Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De oversten klagen Jeremia aan
1Sjefatja, de zoon van Mattan, Gedalja, de zoon van Pashchur, Jukal, de zoon van Sjelemja, en Pashchur, de zoon van Malkia, hoorden de woorden die Jeremia tot heel het volk sprak:
וַיִּשְׁמַ֞ע
(vayishma)
en hoorde
שְׁפַטְיָ֣ה
(shefatya)
Sjefatja
בֶן
(ben)
zoon van
מַתָּ֗ן
(matan)
Mattan
וּגְדַלְיָ֨הוּ֙
(ugedalyahu)
en Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
פַּשְׁח֔וּר
(pashchur)
Pashchur
וְיוּכַל֙
(veyukhal)
en Jukal
בֶּן
(ben)
zoon van
שֶׁ֣לֶמְיָ֔הוּ
(shelemyahu)
Sjelemja
וּפַשְׁח֖וּר
(ufashchur)
en Pashchur
בֶּן
(ben)
zoon van
מַלְכִּיָּ֑ה
(malkiya)
Malkia
אֶ֨ת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
יִרְמְיָ֛הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מְדַבֵּ֥ר
(medaber)
sprekend
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פַּשְׁחוּר בֶּן־מַלְכִּיָּה (Pashchur ben-Malkiyah), ‘Pashchur, de zoon van Malkia’: dezelfde man die Zedekia eerder naar Jeremia stuurde (Jer. 21:1).
Hij is een andere man dan Pashchur, de zoon van Immer (Jer. 20:1).
יוּכַל (Yukhal), ‘Jukal’: in Jer. 37:3 staat יְהוּכַל (Yehukhal), ‘Jehuchal’. Het gaat waarschijnlijk om dezelfde man.
De woorden van Jeremia tot ‘heel het volk’ staan in vers 2–3.
2Zo zegt Yahweh: „Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, de honger en de pest. Maar wie naar de Chaldeeën uitgaat, zal leven. Zijn leven zal hem tot buit zijn, en hij zal leven.”
כֹּה֮
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
הַיֹּשֵׁב֙
(hayoshev)
wie blijft
בָּעִ֣יר
(bair)
in de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
יָמ֕וּת
(yamut)
zal sterven
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
בָּרָעָ֣ב
(baraav)
door de honger
וּבַדָּ֑בֶר
(uvadaver)
en door de pest
וְהַיֹּצֵ֤א
(vehayotse)
en wie uitgaat
אֶל
(el)
naar
הַכַּשְׂדִּים֙
(hakasdim)
de Chaldeeën
וְחָיָ֔ה
(vechaya)
zal leven
וְהָיְתָה
(vehayeta)
en zal zijn
לּ֥וֹ
(lo)
voor hem
נַפְשׁ֛וֹ
(nafsho)
zijn ziel
לְשָׁלָ֖ל
(leshalal)
tot buit
וָחָֽי
(vachay)
en zal leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit woord is bijna gelijk aan Jer. 21:9.
De uitdrukking ‘zijn leven zal hem tot buit zijn’ betekent: hij verliest alles, maar houdt zijn leven.
Het Hebreeuwse woord נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’, betekent hier ‘leven, het zelf’.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft יִחְיֶה, het qere וְחָיָה.
4De oversten zeiden tegen de koning: „Laat deze man toch ter dood brengen. Want zo maakt hij de handen slap van de krijgsmannen die in deze stad zijn overgebleven, en de handen van heel het volk. Hij doet dat door zulke woorden tot hen te spreken. Want deze man zoekt niet de vrede van dit volk, maar het onheil.”
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
הַשָּׂרִ֜ים
(hasarim)
de oversten
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
י֣וּמַת
(yumat)
laat worden gedood
נָא֮
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּה֒
(haze)
deze
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
om
כֵּ֡ן
(ken)
zo
הֽוּא
(hu)
hij
מְרַפֵּ֡א
(merape)
maakt slap
אֶת
(et)
(obj.)
