevim)
zittend
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּבָ֥ר
(davar)
een woord
לִ֛י
(li)
voor mij
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot u
הַשָּׂ֑ר
(hasar)
de bevelhebber
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יֵהוּא֙
(yehu)
Jehu
אֶל
(el)
tot
מִ֣י
(mi)
wie
מִכֻּלָּ֔נוּ
(mikulanu)
van ons allen
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלֶ֥יךָ
(eleikha)
tot u
הַשָּֽׂר
(hasar)
de bevelhebber
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier alleen ‘hij’.

Wij noemen de jongen (vers 4) en Jehu bij naam waar dat nodig is.

שַׂר (sar), ‘bevelhebber’: een aanvoerder in het leger. De jongen spreekt hen aan met ‘u’.

6Jehu stond op en ging het huis in. De jongen goot de olie over zijn hoofd. Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Ik heb je gezalfd tot koning over het volk van Yahweh, over Israël.
וַיָּ֨קָם֙
(vayaqam)
en stond op
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en ging
הַבַּ֔יְתָה
(habayta)
het huis in
וַיִּצֹ֥ק
(vayitsoq)
en goot
הַשֶּׁ֖מֶן
(hashemen)
de olie
אֶל
(el)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מְשַׁחְתִּ֧יךָֽ
(meshachtikha)
Ik heb je gezalfd
לְמֶ֛לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
אֶל
(el)
over
עַ֥ם
(am)
volk van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh wordt hier geciteerd door de jongen.

De woorden in de verzen 6–10 staan daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

Het Hebreeuws heeft in dit vers alleen ‘hij’. Wij noemen Jehu en de jongen bij naam.

עַם יְהוָה (am Yahweh), ‘volk van Yahweh’: Israël.

7Je zult het huis van Achab, je heer, verslaan. Ik zal het bloed van Mijn dienaren, de profeten, wreken, en het bloed van alle dienaren van Yahweh, uit de hand van Izebel.
וְהִ֨כִּיתָ֔ה
(vehikita)
en je zult slaan
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֖ב
(achav)
Achab
אֲדֹנֶ֑יךָ
(adoneikha)
je heer
וְנִקַּמְתִּ֞י
(veniqamti)
en Ik zal wreken
דְּמֵ֣י
(demei)
het bloed van
עֲבָדַ֣י
(avaday)
Mijn dienaren
הַנְּבִיאִ֗ים
(haneviim)
de profeten
וּדְמֵ֛י
(udemei)
en het bloed van
כָּל
(kal)
alle
עַבְדֵ֥י
(avdei)
dienaren van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
אִיזָֽבֶל
(izavel)
Izebel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De woorden van Yahweh gaan hier over in de ik-vorm (‘Ik zal wreken’).

Wij zetten Mijn en Ik met hoofdletter.

Het bloed van de profeten: zie 1 Kon. 18:4 en 19:10.

8Heel het huis van Achab zal omkomen. Ik roei van Achab uit wie tegen de muur plast, zowel gebondene als vrijgelatene in Israël.
וְאָבַ֖ד
(veavad)
en zal omkomen
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֑ב
(achav)
Achab
וְהִכְרַתִּ֤י
(vehikhrati)
en Ik zal uitroeien
לְאַחְאָב֙
(leachav)
van Achab
מַשְׁתִּ֣ין
(mashtin)
wie plast
בְּקִ֔יר
(beqir)
tegen de muur
וְעָצ֥וּר
(veatsur)
en gebondene
וְעָז֖וּב
(veazuv)
en vrijgelatene
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָצוּר וְעָזוּב (atsur ve’azuv), ‘gebondene en vrijgelatene’: iedereen, groot en klein.

Dezelfde woorden staan in 1 Kon. 21:21, waar Yahweh dit tegen Achab zegt.

9Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en als het huis van Baësa, de zoon van Achia.
וְנָֽתַתִּי֙
(venatati)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
כְּבֵ֖ית
(keveit)
als het huis van
יָרָבְעָ֣ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֑ט
(nevat)
Nebat
וּכְבֵ֖ית
(ukheveit)
en als het huis van
בַּעְשָׁ֥א
(basha)
Baësa
בֶן
(ben)
zoon van
אֲחִיָּֽה
(achiya)
Achia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk 1 Kon. 21:22 (de woorden tegen Achab), 1 Kon. 14:10–11 (het huis van Jerobeam) en 1 Kon. 16:3–4 (het huis van Baësa).

10En Izebel zullen de honden opeten in het stuk land van Jizreël. Er zal niemand zijn die haar begraaft.’” Toen opende hij de deur en vluchtte.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִיזֶ֜בֶל
(izevel)
Izebel
יֹאכְל֧וּ
(yokhlu)
zullen eten
הַכְּלָבִ֛ים
(hakelavim)
de honden
בְּחֵ֥לֶק
(becheleq)
in het stuk land van
יִזְרְעֶ֖אל
(yizreel)
Jizreël
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niet
קֹבֵ֑ר
(qover)
die begraaft
וַיִּפְתַּ֥ח
(vayiftach)
en hij opende
הַדֶּ֖לֶת
(hadelet)
de deur
וַיָּנֹֽס
(vayanos)
en vluchtte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jizreël ligt aan de rand van de vlakte van Jizreël, bij het huidige Zer’in, Israël.

