Elohim Bijbel

Matteüs 26

12345678910111213141516171819202122232425262728

De zalving, het Pesach-maal, Getsemane en het proces voor de Raad

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het plan van de leiders

1Toen Yeshua al deze woorden had beëindigd, zei Hij tegen Zijn leerlingen:
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
ὅτε
(hote)
toen
ἐτέλεσεν
(etelesen)
voltooide
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πάντας
(pantas)
al
τοὺς
(tous)
de
λόγους
(logous)
woorden
τούτους
(toutous)
deze
εἶπεν
(eipen)
zei
τοῖς
(tois)
tot de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Καὶ ἐγένετο ὅτε ἐτέλεσεν (kai egeneto hote etelesen), ‘en het gebeurde toen Hij had beëindigd’: een vaste afsluiting van een grote toespraak, ook in Matt. 7:28; 11:1; 13:53 en 19:1.

Wij geven het weer met ‘Toen’.

2„Jullie weten dat het over twee dagen Pesach is, en de Mensenzoon overgeleverd om gekruisigd te worden.”
Οἴδατε
(Oidate)
jullie weten
ὅτι
(hoti)
dat
μετὰ
(meta)
na
δύο
(dyo)
twee
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
γίνεται
(ginetai)
komt
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
παραδίδοται
(paradidotai)
wordt overgeleverd
εἰς
(eis)
om
τὸ
(to)
het
σταυρωθῆναι
(staurothenai)
gekruisigd te worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

πάσχα (pascha), ‘Pesach’: het feest waarop Israël de uittocht uit Egypte herdenkt (Exod. 12:11; Lev. 23:5).

παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: hetzelfde woord als in 4:12. Het komt in dit hoofdstuk vaak voor, ook voor Judas (26:15, 26:16, 26:21).

Zie ook Mark. 14:1–2; Luc. 22:1–2.

3Toen kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen op de binnenplaats van de hogepriester, die Kajafas genoemd werd.
Τότε
(Tote)
toen
συνήχθησαν
(synechthesan)
kwamen bijeen
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πρεσβύτεροι
(presbyteroi)
oudsten
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
αὐλὴν
(aulen)
binnenplaats
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
τοῦ
(tou)
de
λεγομένου
(legomenou)
genoemde
Καϊάφα
(Kaiapha)
Kajafas
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): De binnenplaats hoorde bij het huis van de hogepriester in Jeruzalem.

De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel.

Uitleg

αὐλή (aule), ‘binnenplaats’: de open binnenplaats van het huis, ook in 26:58 en 26:69.

4Zij overlegden samen om Yeshua met list te grijpen en te doden.
καὶ
(kai)
en
συνεβουλεύσαντο
(synebouleusanto)
overlegden
ἵνα
(hina)
opdat
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
δόλῳ
(dolo)
met list
κρατήσωσιν
(kratesosin)
zij grijpen
καὶ
(kai)
en
ἀποκτείνωσιν
(apokteinosin)
doden
Bron: SBLGNT
5Maar zij zeiden: „Niet tijdens het feest, anders ontstaat er opschudding onder het volk.”
ἔλεγον
(elegon)
zij zeiden
δέ
(de)
maar
Μὴ
(Me)
niet
ἐν
(en)
tijdens
τῇ
(te)
het
ἑορτῇ
(heorte)
feest
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
θόρυβος
(thorybos)
opschudding
γένηται
(genetai)
ontstaat
ἐν
(en)
onder
τῷ
(to)
het
λαῷ
(lao)
volk
Bron: SBLGNT

De zalving in Betanië

6Yeshua was in Betanië, in het huis van Simon de melaatse.
Τοῦ
(Tou)
van de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
γενομένου
(genomenou)
zijnde
ἐν
(en)
in
Βηθανίᾳ
(Bethania)
Betanië
ἐν
(en)
in
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
Σίμωνος
(Simonos)
van Simon
τοῦ
(tou)
de
λεπροῦ
(leprou)
melaatse
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem.

Uitleg

λεπρός (lepros), ‘melaatse’: de Hebreeuwse huidziekte tsara’at (Lev. 13–14) is niet per se lepra.

Simon is dus iemand die ziek was of als ziek gold.

Zie ook Mark. 14:3–9; Joh. 12:1–8.

7Daar kwam een vrouw naar Hem toe met een albasten flesje met kostbare zalfolie. Zij goot de olie uit over Zijn hoofd terwijl Hij aan tafel lag.
προσῆλθεν
(proselthen)
kwam naar
αὐτῷ
(auto)
Hem
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἔχουσα
(echousa)
hebbend
ἀλάβαστρον
(alabastron)
albasten flesje
μύρου
(myrou)
van zalfolie
βαρυτίμου
(barytimou)
kostbare
καὶ
(kai)
en
κατέχεεν
(katecheen)
goot uit
ἐπὶ
(epi)
over
τῆς
(tes)
het
κεφαλῆς
(kephales)
hoofd
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἀνακειμένου
(anakeimenou)
aan tafel liggend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀλάβαστρον (alabastron), ‘albasten flesje’: een flesje van zachte steen. μύρον (myron), ‘zalfolie’: een kostbare, geurende olie.

8Toen de leerlingen dat zagen, werden zij boos en zeiden: „Waarvoor dient deze verspilling?
ἰδόντες
(idontes)
ziende
δὲ
(de)
maar
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
ἠγανάκτησαν
(eganaktesan)
werden boos
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Εἰς
(Eis)
tot
τί
(ti)
wat
ἡ
(he)
de
ἀπώλεια
(apoleia)
verspilling
αὕτη
(haute)
deze
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγανακτέω (aganakteo), ‘boos worden’: verontwaardigd zijn. ἀπώλεια (apoleia), ‘verspilling’: letterlijk ‘verlies, vernietiging’.

9Dit had voor veel geld verkocht kunnen worden en aan armen gegeven.”
ἐδύνατο
(edynato)
kon
γὰρ
(gar)
want
τοῦτο
(touto)
dit
πραθῆναι
(prathenai)
verkocht worden
πολλοῦ
(pollou)
voor veel
καὶ
(kai)
en
δοθῆναι
(dothenai)
gegeven worden
πτωχοῖς
(ptochois)
aan armen
Bron: SBLGNT
10Yeshua merkte het en zei tegen hen: „Waarom bezorgen jullie de vrouw moeite? Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan.
γνοὺς
(gnous)
wetend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Τί
(Ti)
waarom
κόπους
(kopous)
moeite
παρέχετε
(parechete)
bezorgen jullie
τῇ
(te)
aan de
γυναικί
(gynaiki)
vrouw
ἔργον
(ergon)
werk
γὰρ
(gar)
want
καλὸν
(kalon)
goed
ἠργάσατο
(ergasato)
heeft verricht
εἰς
(eis)
aan
ἐμέ
(eme)
Mij
Bron: SBLGNT
11Want de armen hebben jullie altijd bij je, maar Mij hebben jullie niet altijd.
πάντοτε
(pantote)
altijd
γὰρ
(gar)
want
τοὺς
(tous)
de
πτωχοὺς
(ptochous)
armen
ἔχετε
(echete)
hebben jullie
μεθ’
(meth’)
bij
ἑαυτῶν
(heauton)
jullie zelf
ἐμὲ
(eme)
Mij
δὲ
(de)
maar
οὐ
(ou)
niet
πάντοτε
(pantote)
altijd
ἔχετε
(echete)
hebben jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Deut. 15:11: ‘de arme zal nooit verdwijnen uit het midden van het land’.

