Elohim Bijbel

Johannes 1

123456789101112131415161718192021

Het Woord, de getuige en de eerste leerlingen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het Woord

1In het begin was het Woord. Het Woord was bij Elohim, en het Woord was Elohim.
Ἐν
(En)
in
ἀρχῇ
(arche)
begin
ἦν
(en)
was
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
Woord
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
Woord
ἦν
(en)
was
πρὸς
(pros)
bij
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
καὶ
(kai)
en
θεὸς
(theos)
Elohim
ἦν
(en)
was
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
Woord
Bron: SBLGNT
Uitleg

λόγος (logos), ‘woord’: wat gezegd wordt, een uitspraak of boodschap.

Elohim schiep door te spreken (Gen. 1:3; Ps. 33:6). ἐν ἀρχῇ (en arche), ‘in het begin’, doet denken aan het begin van Gen. 1:1.

Het Grieks heeft in ‘bij Elohim’ een lidwoord voor θεός (theos), maar in ‘het Woord was Elohim’ niet. Wij vertalen beide keren ‘Elohim’.

2Dit was in het begin bij Elohim.
οὗτος
(houtos)
dit
ἦν
(en)
was
ἐν
(en)
in
ἀρχῇ
(arche)
begin
πρὸς
(pros)
bij
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
Bron: SBLGNT
3Alles is door Hem geworden, en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is.
πάντα
(panta)
alles
δι’
(di’)
door
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἐγένετο
(egeneto)
is geworden
καὶ
(kai)
en
χωρὶς
(choris)
zonder
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἐγένετο
(egeneto)
is geworden
οὐδὲ
(oude)
niet
ἕν
(hen)
één
ὃ
(ho)
wat
γέγονεν
(gegonen)
geworden is
Bron: SBLGNT
Lezing

De oudste handschriften hebben geen leestekens.

Wij volgen de versindeling van de SBLGNT: ὃ γέγονεν (ho gegonen), ‘wat geworden is’, sluit vers 3.

Sommige uitgaven trekken die woorden naar vers 4 (‘wat geworden is, in Hem was leven’).

Zie ookJoh 1:4
4In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen.
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
Hem
ζωὴ
(zoe)
leven
ἦν
(en)
was
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
het
ζωὴ
(zoe)
leven
ἦν
(en)
was
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
Bron: SBLGNT
5Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet overmeesterd.
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
σκοτίᾳ
(skotia)
duisternis
φαίνει
(phainei)
schijnt
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
σκοτία
(skotia)
duisternis
αὐτὸ
(auto)
het
οὐ
(ou)
niet
κατέλαβεν
(katelaben)
heeft overmeesterd
Bron: SBLGNT
Uitleg

κατέλαβεν (katelaben), ‘heeft overmeesterd’: het werkwoord kan ‘grijpen, overmeesteren’ betekenen en ook ‘begrijpen’.

Wij kiezen ‘overmeesterd’, omdat de duisternis hier tegenover het licht staat.

Johannes, de getuige van het licht

6Er kwam een man, door Elohim gezonden. Zijn naam was Johannes.
Ἐγένετο
(Egeneto)
kwam
ἄνθρωπος
(anthropos)
een man
ἀπεσταλμένος
(apestalmenos)
gezonden
παρὰ
(para)
door
θεοῦ
(theou)
Elohim
ὄνομα
(onoma)
naam
αὐτῷ
(auto)
aan hem
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
Bron: SBLGNT
Uitleg

Dit is Johannes de Doper.

In dit evangelie heet hij alleen Johannes; de bijnaam βαπτιστής (baptistes), ‘doper’, staat hier niet.

Zie ook Matt. 3:1–12; Mark. 1:4–8; Luc. 3:1–18.

7Deze man kwam als getuige, om te getuigen over het licht, zodat allen door hem zouden geloven.
οὗτος
(houtos)
deze
ἦλθεν
(elthen)
kwam
εἰς
(eis)
tot
μαρτυρίαν
(martyrian)
getuigenis
ἵνα
(hina)
opdat
μαρτυρήσῃ
(martyrese)
hij getuigt
περὶ
(peri)
over
τοῦ
(tou)
het
φωτός
(photos)
licht
ἵνα
(hina)
opdat
πάντες
(pantes)
allen
πιστεύσωσιν
(pisteusosin)
geloven
δι’
(di’)
door
αὐτοῦ
(autou)
hem
Bron: SBLGNT
8Hij was het licht niet, maar hij kwam om te getuigen over het licht.
οὐκ
(ouk)
niet
ἦν
(en)
was
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
ἀλλ’
(all’)
maar
ἵνα
(hina)
opdat
μαρτυρήσῃ
(martyrese)
hij getuigt
περὶ
(peri)
over
τοῦ
(tou)
het
φωτός
(photos)
licht
Bron: SBLGNT
9Het ware licht, dat ieder mens verlicht, kwam in de wereld.
ἦν
(en)
was
τὸ
(to)
het
φῶς
(phos)
licht
τὸ
(to)
het
ἀληθινὸν
(alethinon)
ware
ὃ
(ho)
dat
φωτίζει
(photizei)
verlicht
πάντα
(panta)
ieder
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ἐρχόμενον
(erchomenon)
komend
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐρχόμενον (erchomenon), ‘komend’: het Grieks kan dit verbinden met ‘het licht’ (het licht kwam in de wereld) of met ‘ieder mens’ (ieder mens die in de wereld komt).

