Handelingen 1
De Hemelvaart en de keuze van Matthias
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het voorwoord
λόγος (logos), ‘woord’: hier het eerste boek van Lucas, ons Lucasevangelie (Luc. 1:1–4).
Theofilus is dezelfde man aan wie dat boek gericht was.
De schrijver spreekt hier zelf in de eerste persoon; daarom staat er ‘ik’.
Zie ook Luc. 1:1–4.
ἀνελήμφθη (anelemphthe), ‘werd opgenomen’, van ἀναλαμβάνω (analambano), ‘omhoog nemen’: de Hemelvaart (zie vers 9–11 en 22).
De woorden ‘door de Heilige Geest’ kunnen bij ‘opdracht gegeven’ of bij ‘uitgekozen’ horen.
Wij volgen de woordvolgorde van het Grieks.
Zie ook Luc. 24:50–51.
τεκμήριον (tekmerion), ‘bewijs’: een zeker teken waaraan men iets kan vaststellen. ὀπτάνομαι (optanomai), ‘Zich laten zien’.
Het getal 40 komt in de Bijbel vaak voor als een tijd van voorbereiding (Exod. 24:18; Matt. 4:2).
Zie ook Luc. 24:36–49; Joh. 20:19–21:14.
De belofte van de Heilige Geest
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
συναλιζόμενος (synalizomenos), ‘samen zijnd met’: het woord kan ook ‘samen eten’ of ‘samen verblijven’ betekenen.
Wij kiezen de brede betekenis ‘samen zijn’.
Vanaf ‘Die hebben jullie van Mij gehoord’ gaat het Grieks over in rechtstreekse rede van Yeshua; daarom begint hier het rood. ἐπαγγελία (epangelia), ‘belofte’: de Heilige Geest (zie vers 5 en 8).
Zie ook Luc. 24:49; Joh. 14:26; Joël 3:1–5 (in de Nederlandse telling is dit 2:28–32).
βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen.
De uitdrukking ‘gedoopt met de Heilige Geest’ is letterlijk ‘gedoopt in Geest’. οὐ μετὰ πολλὰς ταύτας ἡμέρας (ou meta pollas tautas hemeras) is letterlijk ‘niet na veel van deze dagen’: binnen enkele dagen.
Zie ook Matt. 3:11; Mark. 1:8; Luc. 3:16; Joh. 1:33.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.
Het komt overeen met het oude Juda.
Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever.
μάρτυς (martys), ‘getuige’: iemand die verklaart wat hij gezien en gehoord heeft.
Deze zin geeft de opbouw van het boek: Jeruzalem, Judea en Samaria, en de uiteinden van de aarde.
Vergelijk de woorden over de Knecht van Yahweh in Jes. 49:6.
Zie ook Luc. 24:48–49; Jes. 49:6.
Yeshua wordt opgenomen in de hemel
ἐπήρθη (eperthe), ‘werd opgetild’. νεφέλη (nephele), ‘wolk’: in de Bijbel een teken van de nabijheid van Elohim (Exod. 40:34–35).
Vergelijk ook Dan. 7:13, waar iemand als een mensenzoon met de wolken van de hemel komt.
Zie ook Luc. 24:50–51; Mark. 16:19; Exod. 40:34–35; Dan. 7:13.
Γαλιλαῖοι (Galilaioi), ‘Galileeërs’: mensen uit Galilea, het gebied waar Yeshua en veel van Zijn leerlingen vandaan kwamen.
‘Zo zal Hij komen’ verwijst naar de komst van Yeshua.
Vergelijk Zach. 14:4, waar de voeten van Yahweh op de Olijfberg staan.
Zie ook Matt. 24:30; Zach. 14:4.
De terugkeer naar Jeruzalem
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal.
Ἐλαιών (Elaion), ‘Olijfberg’: de heuvelrug ten oosten van Jeruzalem (Luc. 24:50 noemt Betanië). σαββάτου ὁδός (sabbatou hodos), ‘sabbatsreis’: de afstand die men op sabbat mocht lopen.
Volgens de overlevering was dat ongeveer 2000 el, dus ongeveer 900 meter; vergelijk Num. 35:5.
Zie ook Luc. 24:50; Zach. 14:4.
ὑπερῷον (hyperoon), ‘bovenzaal’: een kamer op de verdieping.
In Mark. 14:15 en Luc. 22:12 staat een ander Grieks woord, ἀνάγαιον (anagaion), dat wij ook met ‘bovenzaal’ vertalen.
Het Grieks zegt niet dat het dezelfde kamer is.
De lijst van de apostelen lijkt op Luc. 6:14–16; Judas Iskariot ontbreekt. Het Grieks heeft bij ‘Jakobus’ en ‘Judas’ alleen ‘van Alfeüs’ en ‘van Jakobus’. Wij vullen ‘zoon’ aan, zoals in Luc. 6:15–16.
Zie ook Luc. 6:14–16; Matt. 10:2–4; Mark. 3:16–19.
ὁμοθυμαδόν (homothymadon), ‘eensgezind’: letterlijk ‘met één gemoed’.
Dit woord komt in dit boek vaker voor (2:46; 4:24). προσκαρτερέω (proskartereo), ‘volharden’: ergens vasthoudend bij blijven; wij vertalen het overal zo (ook 2:42, 2:46).
Zie ook Luc. 8:2–3; Luc. 24:10; Mark. 6:3.
