Elohim Bijbel

Johannes 7

123456789101112131415161718192021

Het feest van de hutten, het levende water en de verdeeldheid over Yeshua

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua en Zijn broers

1Hierna trok Yeshua rond in Galilea. Want Hij wilde niet in Judea rondtrekken, omdat de Joden Hem probeerden te doden.
Καὶ
(Kai)
en
μετὰ
(meta)
na
ταῦτα
(tauta)
dit
περιεπάτει
(periepatei)
trok rond
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
Γαλιλαίᾳ
(Galilaia)
Galilea
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἤθελεν
(ethelen)
wilde Hij
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
Ἰουδαίᾳ
(Ioudaia)
Judea
περιπατεῖν
(peripatein)
rondtrekken
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐζήτουν
(ezetoun)
probeerden
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.

Het komt overeen met het oude Juda.

Uitleg

Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: in Johannes zijn dit vaak de leiders in Judea en Jeruzalem die tegenover Yeshua staan, niet het hele volk (vergelijk 7:13 en 7:15).

Yeshua en Zijn leerlingen zijn zelf ook Joden.

ζητέω (zeteo), ‘zoeken’: met een werkwoord erachter (‘Hem doden’, ‘Hem grijpen’) vertalen wij het als ‘proberen’; zonder werkwoord als ‘zoeken’ (7:11, 7:34).

2Het feest van de Joden, het feest van de hutten, was dichtbij.
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
ἐγγὺς
(engys)
dichtbij
ἡ
(he)
het
ἑορτὴ
(heorte)
feest
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ἡ
(he)
het
σκηνοπηγία
(skenopegia)
feest van de hutten
Bron: SBLGNT
Uitleg

σκηνοπηγία (skenopegia), ‘feest van de hutten’: zeven dagen lang woonde het volk in hutten (Lev. 23:34–43; Deut. 16:13–15).

Het Hebreeuwse woord is סֻכּוֹת (sukkot).

3Zijn broers zeiden dus tegen Hem: „Vertrek van hier en ga naar Judea, zodat ook Uw leerlingen de werken zien die U doet.
εἶπον
(eipon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Μετάβηθι
(Metabethi)
vertrek
ἐντεῦθεν
(enteuthen)
vanhier
καὶ
(kai)
en
ὕπαγε
(hypage)
ga
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Ἰουδαίαν
(Ioudaian)
Judea
ἵνα
(hina)
opdat
καὶ
(kai)
ook
οἱ
(hoi)
de
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
σου
(sou)
Uw
θεωρήσουσιν
(theoresousin)
zullen zien
σοῦ
(sou)
van U
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
werken
ἃ
(ha)
die
ποιεῖς
(poieis)
U doet
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.

Het komt overeen met het oude Juda.

Uitleg

‘Zijn broers’ zijn de broers van Yeshua; zie ook Matt. 13:55 en Mark. 6:3.

4Want niemand doet iets in het verborgen en wil zelf openlijk bekend zijn. Als U deze dingen doet, openbaar U aan de wereld.”
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
γάρ
(gar)
want
τι
(ti)
iets
ἐν
(en)
in
κρυπτῷ
(krypto)
verborgen
ποιεῖ
(poiei)
doet
καὶ
(kai)
en
ζητεῖ
(zetei)
zoekt
αὐτὸς
(autos)
zelf
ἐν
(en)
in
παρρησίᾳ
(parresia)
openlijkheid
εἶναι
(einai)
te zijn
εἰ
(ei)
als
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ποιεῖς
(poieis)
U doet
φανέρωσον
(phaneroson)
openbaar
σεαυτὸν
(seauton)
Uzelf
τῷ
(to)
aan de
κόσμῳ
(kosmo)
wereld
Bron: SBLGNT
Uitleg

παρρησία (parresia), ‘openlijkheid’: wij vertalen het als ‘openlijk’ (ook 7:13 en 7:26). φανερόω (phaneroo), ‘openbaren’: zie ook 9:3.

5Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.
οὐδὲ
(oude)
ook niet
γὰρ
(gar)
want
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐπίστευον
(episteuon)
geloofden
εἰς
(eis)
in
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
6Yeshua zei dus tegen hen: „Mijn tijd is er nog niet, maar jullie tijd is altijd klaar.
λέγει
(legei)
zegt
οὖν
(oun)
dus
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ὁ
(Ho)
de
καιρὸς
(kairos)
tijd
ὁ
(ho)
de
ἐμὸς
(emos)
Mijn
οὔπω
(oupo)
nog niet
πάρεστιν
(parestin)
is er
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
καιρὸς
(kairos)
tijd
ὁ
(ho)
de
ὑμέτερος
(hymeteros)
jullie
πάντοτέ
(pantote)
altijd
ἐστιν
(estin)
is
ἕτοιμος
(hetoimos)
klaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

καιρός (kairos), ‘tijd’, het juiste moment.

