Elohim Bijbel

1 Samuël 9

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Saul zoekt ezelinnen en ontmoet Samuël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Kis en zijn zoon Saul

1Er was een man uit Benjamin. Hij heette Kis, de zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorat, de zoon van Afiach, de zoon van een Benjaminiet. Hij was een dappere krijger.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en er was
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
מבן
(mibben)
uit de zoon van
מִבִּנְיָמִ֗ין
(mibinyamin)
uit Benjamin
וּ֠שְׁמוֹ
(ushemo)
en zijn naam
קִ֣ישׁ
(qish)
Kis
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲבִיאֵ֞ל
(aviel)
Abiël
בֶּן
(ben)
zoon van
צְר֧וֹר
(tseror)
Zeror
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּכוֹרַ֛ת
(bekhorat)
Bechorat
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲפִ֖יחַ
(afiach)
Afiach
בֶּן
(ben)
zoon van
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
יְמִינִ֑י
(yemini)
Benjaminiet
גִּבּ֖וֹר
(gibor)
dappere
חָֽיִל
(chayil)
krijger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבּוֹר חַיִל (gibbor chayil), ‘dappere krijger’: de uitdrukking kan ook ‘man van aanzien en bezit’ betekenen.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft hier מִבֶּן־יָמִין (miben-yamin), ‘uit een zoon van de rechterhand’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘uit Benjamin’.

Wij volgen de qere.

Het eerste woord מִבֶּן (miben) blijft in de tekst staan als overblijfsel van de geschreven vorm.

2Hij had een zoon die Saul heette. Saul was jong en knap. Niemand van de zonen van Israël was knapper dan hij. Van zijn schouders omhoog was hij groter dan heel het volk.
וְלוֹ
(velo)
en voor hem
הָיָ֨ה
(haya)
was
בֵ֜ן
(ben)
een zoon
וּשְׁמ֤וֹ
(ushemo)
en zijn naam
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
בָּח֣וּר
(bachur)
jongeman
וָט֔וֹב
(vatov)
en knap
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet
אִ֛ישׁ
(ish)
een man
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
ט֣וֹב
(tov)
knapper
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
dan hij
מִשִּׁכְמ֣וֹ
(mishikhmo)
vanaf zijn schouder
וָמַ֔עְלָה
(vamala)
en omhoog
גָּבֹ֖הַּ
(gavoha)
hoger
מִכָּל
(mikal)
dan heel
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טוֹב (tov), ‘goed’: hier ‘knap, mooi van uiterlijk’.

De ezelinnen zijn zoek

3De ezelinnen van Kis, de vader van Saul, raakten zoek. Kis zei tegen zijn zoon Saul: „Neem toch een van de jongens met je mee. Sta op en ga de ezelinnen zoeken.”
וַתֹּאבַ֨דְנָה֙
(vatovadna)
en raakten zoek
הָאֲתֹנ֔וֹת
(haatonot)
de ezelinnen
לְקִ֖ישׁ
(leqish)
van Kis
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
קִ֜ישׁ
(qish)
Kis
אֶל
(el)
tegen
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
בְּנ֗וֹ
(beno)
zijn zoon
קַח
(qach)
neem
נָ֤א
(na)
toch
אִתְּךָ֙
(itekha)
met je
אֶת
(et)
(obj.)
אַחַ֣ד
(achad)
een
מֵֽהַנְּעָרִ֔ים
(mehanearim)
van de jongens
וְק֣וּם
(vequm)
en sta op
לֵ֔ךְ
(lekh)
ga
בַּקֵּ֖שׁ
(baqesh)
zoek
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲתֹנֹֽת
(haatonot)
de ezelinnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲתֹנוֹת (atonot), ‘ezelinnen’.

