Elohim Bijbel

Job 30

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Job beschrijft zijn ellende

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Nu lachen ze mij uit

1„Maar nu lachen ze mij uit, mensen jonger dan ik, van wie ik de vaders te min achtte om bij de honden van mijn kudde te zetten.
וְעַתָּ֤ה
(veata)
en nu
שָֽׂחֲק֣וּ
(sachaqu)
lachen
עָלַי֮
(alay)
om mij
צְעִירִ֥ים
(tseirim)
jonger
מִמֶּ֗נִּי
(mimeni)
dan ik
לְיָ֫מִ֥ים
(leyamim)
in dagen
אֲשֶׁר
(asher)
van wie
מָאַ֥סְתִּי
(maasti)
ik verachtte
אֲבוֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaders
לָ֝שִׁ֗ית
(lashit)
om te zetten
עִם
(im)
bij
כַּלְבֵ֥י
(kalvei)
honden van
צֹאנִֽי
(tsoni)
mijn kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het contrast met hoofdstuk 29 is groot: toen werd hij door jongeren en vorsten geëerd, nu lacht dat soort mensen hem uit.

De honden van de kudde waren in Jobs tijd verachte dieren; de vaders van deze mensen waren niet eens goed genoeg om bij die honden te werken.

2Ook de kracht van hun handen, wat heb ik eraan? Voor hen is de volle kracht verloren gegaan.
גַּם
(gam)
ook
כֹּ֣חַ
(koach)
kracht van
יְ֭דֵיהֶם
(yedeihem)
hun handen
לָ֣מָּה
(lama)
waartoe
לִּ֑י
(li)
mij
עָ֝לֵ֗ימוֹ
(aleimo)
voor hen
אָ֣בַד
(avad)
is verloren
כָּֽלַח
(kalach)
volle kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3In gebrek en honger zijn ze uitgeput. Ze knagen aan de dorre grond, gisteren nog woestenij en wildernis.
בְּחֶ֥סֶר
(becheser)
in gebrek
וּבְכָפָ֗ן
(uvekhafan)
en honger
גַּ֫לְמ֥וּד
(galmud)
uitgeput
הַֽעֹרְקִ֥ים
(haoreqim)
knagend aan
צִיָּ֑ה
(tsiya)
dorre grond
אֶ֝֗מֶשׁ
(emesh)
gisteren
שׁוֹאָ֥ה
(shoa)
woestenij
וּמְשֹׁאָֽה
(umeshoa)
en wildernis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze verschoppelingen leven in de woestijn en eten wat niemand eet.

Job beschrijft hun armoede om de schaamte te laten zien: juist zij bespotten nu hem.

4Ze plukken zoutkruid bij de struiken, en de wortel van de bremstruik is hun brood.
הַקֹּטְפִ֣ים
(haqotefim)
die plukken
מַלּ֣וּחַ
(maluach)
zoutkruid
עֲלֵי
(alei)
bij
שִׂ֑יחַ
(siach)
struik
וְשֹׁ֖רֶשׁ
(veshoresh)
en wortel van
רְתָמִ֣ים
(retamim)
bremstruiken
לַחְמָֽם
(lachmam)
hun brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלּוּחַ (malluach), ‘zoutkruid’, is een zoute plant van de steppe; רְתָמִים (retamim), ‘bremstruiken’, hebben wortels die als brandhout of noodvoedsel dienen (Ps. 120:4).

