Elohim Bijbel

Zacharia 1

1234567891011121314

De oproep tot terugkeer en het visioen van de ruiters tussen de mirtestruiken

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het woord van Yahweh tot Zacharia

1In de achtste maand van het tweede jaar van Darius kwam het woord van Yahweh tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet:
בַּחֹ֨דֶשׁ֙
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁמִינִ֔י
(hashemini)
de achtste
בִּשְׁנַ֥ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁתַּ֖יִם
(shetayim)
twee
לְדָרְיָ֑וֶשׁ
(ledareyavesh)
van Darius
הָיָ֣ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
זְכַרְיָה֙
(zekharya)
Zacharia
בֶּן
(ben)
zoon van
בֶּ֣רֶכְיָ֔ה
(berekhya)
Berechja
בֶּן
(ben)
zoon van
עִדּ֥וֹ
(ido)
Iddo
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּרְיָוֶשׁ (Daryavesh), Darius: Darius I, koning van Perzië.

Zijn tweede jaar wordt gewoonlijk gerekend als 520 v.Chr.

Zie ook Ezra 4:24.

זְכַרְיָה (Zekharyah), ‘Zacharia’: ‘Yahweh gedenkt’. בֶּרֶכְיָה (Berekhyah), ‘Berechja’: ‘Yahweh zegent’. עִדּוֹ (Iddo): een Iddo komt ook voor als stamvader van een priestergeslacht (Neh. 12:4, 12:16); Ezra 5:1 en 6:14 noemen Zacharia ‘de zoon van Iddo’.

De verteller is Zacharia zelf; ‘mij’ in de volgende verzen is hij.

2„Yahweh was zeer toornig op jullie vaders.
קָצַ֧ף
(qatsaf)
was toornig
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
אֲבֽוֹתֵיכֶ֖ם
(avoteikhem)
jullie vaders
קָֽצֶף
(qatsef)
met toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָצַף יְהוָה עַל אֲבוֹתֵיכֶם קָצֶף (qatsaf Yahweh al avoteichem qatsef): het werkwoord en het zelfstandig naamwoord ‘toorn’ staan naast elkaar.

Dat geeft nadruk: ‘Yahweh was zeer toornig’.

Vanaf hier tot en met vers 6 spreekt Yahweh; wat Zacharia moet zeggen en wat Yahweh over de vaders zegt, staat rood.

3Zeg dan tegen hen: Zo zegt Yahweh van de legermachten: ‘Keer terug tot Mij, godsspraak van Yahweh van de legermachten, en Ik zal tot jullie terugkeren’, zegt Yahweh van de legermachten.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שׁ֣וּבוּ
(shuvu)
keer terug
אֵלַ֔י
(elay)
tot Mij
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְאָשׁ֣וּב
(veashuv)
en Ik zal terugkeren
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
tot jullie
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.

Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.

Het is de meest gebruikte naam van Yahweh in dit boek.

Zie ook Jes. 1:9.

נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: een vaste formule in de profeten (ne’um Yahweh, ‘godsspraak van Yahweh’). Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt. Wij zetten ze in rood als ze midden in Zijn woorden staat; zie de uitleg bij Jes. 1:24. Deze uitleg staat alleen hier, bij de eerste vermelding in dit boek.

שׁוּבוּ אֵלַי (shuvu elai), ‘keer terug tot Mij’: het werkwoord שׁוּב (shuv) is het hoofdwoord van de boodschap. Het staat ook in ‘Ik zal tot jullie terugkeren’ (vers 3) en in vers 4 en 6. Wij vertalen het steeds met ‘terugkeren’.

‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat hier rood, omdat het deel is van de opdracht ‘Zeg dan tegen hen’ (zoals Jes. 38:5). Waar de verteller of de engel de formule inleidt (1:14, 1:16, 1:17), staat ze zwart en volgt de rede rood.