4Hij trok door het bergland van Efraïm en door het land Salisa. Zij vonden de ezelinnen niet. Zij trokken door het land Saälim, maar daar waren ze niet. Hij trok door het land van de Benjaminieten. Ook daar vonden zij ze niet.
וַיַּעֲבֹ֧ר
(vayaavor)
en hij trok door
בְּהַר
(behar)
in het gebergte van
אֶפְרַ֛יִם
(efrayim)
Efraïm
וַיַּעֲבֹ֥ר
(vayaavor)
en hij trok door
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
שָׁלִ֖שָׁה
(shalisha)
Salisa
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
מָצָ֑אוּ
(matsau)
zij vonden
וַיַּעַבְר֤וּ
(vayaavru)
en zij trokken door
בְאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
שַׁעֲלִים֙
(shaalim)
Saälim
וָאַ֔יִן
(vaayin)
en niets
וַיַּעֲבֹ֥ר
(vayaavor)
en hij trok door
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
יְמִינִ֖י
(yemini)
de Benjaminieten
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָצָֽאוּ
(matsau)
zij vonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het bergland van Efraïm is het middengebergte ten noorden van Benjamin (Westelijke Jordaanoever).

De landen Salisa en Saälim zijn niet te lokaliseren.

Zij liggen waarschijnlijk in en rond dit gebied.

De ligging is onzeker.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Zie Land Salisa (ligging onzeker): Het land Salisa lag ten noorden of westen van Gibea, bij het bergland van Efraïm.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Land Saälim (ligging onzeker): Het land Saälim lag in of bij Benjamin en Efraïm.

De precieze plaats is niet zeker.

5Zij kwamen in het land Zuf. Saul zei tegen zijn jongen, die bij hem was: „Kom, laten wij teruggaan. Anders houdt mijn vader op met de ezelinnen en maakt hij zich zorgen om ons.”
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
בָּ֚אוּ
(bau)
kwamen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
צ֔וּף
(tsuf)
Zuf
וְשָׁא֥וּל
(veshaul)
en Saul
אָמַ֛ר
(amar)
zei
לְנַעֲר֥וֹ
(lenaaro)
tegen zijn jongen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עִמּ֖וֹ
(imo)
bij hem was
לְכָ֣ה
(lekha)
kom
וְנָשׁ֑וּבָה
(venashuva)
en laten wij teruggaan
פֶּן
(pen)
anders
יֶחְדַּ֥ל
(yechdal)
houdt op
אָבִ֛י
(avi)
mijn vader
מִן
(min)
met
הָאֲתֹנ֖וֹת
(haatonot)
de ezelinnen
וְדָ֥אַג
(vedaag)
en hij maakt zich zorgen
לָֽנוּ
(lanu)
om ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het land Zuf: de ligging is onzeker.

Vergelijk Ramataim-Zofim in 1 Sam. 1:1.

Zie Land Zuf (ligging onzeker): Het land Zuf lag rond Ramataim-Zofim, in het bergland van Efraïm.

De precieze plaats is niet zeker.

De man van Elohim in de stad

6De jongen zei tegen hem: „Zie toch, in deze stad is een man van Elohim. Hij is een geëerd man. Alles wat hij zegt, komt zeker uit. Laten wij nu daarheen gaan. Misschien vertelt hij ons welke weg wij moeten nemen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tegen hem
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֤א
(na)
toch
אִישׁ
(ish)
een man van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
בָּעִ֣יר
(bair)
in de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
וְהָאִ֣ישׁ
(vehaish)
en de man
נִכְבָּ֔ד
(nikhbad)
geëerd
כֹּ֥ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יְדַבֵּ֖ר
(yedaber)
hij spreekt
בּ֣וֹא
(bo)
komen
יָב֑וֹא
(yavo)
het zal komen
עַתָּה֙
(ata)
nu
נֵ֣לֲכָה
(nelakha)
laten wij gaan
שָּׁ֔ם
(sham)
daarheen
אוּלַי֙
(ulay)
misschien
יַגִּ֣יד
(yagid)
zal hij vertellen
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכֵּ֖נוּ
(darkenu)
onze weg
אֲשֶׁר
(asher)
die
הָלַ֥כְנוּ
(halakhnu)
wij zijn gegaan
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ אֱלֹהִים (ish Elohim), ‘man van Elohim’: een man die namens Elohim spreekt.

