Het feest van de hutten, het levende water en de verdeeldheid over Yeshua
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yeshua en Zijn broers
1Hierna trok Yeshua rond in Galilea. Want Hij wilde niet in Judea rondtrekken, omdat de Joden Hem probeerden te doden.
Καὶ
(Kai)
en
μετὰ
(meta)
na
ταῦτα
(tauta)
dit
περιεπάτει
(periepatei)
trok rond
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
Γαλιλαίᾳ
(Galilaia)
Galilea
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἤθελεν
(ethelen)
wilde Hij
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
Ἰουδαίᾳ
(Ioudaia)
Judea
περιπατεῖν
(peripatein)
rondtrekken
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐζήτουν
(ezetoun)
probeerden
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.
Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.
Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.
Het komt overeen met het oude Juda.
Uitleg
Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: in Johannes zijn dit vaak de leiders in Judea en Jeruzalem die tegenover Yeshua staan, niet het hele volk (vergelijk 7:13 en 7:15).
Yeshua en Zijn leerlingen zijn zelf ook Joden.
ζητέω (zeteo), ‘zoeken’: met een werkwoord erachter (‘Hem doden’, ‘Hem grijpen’) vertalen wij het als ‘proberen’; zonder werkwoord als ‘zoeken’ (7:11, 7:34).
2Het feest van de Joden, het feest van de hutten, was dichtbij.
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
ἐγγὺς
(engys)
dichtbij
ἡ
(he)
het
ἑορτὴ
(heorte)
feest
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ἡ
(he)
het
σκηνοπηγία
(skenopegia)
feest van de hutten
Bron: SBLGNT
Uitleg
σκηνοπηγία (skenopegia), ‘feest van de hutten’: zeven dagen lang woonde het volk in hutten (Lev. 23:34–43; Deut. 16:13–15).
15De Joden verwonderden zich dus en zeiden: „Hoe kent deze man de geschriften, terwijl Hij niet geleerd heeft?”
ἐθαύμαζον
(ethaumazon)
verwonderden zich
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Πῶς
(Pos)
hoe
οὗτος
(houtos)
deze
γράμματα
(grammata)
geschriften
οἶδεν
(oiden)
kent
μὴ
(me)
niet
μεμαθηκώς
(memathekos)
geleerd hebbend
Bron: SBLGNT
Uitleg
γράμματα (grammata), letterlijk ‘letters, geschriften’: kennis van de Schrift.
De Joden verwonderen zich dat iemand die niet bij een leraar geleerd heeft, zo onderwijst.
16Daarop antwoordde Yeshua hun en zei: „Mijn onderwijs is niet van Mij, maar van Hem die Mij gestuurd heeft.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
οὖν
(oun)
dus
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἡ
(He)
het
ἐμὴ
(eme)
Mijn
διδαχὴ
(didache)
onderwijs
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ἐμὴ
(eme)
van Mij
ἀλλὰ
(alla)
maar
τοῦ
(tou)
van Hem
πέμψαντός
(pempsantos)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
17Als iemand Zijn wil wil doen, zal hij weten of dit onderwijs uit Elohim is of dat Ik uit Mijzelf spreek.
ἐάν
(ean)
als
τις
(tis)
iemand
θέλῃ
(thele)
wil
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ποιεῖν
(poiein)
doen
γνώσεται
(gnosetai)
zal weten
περὶ
(peri)
over
τῆς
(tes)
het
διδαχῆς
(didaches)
onderwijs
πότερον
(poteron)
of
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐστιν
(estin)
het is
ἢ
(e)
of
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἀπ’
(ap’)
uit
ἐμαυτοῦ
(emautou)
Mijzelf
λαλῶ
(lalo)
spreek
Bron: SBLGNT
18Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen heerlijkheid. Maar wie de heerlijkheid zoekt van Hem die hem gestuurd heeft, die is waar, en er is geen onrecht in hem.