In 7:30 en 8:20 staat een ander woord, ὥρα (hora), ‘uur’.

7De wereld kan jullie niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik over haar getuig dat haar werken slecht zijn.
οὐ
(ou)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
ὁ
(ho)
de
κόσμος
(kosmos)
wereld
μισεῖν
(misein)
haten
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐμὲ
(eme)
Mij
δὲ
(de)
maar
μισεῖ
(misei)
haat zij
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐγὼ
(ego)
Ik
μαρτυρῶ
(martyro)
getuig
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
haar
ὅτι
(hoti)
dat
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
werken
αὐτοῦ
(autou)
haar
πονηρά
(ponera)
slecht
ἐστιν
(estin)
zijn
Bron: SBLGNT
8Ga jullie zelf op naar het feest. Ik ga niet op naar dit feest, want Mijn tijd is nog niet vervuld.”
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ἀνάβητε
(anabete)
gaat op
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
ἑορτήν
(heorten)
feest
ἐγὼ
(ego)
Ik
οὐκ
(ouk)
niet
ἀναβαίνω
(anabaino)
ga op
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
ἑορτὴν
(heorten)
feest
ταύτην
(tauten)
dit
ὅτι
(hoti)
omdat
ὁ
(ho)
de
ἐμὸς
(emos)
Mijn
καιρὸς
(kairos)
tijd
οὔπω
(oupo)
nog niet
πεπλήρωται
(peplerotai)
is vervuld
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀναβαίνω (anabaino), ‘opgaan’: Jeruzalem ligt hoog, men ‘ging op’ naar het feest.

In vers 10 gaat Yeshua zelf toch op.

Lezing

Sommige handschriften hebben ‘Ik ga nog niet op’ (οὔπω, oupo) in plaats van ‘Ik ga niet op’ (οὐκ, ouk).

Wij volgen de SBLGNT: ‘niet’.

Zie ookJoh 7:10
9Nadat Hij dit gezegd had, bleef Hij in Galilea.
ταῦτα
(tauta)
dit
δὲ
(de)
maar
εἰπὼν
(eipon)
gezegd hebbend
αὐτὸς
(autos)
Hij zelf
ἔμεινεν
(emeinen)
bleef
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
Γαλιλαίᾳ
(Galilaia)
Galilea
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Yeshua gaat in het verborgen naar het feest op

10Toen Zijn broers naar het feest waren opgegaan, ging daarna ook Hij zelf op, niet in het openbaar maar als in het verborgen.
Ὡς
(Hos)
toen
δὲ
(de)
maar
ἀνέβησαν
(anebesan)
gingen op
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
ἑορτήν
(heorten)
feest
τότε
(tote)
daarna
καὶ
(kai)
ook
αὐτὸς
(autos)
Hij zelf
ἀνέβη
(anebe)
ging op
οὐ
(ou)
niet
φανερῶς
(phaneros)
in het openbaar
ἀλλὰ
(alla)
maar
ὡς
(hos)
als
ἐν
(en)
in
κρυπτῷ
(krypto)
het verborgen
Bron: SBLGNT
11De Joden zochten Hem dus op het feest en zeiden: „Waar is Hij?”
οἱ
(hoi)
de
οὖν
(oun)
dus
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
ἐζήτουν
(ezetoun)
zochten
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
het
ἑορτῇ
(heorte)
feest
καὶ
(kai)
en
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Ποῦ
(Pou)
waar
ἐστιν
(estin)
is
ἐκεῖνος
(ekeinos)
Hij
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft ἐκεῖνος (ekeinos), ‘die’: de Joden noemen Yeshua niet bij naam.

Wij schrijven ‘Hij’, met hoofdletter, ook in de woorden van tegenstanders (zoals in Matteüs).

12Er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: „Hij is goed.” Anderen zeiden: „Nee, Hij misleidt de menigte.”
καὶ
(kai)
en
γογγυσμὸς
(gongysmos)
gemompel
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἦν
(en)
was
πολὺς
(polys)
veel
ἐν
(en)
onder
τοῖς
(tois)
de
ὄχλοις
(ochlois)
menigten
οἱ
(hoi)
sommigen
μὲν
(men)
enerzijds
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Ἀγαθός
(Agathos)
goed
ἐστιν
(estin)
is Hij
ἄλλοι
(alloi)
anderen
δὲ
(de)
maar
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Οὔ
(Ou)
nee
ἀλλὰ
(alla)
maar
πλανᾷ
(plana)
misleidt
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
Bron: SBLGNT
Uitleg

γογγυσμός (gongysmos), ‘gemompel’: zacht, heimelijk praten.

Het hoort bij γογγύζω (gongyzo), ‘mopperen’ in 6:41.

Hier gaat het niet om klagen maar om fluisterend praten; daarom schrijven wij hier en in vers 32 ‘gemompel’ en ‘mompelen’.

