De zending van de 72, de barmhartige Samaritaan en Marta en Maria
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yeshua zendt 72 anderen uit
1Hierna stelde de Heer nog 72 anderen aan. Hij zond hen twee aan twee voor Zich uit, naar elke stad en plaats waar Hij zelf heen zou gaan.
Μετὰ
(Meta)
na
δὲ
(de)
maar
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ἀνέδειξεν
(anedeixen)
wees aan
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
καὶ
(kai)
en
ἑτέρους
(heterous)
anderen
ἑβδομήκοντα
(hebdomekonta)
zeventig
δύο
(dyo)
twee
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἀνὰ
(ana)
telkens
δύο
(dyo)
twee
δύο
(dyo)
twee
πρὸ
(pro)
voor
προσώπου
(prosopou)
aangezicht
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἰς
(eis)
naar
πᾶσαν
(pasan)
elke
πόλιν
(polin)
stad
καὶ
(kai)
en
τόπον
(topon)
plaats
οὗ
(hou)
waar
ἤμελλεν
(emellen)
stond op het punt
αὐτὸς
(autos)
Hij zelf
ἔρχεσθαι
(erchesthai)
te gaan
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: zie 7:13. ἀνέδειξεν (anedeixen), ‘aanstellen’: iemand openlijk voor een taak aanwijzen.
De zending van de twaalf staat in Luc. 9:1–6.
Lezing
De handschriften zijn verdeeld: sommige hebben ‘70’, andere ‘72’.
2Hij zei tegen hen: „De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraag dus aan de Heer van de oogst of Hij arbeiders wil uitsturen naar Zijn oogst.
5In welk huis jullie ook binnengaan, zeg eerst: ‘Vrede voor dit huis.’
εἰς
(eis)
in
ἣν
(hen)
welk
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ook
εἰσέλθητε
(eiselthete)
jullie binnengaan
οἰκίαν
(oikian)
huis
πρῶτον
(proton)
eerst
λέγετε
(legete)
zeg
Εἰρήνη
(Eirene)
vrede
τῷ
(to)
aan het
οἴκῳ
(oiko)
huis
τούτῳ
(touto)
dit
Bron: SBLGNT
6Als daar een zoon van vrede is, zal jullie vrede op hem rusten. Zo niet, dan keert die naar jullie terug.
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ᾖ
(e)
is
ἐκεῖ
(ekei)
daar
υἱὸς
(huios)
zoon
εἰρήνης
(eirenes)
van vrede
ἐπαναπαήσεται
(epanapaesetai)
zal rusten
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτὸν
(auton)
hem
ἡ
(he)
de
εἰρήνη
(eirene)
vrede
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
μήγε
(mege)
zo niet
ἐφ’
(eph’)
op
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἀνακάμψει
(anakampsei)
zal terugkeren
Bron: SBLGNT
Uitleg
‘Een zoon van vrede’ (υἱὸς εἰρήνης, huios eirenes) is een Hebreeuwse manier van spreken voor iemand die de vrede aanneemt. εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: het Hebreeuwse שָׁלוֹם (shalom).
10Maar in welke stad jullie ook binnengaan en men ontvangt jullie niet: ga naar buiten, de straten van die stad op, en zeg:
εἰς
(eis)
in
ἣν
(hen)
welke
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ook
πόλιν
(polin)
stad
εἰσέλθητε
(eiselthete)
jullie binnengaan
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
δέχωνται
(dechontai)
zij ontvangen
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐξελθόντες
(exelthontes)
naar buiten gegaan
εἰς
(eis)
in
τὰς
(tas)
de
πλατείας
(plateias)
straten
αὐτῆς
(autes)
haar
εἴπατε
(eipate)
zeg
Bron: SBLGNT
11‘Ook het stof van jullie stad dat aan onze voeten is blijven kleven, vegen wij tegen jullie af. Maar weet dit: het koninkrijk van Elohim is nabij gekomen.’