Zie ookDeut 15:11
12Want door deze zalfolie over Mijn lichaam te gieten, heeft zij het gedaan om Mij voor te bereiden op de begrafenis.
βαλοῦσα
(balousa)
gegoten hebbend
γὰρ
(gar)
want
αὕτη
(haute)
zij
τὸ
(to)
de
μύρον
(myron)
zalfolie
τοῦτο
(touto)
deze
ἐπὶ
(epi)
op
τοῦ
(tou)
het
σώματός
(somatos)
lichaam
μου
(mou)
Mijn
πρὸς
(pros)
om
τὸ
(to)
het
ἐνταφιάσαι
(entaphiasai)
voor te bereiden voor de begrafenis
με
(me)
Mij
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐνταφιάζω (entaphiazo), ‘voorbereiden op de begrafenis’: een dode gereedmaken voor het graf, onder andere met geurige oliën.

13Voorwaar, Ik zeg jullie: overal waar deze goede boodschap in de hele wereld verkondigd wordt, zal ook gesproken worden over wat zij gedaan heeft. Dat is tot haar gedachtenis.”
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅπου
(hopou)
waar
ἐὰν
(ean)
ook
κηρυχθῇ
(kerychthe)
verkondigd wordt
τὸ
(to)
de
εὐαγγέλιον
(euangelion)
goede boodschap
τοῦτο
(touto)
deze
ἐν
(en)
in
ὅλῳ
(holo)
hele
τῷ
(to)
de
κόσμῳ
(kosmo)
wereld
λαληθήσεται
(lalethesetai)
zal gesproken worden
καὶ
(kai)
ook
ὃ
(ho)
wat
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
αὕτη
(haute)
zij
εἰς
(eis)
tot
μνημόσυνον
(mnemosynon)
gedachtenis
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT

Judas biedt zich aan

14Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot genoemd werd, naar de hogepriesters
Τότε
(Tote)
toen
πορευθεὶς
(poreutheis)
gegaan zijnde
εἷς
(heis)
een
τῶν
(ton)
van de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
ὁ
(ho)
de
λεγόμενος
(legomenos)
genoemde
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
Ἰσκαριώτης
(Iskariotes)
Iskariot
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
Bron: SBLGNT
15en zei: „Wat wilt u mij geven, en ik zal Hem aan u overleveren?” Zij stelden voor hem 30 zilverstukken vast.
εἶπεν
(eipen)
zei
Τί
(Ti)
wat
θέλετέ
(thelete)
wilt u
μοι
(moi)
mij
δοῦναι
(dounai)
geven
κἀγὼ
(kago)
en ik
ὑμῖν
(hymin)
aan u
παραδώσω
(paradoso)
zal overleveren
αὐτόν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἔστησαν
(estesan)
stelden vast
αὐτῷ
(auto)
voor hem
τριάκοντα
(triakonta)
30
ἀργύρια
(argyria)
zilverstukken
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀργύρια (argyria), ‘zilverstukken’.

De 30 stukken zilver doen denken aan Zach. 11:12–13 (zie ook 27:9) en aan de prijs voor een slaaf in Exod. 21:32.

Als het sikkels zijn, is dit ongeveer 340 gram zilver (een sikkel is ongeveer 11,4 gram); het Grieks noemt de munt niet.

ἔστησαν (estesan), ‘stelden vast’: ook ‘wogen af’; zo staat het in Zach. 11:12.

Zie ook Mark. 14:10–11; Luc. 22:3–6.

16Vanaf dat moment zocht hij een gelegenheid om Hem over te leveren.
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
vanaf
τότε
(tote)
toen
ἐζήτει
(ezetei)
zocht
εὐκαιρίαν
(eukairian)
gelegenheid
ἵνα
(hina)
opdat
αὐτὸν
(auton)
Hem
παραδῷ
(parado)
hij overlevert
Bron: SBLGNT

Het Pesach-maal

17Op de eerste dag van de ongezuurde broden kwamen de leerlingen naar Yeshua. Zij zeiden: „Waar wilt U dat wij voor U het Pesach klaarmaken om te eten?”
Τῇ
(Te)
op de
δὲ
(de)
maar
πρώτῃ
(prote)
eerste
τῶν
(ton)
van de
ἀζύμων
(azymon)
ongezuurde broden
προσῆλθον
(proselthon)
kwamen naar
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
τῷ
(to)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ποῦ
(Pou)
waar
θέλεις
(theleis)
wilt U
ἑτοιμάσωμέν
(hetoimasomen)
dat wij klaarmaken
σοι
(soi)
voor U
φαγεῖν
(phagein)
te eten
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄζυμα (azyma), ‘ongezuurde broden’: het feest van de ongezuurde broden volgt op het Pesach (Lev. 23:5–6).

In het gewone spraakgebruik werd het hele feest vaak samen genomen.

Welke dag Matteüs bedoelt, is niet zeker.

Zie ook Mark. 14:12–16; Luc. 22:7–13.

18Hij zei: „Ga naar de stad, naar die en die man, en zeg tegen hem: ‘De leraar zegt: „Mijn tijd is nabij. Bij jou houd Ik het Pesach met Mijn leerlingen.”’”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Ὑπάγετε
(Hypagete)
ga
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
δεῖνα
(deina)
die en die
καὶ
(kai)
en
εἴπατε
(eipate)
zeg
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Ὁ
(Ho)
de
διδάσκαλος
(didaskalos)
leraar
λέγει
(legei)
zegt
Ὁ
(Ho)
de
καιρός
(kairos)
tijd
μου
(mou)
Mijn
ἐγγύς
(engys)
nabij
ἐστιν
(estin)
is
πρὸς
(pros)
bij
σὲ
(se)
jou
ποιῶ
(poio)
houd Ik
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

τὸν δεῖνα (ton deina), ‘die en die’: een man die niet bij naam genoemd wordt. διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’. καιρός (kairos), ‘tijd’: de bepaalde, juiste tijd.

19De leerlingen deden zoals Yeshua hun had opgedragen en maakten het Pesach klaar.
καὶ
(kai)
en
ἐποίησαν
(epoiesan)
deden
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
ὡς
(hos)
zoals
συνέταξεν
(synetaxen)
had opgedragen
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἡτοίμασαν
(hetoimasan)
maakten klaar
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
Bron: SBLGNT
20Toen het avond was geworden, lag Hij aan tafel met de twaalf leerlingen.
Ὀψίας
(Opsias)
avond
δὲ
(de)
maar
γενομένης
(genomenes)
geworden
ἀνέκειτο
(anekeito)
lag aan tafel
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνέκειτο (anekeito), ‘lag aan tafel’: bij een feestmaal lag men aan tafel.

Zie ook Mark. 14:17–21; Luc. 22:14, 21–23; Joh. 13:21–30.

