Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Helden die in Siklag bij David kwamen
1Dit zijn zij die bij David kwamen in Siklag, toen hij nog beperkt werd vanwege Saul, de zoon van Kis. Zij behoorden tot de helden, de helpers in de oorlog.
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit
הַבָּאִ֤ים
(habaim)
de komenden
אֶל
(el)
naar
דָּוִיד֙
(david)
David
לְצִ֣יקְלַ֔ג
(letsiqelag)
naar Siklag
ע֣וֹד
(od)
nog
עָצ֔וּר
(atsur)
beperkt
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
בֶּן
(ben)
zoon van
קִ֑ישׁ
(qish)
Kis
וְהֵ֨מָּה֙
(vehema)
en zij
בַּגִּבּוֹרִ֔ים
(bagiborim)
onder de helden
עֹזְרֵ֖י
(ozerei)
helpers van
הַמִּלְחָמָֽה
(hamilchama)
de oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Siklag lag in het zuiden van Juda.
De ligging is onzeker (voorgesteld: Tell esh-Shari'a of Tell el-Chuweilifeh, Israël).
Uitleg
David woonde in Siklag toen hij voor Saul gevlucht was (1 Sam. 27:6).
Hoofdstuk 12 noemt eerst de mannen die al in die tijd bij hem kwamen (vers 1–23).
Daarna volgen de legers die naar Hebron kwamen (vers 24–41).
עָצוּר (atsur), ‘beperkt’: David kon niet vrij optreden, omdat Saul hem zocht.
2Zij waren gewapend met de boog. Zij konden met rechts en met links stenen slingeren en pijlen schieten met de boog. Zij waren broers van Saul, uit Benjamin.
נֹ֣שְׁקֵי
(nosheqei)
die wapenen
קֶ֗שֶׁת
(qeshet)
boog
מַיְמִינִ֤ים
(mayminim)
rechtshandig
וּמַשְׂמִאלִים֙
(umasmilim)
en linkshandig
בָּֽאֲבָנִ֔ים
(baavanim)
met stenen
וּבַחִצִּ֖ים
(uvachitsim)
en met pijlen
בַּקָּ֑שֶׁת
(baqashet)
met de boog
מֵאֲחֵ֥י
(meachei)
van de broers van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
מִבִּנְיָמִֽן
(mibinyamin)
uit Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֹשְׁקֵי קֶשֶׁת (noshqe qeshet), ‘gewapend met de boog’.
מַיְמִינִים וּמַשְׂמִאלִים (mayminim umasmilim), ‘rechts- en linkshandig’: zij konden met beide handen even goed schieten en slingeren. Over linkshandige Benjaminieten zie Richt. 3:15 en Richt. 20:16.
9Ook scheidden zich van de Gadieten mannen af en kwamen naar David, naar de bergvesting in de woestijn. Het waren dappere helden, krijgsmannen voor de strijd, die schild en speer konden hanteren. Hun gezichten waren als leeuwengezichten. Zij waren zo snel als gazellen op de bergen.
וּמִן
(umin)
en uit
הַגָּדִ֡י
(hagadi)
de Gadiet
נִבְדְּל֣וּ
(nivdelu)
scheidden zich af
אֶל
(el)
naar
דָּוִיד֩
(david)
David
לַמְצַ֨ד
(lamtsad)
naar de bergvesting
מִדְבָּ֜רָה
(midbara)
naar de woestijn
גִּבֹּרֵ֣י
(giborei)
helden van
הַחַ֗יִל
(hachayil)
de kracht
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
צָבָא֙
(tsava)
leger
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
voor de oorlog
עֹרְכֵ֥י
(orekhei)
die schikken
צִנָּ֖ה
(tsina)
schild
וָרֹ֑מַח
(varomach)
en speer
וּפְנֵ֤י
(ufenei)
en gezichten van
אַרְיֵה֙
(arye)
leeuw
פְּנֵיהֶ֔ם
(peneihem)
hun gezichten
וְכִצְבָאיִ֥ם
(vekhitsvayim)
en als gazellen
עַל
(al)
op
הֶהָרִ֖ים
(heharim)
de bergen
לְמַהֵֽר
(lemaher)
om snel te zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָצָד (matsad), ‘bergvesting’: een vesting op een berg of in een rotsachtig gebied.
