Elohim Bijbel

Jesaja 61

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

De gezalfde brengt goed nieuws en Yahweh sluit een eeuwig verbond

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Geest van Heer Yahweh is op mij

1De Geest van Heer Yahweh is op mij. Want Yahweh heeft mij gezalfd om goed nieuws te brengen aan de nederigen. Hij heeft mij gezonden om hen te verbinden die gebroken zijn van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen de opening van de kerker.
ר֛וּחַ
(ruach)
de Geest van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלָ֑י
(alay)
is op mij
יַ֡עַן
(yaan)
omdat
מָשַׁח֩
(mashach)
Hij heeft gezalfd
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹתִ֜י
(oti)
mij
לְבַשֵּׂ֣ר
(levaser)
om goed nieuws te brengen
עֲנָוִ֗ים
(anavim)
aan de nederigen
שְׁלָחַ֨נִי֙
(shelachani)
Hij heeft mij gezonden
לַחֲבֹ֣שׁ
(lachavosh)
om te verbinden
לְנִשְׁבְּרֵי
(lenishberei)
wie gebroken zijn van
לֵ֔ב
(lev)
hart
לִקְרֹ֤א
(liqro)
om uit te roepen
לִשְׁבוּיִם֙
(lishvuyim)
aan de gevangenen
דְּר֔וֹר
(deror)
vrijheid
וְלַאֲסוּרִ֖ים
(velaasurim)
en aan de gebondenen
פְּקַח
(peqach)
opening
קֽוֹחַ
(qoach)
van de kerker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jes. 3:15.

Hier spreekt iemand in de eerste persoon die door Yahweh is gezalfd en gezonden. De tekst noemt zijn naam niet; daarom staat het niet rood. Yeshua leest Jes. 61:1–2 voor in Luc. 4:18–19.

מָשַׁח (mashach), ‘zalven’: met olie aanstellen voor een taak, zoals bij een priester (Exod. 29:7) en een koning (1 Sam. 16:13).

עֲנָוִים (anavim), ‘nederigen’: mensen die arm en gebogen zijn en op Yahweh rekenen.

דְּרוֹר (deror), ‘vrijheid’: de uitroep van de vrijlating in het jubeljaar; zie Lev. 25:10.

פְּקַח־קוֹחַ (peqach-qoach), ‘opening van de kerker’: een samengesteld woord dat alleen hier voorkomt. De betekenis is onzeker; het kan ook ‘opening van de ogen’ betekenen. Wij kiezen ‘opening van de kerker’, naast ‘gevangenen’ en ‘gebondenen’.

2om het jaar van welbehagen voor Yahweh uit te roepen en de dag van wraak voor onze Elohim, om alle rouwenden te troosten,
לִקְרֹ֤א
(liqro)
om uit te roepen
שְׁנַת
(shenat)
het jaar van
רָצוֹן֙
(ratson)
welbehagen
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְי֥וֹם
(veyom)
en de dag van
נָקָ֖ם
(naqam)
wraak
לֵאלֹהֵ֑ינוּ
(leloheinu)
voor onze Elohim
לְנַחֵ֖ם
(lenachem)
om te troosten
כָּל
(kal)
alle
אֲבֵלִֽים
(avelim)
rouwenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁנַת רָצוֹן (shenat ratson), ‘jaar van welbehagen’: een jaar waarin Yahweh gunstig is.

Het sluit aan bij de vrijlating van vers 1 en bij het jubeljaar (Lev. 25:10).

יוֹם נָקָם (yom naqam), ‘dag van wraak’: Yahweh die recht herstelt en het kwaad vergeldt; zie Jes. 34:8 en 63:4. In Luc. 4:19 houdt het voorlezen op bij ‘het jaar van welbehagen’.