Καὶ
(Kai)
en
τὸν
(ton)
het
κονιορτὸν
(koniorton)
stof
τὸν
(ton)
dat
κολληθέντα
(kollethenta)
gekleefd heeft
ἡμῖν
(hemin)
aan ons
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἰς
(eis)
aan
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
ἀπομασσόμεθα
(apomassometha)
wij vegen af
ὑμῖν
(hymin)
tegen jullie
πλὴν
(plen)
maar
τοῦτο
(touto)
dit
γινώσκετε
(ginoskete)
weet
ὅτι
(hoti)
dat
ἤγγικεν
(engiken)
is nabij gekomen
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het stof van de voeten afvegen was een teken dat men niets met die plaats te maken wilde hebben. ἀπομάσσω (apomasso), ‘afvegen’.
13Wee je, Chorazin! Wee je, Betsaïda! Want als in Tyrus en Sidon de krachten gebeurd waren die onder jullie gebeurd zijn, dan hadden zij zich allang bekeerd, zittend in rouwkleed en as.
Οὐαί
(Ouai)
wee
σοι
(soi)
je
Χοραζίν
(Chorazin)
Chorazin
οὐαί
(ouai)
wee
σοι
(soi)
je
Βηθσαϊδά
(Bethsaida)
Betsaïda
ὅτι
(hoti)
want
εἰ
(ei)
als
ἐν
(en)
in
Τύρῳ
(Tyro)
Tyrus
καὶ
(kai)
en
Σιδῶνι
(Sidoni)
Sidon
ἐγενήθησαν
(egenethesan)
gebeurden
αἱ
(hai)
de
δυνάμεις
(dynameis)
krachten
αἱ
(hai)
die
γενόμεναι
(genomenai)
gebeurd zijn
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
πάλαι
(palai)
allang
ἂν
(an)
zou
ἐν
(en)
in
σάκκῳ
(sakko)
rouwkleed
καὶ
(kai)
en
σποδῷ
(spodo)
as
καθήμενοι
(kathemenoi)
zittend
μετενόησαν
(metenoesan)
zij bekeerden zich
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Chorazin: Chorazin (Khirbet Karazeh) lag in het noorden van het meer van Galilea, ten noorden van Kapernaüm.
De ligging is waarschijnlijk.
Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan.
Ook el-Araj is voorgesteld.
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Uitleg
Χοραζίν (Chorazin) en Βηθσαϊδά (Betsaïda) lagen bij het meer van Galilea. σάκκος (sakkos), ‘rouwkleed’: grove stof die men uit rouw of boete droeg, samen met as; vergelijk Jona 3:5.
Tyrus en Sidon waren steden buiten Israël aan de kust; zie ook Jes. 23.
14Maar voor Tyrus en Sidon zal het in het oordeel draaglijker zijn dan voor jullie.
πλὴν
(plen)
maar
Τύρῳ
(Tyro)
voor Tyrus
καὶ
(kai)
en
Σιδῶνι
(Sidoni)
Sidon
ἀνεκτότερον
(anektoteron)
draaglijker
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
κρίσει
(krisei)
oordeel
ἢ
(e)
dan
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
15En jij, Kapernaüm, zul je tot de hemel verhoogd worden? Tot in het dodenrijk zul je neergebracht worden!
καὶ
(kai)
en
σύ
(sy)
jij
Καφαρναούμ
(Kapharnaoum)
Kapernaüm
μὴ
(me)
toch niet
ἕως
(heos)
tot
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ὑψωθήσῃ
(hypsothese)
zul je verhoogd worden
ἕως
(heos)
tot
τοῦ
(tou)
het
ᾅδου
(hadou)
dodenrijk
καταβιβασθήσῃ
(katabibasthese)
zul je neergebracht worden
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.
Uitleg
Dit lijkt op Jes. 14:13–15, waar de koning van Babel naar de hemel wil opstijgen maar naar Sjeol wordt neergebracht. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’. ᾅδης (hades), ‘dodenrijk’: het Hebreeuwse שְׁאוֹל (Sjeol).
19Zie, Ik heb jullie het gezag gegeven om op slangen en schorpioenen te trappen, en over heel de kracht van de vijand. En niets zal jullie ooit schaden.
20Maar verheug jullie er niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen. Verheug jullie er liever over dat jullie namen in de hemelen zijn opgeschreven.”