בּוֹא יָבוֹא (bo javo), ‘komen, het zal komen’: alles wat hij zegt, gebeurt.

7Saul zei tegen zijn jongen: „Maar zie, als wij gaan, wat kunnen wij de man dan brengen? Het brood in onze zakken is op. Wij hebben geen geschenk om de man van Elohim te geven. Wat hebben wij bij ons?”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
לְנַעֲר֗וֹ
(lenaaro)
tegen zijn jongen
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
נֵלֵךְ֮
(nelekh)
wij gaan
וּמַה
(uma)
en wat
נָּבִ֣יא
(navi)
zullen wij brengen
לָאִישׁ֒
(laish)
aan de man
כִּ֤י
(ki)
want
הַלֶּ֨חֶם֙
(halechem)
het brood
אָזַ֣ל
(azal)
is op
מִכֵּלֵ֔ינוּ
(mikeleinu)
uit onze zakken
וּתְשׁוּרָ֥ה
(uteshura)
en een geschenk
אֵין
(ein)
niet
לְהָבִ֖יא
(lehavi)
om te brengen
לְאִ֣ישׁ
(leish)
aan de man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
מָ֖ה
(ma)
wat
אִתָּֽנוּ
(itanu)
met ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De jongen antwoordde Saul opnieuw: „Zie, ik heb een kwart sikkel zilver bij me. Dat geef ik aan de man van Elohim. Dan vertelt hij ons de weg.”
וַיֹּ֤סֶף
(vayosef)
en hij voegde toe
הַנַּ֨עַר֙
(hanaar)
de jongen
לַעֲנ֣וֹת
(laanot)
om te antwoorden
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּה֙
(hine)
zie
נִמְצָ֣א
(nimtsa)
wordt gevonden
בְיָדִ֔י
(beyadi)
in mijn hand
רֶ֖בַע
(reva)
een vierde van
שֶׁ֣קֶל
(sheqel)
een sikkel
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
וְנָֽתַתִּי֙
(venatati)
en ik zal geven
לְאִ֣ישׁ
(leish)
aan de man van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וְהִגִּ֥יד
(vehigid)
en hij zal vertellen
לָ֖נוּ
(lanu)
ons
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכֵּֽנוּ
(darkenu)
onze weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֶבַע שֶׁקֶל (reva shekel), ‘een vierde sikkel’.

Een sikkel is ongeveer 11,4 gram.

Een vierde sikkel zilver is dus ongeveer 3 gram.

9Vroeger zei men in Israël, als een man ging om Elohim te raadplegen: „Kom, laten wij naar de ziener gaan.” Want de profeet van nu werd vroeger ziener genoemd.
לְפָנִ֣ים
(lefanim)
vroeger
בְּיִשְׂרָאֵ֗ל
(beyisrael)
in Israël
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zei
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
בְּלֶכְתּוֹ֙
(belekhto)
bij zijn gaan
לִדְר֣וֹשׁ
(lidrosh)
om te raadplegen
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
לְכ֥וּ
(lekhu)
kom
וְנֵלְכָ֖ה
(venelekha)
en laten wij gaan
עַד
(ad)
naar
הָרֹאֶ֑ה
(haroe)
de ziener
כִּ֤י
(ki)
want
לַנָּבִיא֙
(lanavi)
de profeet
הַיּ֔וֹם
(hayom)
van vandaag
יִקָּרֵ֥א
(yiqare)
werd genoemd
לְפָנִ֖ים
(lefanim)
vroeger
הָרֹאֶֽה
(haroe)
ziener
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹאֶה (ro’eh), ‘ziener’: iemand die ziet wat Elohim laat zien.