Dat is zeker.

Lezing

חֵלֶק (cheleq), ‘stuk land’: zo staat het in de Masoretische tekst.

In 1 Kon. 21:23 staat in dezelfde Masoretische tekst ‘voormuur’ (חֵל, chel).

Sommige oude vertalingen lezen daar anders.

Wij volgen in beide verzen de Masoretische tekst.

Vergelijk de verzen 36 en 37.

Jehu wordt tot koning uitgeroepen

11Jehu ging naar buiten, naar de dienaren van zijn heer. Men zei tegen hem: „Is het vrede? Waarom is die waanzinnige bij je gekomen?” Hij zei tegen hen: „Jullie kennen die man en zijn gepraat.”
וְיֵה֗וּא
(veyehu)
en Jehu
יָצָא֙
(yatsa)
ging uit
אֶל
(el)
naar
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
אֲדֹנָ֔יו
(adonav)
zijn heer
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en men zei
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
הֲשָׁל֔וֹם
(hashalom)
is het vrede
מַדּ֛וּעַ
(madua)
waarom
בָּֽא
(ba)
is gekomen
הַמְשֻׁגָּ֥ע
(hamshuga)
de waanzinnige
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
tot jou
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
יְדַעְתֶּ֥ם
(yedatem)
kennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שִׂיחֽוֹ
(sicho)
zijn gepraat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמְשֻׁגָּע (hamshugga), ‘de waanzinnige’: iemand die zich vreemd gedraagt.

De bevelhebbers spreken met minachting over de jongen.

Het woord staat ook voor een profeet in Jer. 29:26 en Hos. 9:7.

שִׂיחוֹ (sicho), ‘zijn gepraat’: zijn manier van spreken.

12Zij zeiden: „Dat is een leugen! Vertel het ons toch.” Hij zei: „Zo en zo heeft hij tegen mij gesproken. Hij zei: ‘Zo zegt Yahweh: Ik heb je gezalfd tot koning over Israël.’”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
שֶׁ֔קֶר
(sheqer)
leugen
הַגֶּד
(haged)
vertel
נָ֖א
(na)
toch
לָ֑נוּ
(lanu)
ons
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כָּזֹ֤את
(kazot)
zo
וְכָזֹאת֙
(vekhazot)
en zo
אָמַ֤ר
(amar)
hij sprak
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מְשַׁחְתִּ֥יךָֽ
(meshachtikha)
Ik heb je gezalfd
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
אֶל
(el)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zij haastten zich. Ieder nam zijn kleed en legde het onder hem, op de trap. Zij bliezen op de ramshoorn en zeiden: „Jehu is koning!”
וַֽיְמַהֲר֗וּ
(vaymaharu)
en haastten zich
וַיִּקְחוּ֙
(vayiqchu)
en namen
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
בִּגְד֔וֹ
(bigdo)
zijn kleed
וַיָּשִׂ֥ימוּ
(vayasimu)
en legden
תַחְתָּ֖יו
(tachtav)
onder hem
אֶל
(el)
op
גֶּ֣רֶם
(gerem)
de rand van
הַֽמַּעֲל֑וֹת
(hamaalot)
de trap
וַֽיִּתְקְעוּ֙
(vayitqeu)
en bliezen
בַּשּׁוֹפָ֔ר
(bashofar)
op de ramshoorn
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
מָלַ֥ךְ
(malakh)
koning is
יֵהֽוּא
(yehu)
Jehu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֶּרֶם הַמַּעֲלוֹת (gerem hamma’alot), letterlijk ‘het bot van de treden’: de betekenis is onzeker.

Wij vertalen ‘de trap’.

Het kan de bovenste trede betekenen.

שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die bij het uitroepen van een koning wordt geblazen, zoals bij Salomo in 1 Kon. 1:34.

14Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, smeedde een samenzwering tegen Joram. Joram bewaakte Ramot in Gilead, hij en heel Israël, vanwege Hazaël, de koning van Aram.
וַיִּתְקַשֵּׁ֗ר
(vayitqasher)
en smeedde een samenzwering
יֵה֛וּא
(yehu)
Jehu
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹשָׁפָ֥ט
(yehoshafat)
Josafat
בֶּן
(ben)
zoon van
נִמְשִׁ֖י
(nimshi)
Nimsi
אֶל
(el)
tegen
יוֹרָ֑ם
(yoram)
Joram
וְיוֹרָם֩
(veyoram)
en Joram
הָיָ֨ה
(haya)
was
שֹׁמֵ֜ר
(shomer)
bewakend
בְּרָמֹ֣ת
(beramot)
bij Ramot
גִּלְעָ֗ד
(gilad)
in Gilead
ה֚וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
חֲזָאֵ֖ל
(chazael)
Hazaël
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ramot in Gilead (ligging onzeker): Ramot in Gilead wordt gezocht bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

וַיִּתְקַשֵּׁר (wayitqasher), ‘hij smeedde een samenzwering’: zoals Baësa tegen Nadab (1 Kon. 15:27).