πλὴν
(plen)
maar
ἐν
(en)
in
τούτῳ
(touto)
dit
μὴ
(me)
niet
χαίρετε
(chairete)
verheug jullie
ὅτι
(hoti)
dat
τὰ
(ta)
de
πνεύματα
(pneumata)
geesten
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὑποτάσσεται
(hypotassetai)
zich onderwerpen
χαίρετε
(chairete)
verheug jullie
δὲ
(de)
liever
ὅτι
(hoti)
dat
τὰ
(ta)
de
ὀνόματα
(onomata)
namen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐγγέγραπται
(engegraptai)
zijn opgeschreven
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
Bron: SBLGNT
Uitleg
‘Opgeschreven in de hemelen’ doet denken aan het boek dat Elohim bijhoudt: zie Exod. 32:32–33 en Ps. 69:29 (‘het boek van het leven’).
21Op datzelfde uur jubelde Hij in de Heilige Geest en zei: „Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en de aarde. Want U hebt deze dingen verborgen voor wijzen en verstandigen, en U hebt ze onthuld aan kleine kinderen. Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen.
Ἐν
(En)
in
αὐτῇ
(aute)
datzelfde
τῇ
(te)
het
ὥρᾳ
(hora)
uur
ἠγαλλιάσατο
(egalliasato)
jubelde
τῷ
(to)
in de
πνεύματι
(pneumati)
Geest
τῷ
(to)
de
ἁγίῳ
(hagio)
Heilige
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐξομολογοῦμαί
(Exomologoumai)
Ik prijs
σοι
(soi)
U
πάτερ
(pater)
Vader
κύριε
(kyrie)
Heer
τοῦ
(tou)
van de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
καὶ
(kai)
en
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
ὅτι
(hoti)
want
ἀπέκρυψας
(apekrypsas)
U verborg
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ἀπὸ
(apo)
voor
σοφῶν
(sophon)
wijzen
καὶ
(kai)
en
συνετῶν
(syneton)
verstandigen
καὶ
(kai)
en
ἀπεκάλυψας
(apekalypsas)
U onthulde
αὐτὰ
(auta)
die
νηπίοις
(nepiois)
aan kleine kinderen
ναί
(nai)
ja
ὁ
(ho)
de
πατήρ
(pater)
Vader
ὅτι
(hoti)
want
οὕτως
(houtos)
zo
εὐδοκία
(eudokia)
welbehagen
ἐγένετο
(egeneto)
werd
ἔμπροσθέν
(emprosthen)
voor
σου
(sou)
U
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀγαλλιάομαι (agalliaomai), ‘jubelen’: hetzelfde woord als in Matt. 5:12. ἐξομολογοῦμαι (exomologoumai), ‘Ik prijs U’: ook ‘Ik belijd U openlijk’. κύριε (kyrie), ‘Heer’: een aanspreking van de Vader, geen citaat uit het Oude Testament. νήπιοι (nepioi), ‘kleine kinderen’: kinderen die nog niet kunnen redeneren.
22Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader. Niemand weet wie de Zoon is, behalve de Vader, en wie de Vader is, behalve de Zoon en degene aan wie de Zoon het wil onthullen.”
πάντα
(panta)
alles
μοι
(moi)
aan Mij
παρεδόθη
(paredothe)
is overgegeven
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
de
πατρός
(patros)
Vader
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
γινώσκει
(ginoskei)
weet
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
εἰ
(ei)
behalve
μὴ
(me)
als niet
ὁ
(ho)
de
πατήρ
(pater)
Vader
καὶ
(kai)
en
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
Vader
εἰ
(ei)
behalve
μὴ
(me)
als niet
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
καὶ
(kai)
en
ᾧ
(ho)
aan wie
ἐὰν
(ean)
indien
βούληται
(bouletai)
wil
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
ἀποκαλύψαι
(apokalypsai)
onthullen
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft bij ‘wil onthullen’ geen voorwerp; wij vertalen ‘het’.
24Want Ik zeg jullie dat veel profeten en koningen wilden zien wat jullie zien, maar zagen het niet. Zij wilden horen wat jullie horen, maar hoorden het niet.”