נָבִיא (navi), ‘profeet’.

Dit vers is een opmerking van de schrijver: het woord ‘ziener’ was vroeger het gewone woord.

לִדְרֹשׁ אֱלֹהִים (lidrosh Elohim), ‘Elohim raadplegen’: Hem om raad vragen.

10Saul zei tegen zijn jongen: „Goed gesproken. Kom, laten wij gaan.” Zij gingen naar de stad waar de man van Elohim was.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֧וּל
(shaul)
Saul
לְנַעֲר֛וֹ
(lenaaro)
tegen zijn jongen
ט֥וֹב
(tov)
goed
דְּבָרְךָ֖
(devarekha)
je woord
לְכָ֣ה
(lekha)
kom
נֵלֵ֑כָה
(nelekha)
laten wij gaan
וַיֵּֽלְכוּ֙
(vayelekhu)
en zij gingen
אֶל
(el)
naar
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
אֲשֶׁר
(asher)
waar
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אִ֥ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Meisjes bij de helling

11Terwijl zij de helling naar de stad opgingen, vonden zij meisjes die naar buiten kwamen om water te putten. Zij vroegen hun: „Is de ziener hier?”
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
עֹלִים֙
(olim)
gaande omhoog
בְּמַעֲלֵ֣ה
(bemaale)
op de helling van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְהֵ֨מָּה֙
(vehema)
en zij
מָצְא֣וּ
(matseu)
vonden
נְעָר֔וֹת
(nearot)
meisjes
יֹצְא֖וֹת
(yotseot)
uitgaande
לִשְׁאֹ֣ב
(lishov)
om te putten
מָ֑יִם
(mayim)
water
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לָהֶ֔ן
(lahen)
tot hen
הֲיֵ֥שׁ
(hayesh)
is er
בָּזֶ֖ה
(baze)
hier
הָרֹאֶֽה
(haroe)
de ziener
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zij antwoordden hun: „Ja, hij is vlak voor je. Haast je nu, want hij is vandaag in de stad gekomen. Er is vandaag een slachtoffer voor het volk op de offerhoogte.
וַתַּעֲנֶ֧ינָה
(vataaneina)
en zij antwoordden
אוֹתָ֛ם
(otam)
hen
וַתֹּאמַ֥רְנָה
(vatomarna)
en zij zeiden
יֵּ֖שׁ
(yesh)
er is
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je
מַהֵ֣ר
(maher)
haast je
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
כִּ֤י
(ki)
want
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
בָּ֣א
(ba)
is gekomen
לָעִ֔יר
(lair)
naar de stad
כִּ֣י
(ki)
want
זֶ֧בַח
(zevach)
een slachtoffer
הַיּ֛וֹם
(hayom)
vandaag
לָעָ֖ם
(laam)
voor het volk
בַּבָּמָֽה
(babama)
op de offerhoogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De stad wordt niet bij naam genoemd.

De ligging is onzeker.

Uitleg

בָּמָה (bamah), ‘offerhoogte’: een plaats op een hoogte waar slachtoffers worden gebracht.