21Terwijl zij aten, zei Hij: „Voorwaar, Ik zeg jullie: een van jullie zal Mij overleveren.”
καὶ
(kai)
en
ἐσθιόντων
(esthionton)
etend
αὐτῶν
(auton)
zij
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
εἷς
(heis)
een
ἐξ
(ex)
uit
ὑμῶν
(hymon)
jullie
παραδώσει
(paradosei)
zal overleveren
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
22Zij werden diep bedroefd en begonnen een voor een tegen Hem te zeggen: „Ik ben het toch niet, Heer?”
καὶ
(kai)
en
λυπούμενοι
(lypoumenoi)
bedroefd
σφόδρα
(sphodra)
zeer
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
λέγειν
(legein)
te zeggen
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
εἷς
(heis)
een
ἕκαστος
(hekastos)
ieder
Μήτι
(Meti)
toch niet
ἐγώ
(ego)
ik
εἰμι
(eimi)
ben
κύριε
(kyrie)
Heer
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριε (kyrie), ‘Heer’: de leerlingen spreken Yeshua aan met ‘Heer’.

Judas zegt in 26:25 ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: een aanspreking voor een leraar (zie 23:7).

23Hij antwoordde en zei: „Wie met Mij zijn hand in de schaal heeft gedoopt, die zal Mij overleveren.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Ὁ
(Ho)
die
ἐμβάψας
(embapsas)
gedoopt heeft
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
Mij
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
τρυβλίῳ
(tryblio)
schaal
οὗτός
(houtos)
deze
με
(me)
Mij
παραδώσει
(paradosei)
zal overleveren
Bron: SBLGNT
24De Mensenzoon gaat heen, zoals over Hem geschreven staat. Maar wee die mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd. Het zou goed voor hem zijn geweest als die mens niet geboren was.”
ὁ
(ho)
de
μὲν
(men)
wel
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ὑπάγει
(hypagei)
gaat heen
καθὼς
(kathos)
zoals
γέγραπται
(gegraptai)
geschreven is
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
οὐαὶ
(ouai)
wee
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
aan de
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
mens
ἐκείνῳ
(ekeino)
die
δι’
(di’)
door
οὗ
(hou)
wie
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
παραδίδοται
(paradidotai)
wordt overgeleverd
καλὸν
(kalon)
goed
ἦν
(en)
was
αὐτῷ
(auto)
voor hem
εἰ
(ei)
als
οὐκ
(ouk)
niet
ἐγεννήθη
(egennethe)
was geboren
ὁ
(ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Ps. 41:10 (in de Nederlandse telling 41:9): ‘Zelfs de man met wie ik in vrede leefde, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de hiel groot gemaakt tegen mij.’

καλὸν ἦν (kalon en), ‘het was goed’: wij geven het weer met ‘het zou goed zijn geweest’.

Zie ookPs 41:10
25Judas, die Hem overleverde, antwoordde: „Ik ben het toch niet, rabbi?” Hij zei tegen hem: „Jij hebt het gezegd.”
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
ὁ
(ho)
de
παραδιδοὺς
(paradidous)
overleverende
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἶπεν
(eipen)
zei
Μήτι
(Meti)
toch niet
ἐγώ
(ego)
ik
εἰμι
(eimi)
ben
ῥαββί
(rhabbi)
rabbi
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Σὺ
(Sy)
jij
εἶπας
(eipas)
hebt gezegd
Bron: SBLGNT
Uitleg

Σὺ εἶπας (Sy eipas), ‘Jij hebt het gezegd’: een bevestigend, maar terughoudend antwoord.

Zo antwoordt Yeshua ook in 26:64 en 27:11.

Brood en beker

26Terwijl zij aten, nam Yeshua brood, sprak de zegen uit en brak het. Hij gaf het aan de leerlingen en zei: „Neem, eet. Dit is Mijn lichaam.”
Ἐσθιόντων
(Esthionton)
etend
δὲ
(de)
maar
αὐτῶν
(auton)
zij
λαβὼν
(labon)
nemend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἄρτον
(arton)
brood
καὶ
(kai)
en
εὐλογήσας
(eulogesas)
de zegen uitsprekend
ἔκλασεν
(eklasen)
brak
καὶ
(kai)
en
δοὺς
(dous)
gevend
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
εἶπεν
(eipen)
zei
Λάβετε
(Labete)
neem
φάγετε
(phagete)
eet
τοῦτό
(touto)
dit
ἐστιν
(estin)
is
τὸ
(to)
het
σῶμά
(soma)
lichaam
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’; hier: de zegen uitspreken.

Het Grieks noemt niet wat er gezegend wordt.

Zie ook Mark. 14:22–25; Luc. 22:15–20; 1 Kor. 11:23–26.

27Hij nam een beker, dankte en gaf hun die. Hij zei: „Drink hieruit, allemaal.
καὶ
(kai)
en
λαβὼν
(labon)
nemend
ποτήριον
(poterion)
beker
καὶ
(kai)
en
εὐχαριστήσας
(eucharistesas)
dankend
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αὐτοῖς
(autois)
hun
λέγων
(legon)
zeggend
Πίετε
(Piete)
drink
ἐξ
(ex)
uit
αὐτοῦ
(autou)
hem
πάντες
(pantes)
allen
Bron: SBLGNT
28Want dit is Mijn bloed van het verbond, dat voor velen wordt uitgegoten tot vergeving van zonden.
τοῦτο
(touto)
dit
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
τὸ
(to)
het
αἷμά
(haima)
bloed
μου
(mou)
Mijn
τῆς
(tes)
van het
διαθήκης
(diathekes)
verbond
τὸ
(to)
het
περὶ
(peri)
voor
πολλῶν
(pollon)
velen
ἐκχυννόμενον
(ekchynnomenon)
uitgegoten wordend
εἰς
(eis)
tot
ἄφεσιν
(aphesin)
vergeving
ἁμαρτιῶν
(hamartion)
van zonden
Bron: SBLGNT
Uitleg

διαθήκη (diatheke), ‘verbond’: de Hebreeuwse בְּרִית (berit).

De woorden ‘bloed van het verbond’ komen uit Exod. 24:8.

Het nieuwe verbond staat in Jer. 31:31–34, waar ook de vergeving genoemd wordt.

Over ‘velen’ zie Jes. 53:12.

29Ik zeg jullie: vanaf nu zal Ik beslist niet meer drinken van deze vrucht van de wijnstok, tot die dag. Dan drink Ik het nieuw met jullie in het koninkrijk van Mijn Vader.”
λέγω
(lego)
Ik zeg
δὲ
(de)
maar
ὑμῖν
(hymin)
jullie
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
πίω
(pio)
zal drinken
ἀπ’
(ap’)
vanaf
ἄρτι
(arti)
nu
ἐκ
(ek)
uit
τούτου
(toutou)
deze
τοῦ
(tou)
de
γενήματος
(genematos)
vrucht
τῆς
(tes)
van de
ἀμπέλου
(ampelou)
wijnstok
ἕως
(heos)
tot
τῆς
(tes)
de
ἡμέρας
(hemeras)
dag
ἐκείνης
(ekeines)
die
ὅταν
(hotan)
wanneer
αὐτὸ
(auto)
het
πίνω
(pino)
Ik drink
μεθ’
(meth’)
met
ὑμῶν
(hymon)
jullie
καινὸν
(kainon)
nieuw
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
βασιλείᾳ
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
πατρός
(patros)
Vader
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

γένημα τῆς ἀμπέλου (genema tes ampelou), ‘vrucht van de wijnstok’: wijn.