יְדֵי֩
(yedei)
de handen van
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
de mannen van
הַמִּלְחָמָ֜ה
(hamilchama)
de oorlog
הַֽנִּשְׁאָרִ֣ים
(hanisharim)
die overblijven
בָּעִ֣יר
(bair)
in de stad
הַזֹּ֗את
(hazot)
deze
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
יְדֵ֣י
(yedei)
de handen van
כָל
(kal)
heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
door te spreken
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
כַּדְּבָרִ֖ים
(kadevarim)
zoals de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
כִּ֣י
(ki)
want
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
אֵינֶ֨נּוּ
(einenu)
niet
דֹרֵ֧שׁ
(doresh)
zoekt
לְשָׁל֛וֹם
(leshalom)
vrede
לָעָ֥ם
(laam)
voor het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
כִּ֥י
(ki)
maar
אִם
(im)
wel
לְרָעָֽה
(leraa)
het onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְרַפֵּא יְדֵי (merappe yedei), ‘maakt de handen slap’: het werkwoord רָפָה (rafah) betekent ‘slap maken, de moed ontnemen’.
Het beeld is: de handen van de krijgsmannen worden te zwak om te vechten.
Zie ook Ezra 4:4.
שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: de oversten zeggen dat Jeremia niet de vrede van het volk zoekt, maar het onheil (רָעָה, ra’ah). Dat is het tegenovergestelde van wat hij werkelijk wil.
6Zij namen Jeremia en wierpen hem in de put van Malkia, de zoon van de koning, die op de binnenplaats van de wacht was. Zij lieten Jeremia met touwen af. In de put was geen water, alleen modder. Jeremia zonk weg in de modder.
וַיִּקְח֣וּ
(vayiqchu)
en zij namen
אֶֽת
(et)
(obj.)
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
וַיַּשְׁלִ֨כוּ
(vayashlikhu)
en wierpen
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
in
הַבּ֣וֹר
(habor)
de put
מַלְכִּיָּ֣הוּ
(malkiyahu)
Malkia
בֶן
(ben)
zoon van
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בַּחֲצַ֣ר
(bachatsar)
in de voorhof van
הַמַּטָּרָ֔ה
(hamatara)
de wacht
וַיְשַׁלְּח֥וּ
(vayshalechu)
en zij lieten af
אֶֽת
(et)
(obj.)
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בַּחֲבָלִ֑ים
(bachavalim)
met touwen
וּבַבּ֤וֹר
(uvabor)
en in de put
אֵֽין
(ein)
niet was
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
טִ֔יט
(tit)
modder
וַיִּטְבַּ֥ע
(vayitba)
en zonk weg
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בַּטִּֽיט
(batit)
in de modder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בּוֹר (bor), ‘put’: een uitgegraven opslagplaats voor regenwater.
Hier is hij leeg, op de modder na.
Vergelijk Gen. 37:20, waar Jozef in een put wordt geworpen.
מַלְכִּיָּהוּ בֶן־הַמֶּלֶךְ (Malkiyahu ben-hammelekh), ‘Malkia, de zoon van de koning’: een koninklijke ambtenaar of een zoon van de koning. De put hoort bij de binnenplaats van de wacht (zie ook Jer. 37:21).
טִיט (tit), ‘modder’: Jeremia zinkt erin weg. Zie ook Ps. 40:3 en 69:3.
7Ebed-Melech, de Kushiet, een hofdienaar die in het huis van de koning was, hoorde dat zij Jeremia in de put hadden gezet. De koning zat toen in de Poort van Benjamin.
וַיִּשְׁמַ֡ע
(vayishma)
en hoorde
עֶֽבֶד
(eved)
Ebed
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
Melech
הַכּוּשִׁ֜י
(hakushi)
de Kushiet
אִ֣ישׁ
(ish)
man
סָרִ֗יס
(saris)
hofdienaar
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּֽי
(ki)
dat
נָתְנ֥וּ
(natenu)
zij hadden gezet
אֶֽת
(et)
(obj.)