3om voor de rouwenden van Sion vast te stellen en hun te geven: een sierlijke tooi in plaats van as, olie van vreugde in plaats van rouw, een mantel van lof in plaats van een verflauwde geest. Men zal hen terebinten van gerechtigheid noemen, een planting van Yahweh, om Zijn luister te tonen.
לָשׂ֣וּם
(lasum)
om vast te stellen
לַאֲבֵלֵ֣י
(laavelei)
voor de rouwenden van
צִיּ֗וֹן
(tsiyon)
Sion
לָתֵת֩
(latet)
om te geven
לָהֶ֨ם
(lahem)
hun
פְּאֵ֜ר
(peer)
een sierlijke tooi
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
אֵ֗פֶר
(efer)
as
שֶׁ֤מֶן
(shemen)
olie van
שָׂשׂוֹן֙
(sason)
vreugde
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
אֵ֔בֶל
(evel)
rouw
מַעֲטֵ֣ה
(maate)
een mantel van
תְהִלָּ֔ה
(tehila)
lof
תַּ֖חַת
(tachat)
in plaats van
ר֣וּחַ
(ruach)
een geest
כֵּהָ֑ה
(keha)
verflauwde
וְקֹרָ֤א
(veqora)
en men zal noemen
לָהֶם֙
(lahem)
hen
אֵילֵ֣י
(eilei)
terebinten van
הַצֶּ֔דֶק
(hatsedeq)
gerechtigheid
מַטַּ֥ע
(mata)
een planting van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהִתְפָּאֵֽר
(lehitpaer)
om Zijn luister te tonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

פְּאֵר (peer), ‘sierlijke tooi’: een hoofdtooi, zoals een bruidegom die draagt (vers 10).

Het is het tegenovergestelde van אֵפֶר (efer), ‘as’, het teken van rouw.

כֵּהָה (kehah), ‘verflauwd’: letterlijk ‘dof’ of ‘flauw’. Het gaat om een geest zonder kracht.

אֵילֵי הַצֶּדֶק (eilei hatsedeq), ‘terebinten van gerechtigheid’: een אֵיל (eil) is een sterke boom. Welke soort bedoeld is, is onzeker; wij kiezen ‘terebint’, zoals bij het verwante woord elah elders.

לְהִתְפָּאֵר (lehitpa’er), ‘om Zijn luister te tonen’: letterlijk ‘om Zich te tooien’ of ‘om Zich te verheerlijken’. Het woord is verwant met פְּאֵר (peer), ‘tooi’. De vertaling is gelijk aan Jes. 60:21.

Ruïnes worden opgebouwd

4Zij zullen de eeuwenoude ruïnes opbouwen en de verwoestingen van vroeger oprichten. Zij zullen de verwoeste steden vernieuwen, de verwoestingen van generatie op generatie.
וּבָנוּ֙
(uvanu)
en zij zullen bouwen
חָרְב֣וֹת
(charevot)
ruïnes van
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwen
שֹׁמְמ֥וֹת
(shomemot)
verwoestingen van
רִֽאשֹׁנִ֖ים
(rishonim)
vroeger
יְקוֹמֵ֑מוּ
(yeqomemu)
zij zullen oprichten
וְחִדְּשׁוּ֙
(vechideshu)
en zij zullen vernieuwen
עָ֣רֵי
(arei)
steden van
חֹ֔רֶב
(chorev)
verwoesting
שֹׁמְמ֖וֹת
(shomemot)
verwoestingen van
דּ֥וֹר
(dor)
generatie
וָדֽוֹר
(vador)
en generatie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָרְבוֹת עוֹלָם (charvot olam), ‘eeuwenoude ruïnes’: het woord עוֹלָם (olam) betekent hier de verre oudheid, zoals in Amos 9:11.

Dezelfde woorden staan in Jes. 58:12.