Welke vesting hier bedoeld is, weten wij niet.
Zie 1 Sam. 22:4–5 en 1 Sam. 23:14.
עֹרְכֵי צִנָּה וָרֹמַח (orche tsinnah varomach), ‘die schild en speer ordenen’: zij waren geoefend in het gebruik ervan.
צְבָאִים (tsevaim), ‘gazellen’: ook Asaël was ‘snel als een gazelle’ (2 Sam. 2:18).
16Dit zijn zij die in de eerste maand de Jordaan overstaken, toen hij buiten al zijn oevers trad. Zij joegen de bewoners van alle dalen op de vlucht, naar het oosten en naar het westen.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
הֵ֗ם
(hem)
zij
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עָבְר֤וּ
(averu)
staken over
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּן֙
(hayarden)
de Jordaan
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
מְמַלֵּ֖א
(memale)
vol
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
al
גְּדוֹתָ֑יו
(gedotav)
zijn oevers
וַיַּבְרִ֨יחוּ֙
(vayavrichu)
en verjoegen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָ֣עֲמָקִ֔ים
(haamaqim)
de dalen
לַמִּזְרָ֖ח
(lamizrach)
naar het oosten
וְלַֽמַּעֲרָֽב
(velamaarav)
en naar het westen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
De eerste maand is de maand van de lente (maart/april).
Dan staat de Jordaan vol, tot over zijn oevers.
Zie Joz. 3:15.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft גְּדִיּוֹתָיו (gedyotav); het qere heeft גְּדוֹתָיו (gedotav), ‘zijn oevers’.
Wij volgen het qere.
Het Hebreeuws zegt dat zij ‘alle dalen’ op de vlucht joegen. Daarmee worden de bewoners van de dalen bedoeld.
17Sommigen van de zonen van Benjamin en Juda kwamen naar de bergvesting, naar David.
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en kwamen
מִן
(min)
uit
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
וִֽיהוּדָ֔ה
(vihuda)
en Juda
עַד
(ad)
tot
לַמְצָ֖ד
(lamtsad)
de bergvesting
לְדָוִֽיד
(ledavid)
naar David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt ‘uit de zonen van Benjamin en Juda’: dat zijn dus niet allen, maar een deel van hen.
18David ging hen tegemoet. Hij antwoordde hen en zei: „Als jullie in vrede naar mij zijn gekomen om mij te helpen, dan zal mijn hart met jullie één zijn. Maar als jullie gekomen zijn om mij te verraden aan mijn vijanden, terwijl er geen geweld in mijn handen is, dan zal de Elohim van onze vaderen het zien en bestraffen.”
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
דָוִיד֮
(david)
David
לִפְנֵיהֶם֒
(lifneihem)
voor hen uit
וַיַּ֨עַן֙
(vayaan)
en antwoordde
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
אִם
(im)
als
לְשָׁל֞וֹם
(leshalom)
in vrede
בָּאתֶ֤ם
(batem)
bent gekomen
אֵלַי֙
(elay)
naar mij
לְעָזְרֵ֔נִי
(leazereni)
om mij te helpen
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לִּ֧י
(li)
voor mij
עֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
over jullie
לֵבָ֖ב
(levav)
hart
לְיָ֑חַד
(leyachad)
als één
וְאִֽם
(veim)
en als
לְרַמּוֹתַ֣נִי
(leramotani)
om mij te verraden
לְצָרַ֗י
(letsaray)
aan mijn vijanden
בְּלֹ֤א
(belo)
zonder
חָמָס֙
(chamas)
geweld
בְּכַפַּ֔י
(bekhapay)
in mijn handen
יֵ֛רֶא
(yere)
zal zien
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵ֖ינוּ
(avoteinu)
onze vaderen
וְיוֹכַֽח
(veyokhach)
en zal bestraffen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְרַמּוֹתַנִי (leramotani), ‘om mij te verraden’: letterlijk ‘om mij te bedriegen’.
לֵבָב לְיָחַד (levav leyachad), ‘een hart tot eenheid’: David verwacht dat zij hem werkelijk steunen.
וְיוֹכַח (veyokach), ‘en zal bestraffen’: Elohim zal het beoordelen en straffen.