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶל
(el)
in
הַבּ֑וֹר
(habor)
de put
וְהַמֶּ֥לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
zittend
בְּשַׁ֥עַר
(beshaar)
in de poort van
בִּנְיָמִֽן
(binyamin)
Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Poort van Benjamin (ligging onzeker): De Poort van Benjamin was een stadspoort aan de noordkant van Jeruzalem, op de weg naar het land Benjamin.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
עֶבֶד־מֶלֶךְ (Eved-Melekh), ‘Ebed-Melech’: de naam betekent ‘dienaar van de koning’.
הַכּוּשִׁי (hakKushi), ‘de Kushiet’: een man uit Kush, het land ten zuiden van Egypte. Zie ook Jer. 39:15–18, waar Yahweh hem een belofte doet.
סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: het woord kan ook ‘eunuch’ betekenen. Wij vertalen ‘hofdienaar’, zoals in 2 Kon. 25:19.
שַׁעַר בִּנְיָמִן (sha’ar Binyamin), ‘de Poort van Benjamin’: zie Jer. 37:13. De koning zit daar in de poort; een poort was ook de plaats waar men recht sprak.
8Ebed-Melech ging uit het huis van de koning en zei tegen de koning:
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en ging uit
עֶֽבֶד
(eved)
Ebed
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
Melech
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9„Mijn heer de koning, deze mannen hebben kwaad gedaan in alles wat zij met Jeremia, de profeet, hebben gedaan. Zij hebben hem in de put geworpen. Hij zal daar sterven van de honger, want er is geen brood meer in de stad.”
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הֵרֵ֜עוּ
(hereu)
hebben kwaad gedaan
הָאֲנָשִׁ֤ים
(haanashim)
de mannen
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wat
עָשׂוּ֙
(asu)
zij hebben gedaan
לְיִרְמְיָ֣הוּ
(leyirmeyahu)
aan Jeremia
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
הִשְׁלִ֖יכוּ
(hishlikhu)
zij hebben geworpen
אֶל
(el)
in
הַבּ֑וֹר
(habor)
de put
וַיָּ֤מָת
(vayamat)
en hij zal sterven
תַּחְתָּיו֙
(tachtav)
ter plaatse
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
הָֽרָעָ֔ב
(haraav)
de honger
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet is
הַלֶּ֛חֶם
(halechem)
het brood
ע֖וֹד
(od)
meer
בָּעִֽיר
(bair)
in de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיָּמָת (vayyamot), ‘en hij zal sterven’: letterlijk ‘en hij is gestorven’, in een vorm die ook een wens of een gevolg kan zijn.
Wij vertalen ‘hij zal sterven’.
תַּחְתָּיו (tachtav), ‘ter plaatse’: letterlijk ‘onder zich’; hij sterft daar waar hij is, in de put.
כִּי אֵין הַלֶּחֶם עוֹד בָּעִיר (ki ein hallechem od ba’ir), ‘want er is geen brood meer in de stad’: de hongersnood tijdens het beleg. In Jer. 37:21 kreeg Jeremia nog elke dag brood.
11Ebed-Melech nam de mannen met zich mee en ging het huis van de koning binnen, naar een ruimte onder de voorraadkamer. Daar haalde hij versleten lappen en versleten vodden vandaan. Hij liet ze met touwen naar Jeremia in de put zakken.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
עֶֽבֶד
(eved)
Ebed
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
Melech
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲנָשִׁ֜ים
(haanashim)
de mannen
בְּיָד֗וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
בֵית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
naar
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הָאוֹצָ֔ר
(haotsar)
de voorraadkamer
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
מִשָּׁם֙
(misham)
vandaar
בְּלוֹיֵ֣
(beloye)
versleten stukken van
סְחָב֔וֹת
(sechavot)
lappen
וּבְלוֹיֵ֖
(uveloye)
en versleten stukken van
מְלָחִ֑ים
(melachim)
vodden
וַיְשַׁלְּחֵ֧ם
(vayshalechem)
en liet ze zakken
אֶֽל
(el)
naar
יִרְמְיָ֛הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶל
(el)
in
הַבּ֖וֹר
(habor)
de put
בַּחֲבָלִֽים
(bachavalim)
met touwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָאוֹצָר (ha’otsar), ‘de voorraadkamer’: een opslagplaats in het paleis voor kostbaarheden of voorraden.