ὁ
(ho)
wie
ἀφ’
(aph’)
uit
ἑαυτοῦ
(heautou)
zichzelf
λαλῶν
(lalon)
spreekt
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
τὴν
(ten)
de
ἰδίαν
(idian)
eigen
ζητεῖ
(zetei)
zoekt
ὁ
(ho)
wie
δὲ
(de)
maar
ζητῶν
(zeton)
zoekt
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
τοῦ
(tou)
van Hem
πέμψαντος
(pempsantos)
die gestuurd heeft
αὐτὸν
(auton)
hem
οὗτος
(houtos)
die
ἀληθής
(alethes)
waar
ἐστιν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
ἀδικία
(adikia)
onrecht
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
hem
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg
δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: het kan ook ‘eer’ betekenen, zoals het Hebreeuwse כָּבוֹד (kavod).
Wij schrijven ‘eer’ in 5:41–44, 9:24 en 12:43, waar het gaat om waardering door mensen of om eer geven aan Elohim.
Overal elders, ook hier en in 8:50 en 8:54, schrijven wij ‘heerlijkheid’. ἀληθής (alethes), ‘waar’, is een ander woord dan ἀληθινός (alethinos), ‘waarachtig’, in vers 28.
23Als een mens op sabbat de besnijdenis ontvangt, zodat de wet van Mozes niet gebroken wordt, zijn jullie dan boos op Mij omdat Ik op sabbat een heel mens gezond gemaakt heb?
εἰ
(ei)
als
περιτομὴν
(peritomen)
besnijdenis
λαμβάνει
(lambanei)
ontvangt
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἐν
(en)
op
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
λυθῇ
(lythe)
wordt gebroken
ὁ
(ho)
de
νόμος
(nomos)
wet
Μωϋσέως
(Moyseos)
van Mozes
ἐμοὶ
(emoi)
op Mij
χολᾶτε
(cholate)
zijn jullie boos
ὅτι
(hoti)
omdat
ὅλον
(holon)
hele
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ὑγιῆ
(hygie)
gezond
ἐποίησα
(epoiesa)
Ik maakte
ἐν
(en)
op
σαββάτῳ
(sabbato)
sabbat
Bron: SBLGNT
Uitleg
χολάω (cholao), ‘boos zijn’: een zeldzaam woord.
De zin begint in het Grieks met ‘Als’ en is lang; wij houden hem als één zin. ὅλον ἄνθρωπον ὑγιῆ (holon anthropon hygie), ‘een heel mens gezond’: een mens helemaal gezond.
24Oordeel niet naar het uiterlijk, maar oordeel met een rechtvaardig oordeel.”
μὴ
(me)
niet
κρίνετε
(krinete)
oordeelt
κατ’
(kat’)
naar
ὄψιν
(opsin)
uiterlijk
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὴν
(ten)
het
δικαίαν
(dikaian)
rechtvaardige
κρίσιν
(krisin)
oordeel
κρίνετε
(krinete)
oordeelt
Bron: SBLGNT
Uitleg
κρίνω (krino), ‘oordelen’; κρίσις (krisis), ‘oordeel’. ὄψις (opsis), ‘uiterlijk’: wat men aan de buitenkant ziet.
Is Hij de Messias?
25Sommigen van de inwoners van Jeruzalem zeiden dus: „Is dit niet Hij die zij proberen te doden?
Ἔλεγον
(Elegon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
τινες
(tines)
sommigen
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
Ἱεροσολυμιτῶν
(Hierosolymiton)
Jeruzalemmers
Οὐχ
(Ouch)
niet
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὃν
(hon)
die
ζητοῦσιν
(zetousin)
zij proberen
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Ἱεροσολυμῖται (Hierosolymitai), ‘inwoners van Jeruzalem’; zie ook Mark. 1:5.
26En kijk: Hij spreekt openlijk en zij zeggen niets tegen Hem. Zouden de leiders werkelijk erkend hebben dat Hij de Messias is?