Voor Ramot in Gilead, Joram en Hazaël: zie 8:28–29.

15Koning Joram was teruggekeerd om in Jizreël te genezen van de wonden. De Arameeërs hadden hem die toegebracht, toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Aram. Jehu zei: „Als het jullie wil is, laat dan niemand uit de stad ontsnappen om het in Jizreël te gaan vertellen.”
וַיָּשָׁב֩
(vayashav)
en keerde terug
יְהוֹרָ֨ם
(yehoram)
Joram
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְהִתְרַפֵּ֣א
(lehitrape)
om te genezen
בִיְזְרְעֶ֗אל
(biyzereel)
in Jizreël
מִן
(min)
van
הַמַּכִּים֙
(hamakim)
de wonden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יַכֻּ֣הוּ
(yakuhu)
hadden geslagen hem
אֲרַמִּ֔ים
(aramim)
Arameeërs
בְּהִלָּ֣חֲמ֔וֹ
(behilachamo)
toen hij streed
אֶת
(et)
met
חֲזָאֵ֖ל
(chazael)
Hazaël
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יֵהוּא֙
(yehu)
Jehu
אִם
(im)
als
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is
נַפְשְׁכֶ֔ם
(nafshekhem)
jullie wil
אַל
(al)
niet
יֵצֵ֤א
(yetse)
laat uitgaan
פָלִיט֙
(palit)
een ontsnapte
מִן
(min)
uit
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
om te gaan
לְהַגִּ֥יד
(lehagid)
om te vertellen
בְּיִזְרְעֶֽאל
(beyizreel)
in Jizreël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier ‘wil’, wat iemand wil of verlangt.

Wij vertalen ‘Als het jullie wil is’.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft לגיד (lagid), zonder de h van het werkwoord.

De voorgelezen tekst (qere) heeft לְהַגִּיד (lehaggid), ‘om te vertellen’.

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

Jehu rijdt naar Jizreël

16Jehu reed met zijn wagen naar Jizreël, want Joram lag daar. Achazia, de koning van Juda, was naar beneden gegaan om Joram te bezoeken.
וַיִּרְכַּ֤ב
(vayirkav)
en reed
יֵהוּא֙
(yehu)
Jehu
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יִזְרְעֶ֔אלָה
(yizreela)
naar Jizreël
כִּ֥י
(ki)
want
יוֹרָ֖ם
(yoram)
Joram
שֹׁכֵ֣ב
(shokhev)
lag
שָׁ֑מָּה
(shama)
daar
וַֽאֲחַזְיָה֙
(vaachazya)
en Achazia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
יָרַ֖ד
(yarad)
was neergedaald
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹרָֽם
(yoram)
Joram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.

17De wachter stond op de toren in Jizreël. Hij zag de menigte van Jehu aankomen en zei: „Ik zie een menigte.” Joram zei: „Neem een ruiter en stuur hem hen tegemoet. Hij moet zeggen: ‘Is het vrede?’”
וְהַצֹּפֶה֩
(vehatsofe)
en de wachter
עֹמֵ֨ד
(omed)
stond
עַֽל
(al)
op
הַמִּגְדָּ֜ל
(hamigdal)
de toren
בְּיִזְרְעֶ֗אל
(beyizreel)
in Jizreël
וַיַּ֞רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁפְעַ֤ת
(shifat)
de menigte van
יֵהוּא֙
(yehu)
Jehu
בְּבֹא֔וֹ
(bevoo)
toen hij aankwam
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
שִׁפְעַ֖ת
(shifat)
een menigte
אֲנִ֣י
(ani)
ik
רֹאֶ֑ה
(roe)
zie
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹרָ֗ם
(yehoram)
Joram
קַ֥ח
(qach)
neem
רַכָּ֛ב
(rakav)
een ruiter
וּֽשְׁלַ֥ח
(ushelach)
en stuur
לִקְרָאתָ֖ם
(liqratam)
hen tegemoet
וְיֹאמַ֥ר
(veyomar)
en hij zal zeggen
הֲשָׁלֽוֹם
(hashalom)
is het vrede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De toren stond in Jizreël, op hoger gelegen grond.

Daarom kon de wachter ver kijken.

Uitleg

שִׁפְעַת (shif’at), ‘menigte’: een grote groep mensen of een wolk van stof.

Wij vertalen ‘menigte’.

רֹכֵב (rokhev), ‘ruiter’: iemand te paard.