5Uit de samenleving worden ze verjaagd, men schreeuwt hen na als een dief.
מִן
(min)
uit
גֵּ֥ו
(gev)
samenleving
יְגֹרָ֑שׁוּ
(yegorashu)
worden ze verjaagd
יָרִ֥יעוּ
(yariu)
men schreeuwt
עָ֝לֵ֗ימוֹ
(aleimo)
tegen hen
כַּגַּנָּֽב
(kaganav)
als tegen een dief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6In de kloven van de beekbeddingen moeten ze wonen, in holen van de grond en rotsen.
בַּעֲר֣וּץ
(baaruts)
in kloof van
נְחָלִ֣ים
(nechalim)
beekdalen
לִשְׁכֹּ֑ן
(lishkon)
om te wonen
חֹרֵ֖י
(chorei)
holen van
עָפָ֣ר
(afar)
grond
וְכֵפִֽים
(vekhefim)
en rotsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Tussen de struiken balken ze, onder de distels verzamelen ze zich.
בֵּין
(bein)
tussen
שִׂיחִ֥ים
(sichim)
struiken
יִנְהָ֑קוּ
(yinhaqu)
balken ze
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
חָר֣וּל
(charul)
distels
יְסֻפָּֽחוּ
(yesupachu)
verzamelen ze zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zonen van dwazen, ja, zonen zonder naam, zijn uit het land weggeslagen.
בְּֽנֵי
(benei)
zonen van
נָ֭בָל
(naval)
dwazen
גַּם
(gam)
ook
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
בְלִי
(beli)
zonder
שֵׁ֑ם
(shem)
naam
נִ֝כְּא֗וּ
(nikeu)
zijn weggeslagen
מִן
(min)
uit
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9En nu ben ik hun spotlied geworden, ik ben een gespreksonderwerp voor hen geworden.
וְ֭עַתָּה
(veata)
en nu
נְגִינָתָ֣ם
(neginatam)
hun spotlied
הָיִ֑יתִי
(hayiti)
ben ik
וָאֱהִ֖י
(vaehi)
en ben geworden
לָהֶ֣ם
(lahem)
voor hen
לְמִלָּֽה
(lemila)
tot gespreksstof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Ze verafschuwen mij, houden afstand van mij en onthouden mijn gezicht het speeksel niet.
תִּֽ֭עֲבוּנִי
(tiavuni)
verafschuwen mij
רָ֣חֲקוּ
(rachaqu)
houden afstand
מֶ֑נִּי
(meni)
van mij
וּ֝מִפָּנַ֗י
(umipanay)
en van mijn gezicht
לֹא
(lo)
niet
חָ֥שְׂכוּ
(chasekhu)
onthouden ze
רֹֽק
(roq)
speeksel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Want Hij heeft mijn touw losgemaakt en mij vernederd, en ze hebben de teugel voor mij losgelaten.
כִּֽי
(ki)
want
יִתְרִ֣י
(yitri)
mijn touw
פִ֭תַּח
(pitach)
maakte los
וַיְעַנֵּ֑נִי
(vayaneni)
en vernederde mij
וְ֝רֶ֗סֶן
(veresen)
en teugel
מִפָּנַ֥י
(mipanay)
voor mij
שִׁלֵּֽחוּ
(shilechu)
lieten ze los
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

יִתְרִי (yitri), ‘mijn touw’, is de koord van de boog of van de tent.

De geschreven tekst (ketiv) heeft יתרו (‘zijn touw’).

Wij volgen de lezing ‘mijn touw’, het beeld van een boog waarvan de pees wordt losgemaakt.

12Rechts van mij staat het gespuis op. Ze zetten mijn voeten aan het wankelen en banen tegen mij wegen van ondergang.
עַל
(al)
aan
יָמִין֮
(yamin)
rechterhand
פִּרְחַ֪ח
(pirchach)
het gespuis
יָ֫ק֥וּמוּ
(yaqumu)
staat op
רַגְלַ֥י
(raglay)
mijn voeten
שִׁלֵּ֑חוּ
(shilechu)
ze zenden
וַיָּסֹ֥לּוּ
(vayasolu)
en ze banen
עָ֝לַ֗י
(alay)
tegen mij
אָרְח֥וֹת
(arechot)
wegen van
אֵידָֽם
(eidam)
hun ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Ze breken mijn pad af, werken mee aan mijn ondergang. Er is niemand die hen tegenhoudt.
נָתְס֗וּ
(natesu)
ze breken af
נְֽתִיבָ֫תִ֥י
(netivati)
mijn pad
לְהַוָּתִ֥י
(lehavati)
tot mijn ondergang
יֹעִ֑ילוּ
(yoilu)
ze helpen
לֹ֖א
(lo)
niet
עֹזֵ֣ר
(ozer)
helper
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Als door een brede bres komen ze, onder de verwoesting rollen ze naar voren.
כְּפֶ֣רֶץ
(keferets)
als door een bres
רָחָ֣ב
(rachav)
brede
יֶאֱתָ֑יוּ
(yeetayu)
komen ze
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
שֹׁ֝אָ֗ה
(shoa)
verwoesting
הִתְגַּלְגָּֽלוּ
(hitgalgalu)
rollen ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Verschrikkingen zijn tegen mij gekeerd. Mijn waardigheid wordt als door de wind weggejaagd, en mijn redding is verdwenen als een wolk.
הָהְפַּ֥ךְ
(hahpakh)
is gekeerd
עָלַ֗י
(alay)
tegen mij
בַּלָּ֫ה֥וֹת
(balahot)
verschrikkingen
תִּרְדֹּ֣ף
(tirdof)
wordt achtervolgd
כָּ֭רוּחַ
(karuach)
als door wind
נְדִבָתִ֑י
(nedivati)
mijn waardigheid
וּ֝כְעָ֗ב
(ukheav)
en als een wolk
עָבְרָ֥ה
(avera)
is voorbijgegaan
יְשֻׁעָתִֽי
(yeshuati)
mijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mijn ziel giet zich uit