καὶ
(kai)
en
ἴδε
(ide)
kijk
παρρησίᾳ
(parresia)
openlijk
λαλεῖ
(lalei)
spreekt
καὶ
(kai)
en
οὐδὲν
(ouden)
niets
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
λέγουσιν
(legousin)
zeggen zij
μήποτε
(mepote)
misschien
ἀληθῶς
(alethos)
werkelijk
ἔγνωσαν
(egnosan)
hebben erkend
οἱ
(hoi)
de
ἄρχοντες
(archontes)
leiders
ὅτι
(hoti)
dat
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
χριστός
(christos)
Messias
Bron: SBLGNT
Uitleg
χριστός (christos), ‘gezalfde’, is het Griekse woord voor het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach), ‘Messias’. ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’: de leiders van het volk.
27Maar van Hem weten wij waar Hij vandaan komt. Wanneer de Messias komt, weet niemand waar Hij vandaan komt.”
ἀλλὰ
(alla)
maar
τοῦτον
(touton)
deze
οἴδαμεν
(oidamen)
wij weten
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἐστίν
(estin)
Hij is
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
χριστὸς
(christos)
Messias
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἔρχηται
(erchetai)
komt
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
γινώσκει
(ginoskei)
weet
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἐστίν
(estin)
Hij is
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks zegt niet waarop dit idee berust, dat niemand zou weten waar de Messias vandaan komt; vergelijk 7:41–42, waar de menigte de Schrift aanhaalt.
28Daarop riep Yeshua in de tempel, terwijl Hij onderwees, en zei: „Ook Mij kennen jullie, en jullie weten waar Ik vandaan kom. Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar waarachtig is Hij die Mij gestuurd heeft. Hem kennen jullie niet.
ἔκραξεν
(ekraxen)
riep
οὖν
(oun)
dus
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
λέγων
(legon)
zeggend
Κἀμὲ
(Kame)
ook Mij
οἴδατε
(oidate)
jullie kennen
καὶ
(kai)
en
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
πόθεν
(pothen)
vanwaar
εἰμί
(eimi)
Ik ben
καὶ
(kai)
en
ἀπ’
(ap’)
uit
ἐμαυτοῦ
(emautou)
Mijzelf
οὐκ
(ouk)
niet
ἐλήλυθα
(elelytha)
ben gekomen
ἀλλ’
(all’)
maar
ἔστιν
(estin)
is
ἀληθινὸς
(alethinos)
waarachtig
ὁ
(ho)
Hij
πέμψας
(pempsas)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
ὃν
(hon)
wie
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδατε
(oidate)
kennen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀληθινός (alethinos), ‘waarachtig’: wij onderscheiden dit van ἀληθής (alethes), ‘waar’ (7:18).
Lezing
Wij lezen ‘Ook Mij kennen jullie’ als een uitspraak.
Het kan ook als een vraag of als ironie worden gelezen.
29Ik ken Hem, want Ik kom van Hem, en Hij heeft Mij gezonden.”
ἐγὼ
(ego)
Ik
οἶδα
(oida)
ken
αὐτόν
(auton)
Hem
ὅτι
(hoti)
want
παρ’
(par’)
van
αὐτοῦ
(autou)
Hem
εἰμι
(eimi)
ben
κἀκεῖνός
(kakeinos)
en Hij
με
(me)
Mij
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
heeft gezonden
Bron: SBLGNT
Uitleg
παρ᾽ αὐτοῦ εἰμι (par’ autou eimi), letterlijk ‘Ik ben van bij Hem’: Ik kom van Hem.
30Zij probeerden Hem dus te grijpen, maar niemand legde de hand op Hem, omdat Zijn uur nog niet gekomen was.
ἐζήτουν
(ezetoun)
zochten
οὖν
(oun)
dus
αὐτὸν
(auton)
Hem
πιάσαι
(piasai)
te grijpen
καὶ
(kai)
en
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἐπέβαλεν
(epebalen)
legde
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
ὅτι
(hoti)
omdat
οὔπω
(oupo)
nog niet
ἐληλύθει
(elelythei)
was gekomen
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὥρα (hora), ‘uur’: vergelijk καιρός (kairos) in 7:6.
Het ‘uur’ van Yeshua komt later in Johannes terug (bijvoorbeeld 12:23 en 13:1).