18De ruiter te paard ging hem tegemoet en zei: „Zo zegt de koning: ‘Is het vrede?’” Jehu zei: „Wat heb jij met vrede te maken? Sluit je achter mij aan!” De wachter meldde: „De bode is tot bij hen gekomen, maar hij komt niet terug.”
וַיֵּלֶךְ֩
(vayelekh)
en ging
רֹכֵ֨ב
(rokhev)
ruiter van
הַסּ֜וּס
(hasus)
het paard
לִקְרָאת֗וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הֲשָׁל֔וֹם
(hashalom)
is het vrede
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
יֵה֛וּא
(yehu)
Jehu
מַה
(ma)
wat
לְּךָ֥
(lekha)
voor jou
וּלְשָׁל֖וֹם
(uleshalom)
en met vrede
סֹ֣ב
(sov)
wend je
אֶֽל
(el)
naar
אַחֲרָ֑י
(acharay)
achter mij
וַיַּגֵּ֤ד
(vayaged)
en meldde
הַצֹּפֶה֙
(hatsofe)
de wachter
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בָּֽא
(ba)
is gekomen
הַמַּלְאָ֥ךְ
(hamalakh)
de bode
עַד
(ad)
tot
הֵ֖ם
(hem)
hen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָֽׁב
(shav)
is teruggekeerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֹב אֶל־אַחֲרָי (sov el acharai), letterlijk ‘wend je naar achter mij’: sluit je bij mij aan en rijd achter mij.

מַלְאָךְ (mal’akh), ‘bode’: hier een gewone bode, geen engel.

19Hij stuurde een tweede ruiter te paard. Die kwam bij hen en zei: „Zo zegt de koning: ‘Is het vrede?’” Jehu zei: „Wat heb jij met vrede te maken? Sluit je achter mij aan!”
וַיִּשְׁלַ֗ח
(vayishlach)
en stuurde
רֹכֵ֣ב
(rokhev)
ruiter van
סוּס֮
(sus)
paard
שֵׁנִי֒
(sheni)
tweede
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en zei
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שָׁל֑וֹם
(shalom)
vrede
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
יֵה֛וּא
(yehu)
Jehu
מַה
(ma)
wat
לְּךָ֥
(lekha)
voor jou
וּלְשָׁל֖וֹם
(uleshalom)
en met vrede
סֹ֥ב
(sov)
wend je
אֶֽל
(el)
naar
אַחֲרָֽי
(acharay)
achter mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit vers staat bij ‘vrede’ geen vraagwoord, anders dan in vers 18.

Wij lezen het als vraag, zoals in vers 18.

Zie ook2 Kon 9:18
20De wachter meldde: „Hij is tot bij hen gekomen, maar hij komt niet terug. En het rijden is als het rijden van Jehu, de zoon van Nimsi, want hij rijdt als een waanzinnige.”
וַיַּגֵּ֤ד
(vayaged)
en meldde
הַצֹּפֶה֙
(hatsofe)
de wachter
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בָּ֥א
(ba)
is gekomen
עַד
(ad)
tot
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
hen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁ֑ב
(shav)
is teruggekeerd
וְהַמִּנְהָ֗ג
(vehaminhag)
en het rijden
כְּמִנְהַג֙
(keminhag)
als het rijden van
יֵה֣וּא
(yehu)
Jehu
בֶן
(ben)
zoon van
נִמְשִׁ֔י
(nimshi)
Nimsi
כִּ֥י
(ki)
want
בְשִׁגָּע֖וֹן
(beshigaon)
in waanzin
יִנְהָֽג
(yinhag)
hij rijdt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּשִׁגָּעוֹן (bishiggaon), ‘in waanzin’: dezelfde woordstam als ‘waanzinnige’ in vers 11.

De dood van Joram

21Joram zei: „Span aan!” Men spande zijn wagen aan. Joram, de koning van Israël, en Achazia, de koning van Juda, reden uit, ieder in zijn wagen. Zij reden Jehu tegemoet en vonden hem op het stuk land van Naboth, de Jizreëliet.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹרָם֙
(yehoram)
Joram
אֱסֹ֔ר
(esor)
span aan
וַיֶּאְסֹ֖ר
(vayesor)
en men spande aan
רִכְבּ֑וֹ
(rikhbo)
zijn wagen
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en reed uit
יְהוֹרָ֣ם
(yehoram)
Joram
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
וַאֲחַזְיָ֨הוּ
(vaachazyahu)
en Achazia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
בְּרִכְבּ֗וֹ
(berikhbo)
in zijn wagen
וַיֵּֽצְאוּ֙
(vayetseu)
en zij reden uit
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
יֵה֔וּא
(yehu)
Jehu
וַיִּמְצָאֻ֔הוּ
(vayimtsauhu)
en zij vonden hem
בְּחֶלְקַ֖ת
(bechelqat)
op het stuk land van
נָב֥וֹת
(navot)
Naboth
הַיִּזְרְעֵאלִֽי
(hayizreeli)
de Jizreëliet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het stuk land van Naboth lag bij Jizreël.