λέγω
(lego)
Ik zeg
γὰρ
(gar)
want
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὅτι
(hoti)
dat
πολλοὶ
(polloi)
velen
προφῆται
(prophetai)
profeten
καὶ
(kai)
en
βασιλεῖς
(basileis)
koningen
ἠθέλησαν
(ethelesan)
wilden
ἰδεῖν
(idein)
te zien
ἃ
(ha)
wat
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
βλέπετε
(blepete)
zien
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
εἶδαν
(eidan)
zagen zij
καὶ
(kai)
en
ἀκοῦσαι
(akousai)
te horen
ἃ
(ha)
wat
ἀκούετε
(akouete)
jullie horen
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἤκουσαν
(ekousan)
hoorden zij
Bron: SBLGNT
Eeuwig leven en het gebod van liefde
25En zie: een wetgeleerde stond op om Hem op de proef te stellen. Hij zei: „Leraar, wat moet ik doen om eeuwig leven te erven?”
Καὶ
(Kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
νομικός
(nomikos)
wetgeleerde
τις
(tis)
een
ἀνέστη
(aneste)
stond op
ἐκπειράζων
(ekpeirazon)
op de proef stellend
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγων
(legon)
zeggend
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
τί
(ti)
wat
ποιήσας
(poiesas)
doende
ζωὴν
(zoen)
leven
αἰώνιον
(aionion)
eeuwig
κληρονομήσω
(kleronomeso)
zal ik erven
Bron: SBLGNT
Uitleg
νομικός (nomikos), ‘wetgeleerde’: iemand die de wet van Mozes kent en uitlegt; zie Matt. 22:35. κληρονομέω (kleronomeo), ‘erven’: zie Mark. 10:17.
26Hij zei tegen hem: „Wat staat er in de wet geschreven? Hoe lees je?”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτόν
(auton)
hem
Ἐν
(En)
in
τῷ
(to)
de
νόμῳ
(nomo)
wet
τί
(ti)
wat
γέγραπται
(gegraptai)
staat geschreven
πῶς
(pos)
hoe
ἀναγινώσκεις
(anaginoskeis)
lees je
Bron: SBLGNT
27Die antwoordde: „Je moet Yahweh, je Elohim, liefhebben met heel je hart, met heel je ziel, met heel je kracht en met heel je verstand, en je naaste als jezelf.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἀγαπήσεις
(Agapeseis)
je zult liefhebben
κύριον
(kyrion)
Yahweh
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
σου
(sou)
je
ἐξ
(ex)
uit
ὅλης
(holes)
heel
τῆς
(tes)
het
καρδίας
(kardias)
hart
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
met
ὅλῃ
(hole)
heel
τῇ
(te)
de
ψυχῇ
(psyche)
ziel
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
met
ὅλῃ
(hole)
heel
τῇ
(te)
de
ἰσχύϊ
(ischui)
kracht
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
met
ὅλῃ
(hole)
heel
τῇ
(te)
het
διανοίᾳ
(dianoia)
verstand
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
πλησίον
(plesion)
naaste
σου
(sou)
je
ὡς
(hos)
als
σεαυτόν
(seauton)
jezelf
Bron: SBLGNT
Uitleg
Aanhaling van Deut. 6:5 en Lev. 19:18. κύριος (kyrios) vertalen wij als ‘Yahweh’, zoals in Deut. 6:5.
Het Hebreeuws van Deut. 6:5 noemt hart, ziel en kracht; de Griekse tekst heeft er ook διάνοια (dianoia), ‘verstand’, bij.
29Maar die wilde zichzelf rechtvaardigen en zei tegen Yeshua: „En wie is mijn naaste?”
Ὁ
(Ho)
de
δὲ
(de)
maar
θέλων
(thelon)
willend
δικαιῶσαι
(dikaiosai)
rechtvaardigen
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
Καὶ
(Kai)
en
τίς
(tis)
wie
ἐστίν
(estin)
is
μου
(mou)
mijn
πλησίον
(plesion)
naaste
Bron: SBLGNT
30Yeshua nam het woord en zei: „Een man ging van Jeruzalem naar Jericho af en viel in handen van rovers. Zij kleedden hem uit en brachten hem slagen toe, gingen weg en lieten hem halfdood achter.