31Velen uit de menigte geloofden in Hem en zeiden: „Zal de Messias, wanneer Hij komt, meer tekenen doen dan deze gedaan heeft?”
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
δὲ
(de)
maar
πολλοὶ
(polloi)
velen
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
εἰς
(eis)
in
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Ὁ
(Ho)
de
χριστὸς
(christos)
Messias
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἔλθῃ
(elthe)
Hij komt
μὴ
(me)
toch niet
πλείονα
(pleiona)
meer
σημεῖα
(semeia)
tekenen
ποιήσει
(poiesei)
zal doen
ὧν
(hon)
dan die
οὗτος
(houtos)
deze
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
Bron: SBLGNT
Uitleg
σημεῖον (semeion), ‘teken’: een wonder dat iets laat zien.
Johannes noemt de wonderen van Yeshua ‘tekenen’ (zo ook 9:16).
Bedienden worden gezonden om Hem te grijpen
32De Farizeeën hoorden de menigte dit over Hem mompelen. En de hogepriesters en de Farizeeën zonden bedienden om Hem te grijpen.
Ἤκουσαν
(Ekousan)
hoorden
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
γογγύζοντος
(gongyzontos)
mompelend
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ταῦτα
(tauta)
dit
καὶ
(kai)
en
ἀπέστειλαν
(apesteilan)
zonden
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ὑπηρέτας
(hyperetas)
bedienden
ἵνα
(hina)
opdat
πιάσωσιν
(piasosin)
zij grijpen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: hier dienaren van de tempelleiding.
Wij vertalen het zo ook in Matt. 26:58 en Mark. 14:54.
33Yeshua zei dus: „Nog korte tijd ben Ik bij jullie, en dan ga Ik heen naar Hem die Mij gestuurd heeft.
εἶπεν
(eipen)
zei
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἔτι
(Eti)
nog
χρόνον
(chronon)
tijd
μικρὸν
(mikron)
kort
μεθ’
(meth’)
met
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἰμι
(eimi)
ben Ik
καὶ
(kai)
en
ὑπάγω
(hypago)
ga heen
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
Hem
πέμψαντά
(pempsanta)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
34Jullie zullen Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben, kunnen jullie niet komen.”
ζητήσετέ
(zetesete)
jullie zullen zoeken
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
εὑρήσετε
(heuresete)
jullie zullen vinden
καὶ
(kai)
en
ὅπου
(hopou)
waar
εἰμὶ
(eimi)
ben
ἐγὼ
(ego)
Ik
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐ
(ou)
niet
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
Bron: SBLGNT
35De Joden zeiden dus tegen elkaar: „Waar gaat Hij naartoe, dat wij Hem niet zullen vinden? Gaat Hij naar de verstrooiing onder de Grieken en gaat Hij de Grieken onderwijzen?
εἶπον
(eipon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
πρὸς
(pros)
tegen
ἑαυτούς
(heautous)
zichzelf
Ποῦ
(Pou)
waar
οὗτος
(houtos)
deze
μέλλει
(mellei)
gaat
πορεύεσθαι
(poreuesthai)
heengaan
ὅτι
(hoti)
dat
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
οὐχ
(ouch)
niet
εὑρήσομεν
(heuresomen)
zullen vinden
αὐτόν
(auton)
Hem
μὴ
(me)
toch niet
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
διασπορὰν
(diasporan)
verstrooiing
τῶν
(ton)
van de
Ἑλλήνων
(Hellenon)
Grieken
μέλλει
(mellei)
gaat Hij
πορεύεσθαι
(poreuesthai)
heengaan
καὶ
(kai)
en
διδάσκειν
(didaskein)
onderwijzen
τοὺς
(tous)
de
Ἕλληνας
(Hellenas)
Grieken
Bron: SBLGNT
Uitleg
διασπορά (diaspora), ‘verstrooiing’: de plaatsen buiten het land waar Joden verspreid onder de volken wonen. Ἕλληνες (Hellenes), ‘Grieken’: Grieks sprekende niet-Joden.