Zie 1 Kon. 21:1–16.

Uitleg

אֱסֹר (esor), ‘span aan’: de paarden voor de wagen spannen.

22Toen Joram Jehu zag, zei hij: „Is het vrede, Jehu?” Hij zei: „Wat is vrede, zolang de hoererijen van je moeder Izebel en haar vele toverijen blijven?”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּרְא֤וֹת
(kirot)
toen hij zag
יְהוֹרָם֙
(yehoram)
Joram
אֶת
(et)
(obj.)
יֵה֔וּא
(yehu)
Jehu
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
הֲשָׁל֣וֹם
(hashalom)
is het vrede
יֵה֑וּא
(yehu)
Jehu
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
מָ֣ה
(ma)
wat
הַשָּׁל֔וֹם
(hashalom)
de vrede
עַד
(ad)
zolang
זְנוּנֵ֞י
(zenunei)
de hoererijen van
אִיזֶ֧בֶל
(izevel)
Izebel
אִמְּךָ֛
(imekha)
je moeder
וּכְשָׁפֶ֖יהָ
(ukheshafeiha)
en haar toverijen
הָרַבִּֽים
(harabim)
de vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: dit woord staat in dit hoofdstuk steeds in de vraag ‘Is het vrede?’ (verzen 11, 17–19, 22, 31).

Wij vertalen steeds ‘vrede’.

זְנוּנִים (zenunim), ‘hoererijen’, en כְּשָׁפִים (keshafim), ‘toverijen’: hoererij is hier ook een beeld voor trouweloosheid aan Yahweh. Tovenarij is verboden in Deut. 18:10.

23Joram draaide zijn handen om en vluchtte. Hij zei tegen Achazia: „Verraad, Achazia!”
וַיַּהֲפֹ֧ךְ
(vayahafokh)
en draaide om
יְהוֹרָ֛ם
(yehoram)
Joram
יָדָ֖יו
(yadav)
zijn handen
וַיָּנֹ֑ס
(vayanos)
en vluchtte
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
אֲחַזְיָ֖הוּ
(achazyahu)
Achazia
מִרְמָ֥ה
(mirma)
verraad
אֲחַזְיָֽה
(achazya)
Achazia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּהֲפֹךְ יוֹרָם יָדָיו (wayyahafokh Yoram yadav), letterlijk ‘Joram keerde zijn handen om’: hij draaide de teugels om en keerde zijn wagen.

מִרְמָה (mirmah), ‘verraad’: bedrog.

24Jehu spande zijn boog met volle kracht en trof Joram tussen de schouders. De pijl kwam uit zijn hart naar buiten en hij zakte in elkaar in zijn wagen.
וְיֵה֞וּא
(veyehu)
en Jehu
מִלֵּ֧א
(mile)
vulde
יָד֣וֹ
(yado)
zijn hand
בַקֶּ֗שֶׁת
(baqeshet)
met de boog
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en trof
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹרָם֙
(yehoram)
Joram
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
זְרֹעָ֔יו
(zeroav)
zijn armen
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en ging uit
הַחֵ֖צִי
(hachetsi)
de pijl
מִלִּבּ֑וֹ
(milibo)
uit zijn hart
וַיִּכְרַ֖ע
(vayikhra)
en zakte in elkaar
בְּרִכְבּֽוֹ
(berikhbo)
in zijn wagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְמַלֵּא יָדוֹ בַקֶּשֶׁת (wayemalle yado vaqqeshet), letterlijk ‘hij vulde zijn hand met de boog’: hij spande de boog met volle kracht.

בֵּין זְרֹעָיו (ben zeroav), ‘tussen zijn armen’: tussen de schouders. Wij vertalen ‘tussen de schouders’.

25Jehu zei tegen Bidkar, zijn officier: „Til hem op en werp hem op het stuk land, het veld van Naboth, de Jizreëliet. Want denk eraan: ik en jij reden samen, in paren, achter zijn vader Achab aan, toen Yahweh deze last op hem legde:
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
בִּדְקַר֙
(bidqar)
Bidkar
שָֽׁלִשׁ֔וֹ
(shalisho)
zijn officier
שָׂ֚א
(sa)
til op
הַשְׁלִכֵ֔הוּ
(hashlikhehu)
werp hem
בְּחֶלְקַ֕ת
(bechelqat)
op het stuk land van
שְׂדֵ֖ה
(sede)
veld van
נָב֣וֹת
(navot)
Naboth
הַיִּזְרְעֵאלִ֑י
(hayizreeli)
de Jizreëliet
כִּֽי
(ki)
want
זְכֹ֞ר
(zekhor)
denk eraan
אֲנִ֣י
(ani)
ik
וָאַ֗תָּה
(vaata)
en jij
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
רֹכְבִ֤ים
(rokhevim)
rijdend
צְמָדִים֙
(tsemadim)
in paren
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
אַחְאָ֣ב
(achav)
Achab
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וַֽיהוָה֙
(vaYahweh)
en Yahweh
נָשָׂ֣א
(nasa)
legde
עָלָ֔יו
(alav)
op hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּשָּׂ֖א
(hamasa)
de last
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלִישׁ (shalish), ‘officier’: letterlijk ‘derde’.