19Een geest bekleedde Amasai, het hoofd van de Drie: „Voor u, David, en met u, zoon van Isaï! Vrede, vrede voor u, en vrede voor wie u helpt! Want uw Elohim helpt u.” David nam hen aan en stelde hen aan het hoofd van de bende.
וְר֣וּחַ
(veruach)
en geest
לָבְשָׁ֗ה
(lavesha)
bekleedde
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמָשַׂי֮
(amasay)
Amasai
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַשָּׁלִישִׁים֒
(hashalishim)
de Drie
לְךָ֤
(lekha)
voor u
דָוִיד֙
(david)
David
וְעִמְּךָ֣
(veimekha)
en met u
בֶן
(ben)
zoon van
יִשַׁ֔י
(yishay)
Isaï
שָׁל֨וֹם
(shalom)
vrede
שָׁל֜וֹם
(shalom)
vrede
לְךָ֗
(lekha)
voor u
וְשָׁלוֹם֙
(veshalom)
en vrede
לְעֹ֣זְרֶ֔ךָ
(leozerekha)
voor wie u helpt
כִּ֥י
(ki)
want
עֲזָרְךָ֖
(azarekha)
Hij helpt u
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
וַיְקַבְּלֵ֣ם
(vayqabelem)
en nam hen aan
דָּוִ֔יד
(david)
David
וַֽיִּתְּנֵ֖ם
(vayitenem)
en stelde hen
בְּרָאשֵׁ֥י
(berashei)
in de hoofden van
הַגְּדֽוּד
(hagedud)
de bende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לָבְשָׁה (lavshah), ‘bekleedde’: hetzelfde werkwoord staat in Richt. 6:34 bij Gideon.
Hier staat ‘een geest’, zonder lidwoord en zonder de naam Yahweh.
Wij schrijven daarom ‘een geest’ met een kleine letter.
לְךָ דָוִיד וְעִמְּךָ בֶן יִשַׁי (lecha David ve’immecha ben Yishai), letterlijk ‘voor u, David, en met u, zoon van Isaï’: zij beloven David hun trouw. Het Hebreeuws heeft geen werkwoord ‘zei’ bij deze woorden.
גְּדוּד (gedud), ‘bende’: hetzelfde woord staat in 1 Sam. 30:8.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘het hoofd van de dertig’ (הַשְּׁלוֹשִׁים); het qere heeft ‘het hoofd van de Drie’ (הַשָּׁלִישִׁים).
20Ook van Manasse liepen er mannen over naar David, toen hij met de Filistijnen tegen Saul ten strijde trok. Maar David hielp hen niet. Want na overleg stuurden de vorsten van de Filistijnen hem weg. Zij zeiden: „Het kost ons onze hoofden als hij overloopt naar zijn heer Saul.”
וּמִֽמְּנַשֶּׁ֞ה
(umimenashe)
en uit Manasse
נָפְל֣וּ
(nafelu)
vielen
עַל
(al)
op
דָּוִ֗יד
(david)
David
בְּבֹא֨וֹ
(bevoo)
toen hij kwam
עִם
(im)
met
פְּלִשְׁתִּ֧ים
(pelishtim)
Filistijnen
עַל
(al)
tegen
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
voor de oorlog
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
עֲזָרֻ֑ם
(azarum)
hielp hij hen
כִּ֣י
(ki)
want
בְעֵצָ֗ה
(beetsa)
na overleg
שִׁלְּחֻ֜הוּ
(shilechuhu)
stuurden zij hem weg
סַרְנֵ֤י
(sarnei)
vorsten van
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
de Filistijnen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בְּרָאשֵׁ֕ינוּ
(berasheinu)
voor onze hoofden
יִפּ֖וֹל
(yipol)
zal hij vallen
אֶל
(el)
naar
אֲדֹנָ֥יו
(adonav)
zijn heer
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
Dit verhaal sluit aan op 1 Sam. 29:1–11.
De vorsten van de Filistijnen stuurden David terug, omdat zij hem niet vertrouwden (1 Sam. 29:4).
Lezing
וְלֹא עֲזָרֻם (velo azarum), ‘en hij hielp hen niet’: wij lezen dat David de Filistijnen niet hielp, omdat hij werd weggestuurd.