36Wat is dit voor een woord dat Hij gezegd heeft: ‘Jullie zullen Mij zoeken en niet vinden, en waar Ik ben, kunnen jullie niet komen’?”
τίς
(tis)
wat
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
οὗτος
(houtos)
dit
ὃν
(hon)
dat
εἶπε
(eipe)
Hij zei
Ζητήσετέ
(Zetesete)
jullie zullen zoeken
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
εὑρήσετε
(heuresete)
jullie zullen vinden
καὶ
(kai)
en
ὅπου
(hopou)
waar
εἰμὶ
(eimi)
ben
ἐγὼ
(ego)
Ik
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐ
(ou)
niet
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
Bron: SBLGNT
Rivieren van levend water
37Op de laatste dag, de grote dag van het feest, stond Yeshua en riep: „Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken.
Ἐν
(En)
op
δὲ
(de)
maar
τῇ
(te)
de
ἐσχάτῃ
(eschate)
laatste
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
τῇ
(te)
de
μεγάλῃ
(megale)
grote
τῆς
(tes)
van het
ἑορτῆς
(heortes)
feest
εἱστήκει
(heistekei)
stond
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἔκραξεν
(ekraxen)
riep
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐάν
(Ean)
als
τις
(tis)
iemand
διψᾷ
(dipsa)
dorst heeft
ἐρχέσθω
(erchestho)
laat komen
πρός
(pros)
tot
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
πινέτω
(pineto)
laat drinken
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het feest duurde zeven dagen (Lev. 23:34); op de achtste dag was er een slotsamenkomst (Lev. 23:36).
Het Grieks zegt niet welke dag met ‘de laatste, de grote dag’ bedoeld is. διψάω (dipsao), ‘dorst hebben’: vergelijk Jes. 55:1.
38Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift gezegd heeft: uit zijn binnenste zullen rivieren van levend water vloeien.”
ὁ
(ho)
wie
πιστεύων
(pisteuon)
gelooft
εἰς
(eis)
in
ἐμέ
(eme)
Mij
καθὼς
(kathos)
zoals
εἶπεν
(eipen)
zei
ἡ
(he)
de
γραφή
(graphe)
Schrift
ποταμοὶ
(potamoi)
rivieren
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
het
κοιλίας
(koilias)
binnenste
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ῥεύσουσιν
(rheusousin)
zullen vloeien
ὕδατος
(hydatos)
van water
ζῶντος
(zontos)
levend
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks noemt niet welk Schriftwoord bedoeld is.
Water dat stroomt: vergelijk Jes. 58:11, Zach. 14:8 en Joël 4:18 (in de Nederlandse telling is dit 3:18). κοιλία (koilia), letterlijk ‘buik’: het binnenste van de mens.
Het Grieks laat open of ‘zijn binnenste’ (αὐτοῦ) op de gelovige slaat of op Yeshua.
Wij volgen de interpunctie van de SBLGNT, waarin ‘wie in Mij gelooft’ bij het volgende hoort: het gaat dan om de gelovige.
43Er ontstond dus verdeeldheid onder de menigte vanwege Hem.
σχίσμα
(schisma)
verdeeldheid
οὖν
(oun)
dus
ἐγένετο
(egeneto)
ontstond
ἐν
(en)
onder
τῷ
(to)
de
ὄχλῳ
(ochlo)
menigte
δι’
(di’)
vanwege
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
44Enkelen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand legde de handen op Hem.
τινὲς
(tines)
sommigen
δὲ
(de)
maar
ἤθελον
(ethelon)
wilden
ἐξ
(ex)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
πιάσαι
(piasai)
grijpen
αὐτόν
(auton)
Hem
ἀλλ’
(all’)
maar
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἐπέβαλεν
(epebalen)
legde
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
Bron: SBLGNT
De bedienden, de Farizeeën en Nikodemus
45De bedienden kwamen dus bij de hogepriesters en de Farizeeën. Die zeiden tegen hen: „Waarom hebben jullie Hem niet gebracht?”