13Zodra jullie de stad binnengaan, vinden jullie hem, voordat hij naar de offerhoogte opgaat om te eten. Want het volk eet niet voordat hij gekomen is. Hij zegent het slachtoffer. Daarna eten de genodigden. Ga nu omhoog, want juist nu vinden jullie hem.”
כְּבֹאֲכֶ֣ם
(kevoakhem)
zodra jullie binnengaan
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
כֵּ֣ן
(ken)
zo
תִּמְצְא֣וּן
(timtseun)
zullen jullie vinden
אֹת֡וֹ
(oto)
hem
בְּטֶרֶם֩
(beterem)
voordat
יַעֲלֶ֨ה
(yaale)
hij opgaat
הַבָּמָ֜תָה
(habamata)
naar de offerhoogte
לֶאֱכֹ֗ל
(leekhol)
om te eten
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
יֹאכַ֤ל
(yokhal)
zal eten
הָעָם֙
(haam)
het volk
עַד
(ad)
totdat
בֹּא֔וֹ
(boo)
hij komt
כִּֽי
(ki)
want
הוּא֙
(hu)
hij
יְבָרֵ֣ךְ
(yevarekh)
zal zegenen
הַזֶּ֔בַח
(hazevach)
het slachtoffer
אַחֲרֵי
(acharei)
daarna
כֵ֖ן
(ken)
zo
יֹאכְל֣וּ
(yokhlu)
zullen eten
הַקְּרֻאִ֑ים
(haqeruim)
de genodigden
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
עֲל֔וּ
(alu)
ga omhoog
כִּֽי
(ki)
want
אֹת֥וֹ
(oto)
hem
כְהַיּ֖וֹם
(kehayom)
zoals vandaag
תִּמְצְא֥וּן
(timtseun)
zullen jullie vinden
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקְּרֻאִים (haqqeruim), ‘de genodigden’: de mensen die voor de maaltijd zijn uitgenodigd.

14Zij gingen de stad in. Terwijl zij midden in de stad kwamen, zie, daar kwam Samuël hun tegemoet. Hij was op weg naar de offerhoogte.
וַֽיַּעֲל֖וּ
(vayaalu)
en zij gingen omhoog
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
בָּאִים֙
(baim)
komende
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
יֹצֵ֣א
(yotse)
komt uit
לִקְרָאתָ֔ם
(liqratam)
hun tegemoet
לַעֲל֖וֹת
(laalot)
om op te gaan
הַבָּמָֽה
(habama)
naar de offerhoogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh wijst Saul aan

15Een dag voordat Saul kwam, had Yahweh het oor van Samuël geopend. Hij had gezegd:
וַֽיהוָ֔ה
(vaYahweh)
en Yahweh
גָּלָ֖ה
(gala)
had geopend
אֶת
(et)
(obj.)
אֹ֣זֶן
(ozen)
het oor van
שְׁמוּאֵ֑ל
(shemuel)
Samuël
י֣וֹם
(yom)
een dag
אֶחָ֔ד
(echad)
één
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
vóór
בֽוֹא
(bo)
het komen van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּלָה אֶת־אֹזֶן (galah et-ozen), letterlijk ‘het oor ontbloot’: bekendmaken, iets onthullen.

16„Morgen om deze tijd stuur Ik een man naar je toe uit het land Benjamin. Je zult hem zalven tot leider over Mijn volk Israël. Hij zal Mijn volk redden uit de hand van de Filistijnen. Want Ik heb Mijn volk gezien. Zijn noodkreet is tot Mij gekomen.”
כָּעֵ֣ת
(kaet)
zoals de tijd van
מָחָ֡ר
(machar)
morgen
אֶשְׁלַח֩
(eshlach)
Ik zal sturen
אֵלֶ֨יךָ
(eleikha)
naar je
אִ֜ישׁ
(ish)
een man
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
בִּנְיָמִ֗ן
(binyamin)
Benjamin
וּמְשַׁחְתּ֤וֹ
(umeshachto)
en je zult hem zalven
לְנָגִיד֙
(lenagid)
tot leider
עַל
(al)
over
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְהוֹשִׁ֥יעַ
(vehoshia)
en hij zal redden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
כִּ֤י
(ki)
want
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
Ik heb gezien
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
כִּ֛י
(ki)
want
בָּ֥אָה
(baa)
is gekomen
צַעֲקָת֖וֹ
(tsaaqato)
zijn noodkreet
אֵלָֽי
(elay)
tot Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

נָגִיד (nagid), ‘leider’: letterlijk ‘iemand die voorop gaat’.

Het woord is niet gelijk aan ‘koning’ (מֶלֶךְ, melech).