בְּלוֹיֵ סְחָבוֹת וּבְלוֹיֵ מְלָחִים (beloyei sechavot uvloyei melachim), ‘versleten lappen en versleten vodden’: de woorden סְחָבוֹת (sechavot) en מְלָחִים (melachim) komen alleen in dit hoofdstuk voor. De betekenis ‘lappen, vodden’ volgt uit de samenhang.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft הַסְּחָבוֹת, met lidwoord, het qere סְחָבוֹת.
De betekenis is gelijk.
Wij volgen het qere.
12Ebed-Melech, de Kushiet, zei tegen Jeremia: „Leg toch deze versleten lappen en vodden onder je oksels, onder de touwen.” Jeremia deed dat.
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en zei
עֶבֶד
(eved)
Ebed
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
Melech
הַכּוּשִׁ֜י
(hakushi)
de Kushiet
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
שִׂ֣ים
(sim)
leg
נָ֠א
(na)
toch
בְּלוֹאֵ֨י
(beloei)
de versleten stukken van
הַסְּחָב֤וֹת
(hasechavot)
de lappen
וְהַמְּלָחִים֙
(vehamelachim)
en de vodden
תַּ֚חַת
(tachat)
onder
אַצִּל֣וֹת
(atsilot)
de oksels van
יָדֶ֔יךָ
(yadeikha)
je armen
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
onder
לַחֲבָלִ֑ים
(lachavalim)
de touwen
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַצִּלוֹת יָדֶיךָ (atsillot yadekha), ‘oksels’: letterlijk ‘gewrichten van je handen’.
De lappen worden onder de oksels gelegd, zodat de touwen niet in zijn huid snijden.
14Koning Zedekia stuurde iemand en liet Jeremia, de profeet, bij zich komen, bij de derde ingang van het huis van Yahweh. De koning zei tegen Jeremia: „Ik vraag je iets. Verberg niets voor mij.”
וַיִּשְׁלַ֞ח
(vayishlach)
en zond
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
צִדְקִיָּ֗הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en liet halen
אֶֽת
(et)
(obj.)
יִרְמְיָ֤הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִיא֙
(hanavi)
de profeet
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
אֶל
(el)
naar
מָבוֹא֙
(mavo)
de ingang
הַשְּׁלִישִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּבֵ֣ית
(beveit)
bij het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
שֹׁאֵ֨ל
(shoel)
vragend
אֲנִ֤י
(ani)
ik
אֹֽתְךָ֙
(otekha)
aan u
דָּבָ֔ר
(davar)
een zaak
אַל
(al)
niet
תְּכַחֵ֥ד
(tekhached)
verberg
מִמֶּ֖נִּי
(mimeni)
voor mij
דָּבָֽר
(davar)
iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָבוֹא הַשְּׁלִישִׁי (mavo hashelishi), ‘de derde ingang’: een ingang bij het huis van Yahweh.
Waar die lag, is niet bekend.
Het gesprek is in het geheim, net als in Jer. 37:17.
16Koning Zedekia zwoer in het geheim tegen Jeremia: „Zo waar Yahweh leeft, die ons dit leven heeft gegeven: ik zal je niet doden. Ik zal je ook niet overgeven in de hand van deze mannen die je het leven willen nemen.”
וַיִּשָּׁבַ֞ע
(vayishava)
en zwoer
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
צִדְקִיָּ֛הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בַּסֵּ֣תֶר
(baseter)
in het geheim
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
חַי
(chay)
zo waar leeft
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
עָשָׂה
(asa)
heeft gemaakt
לָ֨נוּ
(lanu)
voor ons
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֤פֶשׁ
(hanefesh)
de ziel
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
אִם
(im)
indien
אֲמִיתֶ֔ךָ
(amitekha)
ik u dood
וְאִם
(veim)
en indien
אֶתֶּנְךָ֗
(etenkha)
ik u geef
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
הָאֲנָשִׁ֣ים
(haanashim)
de mannen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מְבַקְשִׁ֖ים
(mevaqshim)
zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֶֽׁךָ
(nafshekha)
uw ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַי־יְהוָה (chai-Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eedformule.