16En nu giet mijn ziel zich over mij uit. Dagen van ellende grijpen mij.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
עָ֭לַי
(alay)
over mij
תִּשְׁתַּפֵּ֣ךְ
(tishtapekh)
giet zich uit
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
יֹ֭אחֲז֣וּנִי
(yochazuni)
grijpen mij
יְמֵי
(yemei)
dagen van
עֹֽנִי
(oni)
ellende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17's Nachts wordt mijn bot van mij doorboord, en mijn knagende pijn rust niet.
לַ֗יְלָה
(layla)
's nachts
עֲ֭צָמַי
(atsamay)
mijn bot
נִקַּ֣ר
(niqar)
wordt doorboord
מֵעָלָ֑י
(mealay)
van mij
וְ֝עֹרְקַ֗י
(veoreqay)
en mijn knagende pijn
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁכָּבֽוּן
(yishkavun)
rusten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Met grote kracht wordt mijn kleed vervormd. Als de halsopening van mijn kleed omsluit Hij mij.
בְּרָב
(berav)
met grote
כֹּ֭חַ
(koach)
kracht
יִתְחַפֵּ֣שׂ
(yitchapes)
wordt vervormd
לְבוּשִׁ֑י
(levushi)
mijn kleed
כְּפִ֖י
(kefi)
als de opening van
כֻתָּנְתִּ֣י
(kutanti)
mijn kleed
יַֽאַזְרֵֽנִי
(yaazreni)
omgordt mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hij heeft mij in de modder gegooid, en ik ben als stof en as geworden.
הֹרָ֥נִי
(horani)
Hij wierp mij
לַחֹ֑מֶר
(lachomer)
in de modder
וָ֝אֶתְמַשֵּׁ֗ל
(vaetmashel)
en ik word gelijk
כֶּעָפָ֥ר
(keafar)
aan stof
וָאֵֽפֶר
(vaefer)
en as
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job zegt dat Eloah hem in de modder heeft gegooid: een herhaling van zijn gevoel van vernedering.

Vergelijk 42:6, waar hij zich ‘in stof en as’ bekeert.

Eloah is wreed tegen mij geworden

20Ik roep tot U om hulp, maar U antwoordt mij niet. Ik sta, en U kijkt naar mij.
אֲשַׁוַּ֣ע
(ashava)
ik roep om hulp
אֵ֭לֶיךָ
(eleikha)
tot U
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַעֲנֵ֑נִי
(taaneni)
antwoordt U mij
עָ֝מַ֗דְתִּי
(amadti)
ik sta
וַתִּתְבֹּ֥נֶן
(vatitbonen)
en U kijkt
בִּֽי
(bi)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21U bent een wrede voor mij geworden. Met de kracht van Uw hand vervolgt U mij.
תֵּהָפֵ֣ךְ
(tehafekh)
U verandert
לְאַכְזָ֣ר
(leakhzar)
in een wrede
לִ֑י
(li)
voor mij
בְּעֹ֖צֶם
(beotsem)
met de sterkte van
יָדְךָ֣
(yadekha)
Uw hand
תִשְׂטְמֵֽנִי
(tistemeni)
vervolgt U mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22U tilt mij op naar de wind, laat mij erop rijden, en U laat mij in de storm oplossen.
תִּשָּׂאֵ֣נִי
(tisaeni)
U tilt mij op
אֶל
(el)
naar
ר֭וּחַ
(ruach)
wind
תַּרְכִּיבֵ֑נִי
(tarkiveni)
U laat mij rijden
וּ֝תְמֹגְגֵ֗נִי
(utemogegeni)
en U doet mij smelten
תּוּשִׁיָּֽה
(tushiya)
in de storm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

תּוּשִׁיָּה (tushiyyah) betekent gewoonlijk ‘inzicht, succes’, maar hier wordt ‘storm’ (van שׁוֹאָה, so’ah) bedoeld.

Wij kiezen ‘storm’, zoals sommige oude vertalingen.

23Want ik weet dat U mij naar de dood terugbrengt, naar het huis dat voor alle levenden is bestemd.
כִּֽי
(ki)
want
יָ֭דַעְתִּי
(yadati)
ik weet
מָ֣וֶת
(mavet)
naar de dood
תְּשִׁיבֵ֑נִי
(teshiveni)
brengt U mij terug
וּבֵ֖ית
(uveit)
en naar het huis van
מוֹעֵ֣ד
(moed)
bijeenkomst
לְכָל
(lekhal)
voor alle
חָֽי
(chay)
levenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Het huis van bijeenkomst voor alle levenden’ is het graf of dodenrijk, waar iedereen heen gaat (Pred. 12:5).