Het Hebreeuws laat het onderwerp van het werkwoord weg.
21Toen hij naar Siklag ging, liepen er van Manasse over naar hem. Dat waren Adnach, Jozabad, Jediaël, Michaël, Jozabad, Elihu en Tsilletai, hoofden van de duizendtallen van Manasse.
בְּלֶכְתּ֣וֹ
(belekhto)
toen hij ging
אֶל
(el)
naar
צִֽיקְלַ֗ג
(tsiqelag)
Siklag
נָפְל֣וּ
(nafelu)
vielen
עָלָ֣יו
(alav)
op hem
מִֽמְּנַשֶּׁ֡ה
(mimenashe)
uit Manasse
עַ֠דְנַח
(adnach)
Adnach
וְיוֹזָבָ֤ד
(veyozavad)
en Jozabad
וִידִֽיעֲאֵל֙
(vidiael)
en Jediaël
וּמִיכָאֵ֣ל
(umikhael)
en Michaël
וְיוֹזָבָ֔ד
(veyozavad)
en Jozabad
וֶאֱלִיה֖וּא
(veelihu)
en Elihu
וְצִלְּתָ֑י
(vetsiletay)
en Tsilletai
רָאשֵׁ֥י
(rashei)
hoofden van
הָאֲלָפִ֖ים
(haalafim)
de duizendtallen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לִמְנַשֶּֽׁה
(limnashe)
van Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Siklag (ligging onzeker): Siklag lag in de Negev.
Tel Sera en Tel Halif zijn voorgesteld; dit is niet zeker.
Uitleg
Dit gebeurde toen David uit het Filistijnse leger terugkeerde naar Siklag (1 Sam. 30:1).
24Dit zijn de aantallen van de hoofden van de uitgeruste strijders die naar David kwamen in Hebron. Zij kwamen om het koningschap van Saul aan hem over te dragen, volgens het woord van Yahweh.
וְ֠אֵלֶּה
(veele)
en dit
מִסְפְּרֵ֞י
(misperei)
de aantallen van
רָאשֵׁ֤י
(rashei)
hoofden van
הֶֽחָלוּץ֙
(hechaluts)
de uitgeruste mannen
לַצָּבָ֔א
(latsava)
voor het leger
בָּ֥אוּ
(bau)
kwamen
עַל
(al)
naar
דָּוִ֖יד
(david)
David
חֶבְר֑וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
לְהָסֵ֞ב
(lehasev)
om te laten overgaan
מַלְכ֥וּת
(malkhut)
koningschap van
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
כְּפִ֥י
(kefi)
volgens de mond van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Hebron lag in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (Al-Chalil, Westelijke Jordaanoever).
Dat is zeker.
Uitleg
Vanaf hier volgen de aantallen van de legers uit alle stammen.
‘Volgens het woord van Yahweh’ is in het Hebreeuws כְּפִי יְהוָה (kefi Yahweh), letterlijk ‘naar de mond van Yahweh’.
Zie 1 Kron. 11:3 en 11:10.
הֶחָלוּץ (hechalutz), ‘de uitgeruste’: mannen die klaar waren om te strijden.
33Van de zonen van Issachar: zij die inzicht hadden in de tijden en wisten wat Israël moest doen. Hun hoofden waren er 200. Al hun broers deden wat zij zeiden.
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en uit de zonen van
יִשָּׂשכָ֗ר
(yisashkhar)
Issachar
יוֹדְעֵ֤י
(yodeei)
kenners van
בִינָה֙
(bina)
inzicht
לַֽעִתִּ֔ים
(laitim)
van de tijden
לָדַ֖עַת
(ladaat)
om te weten
מַה
(ma)
wat
יַּעֲשֶׂ֣ה
(yaase)
zal doen
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
רָאשֵׁיהֶ֣ם
(rasheihem)
hun hoofden
מָאתַ֔יִם
(matayim)
tweehonderd
וְכָל
(vekhal)
en al
אֲחֵיהֶ֖ם
(acheihem)
hun broers
עַל
(al)
op
פִּיהֶֽם
(pihem)
hun mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹדְעֵי בִינָה לָעִתִּים (yodei binah la’ittim), ‘zij die inzicht hadden in de tijden’: zij wisten wat er op dat moment gedaan moest worden.