De koning zweert bij Yahweh, die ‘ons dit leven (nefesh) heeft gegeven’.
אִם אֲמִיתֶךָ (im amitekha), ‘indien ik je dood’: de gebruikelijke vorm van een eed: ‘ik zal u niet doden’. Wij vertalen de gedachte.
17Jeremia zei tegen Zedekia: Zo zegt Yahweh, Elohim van de legermachten, de Elohim van Israël: „Als je zeker uitgaat naar de oversten van de koning van Babel, dan zul je in leven blijven. Deze stad zal niet met vuur verbrand worden, en jij en je huis zullen in leven blijven.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יִרְמְיָ֣הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶל
(el)
tot
צִדְקִיָּ֡הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨י
(elohei)
Elohim van
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אִם
(im)
als
יָצֹ֨א
(yatso)
uitgaan
תֵצֵ֜א
(tetse)
zul je uitgaan
אֶל
(el)
naar
שָׂרֵ֤י
(sarei)
de oversten van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
וְחָיְתָ֣ה
(vechayeta)
dan zal leven
נַפְשֶׁ֔ךָ
(nafshekha)
je ziel
וְהָעִ֣יר
(vehair)
en de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשָּׂרֵ֖ף
(tisaref)
zal worden verbrand
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
וְחָיִ֖תָה
(vechayita)
en zal leven
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
וּבֵיתֶֽךָ
(uveitekha)
en je huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
יָצֹא תֵצֵא (yatso tetse), ‘zeker uitgaan’: ‘uitgaan naar de oversten van de koning van Babel’ betekent zich overgeven.
Zie ook 2 Kon. 24:12, waar Jojachin dat deed.
De voorwaarde en de belofte staan hier: als Zedekia zich overgeeft, blijft hij in leven en wordt de stad gespaard.
18Maar als je niet uitgaat naar de oversten van de koning van Babel, dan zal deze stad in de hand van de Chaldeeën worden gegeven. Zij zullen haar met vuur verbranden, en jij zult niet aan hun hand ontkomen.”
וְאִ֣ם
(veim)
en als
לֹֽא
(lo)
niet
תֵצֵ֗א
(tetse)
je uitgaat
אֶל
(el)
naar
שָׂרֵי֙
(sarei)
de oversten van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְנִתְּנָ֞ה
(venitena)
dan zal worden gegeven
הָעִ֤יר
(hair)
de stad
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
וּשְׂרָפ֖וּהָ
(userafuha)
en zij zullen haar verbranden
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
לֹֽא
(lo)
niet
תִמָּלֵ֥ט
(timalet)
zult ontkomen
מִיָּדָֽם
(miyadam)
aan hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
De tweede mogelijkheid: als Zedekia niet uitgaat, wordt de stad verbrand en komt hij zelf in de hand van de Chaldeeën.
19Koning Zedekia zei tegen Jeremia: „Ik ben bang voor de Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgelopen. Straks geven zij mij in hun hand en mishandelen zij mij.”
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֑הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אֲנִ֧י
(ani)
ik
דֹאֵ֣ג
(doeg)
ben bang
אֶת
(et)
(obj.)
הַיְּהוּדִ֗ים
(hayehudim)
de Judeeërs
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נָֽפְלוּ֙
(nafelu)
zijn overgelopen
אֶל
(el)
naar
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
פֶּֽן
(pen)
opdat niet
יִתְּנ֥וּ
(yitenu)
zij mij geven
אֹתִ֛י
(oti)
mij
בְּיָדָ֖ם
(beyadam)
in hun hand
וְהִתְעַלְּלוּ
(vehitalelu)
en zij mishandelen
בִֽי
(bi)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִתְעַלֵּל (hit’allel), ‘mishandelen’: het werkwoord betekent ‘iemand ruw behandelen, met hem spotten’.
Zie ook 1 Sam. 31:4.
הַיְּהוּדִים אֲשֶׁר נָפְלוּ (hayehudim asher naflu), ‘de Judeeërs die zijn overgelopen’: Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgegaan (Jer. 39:9; 2 Kon. 25:11). Zedekia is bang dat zij hem zullen bespotten.