Wij volgen de eerste lezing.

10Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, maar de wereld kende Hem niet.
Ἐν
(En)
in
τῷ
(to)
de
κόσμῳ
(kosmo)
wereld
ἦν
(en)
was
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
κόσμος
(kosmos)
wereld
δι’
(di’)
door
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἐγένετο
(egeneto)
is geworden
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
κόσμος
(kosmos)
wereld
αὐτὸν
(auton)
Hem
οὐκ
(ouk)
niet
ἔγνω
(egno)
kende
Bron: SBLGNT
11Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen namen Hem niet aan.
εἰς
(eis)
tot
τὰ
(ta)
het
ἴδια
(idia)
Zijne
ἦλθεν
(elthen)
kwam Hij
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἴδιοι
(idioi)
Zijnen
αὐτὸν
(auton)
Hem
οὐ
(ou)
niet
παρέλαβον
(parelabon)
namen aan
Bron: SBLGNT
Uitleg

τὰ ἴδια (ta idia), ‘het Zijne’, en οἱ ἴδιοι (hoi idioi), ‘de Zijnen’: wat en wie bij Hem horen.

Het Grieks zegt niet of het om het land, het huis of het volk gaat.

12Maar aan allen die Hem ontvingen, gaf Hij het recht om kinderen van Elohim te worden, aan hen die geloven in Zijn naam.
ὅσοι
(hosoi)
allen die
δὲ
(de)
maar
ἔλαβον
(elabon)
ontvingen
αὐτόν
(auton)
Hem
ἔδωκεν
(edoken)
gaf Hij
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἐξουσίαν
(exousian)
recht
τέκνα
(tekna)
kinderen
θεοῦ
(theou)
van Elohim
γενέσθαι
(genesthai)
te worden
τοῖς
(tois)
aan hen die
πιστεύουσιν
(pisteuousin)
geloven
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
ὄνομα
(onoma)
naam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξουσία (exousia) vertalen wij elders met ‘gezag’.

Hier staat ‘het recht’, omdat ‘gezag om kinderen te worden’ niet loopt in het Nederlands.

τέκνα θεοῦ (tekna theou), ‘kinderen van Elohim’.

13Zij zijn niet uit bloed geboren, niet uit de wil van het vlees en niet uit de wil van een man, maar uit Elohim.
οἳ
(hoi)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἐξ
(ex)
uit
αἱμάτων
(haimaton)
bloeden
οὐδὲ
(oude)
ook niet
ἐκ
(ek)
uit
θελήματος
(thelematos)
wil
σαρκὸς
(sarkos)
van het vlees
οὐδὲ
(oude)
ook niet
ἐκ
(ek)
uit
θελήματος
(thelematos)
wil
ἀνδρὸς
(andros)
van een man
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐκ
(ek)
uit
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐγεννήθησαν
(egennethesan)
zijn geboren
Bron: SBLGNT
Uitleg

αἱμάτων (haimaton), ‘bloeden’, staat in het meervoud.

Wij schrijven ‘uit bloed’: afstamming door bloedverwantschap.

Het Woord is vlees geworden

14Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de enige Zoon van de Vader, vol genade en waarheid.
Καὶ
(Kai)
en
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
Woord
σὰρξ
(sarx)
vlees
ἐγένετο
(egeneto)
is geworden
καὶ
(kai)
en
ἐσκήνωσεν
(eskenosen)
heeft gewoond
ἐν
(en)
onder
ἡμῖν
(hemin)
ons
καὶ
(kai)
en
ἐθεασάμεθα
(etheasametha)
wij hebben gezien
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
ὡς
(hos)
als
μονογενοῦς
(monogenous)
van een enige
παρὰ
(para)
van
πατρός
(patros)
Vader
πλήρης
(pleres)
vol
χάριτος
(charitos)
van genade
καὶ
(kai)
en
ἀληθείας
(aletheias)
van waarheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

σάρξ (sarx), ‘vlees’: de mens in zijn broosheid. ἐσκήνωσεν (eskenosen), ‘heeft gewoond’, betekent letterlijk ‘heeft Zijn tent opgeslagen’, van σκηνή (skene), ‘tent’.

Het doet denken aan de tabernakel, in het Hebreeuws מִשְׁכָּן (mishkan), de woonplaats van Elohim bij Zijn volk (Exod. 25:8–9; Exod. 40:34–35).

μονογενής (monogenes), ‘enige’: de enige van zijn soort, of de enige geborene. Het Grieks heeft hier geen woord voor ‘Zoon’ en geen lidwoorden; wij voegen ‘Zoon’ toe (in 3:16 en 3:18 staat υἱός, ‘zoon’, wel in het Grieks).

‘Vol genade en waarheid’ doet denken aan Exod. 34:6, waar Yahweh ‘rijk aan trouw en betrouwbaarheid’ heet (Hebr. chesed en emet).