Zie ookJoh 7:32
13Niemand sprak echter openlijk over Hem, uit angst voor de Joden.
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
μέντοι
(mentoi)
echter
παρρησίᾳ
(parresia)
openlijk
ἐλάλει
(elalei)
sprak
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
de
φόβον
(phobon)
angst
τῶν
(ton)
voor de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
Bron: SBLGNT

Yeshua onderwijst in de tempel

14Toen het feest al halverwege was, ging Yeshua op naar de tempel en onderwees.
Ἤδη
(Ede)
al
δὲ
(de)
maar
τῆς
(tes)
van het
ἑορτῆς
(heortes)
feest
μεσούσης
(mesouses)
halverwege zijnde
ἀνέβη
(anebe)
ging op
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
ἱερὸν
(hieron)
tempel
καὶ
(kai)
en
ἐδίδασκεν
(edidasken)
onderwees
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἱερόν (hieron), ‘tempel’: heel het tempelterrein (zie Matt. 21:12).

Zie ookMat 21:12
15De Joden verwonderden zich dus en zeiden: „Hoe kent deze man de geschriften, terwijl Hij niet geleerd heeft?”
ἐθαύμαζον
(ethaumazon)
verwonderden zich
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Πῶς
(Pos)
hoe
οὗτος
(houtos)
deze
γράμματα
(grammata)
geschriften
οἶδεν
(oiden)
kent
μὴ
(me)
niet
μεμαθηκώς
(memathekos)
geleerd hebbend
Bron: SBLGNT
Uitleg

γράμματα (grammata), letterlijk ‘letters, geschriften’: kennis van de Schrift.

De Joden verwonderen zich dat iemand die niet bij een leraar geleerd heeft, zo onderwijst.

16Daarop antwoordde Yeshua hun en zei: „Mijn onderwijs is niet van Mij, maar van Hem die Mij gestuurd heeft.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
οὖν
(oun)
dus
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἡ
(He)
het
ἐμὴ
(eme)
Mijn
διδαχὴ
(didache)
onderwijs
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ἐμὴ
(eme)
van Mij
ἀλλὰ
(alla)
maar
τοῦ
(tou)
van Hem
πέμψαντός
(pempsantos)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
17Als iemand Zijn wil wil doen, zal hij weten of dit onderwijs uit Elohim is of dat Ik uit Mijzelf spreek.
ἐάν
(ean)
als
τις
(tis)
iemand
θέλῃ
(thele)
wil
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ποιεῖν
(poiein)
doen
γνώσεται
(gnosetai)
zal weten
περὶ
(peri)
over
τῆς
(tes)
het
διδαχῆς
(didaches)
onderwijs
πότερον
(poteron)
of
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐστιν
(estin)
het is
ἢ
(e)
of
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἀπ’
(ap’)
uit
ἐμαυτοῦ
(emautou)
Mijzelf
λαλῶ
(lalo)
spreek
Bron: SBLGNT
18Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen heerlijkheid. Maar wie de heerlijkheid zoekt van Hem die hem gestuurd heeft, die is waar, en er is geen onrecht in hem.
ὁ
(ho)
wie
ἀφ’
(aph’)
uit
ἑαυτοῦ
(heautou)
zichzelf
λαλῶν
(lalon)
spreekt
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
τὴν
(ten)
de
ἰδίαν
(idian)
eigen
ζητεῖ
(zetei)
zoekt
ὁ
(ho)
wie
δὲ
(de)
maar
ζητῶν
(zeton)
zoekt
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
τοῦ
(tou)
van Hem
πέμψαντος
(pempsantos)
die gestuurd heeft
αὐτὸν
(auton)
hem
οὗτος
(houtos)
die
ἀληθής
(alethes)
waar
ἐστιν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
ἀδικία
(adikia)
onrecht
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
hem
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: het kan ook ‘eer’ betekenen, zoals het Hebreeuwse כָּבוֹד (kavod).

Wij schrijven ‘eer’ in 5:41–44, 9:24 en 12:43, waar het gaat om waardering door mensen of om eer geven aan Elohim.

Overal elders, ook hier en in 8:50 en 8:54, schrijven wij ‘heerlijkheid’. ἀληθής (alethes), ‘waar’, is een ander woord dan ἀληθινός (alethinos), ‘waarachtig’, in vers 28.

Zie ookJoh 7:28

Het werk op sabbat

19Heeft Mozes jullie niet de wet gegeven? En niemand van jullie doet de wet. Waarom proberen jullie Mij te doden?”
Οὐ
(Ou)
niet
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
δέδωκεν
(dedoken)
heeft gegeven
ὑμῖν
(hymin)
jullie
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
καὶ
(kai)
en
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἐξ
(ex)
van
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ποιεῖ
(poiei)
doet
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
τί
(ti)
waarom
με
(me)
Mij
ζητεῖτε
(zeteite)
proberen jullie
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
Bron: SBLGNT
Uitleg

νόμος (nomos), ‘wet’: hier de wet van Mozes, het Hebreeuwse תּוֹרָה (torah).