30Toen zij een lofzang gezongen hadden, gingen zij naar buiten, naar de Olijfberg.
καὶ
(kai)
en
ὑμνήσαντες
(hymnesantes)
zingend een lofzang
ἐξῆλθον
(exelthon)
gingen naar buiten
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
Ὄρος
(Oros)
berg
τῶν
(ton)
van de
Ἐλαιῶν
(Elaion)
olijven
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal.

Uitleg

ὑμνέω (hymneo), ‘een lofzang zingen’.

Bij het Pesach zong men gewoonlijk de lofpsalmen (Ps. 113–118).

De Olijfberg ligt tegenover Jeruzalem (Zach. 14:4).

Zie ook Mark. 14:26–31; Luc. 22:39; Joh. 13:36–38.

Yeshua kondigt aan dat de leerlingen zullen struikelen

31Toen zei Yeshua tegen hen: „Jullie zullen allemaal in deze nacht over Mij struikelen. Want er staat geschreven: ‘Ik zal de herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.’
Τότε
(Tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Πάντες
(Pantes)
allen
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
σκανδαλισθήσεσθε
(skandalisthesesthe)
zullen struikelen
ἐν
(en)
over
ἐμοὶ
(emoi)
Mij
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
νυκτὶ
(nykti)
nacht
ταύτῃ
(taute)
deze
γέγραπται
(gegraptai)
het is geschreven
γάρ
(gar)
want
Πατάξω
(Pataxo)
Ik zal slaan
τὸν
(ton)
de
ποιμένα
(poimena)
herder
καὶ
(kai)
en
διασκορπισθήσονται
(diaskorpisthesontai)
zullen verstrooid worden
τὰ
(ta)
de
πρόβατα
(probata)
schapen
τῆς
(tes)
van de
ποίμνης
(poimnes)
kudde
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Zach. 13:7.

Het Hebreeuws heeft een bevel: ‘Sla de herder, dan worden de schapen verstrooid’; de Griekse tekst heeft ‘Ik zal de herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden’.

σκανδαλίζομαι (skandalizomai), ‘struikelen’: van σκάνδαλον (skandalon), ‘struikelblok, valstrik’. Het gaat om ten val komen in het geloof.

Zie ookZach 13:7
32Maar nadat Ik opgewekt ben, zal Ik jullie voorgaan naar Galilea.”
μετὰ
(meta)
na
δὲ
(de)
maar
τὸ
(to)
het
ἐγερθῆναί
(egerthenai)
opgewekt worden
με
(me)
Mij
προάξω
(proaxo)
zal voorgaan
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Γαλιλαίαν
(Galilaian)
Galilea
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

ἐγερθῆναι (egerthenai), ‘opgewekt worden’: een lijdende vorm, zoals ook in 28:6–7. προάγω (proago), ‘voorgaan’.

Zie ook 28:7, 28:10 en 28:16.

33Petrus antwoordde en zei tegen Hem: „Als allen over U struikelen, ik zal nooit struikelen.”
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Εἰ
(Ei)
als
πάντες
(pantes)
allen
σκανδαλισθήσονται
(skandalisthesontai)
zullen struikelen
ἐν
(en)
over
σοί
(soi)
U
ἐγὼ
(ego)
ik
οὐδέποτε
(oudepote)
nooit
σκανδαλισθήσομαι
(skandalisthesomai)
zal struikelen
Bron: SBLGNT
34Yeshua zei tegen hem: „Voorwaar, Ik zeg je: in deze nacht, voordat de haan kraait, zul je Mij drie keer verloochenen.”
ἔφη
(ephe)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
σοι
(soi)
je
ὅτι
(hoti)
dat
ἐν
(en)
in
ταύτῃ
(taute)
deze
τῇ
(te)
de
νυκτὶ
(nykti)
nacht
πρὶν
(prin)
voordat
ἀλέκτορα
(alektora)
haan
φωνῆσαι
(phonesai)
kraait
τρὶς
(tris)
drie keer
ἀπαρνήσῃ
(aparnese)
zult verloochenen
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπαρνέομαι (aparneomai), ‘verloochenen’: ontkennen dat men iemand kent of bij hem hoort; zie 26:70–75.

35Petrus zei tegen Hem: „Ook al moet ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen.” Zo zeiden ook alle leerlingen.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Κἂν
(Kan)
ook al
δέῃ
(dee)
moet
με
(me)
mij
σὺν
(syn)
met
σοὶ
(soi)
U
ἀποθανεῖν
(apothanein)
sterven
οὐ
(ou)
niet
μή
(me)
beslist
σε
(se)
U
ἀπαρνήσομαι
(aparnesomai)
zal verloochenen
ὁμοίως
(homoios)
evenzo
καὶ
(kai)
ook
πάντες
(pantes)
alle
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Bron: SBLGNT

Yeshua in Getsemane

36Toen kwam Yeshua met hen naar een stuk land dat Getsemane genoemd werd. Hij zei tegen de leerlingen: „Ga hier zitten, terwijl Ik daarheen ga en bid.”
Τότε
(Tote)
toen
ἔρχεται
(erchetai)
komt
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἰς
(eis)
naar
χωρίον
(chorion)
stuk land
λεγόμενον
(legomenon)
genoemd
Γεθσημανί
(Gethsemani)
Getsemane
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
Καθίσατε
(Kathisate)
ga zitten
αὐτοῦ
(autou)
hier
ἕως
(heos)
tot
οὗ
(hou)
dat
ἀπελθὼν
(apelthon)
gegaan zijnde
ἐκεῖ
(ekei)
daar
προσεύξωμαι
(proseuxomai)
Ik bid
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Getsemane (ligging onzeker): Getsemane was een stuk land aan de voet van de Olijfberg, over het Kidrondal, ten oosten van Jeruzalem.

De precieze plek is niet vast te stellen.

Uitleg

Γεθσημανί (Gethsemani) is vermoedelijk Aramees en betekent dan ‘oliepers’.

De naam past bij de Olijfberg (26:30).

Zie ook Mark. 14:32–42; Luc. 22:40–46.

37Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs mee en begon bedroefd en beklemd te worden.
καὶ
(kai)
en
παραλαβὼν
(paralabon)
meenemend
τὸν
(ton)
de
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
δύο
(dyo)
twee
υἱοὺς
(huious)
zonen
Ζεβεδαίου
(Zebedaiou)
van Zebedeüs
ἤρξατο
(erxato)
begon
λυπεῖσθαι
(lypeisthai)
bedroefd te worden
καὶ
(kai)
en
ἀδημονεῖν
(ademonein)
beklemd te zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀδημονέω (ademoneo), ‘beklemd worden’: diep ontsteld en onrustig zijn.

De twee zonen van Zebedeüs zijn Jakobus en Johannes (4:21).

38Toen zei Hij tegen hen: „Mijn ziel is diep bedroefd, tot de dood toe. Blijf hier en waak met Mij.”
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Περίλυπός
(Perilypos)
diep bedroefd
ἐστιν
(estin)
is
ἡ
(he)
de
ψυχή
(psyche)
ziel
μου
(mou)
Mijn
ἕως
(heos)
tot
θανάτου
(thanatou)
de dood
μείνατε
(meinate)
blijf
ὧδε
(hode)
hier
καὶ
(kai)
en
γρηγορεῖτε
(gregoreite)
waak
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘ziel’: het innerlijk leven.

Vergelijk Ps. 42:6 (in de Nederlandse telling 42:5): ‘Waarom ben je terneergeslagen, mijn ziel?’