Het is een hoge officier.

Bidkar (בִּדְקַר, Bidkar) komt alleen hier voor.

Lezing

Bij ‘zijn officier’ heeft de geschreven tekst (ketiv) שלשה, een andere schrijfwijze.

De voorgelezen tekst (qere) heeft שָׁלִשׁוֹ (shalisho), ‘zijn officier’.

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

מַשָּׂא (massa), ‘last’: een zware uitspraak van Yahweh over iemand.

Jehu citeert hier een woord van Yahweh uit het verleden. Het staat daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

26‘Zeker, het bloed van Naboth en het bloed van zijn zonen heb Ik gisteren gezien, zegt Yahweh. Ik zal het je vergelden op dit stuk land, zegt Yahweh.’ Nu dan, til hem op en werp hem op het stuk land, naar het woord van Yahweh.”
אִם
(im)
indien
לֹ֡א
(lo)
niet
אֶת
(et)
(obj.)
דְּמֵ֣י
(demei)
het bloed van
נָבוֹת֩
(navot)
Naboth
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דְּמֵ֨י
(demei)
het bloed van
בָנָ֜יו
(banav)
zijn zonen
רָאִ֤יתִי
(raiti)
heb Ik gezien
אֶ֨מֶשׁ֙
(emesh)
gisteren
נְאֻם
(neum)
spreuk van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְשִׁלַּמְתִּ֥י
(veshilamti)
en Ik zal vergelden
לְךָ֛
(lekha)
aan jou
בַּחֶלְקָ֥ה
(bachelqa)
op het stuk land
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
נְאֻם
(neum)
spreuk van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
שָׂ֧א
(sa)
til op
הַשְׁלִכֵ֛הוּ
(hashlikhehu)
werp hem
בַּחֶלְקָ֖ה
(bachelqa)
op het stuk land
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
naar het woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִם־לֹא (im lo), letterlijk ‘indien niet’: een eedformule.

Wij vertalen ‘Zeker’.

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘zegt Yahweh’: de gewone slotformule van een woord van Yahweh.

1 Kon. 21 noemt de zonen van Naboth niet. Hier staat dat Yahweh ook hun bloed gezien heeft. De woorden zijn niet gelijk aan 1 Kon. 21:19.

De dood van Achazia

27Achazia, de koning van Juda, zag het en vluchtte in de richting van Bet-Haggan. Jehu achtervolgde hem en zei: „Ook hem! Sla hem neer in de wagen!” Dat was op de helling van Gur, die bij Jibleam ligt. Hij vluchtte naar Megiddo en stierf daar.
וַאֲחַזְיָ֤ה
(vaachazya)
en Achazia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
רָאָ֔ה
(raa)
zag het
וַיָּ֕נָס
(vayanas)
en vluchtte
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
in de richting van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַגָּ֑ן
(hagan)
de tuin
וַיִּרְדֹּ֨ף
(vayirdof)
en achtervolgde
אַחֲרָ֜יו
(acharav)
hem
יֵה֗וּא
(yehu)
Jehu
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en zei
גַּם
(gam)
ook
אֹת֞וֹ
(oto)
hem
הַכֻּ֣הוּ
(hakuhu)
sla hem
אֶל
(el)
in
הַמֶּרְכָּבָ֗ה
(hamerkava)
de wagen
בְּמַֽעֲלֵה
(bemaale)
op de helling van
גוּר֙
(gur)
Gur
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אֶֽת
(et)
bij
יִבְלְעָ֔ם
(yivleam)
Jibleam
וַיָּ֥נָס
(vayanas)
en vluchtte
מְגִדּ֖וֹ
(megido)
naar Megiddo
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en stierf
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Haggan (בֵּית־הַגָּן, ‘huis van de tuin’) ligt waarschijnlijk bij het huidige Jenin, ten zuiden van Jizreël (Westelijke Jordaanoever).

Dat is niet zeker.

De helling van Gur lag bij Jibleam (zie Joz. 17:11).

Hun precieze ligging is onzeker.

Megiddo is het huidige Tel Megiddo, Israël.

Dat is zeker.

Zie Helling van Gur (ligging onzeker): De helling van Gur lag bij Jibleam, vermoedelijk bij Khirbet Bel’ameh, bij Jenin.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

2 Kron. 22:9 vertelt de dood van Achazia anders.

Lezing

Het Hebreeuws zegt niet dat de mannen Achazia ook werkelijk neersloegen: de zin lijkt onvolledig.