De vraag ‘Waarom proberen jullie Mij te doden?’ gaat terug op 7:1 en 5:18.

20De menigte antwoordde: „U hebt een demon! Wie probeert U te doden?”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
Δαιμόνιον
(Daimonion)
demon
ἔχεις
(echeis)
U hebt
τίς
(tis)
wie
σε
(se)
U
ζητεῖ
(zetei)
probeert
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Een demon hebben’: bezeten zijn; hier een scheldwoord.

Zie ook 8:48 en 10:20.

21Yeshua antwoordde en zei tegen hen: „Eén werk heb Ik gedaan, en jullie verwonderen je allemaal.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἓν
(Hen)
een
ἔργον
(ergon)
werk
ἐποίησα
(epoiesa)
Ik deed
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
allen
θαυμάζετε
(thaumazete)
verwonderen jullie je
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Eén werk’: de genezing op sabbat in Jeruzalem; zie 5:1–9.

22Daarom heeft Mozes jullie de besnijdenis gegeven. Zij komt niet van Mozes, maar van de vaderen. En op sabbat besnijden jullie een mens.
διὰ
(dia)
daarom
τοῦτο
(touto)
dit
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
δέδωκεν
(dedoken)
heeft gegeven
ὑμῖν
(hymin)
jullie
τὴν
(ten)
de
περιτομήν
(peritomen)
besnijdenis
οὐχ
(ouch)
niet
ὅτι
(hoti)
dat
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
Μωϋσέως
(Moyseos)
Mozes
ἐστὶν
(estin)
is
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
πατέρων
(pateron)
vaderen
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
op
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
περιτέμνετε
(peritemnete)
besnijden jullie
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

De besnijdenis gaat terug op Abraham (Gen. 17:10–12) en staat in de wet van Mozes (Lev. 12:3): op de achtste dag.

23Als een mens op sabbat de besnijdenis ontvangt, zodat de wet van Mozes niet gebroken wordt, zijn jullie dan boos op Mij omdat Ik op sabbat een heel mens gezond gemaakt heb?
εἰ
(ei)
als
περιτομὴν
(peritomen)
besnijdenis
λαμβάνει
(lambanei)
ontvangt
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἐν
(en)
op
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
λυθῇ
(lythe)
wordt gebroken
ὁ
(ho)
de
νόμος
(nomos)
wet
Μωϋσέως
(Moyseos)
van Mozes
ἐμοὶ
(emoi)
op Mij
χολᾶτε
(cholate)
zijn jullie boos
ὅτι
(hoti)
omdat
ὅλον
(holon)
hele
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ὑγιῆ
(hygie)
gezond
ἐποίησα
(epoiesa)
Ik maakte
ἐν
(en)
op
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
Bron: SBLGNT
Uitleg

χολάω (cholao), ‘boos zijn’: een zeldzaam woord.

De zin begint in het Grieks met ‘Als’ en is lang; wij houden hem als één zin. ὅλον ἄνθρωπον ὑγιῆ (holon anthropon hygie), ‘een heel mens gezond’: een mens helemaal gezond.

24Oordeel niet naar het uiterlijk, maar oordeel met een rechtvaardig oordeel.”
μὴ
(me)
niet
κρίνετε
(krinete)
oordeelt
κατ’
(kat’)
naar
ὄψιν
(opsin)
uiterlijk
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὴν
(ten)
het
δικαίαν
(dikaian)
rechtvaardige
κρίσιν
(krisin)
oordeel
κρίνετε
(krinete)
oordeelt
Bron: SBLGNT
Uitleg

κρίνω (krino), ‘oordelen’; κρίσις (krisis), ‘oordeel’. ὄψις (opsis), ‘uiterlijk’: wat men aan de buitenkant ziet.

Is Hij de Messias?

25Sommigen van de inwoners van Jeruzalem zeiden dus: „Is dit niet Hij die zij proberen te doden?
Ἔλεγον
(Elegon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
τινες
(tines)
sommigen
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
Ἱεροσολυμιτῶν
(Hierosolymiton)
Jeruzalemmers
Οὐχ
(Ouch)
niet
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὃν
(hon)
die
ζητοῦσιν
(zetousin)
zij proberen
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Ἱεροσολυμῖται (Hierosolymitai), ‘inwoners van Jeruzalem’; zie ook Mark. 1:5.