Zie ookPs 42:6
39Hij ging een stukje verder, viel op Zijn gezicht en bad: „Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan. Toch niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.”
καὶ
(kai)
en
προελθὼν
(proelthon)
verdergegaan
μικρὸν
(mikron)
een stukje
ἔπεσεν
(epesen)
viel
ἐπὶ
(epi)
op
πρόσωπον
(prosopon)
gezicht
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
προσευχόμενος
(proseuchomenos)
biddend
καὶ
(kai)
en
λέγων
(legon)
zeggend
Πάτερ
(Pater)
Vader
μου
(mou)
Mijn
εἰ
(ei)
als
δυνατόν
(dynaton)
mogelijk
ἐστιν
(estin)
is
παρελθάτω
(parelthato)
laat voorbijgaan
ἀπ’
(ap’)
van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
τοῦτο
(touto)
deze
πλὴν
(plen)
toch
οὐχ
(ouch)
niet
ὡς
(hos)
zoals
ἐγὼ
(ego)
ik
θέλω
(thelo)
wil
ἀλλ’
(all’)
maar
ὡς
(hos)
zoals
σύ
(sy)
U
Bron: SBLGNT
Uitleg

ποτήριον (poterion), ‘beker’: in de Schrift een beeld voor wat Elohim iemand toemeet, vooral Zijn oordeel (Ps. 75:9, in de Nederlandse telling 75:8; Jes. 51:17, 22).

40Hij kwam bij de leerlingen en vond hen slapend. Hij zei tegen Petrus: „Hebben jullie dus niet één uur met Mij kunnen waken?
καὶ
(kai)
en
ἔρχεται
(erchetai)
komt
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
καὶ
(kai)
en
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
αὐτοὺς
(autous)
hen
καθεύδοντας
(katheudontas)
slapend
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
Πέτρῳ
(Petro)
Petrus
Οὕτως
(Houtos)
dus
οὐκ
(ouk)
niet
ἰσχύσατε
(ischysate)
hebben kunnen
μίαν
(mian)
één
ὥραν
(horan)
uur
γρηγορῆσαι
(gregoresai)
waken
μετ’
(met’)
met
ἐμοῦ
(emou)
Mij
Bron: SBLGNT
41Waak en bid, opdat jullie niet in beproeving komen. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.”
γρηγορεῖτε
(gregoreite)
waak
καὶ
(kai)
en
προσεύχεσθε
(proseuchesthe)
bid
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
εἰσέλθητε
(eiselthete)
jullie binnengaan
εἰς
(eis)
in
πειρασμόν
(peirasmon)
beproeving
τὸ
(to)
de
μὲν
(men)
wel
πνεῦμα
(pneuma)
geest
πρόθυμον
(prothymon)
gewillig
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
σὰρξ
(sarx)
vlees
ἀσθενής
(asthenes)
zwak
Bron: SBLGNT
Uitleg

πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: van hetzelfde woord als πειράζω, ‘op de proef stellen’ (4:1). πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier de geest van de mens.

42Opnieuw ging Hij voor de tweede keer weg en bad: „Mijn Vader, als dit niet kan voorbijgaan, tenzij Ik het drink, laat Uw wil geschieden.”
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἐκ
(ek)
voor
δευτέρου
(deuterou)
de tweede keer
ἀπελθὼν
(apelthon)
weggegaan
προσηύξατο
(proseyxato)
bad
λέγων
(legon)
zeggend
Πάτερ
(Pater)
Vader
μου
(mou)
Mijn
εἰ
(ei)
als
οὐ
(ou)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
τοῦτο
(touto)
dit
παρελθεῖν
(parelthein)
voorbijgaan
ἐὰν
(ean)
als
μὴ
(me)
niet
αὐτὸ
(auto)
het
πίω
(pio)
Ik drink
γενηθήτω
(genetheto)
geschiede
τὸ
(to)
de
θέλημά
(thelema)
wil
σου
(sou)
Uw
Bron: SBLGNT
43Hij kwam weer terug en vond hen slapend, want hun ogen waren zwaar.
καὶ
(kai)
en
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
πάλιν
(palin)
weer
εὗρεν
(heuren)
vond
αὐτοὺς
(autous)
hen
καθεύδοντας
(katheudontas)
slapend
ἦσαν
(esan)
waren
γὰρ
(gar)
want
αὐτῶν
(auton)
hun
οἱ
(hoi)
de
ὀφθαλμοὶ
(ophthalmoi)
ogen
βεβαρημένοι
(bebaremenoi)
zwaar gemaakt
Bron: SBLGNT
44Hij liet hen achter, ging opnieuw weg en bad voor de derde keer. Hij sprak weer dezelfde woorden.
καὶ
(kai)
en
ἀφεὶς
(apheis)
achterlatend
αὐτοὺς
(autous)
hen
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἀπελθὼν
(apelthon)
weggegaan
προσηύξατο
(proseyxato)
bad
ἐκ
(ek)
voor
τρίτου
(tritou)
de derde keer
τὸν
(ton)
de
αὐτὸν
(auton)
zelfde
λόγον
(logon)
woorden
εἰπὼν
(eipon)
zeggend
πάλιν
(palin)
weer
Bron: SBLGNT
45Toen kwam Hij bij de leerlingen en zei tegen hen: „Slaap nu maar verder en rust uit. Zie, het uur is nabij gekomen, en de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van zondaars.
τότε
(tote)
toen
ἔρχεται
(erchetai)
komt
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Καθεύδετε
(Katheudete)
slaap
τὸ
(to)
nu maar
λοιπὸν
(loipon)
verder
καὶ
(kai)
en
ἀναπαύεσθε
(anapauesthe)
rust uit
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἤγγικεν
(engiken)
is nabij gekomen
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
παραδίδοται
(paradidotai)
wordt overgeleverd
εἰς
(eis)
in
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἁμαρτωλῶν
(hamartolon)
van zondaars
Bron: SBLGNT
Uitleg

Καθεύδετε (katheudete), ‘slaap’ en ἀναπαύεσθε (anapauesthe), ‘rust uit’: de vorm kan een bevel zijn of een vraag (‘Slapen jullie nog en rusten jullie?’).

Wij lezen een bevel met een bittere ondertoon, omdat daarna staat dat het uur nabij is; zo staat het ook in Mark. 14:41.

Zie ookMar 14:41
46Sta op, laten wij gaan. Zie, degene die Mij overlevert is nabij gekomen.”
ἐγείρεσθε
(egeiresthe)
sta op
ἄγωμεν
(agomen)
laten wij gaan
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἤγγικεν
(engiken)
is nabij gekomen
ὁ
(ho)
de
παραδιδούς
(paradidous)
overleverende
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT

De gevangenneming

47Terwijl Hij nog sprak, zie: Judas, een van de twaalf, kwam. Met hem kwam een grote menigte met zwaarden en knuppels, van de hogepriesters en de oudsten van het volk.
Καὶ
(Kai)
en
ἔτι
(eti)
nog
αὐτοῦ
(autou)
Hij
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
ἰδοὺ
(idou)
zie
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
εἷς
(heis)
een
τῶν
(ton)
van de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
ἦλθεν
(elthen)
kwam
καὶ
(kai)
en
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
hem
ὄχλος
(ochlos)
menigte
πολὺς
(polys)
grote
μετὰ
(meta)
met
μαχαιρῶν
(machairon)
zwaarden
καὶ
(kai)
en
ξύλων
(xylon)
knuppels
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
ἀρχιερέων
(archiereon)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
oudsten
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Mark. 14:43–52; Luc. 22:47–53; Joh. 18:2–11.