עַל פִּיהֶם (al pihem), ‘op hun mond’: zij deden wat deze hoofden zeiden.
38En van de overkant van de Jordaan, van de Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam Manasse: 120.000. Zij hadden alle wapens voor de strijd.
וּמֵעֵ֣בֶר
(umeever)
en van over
לַ֠יַּרְדֵּן
(layarden)
de Jordaan
מִן
(min)
uit
הָראוּבֵנִ֨י
(haruveni)
de Rubeniet
וְהַגָּדִ֜י
(vehagadi)
en de Gadiet
וַחֲצִ֣י
(vachatsi)
en de helft van
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam van
מְנַשֶּׁ֗ה
(menashe)
Manasse
בְּכֹל֙
(bekhol)
met alle
כְּלֵי֙
(kelei)
wapens van
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֖ים
(veesrim)
en twintig
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
‘Van de overkant van de Jordaan’ betekent: van het gebied ten oosten van de Jordaan, waar de Rubenieten, de Gadieten en de helft van Manasse woonden (Num. 32).
39Al deze krijgers stonden in slagorde. Met een volledig hart kwamen zij naar Hebron om David koning te maken over heel Israël. Ook de rest van Israël had één hart om David koning te maken.
כָּל
(kal)
alle
אֵ֜לֶּה
(ele)
dezen
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
מִלְחָמָה֮
(milchama)
oorlog
עֹדְרֵ֣י
(oderei)
ordenaars van
מַעֲרָכָה֒
(maarakha)
slagorde
בְּלֵבָ֤ב
(belevav)
met hart
שָׁלֵם֙
(shalem)
volledig
בָּ֣אוּ
(bau)
kwamen
חֶבְר֔וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
לְהַמְלִ֥יךְ
(lehamlikh)
om koning te maken
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֖יד
(david)
David
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְ֠גַם
(vegam)
en ook
כָּל
(kal)
alle
שֵׁרִ֧ית
(sherit)
rest van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
לֵ֥ב
(lev)
hart
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לְהַמְלִ֥יךְ
(lehamlikh)
om koning te maken
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
לְבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: zonder terughoudendheid.
41Ook brachten de mensen die dichtbij woonden, tot Issachar, Zebulon en Naftali toe, brood op ezels, kamelen, muilezels en runderen. Het was voedsel van meel, vijgenkoeken, rozijnen, wijn en olie. Ook brachten zij runderen en schapen in menigte. Want er was vreugde in Israël.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
הַקְּרֽוֹבִים
(haqerovim)
die dichtbij zijn
אֲ֠לֵיהֶם
(aleihem)
bij hen
עַד
(ad)
tot
יִשָׂשכָ֨ר
(yisashkhar)
Issachar
וּזְבֻל֜וּן
(uzevulun)
en Zebulon
וְנַפְתָּלִ֗י
(venaftali)
en Naftali
מְבִיאִ֣ים
(meviim)
brengend
לֶ֡חֶם
(lechem)
brood
בַּחֲמוֹרִ֣ים
(bachamorim)
op ezels
וּבַגְּמַלִּ֣ים
(uvagemalim)
en op kamelen
וּבַפְּרָדִ֣ים
(uvaperadim)
en op muilezels
וּֽבַבָּקָ֡ר
(uvabaqar)
en op runderen
מַאֲכָ֡ל
(maakhal)
voedsel
קֶ֠מַח
(qemach)
meel
דְּבֵלִ֨ים
(develim)
vijgenkoeken
וְצִמּוּקִ֧ים
(vetsimuqim)
en rozijnen
וְיַֽיִן
(veyayin)
en wijn
וְשֶׁ֛מֶן
(veshemen)
en olie
וּבָקָ֥ר
(uvaqar)
en runderen
וְצֹ֖אן
(vetson)
en schapen
לָרֹ֑ב
(larov)
in menigte
כִּ֥י
(ki)
want
שִׂמְחָ֖ה
(simcha)
vreugde
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דְּבֵלִים (develim), ‘vijgenkoeken’, en צִמּוּקִים (tsimmuqim), ‘rozijnenkoeken’: zie 1 Sam. 25:18 en 1 Sam. 30:12.