24Toch strekt niemand zijn hand uit naar een puinhoop, wanneer men in zijn ondergang om hulp roept.
אַ֣ךְ
(akh)
maar
לֹא
(lo)
niet
בְ֭עִי
(bei)
naar een ruïne
יִשְׁלַח
(yishlach)
strekt hij uit
יָ֑ד
(yad)
hand
אִם
(im)
indien
בְּ֝פִיד֗וֹ
(befido)
bij zijn ondergang
לָהֶ֥ן
(lahen)
daarom
שֽׁוּעַ
(shua)
hulpgeroep
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is moeilijk en onzeker.

Wij begrijpen: niemand strekt zijn hand uit naar een puinhoop, ook niet als iemand in zijn ondergang om hulp roept.

Anderen: ‘Toch strekt niemand zijn hand uit in een ondergang; ze schreeuwen om hulp bij hun verderf.’

25Heb ik niet gehuild om wie een zware dag had? Was mijn ziel niet bedroefd om de behoeftige?
אִם
(im)
indien
לֹ֣א
(lo)
niet
בָ֭כִיתִי
(bakhiti)
huilde ik
לִקְשֵׁה
(liqshe)
om wie hard had
י֑וֹם
(yom)
dag
עָֽגְמָ֥ה
(agema)
was bedroefd
נַ֝פְשִׁ֗י
(nafshi)
mijn ziel
לָאֶבְיֽוֹן
(laevyon)
om de behoeftige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Want ik hoopte op het goede, en het kwade kwam. Ik wachtte op licht, en duisternis kwam.
כִּ֤י
(ki)
want
ט֣וֹב
(tov)
goed
קִ֭וִּיתִי
(qiviti)
hoopte ik
וַיָּ֣בֹא
(vayavo)
en kwam
רָ֑ע
(ra)
kwaad
וַֽאֲיַחֲלָ֥ה
(vaayachala)
en ik wachtte
לְ֝א֗וֹר
(leor)
op licht
וַיָּ֥בֹא
(vayavo)
en kwam
אֹֽפֶל
(ofel)
duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Mijn ingewanden koken en zijn niet stil. Dagen van ellende zijn mij tegemoet gekomen.
מֵעַ֖י
(meay)
mijn ingewanden
רֻתְּח֥וּ
(rutechu)
koken
וְלֹא
(velo)
en niet
דָ֗מּוּ
(damu)
zijn stil
קִדְּמֻ֥נִי
(qidemuni)
zijn mij tegemoet gekomen
יְמֵי
(yemei)
dagen van
עֹֽנִי
(oni)
ellende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Zwart ga ik rond, zonder zon. Ik sta op in de vergadering en roep om hulp.
קֹדֵ֣ר
(qoder)
verduisterd
הִ֭לַּכְתִּי
(hilakhti)
ga ik rond
בְּלֹ֣א
(belo)
zonder
חַמָּ֑ה
(chama)
zon
קַ֖מְתִּי
(qamti)
ik sta op
בַקָּהָ֣ל
(baqahal)
in de vergadering
אֲשַׁוֵּֽעַ
(ashavea)
roep ik om hulp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Een broer ben ik geworden van jakhalzen en een vriend van struisvogels.
אָ֭ח
(ach)
broer
הָיִ֣יתִי
(hayiti)
ben ik geworden
לְתַנִּ֑ים
(letanim)
van jakhalzen
וְ֝רֵ֗עַ
(verea)
en vriend
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
van dochters van
יַעֲנָֽה
(yaana)
de struisvogel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jakhalzen en struisvogels zijn dieren van de woestijn, bekend om hun klaaggeluid (Mi. 1:8).

Job heeft nu alleen de eenzaamheid van de woestijn als gezelschap.

30Mijn huid is zwart geworden en valt van mij af, en mijn beenderen branden van hitte.
ע֭וֹרִי
(ori)
mijn huid
שָׁחַ֣ר
(shachar)
is zwart
מֵעָלָ֑י
(mealay)
van mij
וְעַצְמִי
(veatsmi)
en mijn bot
חָ֝֗רָה
(chara)
brandt
מִנִּי
(mini)
van
חֹֽרֶב
(chorev)
hitte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Mijn harp is tot rouwklacht geworden en mijn fluit tot de stem van wie wenen.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en werd
לְ֭אֵבֶל
(leevel)
tot rouw
כִּנֹּרִ֑י
(kinori)
mijn harp
וְ֝עֻגָבִ֗י
(veugavi)
en mijn fluit
לְק֣וֹל
(leqol)
tot de stem van
בֹּכִֽים
(bokhim)
wenenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)