20Jeremia zei: „Zij zullen u niet overgeven. Luister toch naar de stem van Yahweh, in wat ik tot u zeg. Dan zal het goed met u gaan en zult u in leven blijven.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
לֹ֣א
(lo)
niet
יִתֵּ֑נוּ
(yitenu)
zullen zij geven
שְֽׁמַֽע
(shema)
luister
נָ֣א
(na)
toch
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לַאֲשֶׁ֤ר
(laasher)
in wat
אֲנִי֙
(ani)
ik
דֹּבֵ֣ר
(dover)
spreek
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot u
וְיִ֥יטַב
(veyitav)
en het zal goed gaan
לְךָ֖
(lekha)
met u
וּתְחִ֥י
(utechi)
en zal leven
נַפְשֶֽׁךָ
(nafshekha)
uw ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De rede van Jeremia tot de koning loopt door tot en met vers 23.
Wat Yahweh hem heeft laten zien, brengt hij in zijn eigen woorden; wij zetten het zwart.
22Zie, alle vrouwen die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, worden uitgeleid naar de oversten van de koning van Babel. Zij zeggen: ‘Uw vrienden hebben u misleid en overmeesterd. Uw voeten zijn in de modder gezonken. Zij zijn teruggeweken.’
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
כָל
(kal)
alle
הַנָּשִׁ֗ים
(hanashim)
de vrouwen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נִשְׁאֲרוּ֙
(nisharu)
zijn overgebleven
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מוּצָא֕וֹת
(mutsaot)
uitgeleid
אֶל
(el)
naar
שָׂרֵ֖י
(sarei)
de oversten van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
וְהֵ֣נָּה
(vehena)
en zij
אֹמְר֗וֹת
(omerot)
zeggend
הִסִּית֜וּךָ
(hisitukha)
hebben u misleid
וְיָכְל֤וּ
(veyakhelu)
en hebben overmeesterd
לְךָ֙
(lekha)
u
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
שְׁלֹמֶ֔ךָ
(shelomekha)
uw vrede
הָטְבְּע֥וּ
(hatbeu)
zijn gezonken
בַבֹּ֛ץ
(babots)
in de modder
רַגְלֶ֖ךָ
(raglekha)
uw voeten
נָסֹ֥גוּ
(nasogu)
zij zijn teruggeweken
אָחֽוֹר
(achor)
achterwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
אַנְשֵׁי שְׁלֹמֶךָ (anshei shelomekha), ‘de mannen van je vrede’: je vrienden, je bondgenoten.
Zie ook Ps. 41:10 en Obad. 1:7.
בֹּץ (botz), ‘modder’: een ander woord dan טִיט (tit) in vers 6. Het beeld van voeten die in de modder wegzakken, past bij de put van Jeremia (vers 6).
23Al uw vrouwen en uw zonen worden naar de Chaldeeën uitgeleid. U zelf zult niet aan hun hand ontkomen, want u wordt gegrepen door de hand van de koning van Babel. En deze stad zal met vuur worden verbrand.”
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
נָשֶׁ֣יךָ
(nasheikha)
uw vrouwen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנֶ֗יךָ
(baneikha)
uw zonen
מֽוֹצִאִים֙
(motsiim)
uitleidend
אֶל
(el)
naar
הַכַּשְׂדִּ֔ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en u
לֹא
(lo)
niet
תִמָּלֵ֣ט
(timalet)
zult ontkomen
מִיָּדָ֑ם
(miyadam)
aan hun hand
כִּ֣י
(ki)
want
בְיַ֤ד
(beyad)
door de hand van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶל֙
(bavel)
Babel
תִּתָּפֵ֔שׂ
(titafes)
zult gegrepen worden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
תִּשְׂרֹ֥ף
(tisrof)
zal worden verbrand
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
24Zedekia zei tegen Jeremia: „Laat niemand van deze woorden weten, dan zul je niet sterven.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
צִדְקִיָּ֜הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
אִ֛ישׁ
(ish)
niemand
אַל
(al)
laat niet
יֵדַ֥ע
(yeda)
weten
בַּדְּבָֽרִים
(badevarim)
van de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תָמֽוּת
(tamut)
zul je sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zedekia vraagt Jeremia het gesprek geheim te houden.