מָשַׁח (mashach), ‘zalven’: met olie begieten. Zie 1 Sam. 10:1.

צְעָקָה (tse’aqah), ‘noodkreet’: een kreet om hulp, zoals in Exod. 3:9.

17Toen Samuël Saul zag, antwoordde Yahweh hem: „Zie, dat is de man over wie Ik tot je sprak. Hij zal over Mijn volk heersen.”
וּשְׁמוּאֵ֖ל
(ushemuel)
en Samuël
רָאָ֣ה
(raa)
zag
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיהוָ֣ה
(vaYahweh)
en Yahweh
עָנָ֔הוּ
(anahu)
antwoordde hem
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אָמַ֣רְתִּי
(amarti)
Ik sprak
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot je
זֶ֖ה
(ze)
deze
יַעְצֹ֥ר
(yatsor)
zal in bedwang houden
בְּעַמִּֽי
(beami)
Mijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָצַר (atsar), ‘tegenhouden, in bedwang houden’: hier ‘leiding geven, gezag voeren’ over het volk.

Saul bij Samuël

18Saul kwam bij Samuël in de poort en zei: „Wijs mij toch aan waar het huis van de ziener is.”
וַיִּגַּ֥שׁ
(vayigash)
en hij kwam dichtbij
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הַשָּׁ֑עַר
(hashaar)
de poort
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הַגִּֽידָה
(hagida)
vertel
נָּ֣א
(na)
toch
לִ֔י
(li)
mij
אֵי
(ei)
waar
זֶ֖ה
(ze)
dit is
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הָרֹאֶֽה
(haroe)
de ziener
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Samuël antwoordde Saul: „Ik ben de ziener. Ga voor mij uit naar de offerhoogte. Jullie eten vandaag met mij. Morgenochtend laat ik je gaan. Alles wat in je hart is, zal ik je vertellen.
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
שְׁמוּאֵ֜ל
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
הָרֹאֶ֔ה
(haroe)
de ziener
עֲלֵ֤ה
(ale)
ga omhoog
לְפָנַי֙
(lefanay)
voor mij
הַבָּמָ֔ה
(habama)
de offerhoogte
וַאֲכַלְתֶּ֥ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
עִמִּ֖י
(imi)
met mij
הַיּ֑וֹם
(hayom)
vandaag
וְשִׁלַּחְתִּ֣יךָ
(veshilachtikha)
en ik zal je laten gaan
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וְכֹ֛ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
בִּֽלְבָבְךָ֖
(bilvavekha)
in je hart
אַגִּ֥יד
(agid)
ik zal vertellen
לָֽךְ
(lakh)
je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Maak je geen zorgen over de ezelinnen die drie dagen geleden zoek zijn geraakt, want ze zijn gevonden. En voor wie is alles wat Israël begeert? Is het niet voor jou en voor heel het huis van je vader?”
וְלָאֲתֹנ֞וֹת
(velaatonot)
en wat betreft de ezelinnen
הָאֹבְד֣וֹת
(haovedot)
die verloren zijn
לְךָ֗
(lekha)
van jou
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
אַל
(al)
niet
תָּ֧שֶׂם
(tasem)
zet
אֶֽת
(et)
(obj.)
לִבְּךָ֛
(libekha)
je hart
לָהֶ֖ם
(lahem)
op hen
כִּ֣י
(ki)
want
נִמְצָ֑אוּ
(nimtsau)
zij zijn gevonden
וּלְמִי֙
(ulemi)
en voor wie
כָּל
(kal)
alles
חֶמְדַּ֣ת
(chemdat)
het begeerde van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
לְךָ֔
(lekha)
voor jou
וּלְכֹ֖ל
(ulekhol)
en voor heel
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אָבִֽיךָ
(avikha)
je vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶמְדַּת יִשְׂרָאֵל (chemdat Yisra’el), ‘het begeerde van Israël’: alles wat kostbaar is voor Israël.