48Degene die Hem overleverde, had hun een teken gegeven en gezegd: „Degene die ik kus, Hij is het. Grijp Hem.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
παραδιδοὺς
(paradidous)
overleverende
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αὐτοῖς
(autois)
hun
σημεῖον
(semeion)
teken
λέγων
(legon)
zeggend
Ὃν
(Hon)
die
ἂν
(an)
ook maar
φιλήσω
(phileso)
ik kus
αὐτός
(autos)
Hij
ἐστιν
(estin)
is
κρατήσατε
(kratesate)
grijp
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
49Meteen ging hij naar Yeshua toe en zei: „Gegroet, rabbi!” En hij kuste Hem.
καὶ
(kai)
en
εὐθέως
(eutheos)
meteen
προσελθὼν
(proselthon)
naderend
τῷ
(to)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Χαῖρε
(Chaire)
gegroet
ῥαββί
(rhabbi)
rabbi
καὶ
(kai)
en
κατεφίλησεν
(katephilesen)
kuste
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

κατεφίλησεν (katefilesen), ‘kuste’: een sterkere vorm van φιλέω (fileo), ‘kussen’; de kus is het teken uit 26:48.

50Yeshua zei tegen hem: „Vriend, waarvoor ben je hier?” Toen kwamen zij naar voren, legden hun handen op Yeshua en grepen Hem.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Ἑταῖρε
(Hetaire)
vriend
ἐφ’
(eph’)
tot
ὃ
(ho)
wat
πάρει
(parei)
je bent hier
τότε
(tote)
toen
προσελθόντες
(proselthontes)
naderend
ἐπέβαλον
(epebalon)
legden
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐπὶ
(epi)
op
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐκράτησαν
(ekratesan)
grepen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἑταῖρος (hetairos), ‘vriend’; ἐφ’ ὃ πάρει (eph’ ho parei) is moeilijk.

Het kan een vraag zijn (‘waarvoor ben je hier?’) of een bevel (‘doe waarvoor je gekomen bent’).

Wij lezen een vraag.

51En zie: een van hen die bij Yeshua waren, strekte zijn hand uit en trok zijn zwaard. Hij sloeg de knecht van de hogepriester en hieuw hem het oor af.
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
εἷς
(heis)
een
τῶν
(ton)
van hen
μετὰ
(meta)
die met
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἐκτείνας
(ekteinas)
uitstrekkend
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
ἀπέσπασεν
(apespasen)
trok
τὴν
(ten)
het
μάχαιραν
(machairan)
zwaard
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
πατάξας
(pataxas)
slaand
τὸν
(ton)
de
δοῦλον
(doulon)
knecht
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
ἀφεῖλεν
(apheilen)
nam weg
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τὸ
(to)
het
ὠτίον
(otion)
oor
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand in dienst van een heer. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: hier een kort zwaard of mes.

52Toen zei Yeshua tegen hem: „Breng je zwaard terug naar zijn plaats. Want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen.
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tot hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἀπόστρεψον
(Apostrepson)
breng terug
τὴν
(ten)
het
μάχαιράν
(machairan)
zwaard
σου
(sou)
je
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
τόπον
(topon)
plaats
αὐτῆς
(autes)
zijn
πάντες
(pantes)
allen
γὰρ
(gar)
want
οἱ
(hoi)
de
λαβόντες
(labontes)
nemenden
μάχαιραν
(machairan)
zwaard
ἐν
(en)
door
μαχαίρῃ
(machaire)
zwaard
ἀπολοῦνται
(apolountai)
zullen omkomen
Bron: SBLGNT
53Of denk je dat Ik Mijn Vader niet kan vragen, en dat Hij Mij nu meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zal stellen?
ἢ
(e)
of
δοκεῖς
(dokeis)
denk je
ὅτι
(hoti)
dat
οὐ
(ou)
niet
δύναμαι
(dynamai)
kan
παρακαλέσαι
(parakalesai)
vragen
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
Vader
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
παραστήσει
(parastesei)
zal ter beschikking stellen
μοι
(moi)
mij
ἄρτι
(arti)
nu
πλείω
(pleio)
meer dan
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
λεγιῶνας
(legionas)
legioenen
ἀγγέλων
(angelon)
van engelen
Bron: SBLGNT
Uitleg

λεγιών (legion), ‘legioen’: een Romeinse legerafdeling van enkele duizenden soldaten.

54Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, dat het zo moet gebeuren?”
πῶς
(pos)
hoe
οὖν
(oun)
dan
πληρωθῶσιν
(plerothosin)
worden vervuld
αἱ
(hai)
de
γραφαὶ
(graphai)
Schriften
ὅτι
(hoti)
dat
οὕτως
(houtos)
zo
δεῖ
(dei)
het moet
γενέσθαι
(genesthai)
gebeuren
Bron: SBLGNT
Uitleg

γραφαί (grafai), ‘Schriften’: de heilige geschriften van Israël, ook in 26:56.

55Op dat moment zei Yeshua tegen de menigten: „Zijn jullie er als tegen een rover op uitgetrokken, met zwaarden en knuppels, om Mij te grijpen? Elke dag zat Ik in de tempel te onderwijzen, en jullie hebben Mij niet gegrepen.”
ἐν
(en)
in
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
τῇ
(te)
de
ὥρᾳ
(hora)
uur
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τοῖς
(tois)
aan de
ὄχλοις
(ochlois)
menigten
Ὡς
(Hos)
als
ἐπὶ
(epi)
tegen
λῃστὴν
(lesten)
rover
ἐξήλθατε
(exelthate)
zijn jullie uitgetrokken
μετὰ
(meta)
met
μαχαιρῶν
(machairon)
zwaarden
καὶ
(kai)
en
ξύλων
(xylon)
knuppels
συλλαβεῖν
(syllabein)
om te grijpen
με
(me)
Mij
καθ’
(kath’)
elke
ἡμέραν
(hemeran)
dag
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
ἐκαθεζόμην
(ekathezomen)
zat Ik
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἐκρατήσατέ
(ekratesate)
grepen jullie
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

λῃστής (lestes), ‘rover’: iemand die met geweld berooft; het kan ook een opstandeling zijn.

56Dit alles is gebeurd opdat de Schriften van de profeten vervuld worden. Toen lieten alle leerlingen Hem achter en vluchtten zij.
τοῦτο
(touto)
dit
δὲ
(de)
maar
ὅλον
(holon)
alles
γέγονεν
(gegonen)
is gebeurd
ἵνα
(hina)
opdat
πληρωθῶσιν
(plerothosin)
worden vervuld
αἱ
(hai)
de
γραφαὶ
(graphai)
Schriften
τῶν
(ton)
van de
προφητῶν
(propheton)
profeten
τότε
(tote)
toen
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
πάντες
(pantes)
allen
ἀφέντες
(aphentes)
achterlatend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἔφυγον
(ephygon)
vluchtten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Wij lezen deze zin als woorden van de verteller.

Ze kunnen ook nog bij de woorden van Yeshua horen (dan is ze rood).