15Johannes getuigt over Hem en roept: „Dit was Hij over wie ik zei: ‘Hij die na mij komt, is mij voorgegaan, want Hij was er eerder dan ik.’”
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
μαρτυρεῖ
(martyrei)
getuigt
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
καὶ
(kai)
en
κέκραγεν
(kekragen)
roept
λέγων
(legon)
zeggend
Οὗτος
(Houtos)
dit
ἦν
(en)
was
ὃν
(hon)
Hij over wie
εἶπον
(eipon)
ik zei
Ὁ
(Ho)
de
ὀπίσω
(opiso)
na
μου
(mou)
mij
ἐρχόμενος
(erchomenos)
komende
ἔμπροσθέν
(emprosthen)
voor
μου
(mou)
mij
γέγονεν
(gegonen)
is geworden
ὅτι
(hoti)
want
πρῶτός
(protos)
eerste
μου
(mou)
van mij
ἦν
(en)
was
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat van Johannes staat ook in vers 30. πρῶτός μου ἦν (protos mou en), ‘Hij was er eerder dan ik’: eerder in tijd, en ook hoger in rang.

Zie ook Matt. 3:11; Mark. 1:7; Luc. 3:16.

16Want uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade.
ὅτι
(hoti)
want
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
πληρώματος
(pleromatos)
volheid
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
πάντες
(pantes)
allen
ἐλάβομεν
(elabomen)
ontvingen
καὶ
(kai)
en
χάριν
(charin)
genade
ἀντὶ
(anti)
op
χάριτος
(charitos)
genade
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀντί (anti), ‘op’, eigenlijk ‘in plaats van’: de ene genade volgt op de andere, of wordt vervangen door een volgende.

Het Grieks zegt niet welke van de twee bedoeld is.

17Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid zijn door Yeshua de Messias gekomen.
ὅτι
(hoti)
want
ὁ
(ho)
de
νόμος
(nomos)
wet
διὰ
(dia)
door
Μωϋσέως
(Moyseos)
Mozes
ἐδόθη
(edothe)
is gegeven
ἡ
(he)
de
χάρις
(charis)
genade
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
ἀλήθεια
(aletheia)
waarheid
διὰ
(dia)
door
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Χριστοῦ
(Christou)
de Messias
ἐγένετο
(egeneto)
is gekomen
Bron: SBLGNT
Uitleg

νόμος (nomos), ‘wet’: de Tora van Mozes. Χριστός (Christos), ‘de Messias’: het Griekse woord voor ‘gezalfde’, in het Hebreeuws מָשִׁיחַ (mashiach).

In dit evangelie vertalen wij het met ‘Messias’; alleen in 1:41 en 4:25 staat ‘de Gezalfde’ (zie 1:41).

18Niemand heeft Elohim ooit gezien. De enige Elohim, die in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem bekendgemaakt.
θεὸν
(theon)
Elohim
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἑώρακεν
(heoraken)
heeft gezien
πώποτε
(popote)
ooit
μονογενὴς
(monogenes)
enige
θεὸς
(theos)
Elohim
ὁ
(ho)
die
ὢν
(on)
is
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
κόλπον
(kolpon)
schoot
τοῦ
(tou)
van de
πατρὸς
(patros)
Vader
ἐκεῖνος
(ekeinos)
Die
ἐξηγήσατο
(exegesato)
heeft bekendgemaakt
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Exod. 33:20: ‘geen mens kan Mij zien en blijven leven’. κόλπος (kolpos), ‘schoot’: de plaats van grote nabijheid. ἐξηγήσατο (exegesato), ‘heeft bekendgemaakt’: heeft uitgelegd wie Elohim is.

Lezing

Sommige handschriften hebben ‘de enige Zoon’ in plaats van ‘de enige Elohim’.

Wij vertalen de SBLGNT.

Zie ookEx 33:20

Het getuigenis van Johannes

19Dit is het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem zonden om hem te vragen: „Wie ben jij?”
Καὶ
(Kai)
en
αὕτη
(haute)
dit
ἐστὶν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
μαρτυρία
(martyria)
getuigenis
τοῦ
(tou)
van de
Ἰωάννου
(Ioannou)
Johannes
ὅτε
(hote)
toen
ἀπέστειλαν
(apesteilan)
zonden
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
ἐξ
(ex)
uit
Ἱεροσολύμων
(Hierosolymon)
Jeruzalem
ἱερεῖς
(hiereis)
priesters
καὶ
(kai)
en
Λευίτας
(Leuitas)
Levieten
ἵνα
(hina)
opdat
ἐρωτήσωσιν
(erotesosin)
zij vroegen
αὐτόν
(auton)
hem
Σὺ
(Sy)
jij
τίς
(tis)
wie
εἶ
(ei)
bent
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: in Johannes kan dit het hele volk zijn, maar vaak zijn de leiders in Jeruzalem en Judea bedoeld.

Wij schrijven overal ‘Joden’ en zeggen in een Uitleg wanneer de leiders bedoeld lijken.

Λευίτας (Leuitas), ‘Levieten’: mannen uit de stam Levi die in de tempel dienden.