5Vreemden zullen opstaan en jullie kudde weiden. Vreemdelingen zullen jullie landbouwers en wijnbouwers zijn.
וְעָמְד֣וּ
(veamedu)
en zij zullen staan
זָרִ֔ים
(zarim)
vreemden
וְרָע֖וּ
(verau)
en zij zullen weiden
צֹאנְכֶ֑ם
(tsonkhem)
jullie kudde
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
נֵכָ֔ר
(nekhar)
de vreemde
אִכָּרֵיכֶ֖ם
(ikareikhem)
jullie landbouwers
וְכֹרְמֵיכֶֽם
(vekhoremeikhem)
en jullie wijnbouwers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Maar jullie zullen ‘priesters van Yahweh’ worden genoemd. Men zal tegen jullie zeggen: ‘Dienaren van onze Elohim.’ Jullie zullen de rijkdom van de volken eten, en op hun heerlijkheid zullen jullie je beroemen.
וְאַתֶּ֗ם
(veatem)
en jullie
כֹּהֲנֵ֤י
(kohanei)
priesters van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
תִּקָּרֵ֔אוּ
(tiqareu)
zullen worden genoemd
מְשָׁרְתֵ֣י
(mesharetei)
dienaren van
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
יֵאָמֵ֖ר
(yeamer)
zal gezegd worden
לָכֶ֑ם
(lakhem)
tegen jullie
חֵ֤יל
(cheil)
rijkdom van
גּוֹיִם֙
(goyim)
volken
תֹּאכֵ֔לוּ
(tokhelu)
zullen jullie eten
וּבִכְבוֹדָ֖ם
(uvikhvodam)
en in hun heerlijkheid
תִּתְיַמָּֽרוּ
(tityamaru)
zullen jullie je beroemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֹּהֲנֵי יְהוָה (kohanei Yahweh), ‘priesters van Yahweh’: vergelijk Exod. 19:6, ‘een koninkrijk van priesters’.

תִּתְיַמָּרוּ (tityammaru), ‘jullie zullen je beroemen’: een zeldzaam werkwoord dat alleen hier voorkomt. De betekenis is onzeker; het kan ook ‘in hun plaats treden’ betekenen.

7In plaats van jullie schande krijgen jullie een dubbel deel. In plaats van smaad zullen zij juichen over hun deel. Daarom zullen zij in hun land het dubbele bezitten. Eeuwige vreugde zal hun deel zijn.
תַּ֤חַת
(tachat)
in plaats van
בָּשְׁתְּכֶם֙
(bashtekhem)
jullie schande
מִשְׁנֶ֔ה
(mishne)
dubbel deel
וּכְלִמָּ֖ה
(ukhelima)
en smaad
יָרֹ֣נּוּ
(yaronu)
zij zullen juichen
חֶלְקָ֑ם
(chelqam)
over hun deel
לָכֵ֤ן
(lakhen)
daarom
בְּאַרְצָם֙
(beartsam)
in hun land
מִשְׁנֶ֣ה
(mishne)
dubbel deel
יִירָ֔שׁוּ
(yirashu)
zij zullen bezitten
שִׂמְחַ֥ת
(simchat)
vreugde van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
תִּֽהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁנֶה (mishneh), ‘dubbel deel’: het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord; wij vullen ‘krijgen jullie’ aan.

Het ‘dubbele deel’ doet denken aan het deel van de oudste zoon (Deut. 21:17).

Het Hebreeuws wisselt van ‘jullie’ naar ‘zij’ en ‘hun’.

Wij laten dat zo.

Ik, Yahweh, heb het recht lief

8„Want Ik, Yahweh, heb het recht lief. Ik haat roof met onrecht. Ik zal hun beloning in waarheid geven, en Ik sluit met hen een eeuwig verbond.”
כִּ֣י
(ki)
want
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֹהֵ֣ב
(ohev)
heb lief
מִשְׁפָּ֔ט
(mishpat)
recht
שֹׂנֵ֥א
(sone)
haat
גָזֵ֖ל
(gazel)
roof
בְּעוֹלָ֑ה
(beola)
met onrecht
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
פְעֻלָּתָם֙
(peulatam)
hun beloning
בֶּאֱמֶ֔ת
(beemet)
in waarheid
וּבְרִ֥ית
(uverit)
en een verbond van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
אֶכְר֥וֹת
(ekhrot)
Ik zal sluiten
לָהֶֽם
(lahem)
met hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt Yahweh zelf: ‘Ik, Yahweh’.

Zijn woorden staan rood.

גָּזֵל בְּעוֹלָה (gazel be’olah), ‘roof met onrecht’: het woord עוֹלָה (olah) is gelijk aan het woord voor ‘brandoffer’, maar betekent hier ‘onrecht’.

בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘eeuwig verbond’: zie 2 Sam. 23:5 en Ps. 105:10.

9Hun nageslacht zal bekend worden onder de volken, en hun afstammelingen te midden van de volken. Allen die hen zien, zullen hen erkennen: zij zijn het nageslacht dat Yahweh gezegend heeft.
וְנוֹדַ֤ע
(venoda)
en bekend zal worden
בַּגּוֹיִם֙
(bagoyim)
onder de volken
זַרְעָ֔ם
(zaram)
hun nageslacht
וְצֶאֱצָאֵיהֶ֖ם
(vetseetsaeihem)
en hun afstammelingen
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
te midden van
הָעַמִּ֑ים
(haamim)
de volken
כָּל
(kal)
allen
רֹֽאֵיהֶם֙
(roeihem)
die hen zien
יַכִּיר֔וּם
(yakirum)
zullen hen erkennen
כִּ֛י
(ki)
dat
הֵ֥ם
(hem)
zij
זֶ֖רַע
(zera)
het nageslacht zijn dat
בֵּרַ֥ךְ
(berakh)
gezegend heeft
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Ik verheug mij zeer in Yahweh

10Ik verheug mij zeer in Yahweh. Mijn ziel juicht in mijn Elohim. Want Hij heeft mij gekleed in kleren van redding. Hij heeft mij gehuld in een mantel van gerechtigheid, als een bruidegom die zich tooit met een sierlijke tooi, en als een bruid die zich versiert met haar sieraden.
שׂ֧וֹשׂ
(sos)
ik zal zeer
אָשִׂ֣ישׂ
(asis)
mij verheugen
בַּֽיהוָ֗ה
(baYahweh)
in Yahweh
תָּגֵ֤ל
(tagel)
zal juichen
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
mijn ziel
בֵּֽאלֹהַ֔י
(belohay)
in mijn Elohim
כִּ֤י
(ki)
want
הִלְבִּישַׁ֨נִי֙
(hilbishani)
Hij heeft mij gekleed
בִּגְדֵי
(bigdei)
in kleren van
יֶ֔שַׁע
(yesha)
redding
מְעִ֥יל
(meil)
een mantel van
צְדָקָ֖ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
יְעָטָ֑נִי
(yeatani)
Hij heeft mij gehuld
כֶּֽחָתָן֙
(kechatan)
als een bruidegom
יְכַהֵ֣ן
(yekhahen)
die zich tooit
פְּאֵ֔ר
(peer)
met een tooi
וְכַכַּלָּ֖ה
(vekhakala)
en als een bruid
תַּעְדֶּ֥ה
(tade)
die zich versiert
כֵלֶֽיהָ
(keleiha)
met haar sieraden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst noemt de spreker niet.

Het kan de gezalfde van vers 1 zijn of Sion zelf.

Het gedeelte is geen woord van Yahweh in de eerste persoon en staat zwart.

יְכַהֵן (yekhahen), ‘zich tooit’: het werkwoord is verwant met כֹּהֵן (kohen), ‘priester’. De bruidegom draagt een tooi zoals een priester.

11Want zoals de aarde haar spruit voortbrengt en zoals een tuin laat ontspruiten wat erin gezaaid is, zo zal Heer Yahweh gerechtigheid en lof laten ontspruiten voor het oog van alle volken.
כִּ֤י
(ki)
want
כָאָ֨רֶץ֙
(kaarets)
zoals de aarde
תּוֹצִ֣יא
(totsi)
voortbrengt
צִמְחָ֔הּ
(tsimchah)
haar spruit
וּכְגַנָּ֖ה
(ukhegana)
en zoals een tuin
זֵרוּעֶ֣יהָ
(zerueiha)
wat erin gezaaid is
תַצְמִ֑יחַ
(tatsmiach)
laat ontspruiten
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יַצְמִ֤יחַ
(yatsmiach)
zal laten ontspruiten
צְדָקָה֙
(tsedaqa)
gerechtigheid
וּתְהִלָּ֔ה
(utehila)
en lof
נֶ֖גֶד
(neged)
voor het oog van
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)