ὑπολαβὼν
(hypolabon)
nam het woord
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἄνθρωπός
(Anthropos)
mens
τις
(tis)
een
κατέβαινεν
(katebainen)
ging af
ἀπὸ
(apo)
van
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
εἰς
(eis)
naar
Ἰεριχὼ
(Iericho)
Jericho
καὶ
(kai)
en
λῃσταῖς
(lestais)
in rovers
περιέπεσεν
(periepesen)
viel
οἳ
(hoi)
die
καὶ
(kai)
ook
ἐκδύσαντες
(ekdysantes)
uitgekleed hebbend
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
πληγὰς
(plegas)
slagen
ἐπιθέντες
(epithentes)
toegebracht hebbend
ἀπῆλθον
(apelthon)
gingen weg
ἀφέντες
(aphentes)
achterlatend
ἡμιθανῆ
(hemithane)
halfdood
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.
Uitleg
Deze gelijkenis staat alleen bij Lucas.
De weg van Jeruzalem naar Jericho is ongeveer 27 kilometer lang en daalt ongeveer 1000 meter; het was een eenzame weg door rotsachtig gebied. λῃσταί (lestai), ‘rovers’.
31Toevallig kwam een priester dezelfde weg af. Toen hij hem zag, liep hij aan de overkant voorbij.
κατὰ
(kata)
bij
συγκυρίαν
(synkyrian)
toeval
δὲ
(de)
maar
ἱερεύς
(hiereus)
priester
τις
(tis)
een
κατέβαινεν
(katebainen)
ging af
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἀντιπαρῆλθεν
(antiparelthen)
liep aan de overkant voorbij
Bron: SBLGNT
Uitleg
Een Leviet is een man uit de stam van Levi.
Priesters en Levieten dienden in de tempel.
32Evenzo kwam ook een Leviet bij die plaats, zag hem en liep aan de overkant voorbij.
ὁμοίως
(homoios)
evenzo
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
Λευίτης
(Leuites)
Leviet
κατὰ
(kata)
bij
τὸν
(ton)
de
τόπον
(topon)
plaats
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziend
ἀντιπαρῆλθεν
(antiparelthen)
liep aan de overkant voorbij
Bron: SBLGNT
33Maar een Samaritaan op reis kwam bij hem, en toen hij hem zag, kreeg hij medelijden.
Σαμαρίτης
(Samarites)
Samaritaan
δέ
(de)
maar
τις
(tis)
een
ὁδεύων
(hodeuon)
reizend
ἦλθεν
(elthen)
kwam
κατ’
(kat’)
bij
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziend
ἐσπλαγχνίσθη
(esplanchnisthe)
kreeg medelijden
Bron: SBLGNT
Uitleg
Σαμαρίτης (Samarites), ‘Samaritaan’: een inwoner van Samaria.
Joden en Samaritanen hadden een gespannen verhouding; zie Joh. 4:9. σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden krijgen’: zie Matt. 9:36.
34Hij ging naar hem toe en verbond zijn wonden, waarbij hij er olie en wijn op goot. Hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.
καὶ
(kai)
en
προσελθὼν
(proselthon)
naar toe gegaan
κατέδησεν
(katedesen)
verbond
τὰ
(ta)
de
τραύματα
(traumata)
wonden
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐπιχέων
(epicheon)
gietend
ἔλαιον
(elaion)
olie
καὶ
(kai)
en
οἶνον
(oinon)
wijn
ἐπιβιβάσας
(epibibasas)
gezet hebbend
δὲ
(de)
maar
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐπὶ
(epi)
op
τὸ
(to)
het
ἴδιον
(idion)
eigen
κτῆνος
(ktenos)
rijdier
ἤγαγεν
(egagen)
bracht
αὐτὸν
(auton)
hem
εἰς
(eis)
naar
πανδοχεῖον
(pandocheion)
herberg
καὶ
(kai)
en
ἐπεμελήθη
(epemelethe)
zorgde voor
αὐτοῦ
(autou)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
κτῆνος (ktenos), ‘rijdier’: een dier om op te rijden of te dragen, zoals een ezel. πανδοχεῖον (pandocheion), ‘herberg’: een plaats langs de weg waar reizigers overnachten.