20Hij beleed en ontkende het niet. Hij beleed: „Ik ben de Messias niet.”
καὶ
(kai)
en
ὡμολόγησεν
(homologesen)
beleed
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἠρνήσατο
(ernesato)
ontkende
καὶ
(kai)
en
ὡμολόγησεν
(homologesen)
beleed
ὅτι
(hoti)
dat
Ἐγὼ
(Ego)
ik
οὐκ
(ouk)
niet
εἰμὶ
(eimi)
ben
ὁ
(ho)
de
χριστός
(christos)
Messias
Bron: SBLGNT
21Zij vroegen hem: „Wat dan? Ben jij Elia?” Hij zei: „Dat ben ik niet.” „Ben jij de profeet?” Hij antwoordde: „Nee.”
καὶ
(kai)
en
ἠρώτησαν
(erotesan)
vroegen
αὐτόν
(auton)
hem
Τί
(Ti)
wat
οὖν
(oun)
dan
σὺ
(sy)
jij
Ἠλίας
(Elias)
Elia
εἶ
(ei)
ben
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt hij
Οὐκ
(Ouk)
niet
εἰμί
(eimi)
ben ik
Ὁ
(Ho)
de
προφήτης
(prophetes)
profeet
εἶ
(ei)
ben
σύ
(sy)
jij
καὶ
(kai)
en
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Οὔ
(Ou)
nee
Bron: SBLGNT
Uitleg

De vraag naar Elia komt uit Mal. 3:23; in de Nederlandse telling is dit 4:5.

‘De profeet’ verwijst waarschijnlijk naar de profeet zoals Mozes in Deut. 18:15 en 18:18.

Zie ook Matt. 11:14; Matt. 17:12–13.

22Toen zeiden zij tegen hem: „Wie ben je? Dan kunnen wij antwoord geven aan wie ons gestuurd hebben. Wat zeg je over jezelf?”
εἶπαν
(eipan)
zeiden
οὖν
(oun)
dan
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Τίς
(Tis)
wie
εἶ
(ei)
ben je
ἵνα
(hina)
opdat
ἀπόκρισιν
(apokrisin)
antwoord
δῶμεν
(domen)
wij geven
τοῖς
(tois)
aan hen die
πέμψασιν
(pempsasin)
gestuurd hebben
ἡμᾶς
(hemas)
ons
τί
(ti)
wat
λέγεις
(legeis)
zeg je
περὶ
(peri)
over
σεαυτοῦ
(seautou)
jezelf
Bron: SBLGNT
23Hij zei: „Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: ‘Maak de weg van Yahweh recht’, zoals de profeet Jesaja zei.”
ἔφη
(ephe)
zei hij
Ἐγὼ
(Ego)
ik
φωνὴ
(phone)
stem
βοῶντος
(boontos)
van een roepende
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ἐρήμῳ
(eremo)
woestijn
Εὐθύνατε
(Euthynate)
maak recht
τὴν
(ten)
de
ὁδὸν
(hodon)
weg
κυρίου
(kyriou)
van Yahweh
καθὼς
(kathos)
zoals
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἠσαΐας
(Esaias)
Jesaja
ὁ
(ho)
de
προφήτης
(prophetes)
profeet
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Jes. 40:3.

Het Hebreeuws heeft ‘Baan in de woestijn de weg van Yahweh’; de Griekse tekst heeft ‘Maak de weg van Yahweh recht’, en ‘in de woestijn’ hoort bij de stem. κυρίου (kyriou), ‘van de Heer’, is vertaald als Yahweh, zoals in het Hebreeuws (יהוה).

Zie ook Matt. 3:3; Mark. 1:2–3; Luc. 3:4–6.

24Zij die gezonden waren, waren van de Farizeeën.
Καὶ
(Kai)
en
ἀπεσταλμένοι
(apestalmenoi)
gezondenen
ἦσαν
(esan)
waren
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft hier geen lidwoord: ‘gezondenen uit de Farizeeën’.

Het kan dus ook betekenen dat de afgezanten van de Farizeeën kwamen.

25Zij vroegen hem en zeiden tegen hem: „Waarom doop je dan, als jij de Messias niet bent, Elia niet en de profeet niet?”
καὶ
(kai)
en
ἠρώτησαν
(erotesan)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tot hem
Τί
(Ti)
waarom
οὖν
(oun)
dan
βαπτίζεις
(baptizeis)
doop je
εἰ
(ei)
als
σὺ
(sy)
jij
οὐκ
(ouk)
niet
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
χριστὸς
(christos)
Messias
οὐδὲ
(oude)
ook niet
Ἠλίας
(Elias)
Elia
οὐδὲ
(oude)
ook niet
ὁ
(ho)
de
προφήτης
(prophetes)
profeet
Bron: SBLGNT
26Johannes antwoordde hun: „Ik doop met water. Midden onder jullie staat Hij die jullie niet kennen.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐγὼ
(Ego)
ik
βαπτίζω
(baptizo)
doop
ἐν
(en)
in
ὕδατι
(hydati)
water
μέσος
(mesos)
midden
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
ἕστηκεν
(hesteken)
staat
ὃν
(hon)
Hij die
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδατε
(oidate)
kennen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 3:11; Mark. 1:7–8; Luc. 3:16.