Zie ookMar 1:5
26En kijk: Hij spreekt openlijk en zij zeggen niets tegen Hem. Zouden de leiders werkelijk erkend hebben dat Hij de Messias is?
καὶ
(kai)
en
ἴδε
(ide)
kijk
παρρησίᾳ
(parresia)
openlijk
λαλεῖ
(lalei)
spreekt
καὶ
(kai)
en
οὐδὲν
(ouden)
niets
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
λέγουσιν
(legousin)
zeggen zij
μήποτε
(mepote)
misschien
ἀληθῶς
(alethos)
werkelijk
ἔγνωσαν
(egnosan)
hebben erkend
οἱ
(hoi)
de
ἄρχοντες
(archontes)
leiders
ὅτι
(hoti)
dat
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
χριστός
(christos)
Messias
Bron: SBLGNT
Uitleg

χριστός (christos), ‘gezalfde’, is het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘Messias’. ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’: de leiders van het volk.

27Maar van Hem weten wij waar Hij vandaan komt. Wanneer de Messias komt, weet niemand waar Hij vandaan komt.”
ἀλλὰ
(alla)
maar
τοῦτον
(touton)
deze
οἴδαμεν
(oidamen)
wij weten
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἐστίν
(estin)
Hij is
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
χριστὸς
(christos)
Messias
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἔρχηται
(erchetai)
komt
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
γινώσκει
(ginoskei)
weet
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἐστίν
(estin)
Hij is
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt niet waarop dit idee berust, dat niemand zou weten waar de Messias vandaan komt; vergelijk 7:41–42, waar de menigte de Schrift aanhaalt.

28Daarop riep Yeshua in de tempel, terwijl Hij onderwees, en zei: „Ook Mij kennen jullie, en jullie weten waar Ik vandaan kom. Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar waarachtig is Hij die Mij gestuurd heeft. Hem kennen jullie niet.
ἔκραξεν
(ekraxen)
riep
οὖν
(oun)
dus
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
λέγων
(legon)
zeggend
Κἀμὲ
(Kame)
ook Mij
οἴδατε
(oidate)
jullie kennen
καὶ
(kai)
en
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
πόθεν
(pothen)
vanwaar
εἰμί
(eimi)
Ik ben
καὶ
(kai)
en
ἀπ’
(ap’)
uit
ἐμαυτοῦ
(emautou)
Mijzelf
οὐκ
(ouk)
niet
ἐλήλυθα
(elelytha)
ben gekomen
ἀλλ’
(all’)
maar
ἔστιν
(estin)
is
ἀληθινὸς
(alethinos)
waarachtig
ὁ
(ho)
Hij
πέμψας
(pempsas)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
ὃν
(hon)
wie
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδατε
(oidate)
kennen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀληθινός (alethinos), ‘waarachtig’: wij onderscheiden dit van ἀληθής (alethes), ‘waar’ (7:18).

Lezing

Wij lezen ‘Ook Mij kennen jullie’ als een uitspraak.

Het kan ook als een vraag of als ironie worden gelezen.

29Ik ken Hem, want Ik kom van Hem, en Hij heeft Mij gezonden.”
ἐγὼ
(ego)
Ik
οἶδα
(oida)
ken
αὐτόν
(auton)
Hem
ὅτι
(hoti)
want
παρ’
(par’)
van
αὐτοῦ
(autou)
Hem
εἰμι
(eimi)
ben
κἀκεῖνός
(kakeinos)
en Hij
με
(me)
Mij
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
heeft gezonden
Bron: SBLGNT
Uitleg

παρ᾽ αὐτοῦ εἰμι (par’ autou eimi), letterlijk ‘Ik ben van bij Hem’: Ik kom van Hem.

30Zij probeerden Hem dus te grijpen, maar niemand legde de hand op Hem, omdat Zijn uur nog niet gekomen was.
ἐζήτουν
(ezetoun)
zochten
οὖν
(oun)
dus
αὐτὸν
(auton)
Hem
πιάσαι
(piasai)
te grijpen
καὶ
(kai)
en
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἐπέβαλεν
(epebalen)
legde
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
ὅτι
(hoti)
omdat
οὔπω
(oupo)
nog niet
ἐληλύθει
(elelythei)
was gekomen
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὥρα (hora), ‘uur’: vergelijk καιρός (kairos) in 7:6.

Het ‘uur’ van Yeshua komt later in Johannes terug (bijvoorbeeld 12:23 en 13:1).

31Velen uit de menigte geloofden in Hem en zeiden: „Zal de Messias, wanneer Hij komt, meer tekenen doen dan deze gedaan heeft?”
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
δὲ
(de)
maar
πολλοὶ
(polloi)
velen
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
εἰς
(eis)
in
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Ὁ
(Ho)
de
χριστὸς
(christos)
Messias
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἔλθῃ
(elthe)
Hij komt
μὴ
(me)
toch niet
πλείονα
(pleiona)
meer
σημεῖα
(semeia)
tekenen
ποιήσει
(poiesei)
zal doen
ὧν
(hon)
dan die
οὗτος
(houtos)
deze
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
Bron: SBLGNT
Uitleg

σημεῖον (semeion), ‘teken’: een wonder dat iets laat zien.

Johannes noemt de wonderen van Yeshua ‘tekenen’ (zo ook 9:16).