Sommige oude vertalingen vullen de zin aan.

Wij laten de Masoretische tekst staan en voegen alleen ‘Dat was’ toe.

28Zijn dienaren brachten hem per wagen naar Jeruzalem. Zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaderen, in de stad van David.
וַיַּרְכִּ֧בוּ
(vayarkivu)
en lieten rijden
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
יְרוּשָׁלְָ֑מָה
(yerushalaema)
naar Jeruzalem
וַיִּקְבְּר֨וּ
(vayiqberu)
en begroeven
אֹת֧וֹ
(oto)
hem
בִקְבֻרָת֛וֹ
(biqvurato)
in zijn graf
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֖יו
(avotav)
zijn vaderen
בְּעִ֥יר
(beir)
in de stad van
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וַיַּרְכִּבֻהוּ (wayyarkivuhu), ‘zij lieten hem rijden’: zij brachten hem op een wagen.

29In het elfde jaar van Joram, de zoon van Achab, was Achazia koning geworden over Juda.
וּבִשְׁנַת֙
(uvishnat)
en in het jaar van
אַחַ֣ת
(achat)
één
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְיוֹרָ֖ם
(leyoram)
van Joram
בֶּן
(ben)
zoon van
אַחְאָ֑ב
(achav)
Achab
מָלַ֥ךְ
(malakh)
werd koning
אֲחַזְיָ֖ה
(achazya)
Achazia
עַל
(al)
over
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit vers staat het elfde jaar van Joram.

In 8:25 staat het twaalfde jaar.

De tekst zegt niet hoe dit verschil komt.

De dood van Izebel

30Jehu kwam in Jizreël. Izebel hoorde het. Zij kleurde haar ogen met oogschmink, versierde haar hoofd en keek door het raam naar beneden.
וַיָּב֥וֹא
(vayavo)
en kwam
יֵה֖וּא
(yehu)
Jehu
יִזְרְעֶ֑אלָה
(yizreela)
naar Jizreël
וְאִיזֶ֣בֶל
(veizevel)
en Izebel
שָׁמְעָ֗ה
(shamea)
hoorde het
וַתָּ֨שֶׂם
(vatasem)
en zette
בַּפּ֤וּךְ
(bapukh)
in oogschmink
עֵינֶ֨יהָ֙
(eineiha)
haar ogen
וַתֵּ֣יטֶב
(vateitev)
en maakte mooi
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשָׁ֔הּ
(roshah)
haar hoofd
וַתַּשְׁקֵ֖ף
(vatashqef)
en keek naar beneden
בְּעַ֥ד
(bead)
door
הַחַלּֽוֹן
(hachalon)
het raam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.

Uitleg

פּוּךְ (pukh), ‘oogschmink’: een donker poeder om de ogen mee te omlijnen.

Vergelijk Jer. 4:30.

וַתֵּיטֶב אֶת־רֹאשָׁהּ (watteitev et rosha), letterlijk ‘zij maakte haar hoofd goed’: zij versierde zich, met haar haar en haar hoofdtooi.

31Toen Jehu bij de poort kwam, zei zij: „Is het vrede, Zimri, die zijn heer doodde?”
וְיֵה֖וּא
(veyehu)
en Jehu
בָּ֣א
(ba)
kwam
בַשָּׁ֑עַר
(bashaar)
bij de poort
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zij zei
הֲשָׁל֔וֹם
(hashalom)
is het vrede
זִמְרִ֖י
(zimri)
Zimri
הֹרֵ֥ג
(horeg)
doder van
אֲדֹנָֽיו
(adonav)
zijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zimri doodde zijn heer, koning Ela, en regeerde slechts zeven dagen (1 Kon. 16:9–20).

Izebel noemt Jehu naar hem.

32Hij keek omhoog naar het raam en zei: „Wie staat aan mijn kant? Wie?” Twee, drie hofbeambten keken op hem neer.
וַיִּשָּׂ֤א
(vayisa)
en hief op
פָנָיו֙
(panav)
zijn gezicht
אֶל
(el)
naar
הַ֣חַלּ֔וֹן
(hachalon)
het raam
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
מִ֥י
(mi)
wie
אִתִּ֖י
(iti)
met mij
מִ֑י
(mi)
wie
וַיַּשְׁקִ֣יפוּ
(vayashqifu)
en keken naar beneden
אֵלָ֔יו
(elav)
naar hem
שְׁנַ֥יִם
(shenayim)
twee
שְׁלֹשָׁ֖ה
(shelosha)
drie
סָרִיסִֽים
(sarisim)
hofbeambten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָרִיס (saris), ‘hofbeambte’: zie 8:6.