27Hij komt na mij. Ik ben niet waardig om de riem van Zijn sandaal los te maken.”
ὁ
(ho)
de
ὀπίσω
(opiso)
na
μου
(mou)
mij
ἐρχόμενος
(erchomenos)
komende
οὗ
(hou)
van wie
οὐκ
(ouk)
niet
εἰμὶ
(eimi)
ben ik
ἄξιος
(axios)
waardig
ἵνα
(hina)
opdat
λύσω
(lyso)
ik losmaak
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τὸν
(ton)
de
ἱμάντα
(himanta)
riem
τοῦ
(tou)
van de
ὑποδήματος
(hypodematos)
sandaal
Bron: SBLGNT
28Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes aan het dopen was.
ταῦτα
(tauta)
dit
ἐν
(en)
in
Βηθανίᾳ
(Bethania)
Betanië
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
πέραν
(peran)
aan de overkant
τοῦ
(tou)
van de
Ἰορδάνου
(Iordanou)
Jordaan
ὅπου
(hopou)
waar
ἦν
(en)
was
ὁ
(ho)
de
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
βαπτίζων
(baptizon)
dopend
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betanië aan de overkant van de Jordaan (ligging onzeker): Dit Betanië is niet het dorp bij Jeruzalem, maar een plaats aan de oostoever van de Jordaan, waar Johannes doopte.

De ligging is onzeker; voorgesteld wordt het gebied bij Wadi al-Charrar (Al-Maghtas), tegenover Jericho, nu in Jordanië.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

Dit Betanië ligt aan de overkant van de Jordaan en is niet het dorp Betanië bij Jeruzalem (Joh. 11:1).

Zie ookJoh 11:1

Het Lam van Elohim

29De volgende dag zag hij Yeshua naar zich toe komen en zei: „Zie, het Lam van Elohim, dat de zonde van de wereld wegneemt!
Τῇ
(Te)
op de
ἐπαύριον
(epaurion)
volgende dag
βλέπει
(blepei)
ziet hij
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἐρχόμενον
(erchomenon)
komend
πρὸς
(pros)
naar
αὐτόν
(auton)
zich
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
Ἴδε
(Ide)
zie
ὁ
(ho)
het
ἀμνὸς
(amnos)
Lam
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ὁ
(ho)
die
αἴρων
(airon)
wegneemt
τὴν
(ten)
de
ἁμαρτίαν
(hamartian)
zonde
τοῦ
(tou)
van de
κόσμου
(kosmou)
wereld
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀμνός (amnos), ‘lam’.

Het Grieks zegt niet naar welk lam verwezen wordt.

De woorden doen denken aan het lam van Pesach (Exod. 12:3), het lam dat Elohim voorziet (Gen. 22:8) en het lam dat naar de slacht geleid wordt (Jes. 53:7). αἴρων (airon), ‘wegneemt’: optillen en wegdragen.

30Dit is Hij over wie ik zei: ‘Na mij komt een man die mij is voorgegaan, want Hij was er eerder dan ik.’
οὗτός
(houtos)
dit
ἐστιν
(estin)
is
ὑπὲρ
(hyper)
over
οὗ
(hou)
wie
ἐγὼ
(ego)
ik
εἶπον
(eipon)
zei
Ὀπίσω
(Opiso)
na
μου
(mou)
mij
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ἀνὴρ
(aner)
een man
ὃς
(hos)
die
ἔμπροσθέν
(emprosthen)
voor
μου
(mou)
mij
γέγονεν
(gegonen)
is geworden
ὅτι
(hoti)
want
πρῶτός
(protos)
eerste
μου
(mou)
van mij
ἦν
(en)
was
Bron: SBLGNT
31Ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël bekend zou worden, ben ik gekomen en doop ik met water.”
κἀγὼ
(kago)
en ik
οὐκ
(ouk)
niet
ᾔδειν
(edein)
kende
αὐτόν
(auton)
Hem
ἀλλ’
(all’)
maar
ἵνα
(hina)
opdat
φανερωθῇ
(phanerothe)
Hij bekend wordt
τῷ
(to)
de
Ἰσραὴλ
(Israel)
Israël
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
ἦλθον
(elthon)
kwam
ἐγὼ
(ego)
ik
ἐν
(en)
in
ὕδατι
(hydati)
water
βαπτίζων
(baptizon)
dopend
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het onderwerp van φανερωθῇ (phanerothe), ‘bekend zou worden’, is Hij, Yeshua: Hij moest aan Israël bekend worden.

32Johannes getuigde: „Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en Hij bleef op Hem.
καὶ
(kai)
en
ἐμαρτύρησεν
(emartyresen)
getuigde
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
λέγων
(legon)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Τεθέαμαι
(Tetheamai)
ik heb gezien
τὸ
(to)
de
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
καταβαῖνον
(katabainon)
neerdalend
ὡς
(hos)
als
περιστερὰν
(peristeran)
duif
ἐξ
(ex)
uit
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
καὶ
(kai)
en
ἔμεινεν
(emeinen)
bleef
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 3:16; Mark. 1:10; Luc. 3:22.