Bedienden worden gezonden om Hem te grijpen

32De Farizeeën hoorden de menigte dit over Hem mompelen. En de hogepriesters en de Farizeeën zonden bedienden om Hem te grijpen.
Ἤκουσαν
(Ekousan)
hoorden
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
γογγύζοντος
(gongyzontos)
mompelend
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ταῦτα
(tauta)
dit
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλαν
(apesteilan)
zonden
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ὑπηρέτας
(hyperetas)
bedienden
ἵνα
(hina)
opdat
πιάσωσιν
(piasosin)
zij grijpen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: hier dienaren van de tempelleiding.

Wij vertalen het zo ook in Matt. 26:58 en Mark. 14:54.

33Yeshua zei dus: „Nog korte tijd ben Ik bij jullie, en dan ga Ik heen naar Hem die Mij gestuurd heeft.
εἶπεν
(eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἔτι
(Eti)
nog
χρόνον
(chronon)
tijd
μικρὸν
(mikron)
kort
μεθ’
(meth’)
met
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἰμι
(eimi)
ben Ik
καὶ
(kai)
en
ὑπάγω
(hypago)
ga heen
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
Hem
πέμψαντά
(pempsanta)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
34Jullie zullen Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben, kunnen jullie niet komen.”
ζητήσετέ
(zetesete)
jullie zullen zoeken
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
εὑρήσετε
(heuresete)
jullie zullen vinden
καὶ
(kai)
en
ὅπου
(hopou)
waar
εἰμὶ
(eimi)
ben
ἐγὼ
(ego)
Ik
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐ
(ou)
niet
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
Bron: SBLGNT
35De Joden zeiden dus tegen elkaar: „Waar gaat Hij naartoe, dat wij Hem niet zullen vinden? Gaat Hij naar de verstrooiing onder de Grieken en gaat Hij de Grieken onderwijzen?
εἶπον
(eipon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
πρὸς
(pros)
tegen
ἑαυτούς
(heautous)
zichzelf
Ποῦ
(Pou)
waar
οὗτος
(houtos)
deze
μέλλει
(mellei)
gaat
πορεύεσθαι
(poreuesthai)
heengaan
ὅτι
(hoti)
dat
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
οὐχ
(ouch)
niet
εὑρήσομεν
(heuresomen)
zullen vinden
αὐτόν
(auton)
Hem
μὴ
(me)
toch niet
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
διασπορὰν
(diasporan)
verstrooiing
τῶν
(ton)
van de
Ἑλλήνων
(Hellenon)
Grieken
μέλλει
(mellei)
gaat Hij
πορεύεσθαι
(poreuesthai)
heengaan
καὶ
(kai)
en
διδάσκειν
(didaskein)
onderwijzen
τοὺς
(tous)
de
Ἕλληνας
(Hellenas)
Grieken
Bron: SBLGNT
Uitleg

διασπορά (diaspora), ‘verstrooiing’: de plaatsen buiten het land waar Joden verspreid onder de volken wonen. Ἕλληνες (Hellenes), ‘Grieken’: Grieks sprekende niet-Joden.

36Wat is dit voor een woord dat Hij gezegd heeft: ‘Jullie zullen Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben, kunnen jullie niet komen’?”
τίς
(tis)
wat
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
οὗτος
(houtos)
dit
ὃν
(hon)
dat
εἶπε
(eipe)
Hij zei
Ζητήσετέ
(Zetesete)
jullie zullen zoeken
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
εὑρήσετε
(heuresete)
jullie zullen vinden
καὶ
(kai)
en
ὅπου
(hopou)
waar
εἰμὶ
(eimi)
ben
ἐγὼ
(ego)
Ik
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐ
(ou)
niet
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
Bron: SBLGNT

Rivieren van levend water

37Op de laatste dag, de grote dag van het feest, stond Yeshua en riep: „Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken.
Ἐν
(En)
op
δὲ
(de)
maar
τῇ
(te)
de
ἐσχάτῃ
(eschate)
laatste
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
τῇ
(te)
de
μεγάλῃ
(megale)
grote
τῆς
(tes)
van het
ἑορτῆς
(heortes)
feest
εἱστήκει
(heistekei)
stond
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἔκραξεν
(ekraxen)
riep
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐάν
(Ean)
als
τις
(tis)
iemand
διψᾷ
(dipsa)
dorst heeft
ἐρχέσθω
(erchestho)
laat komen
πρός
(pros)
tot
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
πινέτω
(pineto)
laat drinken
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het feest duurde zeven dagen (Lev. 23:34); op de achtste dag was er een slotsamenkomst (Lev. 23:36).

Het Grieks zegt niet welke dag met ‘de laatste, de grote dag’ bedoeld is. διψάω (dipsao), ‘dorst hebben’: vergelijk Jes. 55:1.

38Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift gezegd heeft: uit zijn binnenste zullen rivieren van levend water vloeien.”
ὁ
(ho)
wie
πιστεύων
(pisteuon)
gelooft
εἰς
(eis)
in
ἐμέ
(eme)
Mij
καθὼς
(kathos)
zoals
εἶπεν
(eipen)
zei
ἡ
(he)
de
γραφή
(graphe)
Schrift
ποταμοὶ
(potamoi)
rivieren
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
het
κοιλίας
(koilias)
binnenste
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ῥεύσουσιν
(rheusousin)
zullen vloeien
ὕδατος
(hydatos)
van water
ζῶντος
(zontos)
levend
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks noemt niet welk Schriftwoord bedoeld is.

Water dat stroomt: vergelijk Jes. 58:11, Zach. 14:8 en Joël 4:18 (in de Nederlandse telling is dit 3:18). κοιλία (koilia), letterlijk ‘buik’: het binnenste van de mens.

Het Grieks laat open of ‘zijn binnenste’ (αὐτοῦ) op de gelovige slaat of op Yeshua.

Wij volgen de interpunctie van de SBLGNT, waarin ‘wie in Mij gelooft’ bij het volgende hoort: het gaat dan om de gelovige.

39Dit zei Hij over de Geest die zij zouden ontvangen, zij die in Hem geloofden. Want er was nog geen Geest, omdat Yeshua nog niet verheerlijkt was.
τοῦτο
(touto)
dit
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei Hij
περὶ
(peri)
over
τοῦ
(tou)
de
πνεύματος
(pneumatos)
Geest
οὗ
(hou)
die
ἔμελλον
(emellon)
zouden
λαμβάνειν
(lambanein)
ontvangen
οἱ
(hoi)
de
πιστεύσαντες
(pisteusantes)
gelovig geworden
εἰς
(eis)
in
αὐτόν
(auton)
Hem
οὔπω
(oupo)
nog niet
γὰρ
(gar)
want
ἦν
(en)
was
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
ὅτι
(hoti)
omdat
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
οὐδέπω
(oudepo)
nog niet
ἐδοξάσθη
(edoxasthe)
verheerlijkt werd
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: in Johannes wijst dit naar Yeshua’s dood en opstanding en Zijn terugkeer naar de Vader (vergelijk 12:16 en 12:23).

Lezing

In sommige handschriften staat bij ‘Geest’ ook ‘heilige’ of ‘gegeven’.

De SBLGNT heeft alleen ‘Geest’.

Verdeeldheid onder de menigte

40Sommigen uit de menigte die deze woorden hoorden, zeiden dus: „Deze is werkelijk de profeet.”
Ἐκ
(Ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
οὖν
(oun)
dus
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
τῶν
(ton)
de
λόγων
(logon)
woorden
τούτων
(touton)
deze
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Οὗτός
(Houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ἀληθῶς
(alethos)
werkelijk
ὁ
(ho)
de
προφήτης
(prophetes)
profeet
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De profeet’ is de profeet zoals Mozes (Deut. 18:15 en 18:18).

Zie ook 1:21 en 6:14.

41Anderen zeiden: „Deze is de Messias.” Maar sommigen zeiden: „De Messias komt toch niet uit Galilea?
ἄλλοι
(alloi)
anderen
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Οὗτός
(Houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
χριστός
(christos)
Messias
οἱ
(hoi)
sommigen
δὲ
(de)
maar
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Μὴ
(Me)
toch niet
γὰρ
(gar)
want
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
ὁ
(ho)
de
χριστὸς
(christos)
Messias
ἔρχεται
(erchetai)
komt
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

42Heeft de Schrift niet gezegd dat de Messias komt uit het nageslacht van David en uit Betlehem, het dorp waar David was?”
οὐχ
(ouch)
niet
ἡ
(he)
de
γραφὴ
(graphe)
Schrift
εἶπεν
(eipen)
zei
ὅτι
(hoti)
dat
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
σπέρματος
(spermatos)
nageslacht
Δαυίδ
(Dauid)
van David
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
vanuit
Βηθλέεμ
(Bethleem)
Betlehem
τῆς
(tes)
het
κώμης
(komes)
dorp
ὅπου
(hopou)
waar
ἦν
(en)
was
Δαυίδ
(Dauid)
David
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὁ
(ho)
de
χριστός
(christos)
Messias
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

Betlehem als de plaats vanwaar de heerser komt: Micha 5:1 (in de Nederlandse telling is dit 5:2).

De belofte aan David: 2 Sam. 7:12–16 en Ps. 89:5 (in de Nederlandse telling is dit 89:4). σπέρμα (sperma), ‘nageslacht’: het Hebreeuwse זֶרַע (zera).

Zie ook Matt. 2:5–6.