35De volgende dag haalde hij 2 denarie tevoorschijn, gaf ze aan de herbergier en zei: ‘Zorg voor hem. Wat je er meer aan uitgeeft, betaal ik je terug wanneer ik terugkom.’
καὶ
(kai)
en
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
αὔριον
(aurion)
volgende dag
ἐκβαλὼν
(ekbalon)
tevoorschijn gehaald hebbend
δύο
(dyo)
twee
δηνάρια
(denaria)
denarie
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
τῷ
(to)
aan de
πανδοχεῖ
(pandochei)
herbergier
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐπιμελήθητι
(Epimeletheti)
zorg voor
αὐτοῦ
(autou)
hem
καὶ
(kai)
en
ὅ
(ho)
wat
τι
(ti)
ook
ἂν
(an)
(ooit)
προσδαπανήσῃς
(prosdapaneses)
je erbij uitgeeft
ἐγὼ
(ego)
ik
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
ἐπανέρχεσθαί
(epanerchesthai)
terugkomen
με
(me)
mijn
ἀποδώσω
(apodoso)
zal ik terugbetalen
σοι
(soi)
aan je
Bron: SBLGNT
Uitleg
δηνάριον (denarion), ‘denarie’: een Romeinse zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 2 denarie is dus ongeveer het loon voor twee dagen. πανδοχεύς (pandocheus), ‘herbergier’.
36Wie van deze drie lijkt jou de naaste te zijn geworden van degene die in handen van de rovers viel?”
τίς
(tis)
wie
τούτων
(touton)
van deze
τῶν
(ton)
de
τριῶν
(trion)
drie
πλησίον
(plesion)
naaste
δοκεῖ
(dokei)
lijkt
σοι
(soi)
jou
γεγονέναι
(gegonenai)
geworden te zijn
τοῦ
(tou)
van degene die
ἐμπεσόντος
(empesontos)
in gevallen was
εἰς
(eis)
naar
τοὺς
(tous)
de
λῃστάς
(lestas)
rovers
Bron: SBLGNT
37Die zei: „Degene die barmhartigheid aan hem bewees.” Yeshua zei tegen hem: „Ga heen en doe jij ook zo.”
39Zij had een zus die Maria heette. Die ging ook aan de voeten van Yeshua zitten en luisterde naar Zijn woord.
καὶ
(kai)
en
τῇδε
(tede)
aan deze
ἦν
(en)
was
ἀδελφὴ
(adelphe)
zus
καλουμένη
(kaloumene)
genaamd
Μαριάμ
(Mariam)
Maria
ἣ
(he)
die
καὶ
(kai)
ook
παρακαθεσθεῖσα
(parakathestheisa)
zich neergezet hebbend
πρὸς
(pros)
bij
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἤκουεν
(ekouen)
luisterde
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
40Marta werd helemaal in beslag genomen door het vele dienen. Zij kwam voor Hem staan en zei: „Heer, kan het U niet schelen dat mijn zus mij alleen laat dienen? Zeg haar dan dat zij mij helpt.”
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
Μάρθα
(Martha)
Marta
περιεσπᾶτο
(periespato)
was in beslag genomen
περὶ
(peri)
door
πολλὴν
(pollen)
veel
διακονίαν
(diakonian)
dienst
ἐπιστᾶσα
(epistasa)
erbij gekomen
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Κύριε
(Kyrie)
Heer
οὐ
(ou)
niet
μέλει
(melei)
het is een zorg
σοι
(soi)
voor U
ὅτι
(hoti)
dat
ἡ
(he)
de
ἀδελφή
(adelphe)
zus
μου
(mou)
mijn
μόνην
(monen)
alleen
με
(me)
mij
κατέλειπεν
(kateleipen)
liet achter
διακονεῖν
(diakonein)
om te dienen
εἰπὲ
(eipe)
zeg
οὖν
(oun)
dus
αὐτῇ
(aute)
aan haar
ἵνα
(hina)
opdat
μοι
(moi)
mij
συναντιλάβηται
(synantilabetai)
zij helpt
Bron: SBLGNT
Uitleg
διακονέω (diakoneo), ‘dienen’, en διακονία (diakonia), ‘dienst’: Marta zorgt voor de gasten.