33Ik kende Hem niet. Maar Hij die mij gestuurd heeft om met water te dopen, zei tegen mij: ‘Op wie je de Geest ziet neerdalen en blijven, Hij is het. Hij doopt met de Heilige Geest.’
κἀγὼ
(kago)
en ik
οὐκ
(ouk)
niet
ᾔδειν
(edein)
kende
αὐτόν
(auton)
Hem
ἀλλ’
(all’)
maar
ὁ
(ho)
de
πέμψας
(pempsas)
gestuurd hebbende
με
(me)
mij
βαπτίζειν
(baptizein)
te dopen
ἐν
(en)
in
ὕδατι
(hydati)
water
ἐκεῖνός
(ekeinos)
Die
μοι
(moi)
tot mij
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐφ’
(Eph’)
op
ὃν
(hon)
wie
ἂν
(an)
ook
ἴδῃς
(ides)
jij ziet
τὸ
(to)
de
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
καταβαῖνον
(katabainon)
neerdalend
καὶ
(kai)
en
μένον
(menon)
blijvend
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτόν
(auton)
Hem
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
Hij die
βαπτίζων
(baptizon)
doopt
ἐν
(en)
in
πνεύματι
(pneumati)
Geest
ἁγίῳ
(hagio)
heilige
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 3:11; Mark. 1:8; Luc. 3:16.

34Ik heb het gezien en ik heb getuigd dat Hij de Uitverkorene van Elohim is.”
κἀγὼ
(kago)
en ik
ἑώρακα
(heoraka)
heb gezien
καὶ
(kai)
en
μεμαρτύρηκα
(memartyreka)
heb getuigd
ὅτι
(hoti)
dat
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
ἐκλεκτὸς
(eklektos)
Uitverkorene
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκλεκτός (eklektos), ‘uitverkorene’: vergelijk Jes. 42:1, ‘Mijn uitverkorene, in wie Mijn ziel behagen heeft’.

Lezing

Sommige handschriften hebben hier ‘de Zoon van Elohim’ in plaats van ‘de Uitverkorene van Elohim’.

Wij vertalen de SBLGNT.

Zie ookJes 42:1

De eerste leerlingen

35De volgende dag stond Johannes er weer, met twee van zijn leerlingen.
Τῇ
(Te)
op de
ἐπαύριον
(epaurion)
volgende dag
πάλιν
(palin)
weer
εἱστήκει
(heistekei)
stond
ὁ
(ho)
de
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
καὶ
(kai)
en
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
δύο
(dyo)
twee
Bron: SBLGNT
36Johannes keek naar Yeshua, die voorbijliep, en zei: „Zie, het Lam van Elohim!”
καὶ
(kai)
en
ἐμβλέψας
(emblepsas)
kijkend naar
τῷ
(to)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
περιπατοῦντι
(peripatounti)
wandelend
λέγει
(legei)
zegt
Ἴδε
(Ide)
zie
ὁ
(ho)
het
ἀμνὸς
(amnos)
Lam
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
37De twee leerlingen hoorden hem spreken en volgden Yeshua.
καὶ
(kai)
en
ἤκουσαν
(ekousan)
hoorden
οἱ
(hoi)
de
δύο
(dyo)
twee
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
λαλοῦντος
(lalountos)
sprekend
καὶ
(kai)
en
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
τῷ
(to)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Bron: SBLGNT
38Yeshua draaide Zich om en zag dat zij Hem volgden. Hij zei tegen hen: „Wat zoeken jullie?” Zij zeiden tegen Hem: „Rabbi”, wat vertaald „Leraar” betekent, „waar verblijft U?”
στραφεὶς
(strapheis)
zich omdraaiend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
θεασάμενος
(theasamenos)
ziend
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἀκολουθοῦντας
(akolouthountas)
volgend
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Τί
(Ti)
wat
ζητεῖτε
(zeteite)
zoeken jullie
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Ῥαββί
(Rhabbi)
Rabbi
ὃ
(ho)
wat
λέγεται
(legetai)
genoemd wordt
μεθερμηνευόμενον
(methermeneuomenon)
vertaald
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
ποῦ
(pou)
waar
μένεις
(meneis)
verblijft U
Bron: SBLGNT
Uitleg

ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: een Aramees woord, letterlijk ‘mijn grote’, als aanspreking van een leraar; het Grieks vertaalt het met διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’.

μένω (meno) betekent ‘blijven’ en ook ‘verblijven’. Hier gaat het om waar Yeshua verblijft; bij de Geest in vers 32–33 schrijven wij ‘blijven’.

Zie ook Matt. 23:7–8.

39Hij zei tegen hen: „Kom, dan zullen jullie het zien.” Zij gingen mee, zagen waar Hij verbleef en bleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Ἔρχεσθε
(Erchesthe)
kom
καὶ
(kai)
en
ὄψεσθε
(opsesthe)
jullie zullen zien
ἦλθαν
(elthan)
kwamen
οὖν
(oun)
dus
καὶ
(kai)
en
εἶδαν
(eidan)
zagen
ποῦ
(pou)
waar
μένει
(menei)
Hij verblijft
καὶ
(kai)
en
παρ’
(par’)
bij
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἔμειναν
(emeinan)
bleven
τὴν
(ten)
de
ἡμέραν
(hemeran)
dag
ἐκείνην
(ekeinen)
die
ὥρα
(hora)
uur
ἦν
(en)
was
ὡς
(hos)
ongeveer
δεκάτη
(dekate)
tiende
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὥρα (hora), ‘uur’.