De tekst zegt niet precies wat bedoeld is.

21Saul antwoordde: „Ben ik niet een Benjaminiet, uit de kleinste stam van Israël? Is mijn familie niet de geringste van alle families van de stam Benjamin? Waarom zeg je zoiets tegen mij?”
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en hij antwoordde
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הֲל֨וֹא
(halo)
is niet
בֶן
(ben)
een zoon van
יְמִינִ֤י
(yemini)
een Benjaminiet
אָ֨נֹכִי֙
(anokhi)
ik
מִקַּטַנֵּי֙
(miqatanei)
uit de kleinste van
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּמִשְׁפַּחְתִּי֙
(umishpachti)
en mijn familie
הַצְּעִרָ֔ה
(hatseira)
de geringste
מִכָּֽל
(mikal)
van alle
מִשְׁפְּח֖וֹת
(mishpechot)
families van
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
de stammen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
וְלָ֨מָּה֙
(velama)
en waarom
דִּבַּ֣רְתָּ
(dibarta)
heb je gesproken
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
כַּדָּבָ֖ר
(kadavar)
zoals het woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Benjamin was na de oorlog in Richt. 20–21 sterk geslonken (Richt. 21:3 en 21:6).

De maaltijd op de offerhoogte

22Samuël nam Saul en zijn jongen mee en bracht hen naar de zaal. Hij gaf hun een plaats vooraan bij de genodigden. Dat waren ongeveer dertig mannen.
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
נַעֲר֔וֹ
(naaro)
zijn jongen
וַיְבִיאֵ֖ם
(vayviem)
en hij bracht hen
לִשְׁכָּ֑תָה
(lishkata)
naar de zaal
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en hij gaf
לָהֶ֤ם
(lahem)
hun
מָקוֹם֙
(maqom)
een plaats
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
aan het hoofd van
הַקְּרוּאִ֔ים
(haqeruim)
de genodigden
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
en zij
כִּשְׁלֹשִׁ֥ים
(kishloshim)
ongeveer dertig
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִשְׁכָּה (lishkah), ‘zaal’: een vertrek of eetzaal bij de offerhoogte.

23Samuël zei tegen de kok: „Geef het stuk dat ik je heb gegeven, waarvan ik tegen je zei: ‘Leg het bij je apart.’”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
לַטַּבָּ֔ח
(latabach)
tegen de kok
תְּנָה֙
(tena)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּנָ֔ה
(hamana)
het deel
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נָתַ֖תִּי
(natati)
ik gaf
לָ֑ךְ
(lakh)
aan je
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
אָמַ֣רְתִּי
(amarti)
ik zei
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tegen je
שִׂ֥ים
(sim)
leg
אֹתָ֖הּ
(otah)
het
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De kok tilde de dij op, met wat erop zat, en legde die voor Saul neer. Hij zei: „Zie, wat bewaard is, is voor je neergelegd. Eet, want het is voor deze bepaalde tijd voor je bewaard, met de woorden: ‘Ik heb het volk uitgenodigd.’” Saul at die dag met Samuël.
וַיָּ֣רֶם
(vayarem)
en hij tilde op
הַ֠טַּבָּח
(hatabach)
de kok
אֶת
(et)
(obj.)
הַשּׁ֨וֹק
(hashoq)
de dij
וְהֶעָלֶ֜יהָ
(vehealeiha)
en wat erop zat
וַיָּ֣שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
הַנִּשְׁאָר֙
(hanishar)
het overgeblevene
שִׂים
(sim)
is neergelegd
לְפָנֶ֣יךָ
(lefaneikha)
voor je
אֱכֹ֔ל
(ekhol)
eet
כִּ֧י
(ki)
want
לַמּוֹעֵ֛ד
(lamoed)
voor de bepaalde tijd
שָֽׁמוּר
(shamur)
is bewaard
לְךָ֥
(lekha)
voor jou
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
קָרָ֑אתִי
(qarati)
ik heb uitgenodigd
וַיֹּ֧אכַל
(vayokhal)
en at
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
עִם
(im)
met
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשּׁוֹק (hashshoq), ‘de dij’: de dij is bij het vredeoffer het deel van de priester (Lev. 7:32–34).