Ἦλθον
(Elthon)
kwamen
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
ὑπηρέται
(hyperetai)
bedienden
πρὸς
(pros)
bij
τοὺς
(tous)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
Φαρισαίους
(Pharisaious)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
εἶπον
(eipon)
zeiden
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ἐκεῖνοι
(ekeinoi)
die
Διὰ
(Dia)
waarom
τί
(ti)
(waarom)
οὐκ
(ouk)
niet
ἠγάγετε
(egagete)
hebben jullie gebracht
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
46De bedienden antwoordden: „Nog nooit heeft een mens zo gesproken.”
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
οἱ
(hoi)
de
ὑπηρέται
(hyperetai)
bedienden
Οὐδέποτε
(Oudepote)
nooit
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
οὕτως
(houtos)
zo
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
Bron: SBLGNT
Lezing
In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat erachter ‘zoals deze mens’.
De SBLGNT heeft dat niet.
47Daarop antwoordden de Farizeeën hun: „Zijn ook jullie misleid?
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
οὖν
(oun)
dus
αὐτοῖς
(autois)
hun
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
Μὴ
(Me)
toch niet
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
πεπλάνησθε
(peplanesthe)
zijn misleid
Bron: SBLGNT
48Heeft soms iemand van de leiders in Hem geloofd, of van de Farizeeën?
μή
(me)
toch niet
τις
(tis)
iemand
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ἀρχόντων
(archonton)
leiders
ἐπίστευσεν
(episteusen)
geloofde
εἰς
(eis)
in
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἢ
(e)
of
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
Bron: SBLGNT
49Maar deze menigte, die de wet niet kent, is vervloekt.”
ἀλλὰ
(alla)
maar
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
οὗτος
(houtos)
deze
ὁ
(ho)
die
μὴ
(me)
niet
γινώσκων
(ginoskon)
kent
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
ἐπάρατοί
(eparatoi)
vervloekt
εἰσιν
(eisin)
zijn
Bron: SBLGNT
50Nikodemus, die eerder naar Hem toe was gekomen en een van hen was, zei tegen hen:
λέγει
(legei)
zegt
Νικόδημος
(Nikodemos)
Nikodemus
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
ὁ
(ho)
die
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen was
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
πρότερον
(proteron)
eerder
εἷς
(heis)
een
ὢν
(on)
zijnde
ἐξ
(ex)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg
Nikodemus: zie 3:1–2 en 19:39.
51„Onze wet oordeelt toch niet over een mens, tenzij zij eerst van hem gehoord heeft en weet wat hij doet?”
Μὴ
(Me)
toch niet
ὁ
(ho)
de
νόμος
(nomos)
wet
ἡμῶν
(hemon)
onze
κρίνει
(krinei)
oordeelt
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ἐὰν
(ean)
als
μὴ
(me)
niet
ἀκούσῃ
(akouse)
zij hoort
πρῶτον
(proton)
eerst
παρ’
(par’)
van
αὐτοῦ
(autou)
hem
καὶ
(kai)
en
γνῷ
(gno)
zij weet
τί
(ti)
wat
ποιεῖ
(poiei)
hij doet
Bron: SBLGNT
52Zij antwoordden en zeiden tegen hem: „Ben jij soms ook uit Galilea? Onderzoek het en kijk: uit Galilea staat geen profeet op.”
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Μὴ
(Me)
toch niet
καὶ
(kai)
ook
σὺ
(sy)
jij
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
εἶ
(ei)
ben
ἐραύνησον
(erauneson)
onderzoek
καὶ
(kai)
en
ἴδε
(ide)
kijk
ὅτι
(hoti)
dat
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
προφήτης
(prophetes)
profeet
οὐκ
(ouk)
niet
ἐγείρεται
(egeiretai)
staat op
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.
Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.
Uitleg
Het Grieks heeft ‘een profeet’; in vers 40 noemde de menigte ‘de profeet’.
De profeet Jona kwam uit Gat-Chefer (2 Kon. 14:25), een plaats in het gebied van Zebulon (Joz. 19:10–13), dus uit Galilea.
In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgen hier de verzen 7:53–8:11, die in de oudste handschriften ontbreken; wij vertalen ze niet.