Bij de Joodse dagtelling begint de dag bij zonsopgang; het tiende uur is dan ongeveer 4 uur ’s middags.

Als Johannes de Romeinse telling gebruikt (vanaf middernacht), is het ongeveer 10 uur ’s ochtends.

Zie ook de voetnoot bij Joh. 19:14.

Zie ookJoh 19:14
40Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van de twee die het van Johannes hadden gehoord en Hem waren gevolgd.
ἦν
(en)
was
Ἀνδρέας
(Andreas)
Andreas
ὁ
(ho)
de
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
Σίμωνος
(Simonos)
van Simon
Πέτρου
(Petrou)
Petrus
εἷς
(heis)
een
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
δύο
(dyo)
twee
τῶν
(ton)
de
ἀκουσάντων
(akousanton)
gehoord hebbenden
παρὰ
(para)
van
Ἰωάννου
(Ioannou)
Johannes
καὶ
(kai)
en
ἀκολουθησάντων
(akolouthesanton)
gevolgd zijnde
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
41Deze vond eerst zijn eigen broer Simon en zei tegen hem: „Wij hebben de Messias gevonden”, wat vertaald „de Gezalfde” betekent.
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
οὗτος
(houtos)
deze
πρῶτον
(proton)
eerst
τὸν
(ton)
de
ἀδελφὸν
(adelphon)
broer
τὸν
(ton)
de
ἴδιον
(idion)
eigen
Σίμωνα
(Simona)
Simon
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
Εὑρήκαμεν
(Heurekamen)
wij hebben gevonden
τὸν
(ton)
de
Μεσσίαν
(Messian)
Messias
ὅ
(ho)
wat
ἐστιν
(estin)
is
μεθερμηνευόμενον
(methermeneuomenon)
vertaald
χριστός
(christos)
Gezalfde
Bron: SBLGNT
Uitleg

Μεσσίας (Messias) is de Griekse schrijfwijze van het Aramese woord voor ‘gezalfde’ (Hebreeuws מָשִׁיחַ, mashiach).

De evangelist vertaalt het zelf met χριστός (christos).

Omdat wij dat elders met ‘Messias’ weergeven, staat hier ‘de Gezalfde’.

42Hij bracht hem naar Yeshua. Yeshua keek hem aan en zei: „Jij bent Simon, de zoon van Johannes. Jij zult Kefas heten.” Dat wordt vertaald: Petrus.
ἤγαγεν
(egagen)
bracht
αὐτὸν
(auton)
hem
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἐμβλέψας
(emblepsas)
kijkend naar
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Σὺ
(Sy)
jij
εἶ
(ei)
bent
Σίμων
(Simon)
Simon
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
σὺ
(sy)
jij
κληθήσῃ
(klethese)
zult heten
Κηφᾶς
(Kephas)
Kefas
ὃ
(ho)
wat
ἑρμηνεύεται
(hermeneuetai)
wordt vertaald
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Bron: SBLGNT
Uitleg

Κηφᾶς (Kephas) is Aramees, kepha, ‘rots’; Πέτρος (Petros) is het Griekse woord voor ‘rots, steen’.

Zie ook Matt. 16:18.

De vader van Simon heet hier Johannes; Matt. 16:17 heeft ‘Simon Bar-Jona’ (‘zoon van Jona’).

Filippus en Nathanaël

43De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken. Hij vond Filippus. Yeshua zei tegen hem: „Volg Mij.”
Τῇ
(Te)
op de
ἐπαύριον
(epaurion)
volgende dag
ἠθέλησεν
(ethelesen)
wilde Hij
ἐξελθεῖν
(exelthein)
vertrekken
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Γαλιλαίαν
(Galilaian)
Galilea
καὶ
(kai)
en
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
Φίλιππον
(Philippon)
Filippus
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἀκολούθει
(Akolouthei)
volg
μοι
(moi)
Mij
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

44Filippus was uit Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus.
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
ἀπὸ
(apo)
van
Βηθσαϊδά
(Bethsaida)
Betsaïda
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
Ἀνδρέου
(Andreou)
van Andreas
καὶ
(kai)
en
Πέτρου
(Petrou)
van Petrus
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan.

Ook el-Araj is voorgesteld.

45Filippus vond Nathanaël en zei tegen hem: „Wij hebben Hem gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft. Ook de profeten hebben over Hem geschreven: Yeshua, de zoon van Jozef, uit Nazaret.”
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
τὸν
(ton)
de
Ναθαναὴλ
(Nathanael)
Nathanaël
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
Ὃν
(Hon)
wie
ἔγραψεν
(egrapsen)
schreef
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
νόμῳ
(nomo)
wet
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
προφῆται
(prophetai)
profeten
εὑρήκαμεν
(heurekamen)
wij hebben gevonden
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
υἱὸν
(huion)
zoon
τοῦ
(tou)
van de
Ἰωσὴφ
(Ioseph)
Jozef
τὸν
(ton)
die
ἀπὸ
(apo)
van
Ναζαρέτ
(Nazaret)
Nazaret
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.