33Hij zei: „Gooi haar naar beneden!” Zij gooiden haar naar beneden. Een deel van haar bloed spatte tegen de muur en tegen de paarden. Hij vertrapte haar.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
שִׁמְט֖וּהָ
(shimtuha)
werp haar neer
וַֽיִּשְׁמְט֑וּהָ
(vayishmetuha)
en zij wierpen haar neer
וַיִּ֨ז
(vayiz)
en spatte
מִדָּמָ֧הּ
(midamah)
van haar bloed
אֶל
(el)
tegen
הַקִּ֛יר
(haqir)
de muur
וְאֶל
(veel)
en tegen
הַסּוּסִ֖ים
(hasusim)
de paarden
וַֽיִּרְמְסֶֽנָּה
(vayirmesena)
en hij vertrapte haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) leest ‘werp hem neer’ (שמטהו).

Het qere leest ‘werp haar neer’ (שִׁמְטוּהָ, shimtuha), dat bij Izebel past.

Wij volgen het qere.

34Hij ging naar binnen, at en dronk. Toen zei hij: „Zorg toch voor die vervloekte vrouw en begraaf haar, want zij is een koningsdochter.”
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en kwam binnen
וַיֹּ֣אכַל
(vayokhal)
en at
וַיֵּ֑שְׁתְּ
(vayesht)
en dronk
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
פִּקְדוּ
(piqdu)
zorg voor
נָ֞א
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲרוּרָ֤ה
(haarura)
die vervloekte
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
וְקִבְר֔וּהָ
(veqivruha)
en begraaf haar
כִּ֥י
(ki)
want
בַת
(bat)
dochter van
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
הִֽיא
(hi)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֲרוּרָה (ha’arurah), ‘de vervloekte’.

Jehu noemt Izebel zo, maar wil haar toch begraven omdat zij een koningsdochter is.

Zij was de dochter van Etbaäl, de koning van Sidon (1 Kon. 16:31).

35Zij gingen haar begraven, maar vonden van haar niets dan de schedel, de voeten en de handpalmen.
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en gingen
לְקָבְרָ֑הּ
(leqaverah)
om haar te begraven
וְלֹא
(velo)
en niet
מָ֣צְאוּ
(matseu)
vonden zij
בָ֗הּ
(bah)
van haar
כִּ֧י
(ki)
dan
אִם
(im)
indien
הַגֻּלְגֹּ֛לֶת
(hagulgolet)
de schedel
וְהָרַגְלַ֖יִם
(veharaglayim)
en de voeten
וְכַפּ֥וֹת
(vekhapot)
en de handpalmen van
הַיָּדָֽיִם
(hayadayim)
de handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Zij keerden terug en vertelden het hem. Hij zei: „Dit is het woord van Yahweh. Hij sprak het door Zijn dienaar Elia, de Tisbiet: ‘In het stuk land van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten.
וַיָּשֻׁבוּ֮
(vayashuvu)
en keerden terug
וַיַּגִּ֣ידוּ
(vayagidu)
en vertelden
לוֹ֒
(lo)
hem
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
ה֔וּא
(hu)
dit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֗ר
(diber)
Hij sprak
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
עַבְדּ֛וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
אֵלִיָּ֥הוּ
(eliyahu)
Elia
הַתִּשְׁבִּ֖י
(hatishbi)
de Tisbiet
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
בְּחֵ֣לֶק
(becheleq)
in het stuk land van
יִזְרְעֶ֔אל
(yizreel)
Jizreël
יֹאכְל֥וּ
(yokhlu)
zullen eten
הַכְּלָבִ֖ים
(hakelavim)
de honden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשַׂ֥ר
(besar)
vlees van
אִיזָֽבֶל
(izavel)
Izebel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tisbe (ligging onzeker): Elia kwam uit Tisbe, in of bij Gilead.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.

Uitleg

Jehu citeert hier Elia, en Elia citeert Yahweh.

Het staat daarom zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

Dit is de vervulling van 1 Kon. 21:23.

Lezing

חֵלֶק (cheleq), ‘stuk land’: zie vers 10.

37Het lijk van Izebel zal als mest zijn op het veld, in het stuk land van Jizreël, zodat men niet zal zeggen: Dit is Izebel.’”
וְֽהָיְתָ֞ה
(vehayeta)
en zal zijn
נִבְלַ֣ת
(nivlat)
lijk van
אִיזֶ֗בֶל
(izevel)
Izebel
כְּדֹ֛מֶן
(kedomen)
als mest
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
בְּחֵ֣לֶק
(becheleq)
in het stuk land van
יִזְרְעֶ֑אל
(yizreel)
Jizreël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
zodat
לֹֽא
(lo)
niet
יֹאמְר֖וּ
(yomru)
zullen zeggen
זֹ֥את
(zot)
dit
אִיזָֽבֶל
(izavel)
Izebel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.

Uitleg

כְּדֹמֶן (kedomen), ‘als mest’: het lijk is zo verwoest dat niemand haar nog herkent.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft והית (wehayt).

Het qere heeft וְהָיְתָה (wehayetah), ‘en zij zal zijn’.

De betekenis is gelijk.

Wij volgen het qere.