Yeshua voor Kajafas en de Raad

57Zij die Yeshua gegrepen hadden, brachten Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, waar de schriftgeleerden en de oudsten bijeen waren gekomen.
Οἱ
(Hoi)
de
δὲ
(de)
maar
κρατήσαντες
(kratesantes)
grijpenden
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἀπήγαγον
(apegagon)
brachten weg
πρὸς
(pros)
naar
Καϊάφαν
(Kaiaphan)
Kajafas
τὸν
(ton)
de
ἀρχιερέα
(archierea)
hogepriester
ὅπου
(hopou)
waar
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πρεσβύτεροι
(presbyteroi)
oudsten
συνήχθησαν
(synechthesan)
waren bijeengekomen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Mark. 14:53–65; Luc. 22:54–71; Joh. 18:12–24.

58Petrus volgde Hem van veraf tot aan de binnenplaats van de hogepriester. Hij ging naar binnen en zat bij de bedienden om de afloop te zien.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ἠκολούθει
(ekolouthei)
volgde
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἀπὸ
(apo)
van
μακρόθεν
(makrothen)
veraf
ἕως
(heos)
tot
τῆς
(tes)
de
αὐλῆς
(aules)
binnenplaats
τοῦ
(tou)
van de
ἀρχιερέως
(archiereos)
hogepriester
καὶ
(kai)
en
εἰσελθὼν
(eiselthon)
binnengegaan
ἔσω
(eso)
binnen
ἐκάθητο
(ekatheto)
zat
μετὰ
(meta)
bij
τῶν
(ton)
de
ὑπηρετῶν
(hypereton)
bedienden
ἰδεῖν
(idein)
om te zien
τὸ
(to)
het
τέλος
(telos)
einde
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): De binnenplaats hoorde bij het huis van de hogepriester in Jeruzalem.

De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel.

59De hogepriesters en de hele Raad zochten een valse getuigenis tegen Yeshua, om Hem ter dood te brengen.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
συνέδριον
(synedrion)
Raad
ὅλον
(holon)
hele
ἐζήτουν
(ezetoun)
zochten
ψευδομαρτυρίαν
(pseudomartyrian)
valse getuigenis
κατὰ
(kata)
tegen
τοῦ
(tou)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ὅπως
(hopos)
opdat
αὐτὸν
(auton)
Hem
θανατώσωσιν
(thanatososin)
zij ter dood brengen
Bron: SBLGNT
Uitleg

συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: het hoogste Joodse gerechtshof in Jeruzalem, onder leiding van de hogepriester.

60Zij vonden niets, hoewel er veel valse getuigen naar voren kwamen. Later kwamen er twee naar voren.
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
εὗρον
(heuron)
vonden
πολλῶν
(pollon)
veel
προσελθόντων
(proselthonton)
naar voren komend
ψευδομαρτύρων
(pseudomartyron)
valse getuigen
ὕστερον
(hysteron)
later
δὲ
(de)
maar
προσελθόντες
(proselthontes)
naar voren komend
δύο
(dyo)
twee
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft bij οὐχ εὗρον (ouch heuron), ‘zij vonden niet’, geen voorwerp.

Wij vullen ‘niets’ aan.

61Zij zeiden: „Deze man heeft gezegd: ‘Ik kan het heiligdom van Elohim afbreken en het in drie dagen opbouwen.’”
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Οὗτος
(Houtos)
deze
ἔφη
(ephe)
zei
Δύναμαι
(Dynamai)
ik kan
καταλῦσαι
(katalysai)
afbreken
τὸν
(ton)
het
ναὸν
(naon)
heiligdom
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
διὰ
(dia)
in
τριῶν
(trion)
drie
ἡμερῶν
(hemeron)
dagen
οἰκοδομῆσαι
(oikodomesai)
opbouwen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ναός (naos), ‘heiligdom’: het eigenlijke tempelgebouw, anders dan ἱερόν (hieron), ‘tempel’, het hele terrein.

Over Yeshua’s woorden zie ook Joh. 2:19–21.

62De hogepriester stond op en zei tegen Hem: „Antwoordt U niets? Wat getuigen deze mensen tegen U?”
καὶ
(kai)
en
ἀναστὰς
(anastas)
opstaand
ὁ
(ho)
de
ἀρχιερεὺς
(archiereus)
hogepriester
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Οὐδὲν
(Ouden)
niets
ἀποκρίνῃ
(apokrine)
antwoordt U
τί
(ti)
wat
οὗτοί
(houtoi)
deze mensen
σου
(sou)
tegen U
καταμαρτυροῦσιν
(katamartyrousin)
getuigen
Bron: SBLGNT
63Yeshua zweeg. De hogepriester zei tegen Hem: „Ik bezweer U bij de levende Elohim: zeg ons of U de Messias bent, de Zoon van Elohim.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐσιώπα
(esiopa)
zweeg
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἀρχιερεὺς
(archiereus)
hogepriester
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Ἐξορκίζω
(Exorkizo)
ik bezweer
σε
(se)
U
κατὰ
(kata)
bij
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τοῦ
(tou)
de
ζῶντος
(zontos)
levende
ἵνα
(hina)
opdat
ἡμῖν
(hemin)
ons
εἴπῃς
(eipes)
U zegt
εἰ
(ei)
of
σὺ
(sy)
U
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
χριστὸς
(christos)
Messias
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξορκίζω (exorkizo), ‘bezweren’: iemand onder ede laten spreken.

Yeshua’s antwoord volgt in 26:64.

64Yeshua zei tegen hem: „Jij hebt het gezegd. Maar Ik zeg jullie: vanaf nu zullen jullie de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Kracht en komen op de wolken van de hemel.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tot hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Σὺ
(Sy)
jij
εἶπας
(eipas)
hebt gezegd
πλὴν
(plen)
echter
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἀπ’
(ap’)
vanaf
ἄρτι
(arti)
nu
ὄψεσθε
(opsesthe)
zullen jullie zien
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
καθήμενον
(kathemenon)
zittend
ἐκ
(ek)
aan
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
τῆς
(tes)
van de
δυνάμεως
(dynameos)
Kracht
καὶ
(kai)
en
ἐρχόμενον
(erchomenon)
komend
ἐπὶ
(epi)
op
τῶν
(ton)
de
νεφελῶν
(nephelon)
wolken
τοῦ
(tou)
van de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De Mensenzoon zitten aan de rechterhand van de Kracht’ en ‘komen op de wolken van de hemel’ verbindt Ps. 110:1 met Dan. 7:13 (‘met de wolken van de hemel kwam iemand als een mensenzoon’).

‘De Kracht’ is hier een omschrijving voor Elohim.

65Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: „Hij heeft gelasterd! Waarvoor hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebben jullie de lastering gehoord.
τότε
(tote)
toen
ὁ
(ho)
de
ἀρχιερεὺς
(archiereus)
hogepriester
διέρρηξεν
(dierrexen)
scheurde
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
kleren
αὐτοῦ
(autou)
zijn
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐβλασφήμησεν
(Eblasphemesen)
heeft gelasterd
τί
(ti)
waarvoor
ἔτι
(eti)
nog
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχομεν
(echomen)
hebben wij
μαρτύρων
(martyron)
aan getuigen
ἴδε
(ide)
zie
νῦν
(nyn)
nu
ἠκούσατε
(ekousate)
hebben gehoord
τὴν
(ten)
de
βλασφημίαν
(blasphemian)
lastering
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het scheuren van de kleren is een teken van schrik of rouw (Num. 14:6). βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’: kwaad spreken over Elohim.