25Als de oversten horen dat ik met je gesproken heb, en zij komen naar je toe en zeggen tegen je: ‘Vertel ons toch wat je tegen de koning hebt gezegd. Verberg het niet voor ons, dan doden wij je niet. Wat heeft de koning tegen je gezegd?’
וְכִֽי
(vekhi)
en als
יִשְׁמְע֣וּ
(yishmeu)
zullen horen
הַשָּׂרִים֮
(hasarim)
de oversten
כִּֽי
(ki)
dat
דִבַּ֣רְתִּי
(dibarti)
ik heb gesproken
אִתָּךְ֒
(itakh)
met je
וּבָ֣אוּ
(uvau)
en zij komen
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
naar je
וְֽאָמְר֪וּ
(veameru)
en zeggen
אֵלֶ֟יךָ
(eleikha)
tegen je
הַגִּֽידָה
(hagida)
vertel
נָּ֨א
(na)
toch
לָ֜נוּ
(lanu)
ons
מַה
(ma)
wat
דִּבַּ֧רְתָּ
(dibarta)
heb je gesproken
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַל
(al)
niet
תְּכַחֵ֥ד
(tekhached)
verberg
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
voor ons
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נְמִיתֶ֑ךָ
(nemitekha)
zullen wij je doden
וּמַה
(uma)
en wat
דִּבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot je
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zin loopt door tot en met vers 26: ‘Als de oversten horen … dan moet je tegen hen zeggen’.
26Dan moet je tegen hen zeggen: ‘Ik leg mijn smeekbede voor de koning neer, zodat hij mij niet terugbrengt naar het huis van Jonatan om daar te sterven.’”
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
מַפִּיל
(mapil)
ik laat vallen
אֲנִ֥י
(ani)
ik
תְחִנָּתִ֖י
(techinati)
mijn smeekbede
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְבִלְתִּ֧י
(levilti)
zodat niet
הֲשִׁיבֵ֛נִי
(hashiveni)
hij mij laat terugkeren
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוֹנָתָ֖ן
(yehonatan)
Jonatan
לָמ֥וּת
(lamut)
om te sterven
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jeremia moet de oversten alleen zijn smeekbede melden.
Dat is waar, want hij had de koning dat verzoek gedaan (Jer. 37:20).
27Alle oversten kwamen naar Jeremia en vroegen het hem. Hij vertelde hun precies wat de koning geboden had. Toen lieten zij hem met rust, want het gesprek was niet gehoord.
וַיָּבֹ֨אוּ
(vayavou)
en kwamen
כָל
(kal)
alle
הַשָּׂרִ֤ים
(hasarim)
de oversten
אֶֽל
(el)
naar
יִרְמְיָ֨הוּ֙
(yirmeyahu)
Jeremia
וַיִּשְׁאֲל֣וּ
(vayishalu)
en vroegen
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
וַיַּגֵּ֤ד
(vayaged)
en hij vertelde
לָהֶם֙
(lahem)
hun
כְּכָל
(kekhal)
overeenkomstig alle
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוָּ֖ה
(tsiva)
had geboden
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּחֲרִ֣שׁוּ
(vayacharishu)
en zij zwegen
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
voor hem
כִּ֥י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
נִשְׁמַ֖ע
(nishma)
was gehoord
הַדָּבָֽר
(hadavar)
het gesprek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיַּחֲרִשׁוּ מִמֶּנּוּ (vayacharishu mimmennu), ‘en zij zwegen tegen hem’: het werkwoord חָרַשׁ (charash) betekent ‘zwijgen, zich stil houden’.
Wij nemen aan: zij lieten hem met rust.
Het is niet zeker.
כִּי לֹא נִשְׁמַע הַדָּבָר (ki lo nishma haddavar), ‘want het gesprek was niet gehoord’: niemand had het gesprek met de koning afgeluisterd.