Uitleg

‘De wet’ en ‘de profeten’ zijn de Schrift: de boeken van Mozes en de profetische boeken.

46Nathanaël zei tegen hem: „Kan uit Nazaret iets goeds komen?” Filippus zei tegen hem: „Kom en zie.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
hem
Ναθαναήλ
(Nathanael)
Nathanaël
Ἐκ
(Ek)
uit
Ναζαρὲτ
(Nazaret)
Nazaret
δύναταί
(dynatai)
kan
τι
(ti)
iets
ἀγαθὸν
(agathon)
goeds
εἶναι
(einai)
zijn
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
Ἔρχου
(Erchou)
kom
καὶ
(kai)
en
ἴδε
(ide)
zie
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.

47Yeshua zag Nathanaël naar Zich toe komen en zei over hem: „Zie, een echte Israëliet, in wie geen bedrog is.”
εἶδεν
(eiden)
zag
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τὸν
(ton)
de
Ναθαναὴλ
(Nathanael)
Nathanaël
ἐρχόμενον
(erchomenon)
komend
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
hem
Ἴδε
(Ide)
zie
ἀληθῶς
(alethos)
waarlijk
Ἰσραηλίτης
(Israelites)
Israëliet
ἐν
(en)
in
ᾧ
(ho)
wie
δόλος
(dolos)
bedrog
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

δόλος (dolos), ‘bedrog’: vergelijk Ps. 32:2, ‘in wiens geest geen bedrog is’.

Zie ookPs 32:2
48Nathanaël zei tegen Hem: „Hoe kent U mij?” Yeshua antwoordde en zei tegen hem: „Voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom was, zag Ik je.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ναθαναήλ
(Nathanael)
Nathanaël
Πόθεν
(Pothen)
vanwaar
με
(me)
mij
γινώσκεις
(ginoskeis)
ken U
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
hem
Πρὸ
(Pro)
voor
τοῦ
(tou)
het
σε
(se)
jou
Φίλιππον
(Philippon)
Filippus
φωνῆσαι
(phonesai)
roepen
ὄντα
(onta)
zijnde
ὑπὸ
(hypo)
onder
τὴν
(ten)
de
συκῆν
(syken)
vijgenboom
εἶδόν
(eidon)
zag Ik
σε
(se)
jou
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt niet wat Nathanaël onder de vijgenboom deed.

49Nathanaël antwoordde Hem: „Rabbi, U bent de Zoon van Elohim, U bent de koning van Israël.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ναθαναήλ
(Nathanael)
Nathanaël
Ῥαββί
(Rhabbi)
Rabbi
σὺ
(sy)
U
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
σὺ
(sy)
U
βασιλεὺς
(basileus)
koning
εἶ
(ei)
bent
τοῦ
(tou)
van de
Ἰσραήλ
(Israel)
Israël
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Zoon van Elohim’ en ‘koning van Israël’ staan samen in Ps. 2:6–7: de koning die Elohim instelt, is Zijn zoon.

Zie ookPs 2:6–7
50Yeshua antwoordde en zei tegen hem: „Geloof je omdat Ik je zei dat Ik je onder de vijgenboom zag? Je zult grotere dingen zien dan deze.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
hem
Ὅτι
(Hoti)
omdat
εἶπόν
(eipon)
zei Ik
σοι
(soi)
je
ὅτι
(hoti)
dat
εἶδόν
(eidon)
zag Ik
σε
(se)
je
ὑποκάτω
(hypokato)
onder
τῆς
(tes)
de
συκῆς
(sykes)
vijgenboom
πιστεύεις
(pisteueis)
geloof je
μείζω
(meizo)
groter
τούτων
(touton)
dan deze
ὄψῃ
(opse)
zul je zien
Bron: SBLGNT
51Hij zei tegen hem: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: jullie zullen de hemel geopend zien en de engelen van Elohim opstijgen en neerdalen op de Mensenzoon.”
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
zeg Ik
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὄψεσθε
(opsesthe)
jullie zullen zien
τὸν
(ton)
de
οὐρανὸν
(ouranon)
hemel
ἀνεῳγότα
(aneogota)
geopend
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἀγγέλους
(angelous)
engelen
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἀναβαίνοντας
(anabainontas)
opstijgend
καὶ
(kai)
en
καταβαίνοντας
(katabainontas)
neerdalend
ἐπὶ
(epi)
op
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀμὴν ἀμήν (amen amen), ‘voorwaar, voorwaar’: Johannes herhaalt het woord steeds. ὑμῖν (hymin), ‘jullie’, staat in het meervoud, hoewel Yeshua tot Nathanaël spreekt.

ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (ho huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: Yeshua noemt Zichzelf zo. De naam komt uit Dan. 7:13, ‘iemand als een mensenzoon’ (Aramees בַּר אֱנָשׁ, bar enash). De engelen die opstijgen en neerdalen, doen denken aan de droom van Jakob in Gen. 28:12.