Zie ookNum 14:6
66Wat denken jullie?” Zij antwoordden en zeiden: „Hij is de dood schuldig.”
τί
(ti)
wat
ὑμῖν
(hymin)
jullie
δοκεῖ
(dokei)
dunkt
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθέντες
(apokrithentes)
antwoordend
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Ἔνοχος
(Enochos)
schuldig
θανάτου
(thanatou)
aan de dood
ἐστίν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
67Toen spuwden zij in Zijn gezicht en sloegen Hem met vuisten. Anderen sloegen Hem
τότε
(tote)
toen
ἐνέπτυσαν
(eneptysan)
spuwden
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
πρόσωπον
(prosopon)
gezicht
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἐκολάφισαν
(ekolaphisan)
sloegen met vuisten
αὐτόν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἐράπισαν
(erapisan)
sloegen
Bron: SBLGNT
Uitleg

κολαφίζω (kolafizo), ‘met vuisten slaan’. ῥαπίζω (rhapizo), ‘slaan’: met een stok of met de open hand; het Grieks is niet duidelijk.

68en zeiden: „Profeteer ons, Messias! Wie is het die U geslagen heeft?”
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Προφήτευσον
(Propheteuson)
profeteer
ἡμῖν
(hemin)
ons
χριστέ
(christe)
Messias
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
παίσας
(paisas)
geslagen hebbend
σε
(se)
U
Bron: SBLGNT

Petrus verloochent Yeshua

69Petrus zat buiten op de binnenplaats. Een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: „Ook jij was bij Yeshua de Galileeër.”
Ὁ
(Ho)
de
δὲ
(de)
maar
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ἐκάθητο
(ekatheto)
zat
ἔξω
(exo)
buiten
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
αὐλῇ
(aule)
binnenplaats
καὶ
(kai)
en
προσῆλθεν
(proselthen)
kwam naar
αὐτῷ
(auto)
hem
μία
(mia)
een
παιδίσκη
(paidiske)
dienstmeisje
λέγουσα
(legousa)
zeggend
Καὶ
(Kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
ἦσθα
(estha)
was
μετὰ
(meta)
met
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
τοῦ
(tou)
de
Γαλιλαίου
(Galilaiou)
Galileeër
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Huis van de hogepriester (Jeruzalem; ligging onzeker): De binnenplaats hoorde bij het huis van de hogepriester in Jeruzalem.

De ligging is niet bekend; de traditie zoekt het op de Sionsheuvel.

Uitleg

παιδίσκη (paidiske), ‘dienstmeisje’. Γαλιλαῖος (Galilaios), ‘Galileeër’: iemand uit Galilea.

Zie ook Mark. 14:66–72; Luc. 22:54–62; Joh. 18:15–27.

70Maar hij ontkende het voor allen en zei: „Ik weet niet wat je zegt.”
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
ἠρνήσατο
(ernesato)
ontkende
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
πάντων
(panton)
allen
λέγων
(legon)
zeggend
Οὐκ
(Ouk)
niet
οἶδα
(oida)
ik weet
τί
(ti)
wat
λέγεις
(legeis)
je zegt
Bron: SBLGNT
71Toen hij naar de poort was gegaan, zag een ander dienstmeisje hem. Zij zei tegen de mensen daar: „Deze man was bij Yeshua de Nazoreeër.”
ἐξελθόντα
(exelthonta)
uitgegaan
δὲ
(de)
maar
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
πυλῶνα
(pylona)
poort
εἶδεν
(eiden)
zag
αὐτὸν
(auton)
hem
ἄλλη
(alle)
een andere
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
τοῖς
(tois)
aan de
ἐκεῖ
(ekei)
daar
Οὗτος
(Houtos)
deze
ἦν
(en)
was
μετὰ
(meta)
met
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
τοῦ
(tou)
de
Ναζωραίου
(Nazoraiou)
Nazoreeër
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft ἄλλη (alle), ‘een andere’ (vrouwelijk); wij vullen ‘dienstmeisje’ aan. Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: zie 2:23.

72Opnieuw ontkende hij met een eed: „Ik ken die man niet.”
καὶ
(kai)
en
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἠρνήσατο
(ernesato)
ontkende
μετὰ
(meta)
met
ὅρκου
(horkou)
eed
ὅτι
(hoti)
dat
Οὐκ
(Ouk)
niet
οἶδα
(oida)
ik ken
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
Bron: SBLGNT
73Even later kwamen de omstanders naar Petrus toe en zeiden: „Werkelijk, ook jij bent een van hen, want ook je spraak verraadt je.”
μετὰ
(meta)
na
μικρὸν
(mikron)
kort
δὲ
(de)
maar
προσελθόντες
(proselthontes)
naderend
οἱ
(hoi)
de
ἑστῶτες
(hestotes)
omstanders
εἶπον
(eipon)
zeiden
τῷ
(to)
aan de
Πέτρῳ
(Petro)
Petrus
Ἀληθῶς
(Alethos)
werkelijk
καὶ
(kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
εἶ
(ei)
bent
καὶ
(kai)
ook
γὰρ
(gar)
want
ἡ
(he)
de
λαλιά
(lalia)
spraak
σου
(sou)
je
δῆλόν
(delon)
duidelijk
σε
(se)
jou
ποιεῖ
(poiei)
maakt
Bron: SBLGNT
Uitleg

λαλιά (lalia), ‘spraak’.

De tekst zegt niet wat er aan Petrus’ manier van spreken opviel.

74Toen begon hij te vervloeken en te zweren: „Ik ken die man niet!” En meteen kraaide een haan.
τότε
(tote)
toen
ἤρξατο
(erxato)
begon
καταθεματίζειν
(katathematizein)
te vervloeken
καὶ
(kai)
en
ὀμνύειν
(omnyein)
te zweren
ὅτι
(hoti)
dat
Οὐκ
(Ouk)
niet
οἶδα
(oida)
ik ken
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
καὶ
(kai)
en
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἀλέκτωρ
(alektor)
haan
ἐφώνησεν
(ephonesen)
kraaide
Bron: SBLGNT
Uitleg

καταθεματίζω (katathematizo), ‘vervloeken’: een vloek uitspreken. ὀμνύω (omnyo), ‘zweren’.

75Petrus herinnerde zich het woord van Yeshua, die gezegd had: „Voordat de haan kraait, zul je Mij drie keer verloochenen.” Hij ging naar buiten en huilde bitter.
καὶ
(kai)
en
ἐμνήσθη
(emnesthe)
herinnerde zich
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
τοῦ
(tou)
het
ῥήματος
(rhematos)
woord
Ἰησοῦ
(Iesou)
van Yeshua
εἰρηκότος
(eirekotos)
gezegd hebbend
ὅτι
(hoti)
dat
Πρὶν
(Prin)
voordat
ἀλέκτορα
(alektora)
haan
φωνῆσαι
(phonesai)
kraait
τρὶς
(tris)
drie keer
ἀπαρνήσῃ
(aparnese)
zult verloochenen
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgegaan
ἔξω
(exo)
buiten
ἔκλαυσεν
(eklausen)
huilde
πικρῶς
(pikros)
bitter
Bron: SBLGNT