Een opvolger voor Judas
ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: een gewone aanspreking onder volksgenoten en gelovigen.
Het Grieks woord kan ook een groep van mannen en vrouwen aanduiden.
Wij vertalen het overal met ‘broers’. ὄχλος ὀνομάτων (ochlos onomaton), ‘menigte van namen’: ‘namen’ staat hier voor personen.
ὁδηγός (hodegos), ‘gids’: iemand die de weg wijst.
Het Grieks zegt dat de Schrift ‘moest’ (ἔδει, edei) vervuld worden: Elohim had dit voorzien.
Voor de Schriftplaatsen, zie vers 20.
De Heilige Geest sprak ‘door de mond van David’: de psalmen die in vers 20 worden aangehaald, worden hier aan David toegeschreven.
Zie ook Luc. 22:47–48; Joh. 18:2–3.
κλῆρος (kleros), ‘aandeel’: eigenlijk ‘lot’; wat iemand bij loting ontvangt. διακονία (diakonia), ‘dienst’: het werk van de apostelen.
Matteüs vertelt dat Judas zich verhing en dat de hogepriesters de akker kochten (Matt. 27:5–8).
Hier is Judas zelf de koper.
Of vers 18–19 woorden van Petrus zijn of een opmerking van de schrijver, zegt het Grieks niet; wij houden ze binnen de aanhalingstekens van Petrus.
Wij vertalen beide verhalen letterlijk. πρηνὴς γενόμενος (prenes genomenos), ‘voorover geworden’: het woord is zeldzaam; wij vertalen ‘hij viel voorover’. ἐλάκησεν (elakesen), ‘barstte open’.
Zie ook Matt. 27:3–10.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Akker van Bloed (Hakeldama; ligging onzeker): De Akker van de Pottenbakker, later Akker van Bloed (Hakeldama), wordt van oudsher gezocht aan de zuidkant van het dal van Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem.
Dit is niet zeker.
‘In hun eigen taal’ is het Aramees. Ἁκελδαμάχ (Hakeldamach) is de Griekse schrijfwijze van het Aramese ‘akker van bloed’.
In Matt. 27:8 heet de akker ‘Akker van Bloed’.
Zie ook Matt. 27:8.
Het eerste citaat is Ps. 69:26 (in de Nederlandse telling is dit 69:25), het tweede Ps. 109:8.
Het Hebreeuws heeft in Ps. 69:26 ‘hun kamp’ en ‘hun tenten’ (meervoud); de Griekse tekst heeft ‘zijn verblijf’ en ‘erin’ (enkelvoud), zodat het op één man past. ἔπαυλις (epaulis), ‘verblijf’: hoeve of landgoed. ἐπισκοπή (episkope), ‘ambt als opziener’: het Hebreeuwse פְּקֻדָּה (pequddah) betekent ‘toezicht, ambt’.
Vergelijk ἐπίσκοπος (episkopos), ‘opziener’, in 20:28.
Zie ook Ps. 69:26; Ps. 109:8.
κύριος (kyrios), ‘Heer’: Yeshua wordt in de verteltekst en in de woorden van de leerlingen ‘de Heer’ genoemd (met hoofdletter).
Het is een titel van eerbied.
Waar het Oude Testament wordt geciteerd of een formule uit het Oude Testament wordt gebruikt, staat Yahweh.
Zie Luc. 1:43 en 7:13.
‘In en uit gaan’ is een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘onder mensen leven en werken’.
Zie ook Luc. 1:43; Luc. 7:13.
Matthias wordt gekozen
Βαρσαββᾶς (Barsabbas) is een Aramese bijnaam (‘zoon van …’); de precieze betekenis is onzeker. Ἰοῦστος (Ioustos), ‘Justus’, is een Latijnse bijnaam die ‘rechtvaardige’ betekent. Μαθθίας (Matthias) is een andere naam dan Μαθθαῖος (Matthaios), ‘Matteüs’, in vers 13; hij is de Griekse vorm van Mattitja, ‘gave van Yahweh’ (1 Kron. 15:18).
καρδιογνώστης (kardiognostes), ‘hartenkenner’: iemand die de harten van mensen kent.
Dit woord komt in het Nieuwe Testament alleen in Handelingen voor.
Het sluit aan bij 1 Sam. 16:7 en 1 Kon. 8:39.
Het woord staat ook in Hand. 15:8.
Het is onzeker of dit gebed zich richt tot de Heer Yeshua, die de apostelen koos (Luc. 6:13), of tot Elohim.
Wij vertalen ‘Heer’, zoals in vers 6 en 21.
Zie ook 1 Sam. 16:7; 1 Kon. 8:39; Luc. 6:13; Hand. 15:8.
παρέβη (parebe), ‘is afgeweken’: letterlijk ‘is ernaast gegaan’; ook ‘een overtreding begaan’. ἀποστολή (apostole), ‘apostelschap’.
‘Zijn eigen plaats’: het Grieks zegt niet welke plaats; vergelijk vers 18.
ἔδωκαν κλήρους (edokan klerous), ‘zij gaven loten’: zij wierpen het lot.
Dit past bij Spr. 16:33. συγκατεψηφίσθη (synkatepsephisthe), ‘werd meegeteld’: hij werd bij de elf gerekend, zodat er weer twaalf apostelen waren.
Zie ook Spr. 16:33.