Hier legt de kok die dij voor Saul neer.

וְהֶעָלִיָּה (veha’aliyyah), letterlijk ‘en wat erop is’: wat erbij zat.

De betekenis is onzeker.

Lezing

Het is niet duidelijk wie in vers 24b spreekt.

Wij lezen: Samuël.

De woorden ‘Ik heb het volk uitgenodigd’ nemen wij als de aanleiding voor het bewaren van het stuk vlees.

Samuël spreekt met Saul op het dak

25Zij kwamen van de offerhoogte af naar de stad. Hij sprak met Saul op het dak.
וַיֵּרְד֥וּ
(vayeredu)
en zij daalden af
מֵהַבָּמָ֖ה
(mehabama)
van de offerhoogte
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en hij sprak
עִם
(im)
met
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
עַל
(al)
op
הַגָּֽג
(hagag)
het dak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Zij stonden vroeg op. Toen de dageraad aanbrak, riep Samuël naar Saul op het dak: „Sta op, dan laat ik je gaan.” Saul stond op. Zij gingen beiden naar buiten, hij en Samuël.
וַיַּשְׁכִּ֗מוּ
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כַּעֲל֤וֹת
(kaalot)
bij het opkomen van
הַשַּׁ֨חַר֙
(hashachar)
de morgenstond
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij riep
שְׁמוּאֵ֤ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tot
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
הַגָּ֣גָה
(hagaga)
op het dak
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
ק֖וּמָה
(quma)
sta op
וַאֲשַׁלְּחֶ֑ךָּ
(vaashalecheka)
en ik zal je laten gaan
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וַיֵּצְא֧וּ
(vayetseu)
en zij gingen uit
שְׁנֵיהֶ֛ם
(sheneihem)
zij beiden
ה֥וּא
(hu)
hij
וּשְׁמוּאֵ֖ל
(ushemuel)
en Samuël
הַחֽוּצָה
(hachutsa)
naar buiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft הגג (hagag), ‘het dak’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft הגגה (haggagah), ‘naar het dak’.

Wij volgen de qere.

27Terwijl zij naar de rand van de stad afdaalden, zei Samuël tegen Saul: „Zeg tegen de jongen dat hij voor ons uit moet gaan.” En de jongen ging voor hen uit. „Maar blijf jij nu staan. Dan laat ik je het woord van Elohim horen.”
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
יֽוֹרְדִים֙
(yoredim)
dalende
בִּקְצֵ֣ה
(biqtse)
aan het einde van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וּשְׁמוּאֵ֞ל
(ushemuel)
en Samuël
אָמַ֣ר
(amar)
zei
אֶל
(el)
tegen
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
אֱמֹ֥ר
(emor)
zeg
לַנַּ֛עַר
(lanaar)
tegen de jongen
וְיַעֲבֹ֥ר
(veyaavor)
en laat hem voorbijgaan
לְפָנֵ֖ינוּ
(lefaneinu)
voor ons
וַֽיַּעֲבֹ֑ר
(vayaavor)
en hij ging voorbij
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
עֲמֹ֣ד
(amod)
blijf staan
כַּיּ֔וֹם
(kayom)
zoals de dag
וְאַשְׁמִיעֲךָ֖
(veashmiakha)
en ik zal je laten horen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֥ר
(devar)
het woord van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het tweede וַיַּעֲבֹר (vaja’avor), ‘en hij ging voorbij’, nemen wij als verhalende tekst: de jongen ging voor hen uit.

Samuëls woorden gaan daarna door.