43Er ontstond dus verdeeldheid onder de menigte vanwege Hem.
σχίσμα
(schisma)
verdeeldheid
οὖν
(oun)
dus
ἐγένετο
(egeneto)
ontstond
ἐν
(en)
onder
τῷ
(to)
de
ὄχλῳ
(ochlo)
menigte
δι’
(di’)
vanwege
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
44Enkelen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand legde de handen op Hem.
τινὲς
(tines)
sommigen
δὲ
(de)
maar
ἤθελον
(ethelon)
wilden
ἐξ
(ex)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
πιάσαι
(piasai)
grijpen
αὐτόν
(auton)
Hem
ἀλλ’
(all’)
maar
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἐπέβαλεν
(epebalen)
legde
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
Bron: SBLGNT

De bedienden, de Farizeeën en Nikodemus

45De bedienden kwamen dus bij de hogepriesters en de Farizeeën. Die zeiden tegen hen: „Waarom hebben jullie Hem niet gebracht?”
Ἦλθον
(Elthon)
kwamen
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
ὑπηρέται
(hyperetai)
bedienden
πρὸς
(pros)
bij
τοὺς
(tous)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
Φαρισαίους
(Pharisaious)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
εἶπον
(eipon)
zeiden
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ἐκεῖνοι
(ekeinoi)
die
Διὰ
(Dia)
waarom
τί
(ti)
(waarom)
οὐκ
(ouk)
niet
ἠγάγετε
(egagete)
hebben jullie gebracht
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
46De bedienden antwoordden: „Nog nooit heeft een mens zo gesproken.”
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
οἱ
(hoi)
de
ὑπηρέται
(hyperetai)
bedienden
Οὐδέποτε
(Oudepote)
nooit
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
οὕτως
(houtos)
zo
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
Bron: SBLGNT
Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat erachter ‘zoals deze mens’.

De SBLGNT heeft dat niet.

47Daarop antwoordden de Farizeeën hun: „Zijn ook jullie misleid?
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
οὖν
(oun)
dus
αὐτοῖς
(autois)
hun
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
Μὴ
(Me)
toch niet
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
πεπλάνησθε
(peplanesthe)
zijn misleid
Bron: SBLGNT
48Heeft soms iemand van de leiders in Hem geloofd, of van de Farizeeën?
μή
(me)
toch niet
τις
(tis)
iemand
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ἀρχόντων
(archonton)
leiders
ἐπίστευσεν
(episteusen)
geloofde
εἰς
(eis)
in
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἢ
(e)
of
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
Bron: SBLGNT
49Maar deze menigte, die de wet niet kent, is vervloekt.”
ἀλλὰ
(alla)
maar
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
οὗτος
(houtos)
deze
ὁ
(ho)
die
μὴ
(me)
niet
γινώσκων
(ginoskon)
kent
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
ἐπάρατοί
(eparatoi)
vervloekt
εἰσιν
(eisin)
zijn
Bron: SBLGNT
50Nikodemus, die eerder naar Hem toe was gekomen en een van hen was, zei tegen hen:
λέγει
(legei)
zegt
Νικόδημος
(Nikodemos)
Nikodemus
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
ὁ
(ho)
die
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen was
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
πρότερον
(proteron)
eerder
εἷς
(heis)
een
ὢν
(on)
zijnde
ἐξ
(ex)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Nikodemus: zie 3:1–2 en 19:39.

51„Onze wet oordeelt toch niet over een mens, tenzij zij eerst van hem gehoord heeft en weet wat hij doet?”
Μὴ
(Me)
toch niet
ὁ
(ho)
de
νόμος
(nomos)
wet
ἡμῶν
(hemon)
onze
κρίνει
(krinei)
oordeelt
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ἐὰν
(ean)
als
μὴ
(me)
niet
ἀκούσῃ
(akouse)
zij hoort
πρῶτον
(proton)
eerst
παρ’
(par’)
van
αὐτοῦ
(autou)
hem
καὶ
(kai)
en
γνῷ
(gno)
zij weet
τί
(ti)
wat
ποιεῖ
(poiei)
hij doet
Bron: SBLGNT
52Zij antwoordden en zeiden tegen hem: „Ben jij soms ook uit Galilea? Onderzoek het en kijk: uit Galilea staat geen profeet op.”
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Μὴ
(Me)
toch niet
καὶ
(kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
εἶ
(ei)
ben
ἐραύνησον
(erauneson)
onderzoek
καὶ
(kai)
en
ἴδε
(ide)
kijk
ὅτι
(hoti)
dat
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
προφήτης
(prophetes)
profeet
οὐκ
(ouk)
niet
ἐγείρεται
(egeiretai)
staat op
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

Het Grieks heeft ‘een profeet’; in vers 40 noemde de menigte ‘de profeet’.

De profeet Jona kwam uit Gat-Chefer (2 Kon. 14:25), een plaats in het gebied van Zebulon (Joz. 19:10–13), dus uit Galilea.

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgen hier de verzen 7:53–8:11, die in de oudste handschriften ontbreken; wij vertalen ze niet.