4Wees niet zoals jullie vaders. Tot hen riepen de vroegere profeten: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Keer toch terug van jullie boze wegen en van jullie boze daden.’ Maar zij luisterden niet en schonken Mij geen aandacht, godsspraak van Yahweh.
אַל
(al)
niet
תִּהְי֣וּ
(tihyu)
wees
כַאֲבֹֽתֵיכֶ֡ם
(kaavoteikhem)
zoals jullie vaders
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
קָרְאֽוּ
(qareu)
riepen
אֲלֵיהֶם֩
(aleihem)
tot hen
הַנְּבִיאִ֨ים
(haneviim)
de profeten
הָרִֽאשֹׁנִ֜ים
(harishonim)
de vroegere
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שׁ֤וּבוּ
(shuvu)
keer terug
נָא֙
(na)
toch
מִדַּרְכֵיכֶ֣ם
(midarkheikhem)
van jullie wegen
הָרָעִ֔ים
(haraim)
de boze
וּמַֽעֲלְלֵיכֶ֖ם
(umaalleikhem)
en van jullie daden
הָֽרָעִ֑ים
(haraim)
de boze
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
שָׁמְע֛וּ
(shameu)
luisterden zij
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הִקְשִׁ֥יבוּ
(hiqshivu)
schonken aandacht
אֵלַ֖י
(elay)
aan Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנְּבִיאִים הָרִאשֹׁנִים (hannevi’im harishonim), ‘de vroegere profeten’: de profeten van vóór de ballingschap.

Zie ook 7:7 en 7:12.

הָרָעִים (hara’im), ‘de boze’: van רַע (ra’), moreel ‘kwaad’, zoals in Jona 1:2.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is ומעליליכם (umaʻalilekhem).

De te lezen vorm (qere) is וּמַעֲלְלֵיכֶם (umaʻalleikhem), ‘en van jullie daden’.

Alleen de spelling verschilt; de betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

5Jullie vaders, waar zijn zij? En de profeten, leven die voor eeuwig?
אֲבֽוֹתֵיכֶ֖ם
(avoteikhem)
jullie vaders
אַיֵּה
(aye)
waar
הֵ֑ם
(hem)
zijn zij
וְהַ֨נְּבִאִ֔ים
(vehaneviim)
en de profeten
הַלְעוֹלָ֖ם
(halolam)
voor eeuwig
יִֽחְיֽוּ
(yichyu)
leven zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַלְעוֹלָם יִחְיוּ (hale’olam yichyu), ‘leven zij voor eeuwig?’: de vraag is retorisch.

De vaders zijn dood, en ook de profeten leven niet voor eeuwig.

Wat blijft, zijn de woorden van Yahweh (vers 6).

6Maar Mijn woorden en Mijn voorschriften, die Ik Mijn knechten, de profeten, gebood: hebben die jullie vaders niet ingehaald?” Toen keerden zij terug en zeiden: „Yahweh van de legermachten had besloten met ons te doen naar onze wegen en naar onze daden. Zo heeft Hij met ons gedaan.”
אַ֣ךְ
(akh)
maar
דְּבָרַ֣י
(devaray)
Mijn woorden
וְחֻקַּ֗י
(vechuqay)
en Mijn voorschriften
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
צִוִּ֨יתִי֙
(tsiviti)
Ik gebood
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדַ֣י
(avaday)
Mijn knechten
הַנְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
הֲל֥וֹא
(halo)
niet
הִשִּׂ֖יגוּ
(hisigu)
hebben zij ingehaald
אֲבֹתֵיכֶ֑ם
(avoteikhem)
jullie vaders
וַיָּשׁ֣וּבוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
זָמַ֜ם
(zamam)
had besloten
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
te doen
לָ֔נוּ
(lanu)
met ons
כִּדְרָכֵ֨ינוּ֙
(kidrakheinu)
naar onze wegen
וּכְמַ֣עֲלָלֵ֔ינוּ
(ukhemaalaleinu)
en naar onze daden
כֵּ֖ן
(ken)
zo
עָשָׂ֥ה
(asa)
heeft Hij gedaan
אִתָּֽנוּ
(itanu)
met ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּבָרַי וְחֻקַּי (devarai vechuqqai), ‘Mijn woorden en Mijn voorschriften’: de boodschap en de voorschriften die Yahweh door de profeten gaf.

Het werkwoord הִשִּׂיגוּ (hissigu), ‘zij haalden in’, is het woord van Deut. 28:2, 15, 45: woorden, zegeningen en vloeken die iemand inhalen.

De toespraak van Yahweh eindigt hier met de vraag; de woorden vanaf ‘Toen keerden zij terug’ zijn van de verteller. Het Hebreeuws laat niet duidelijk zien of de laatste woorden van Yahweh of van Zacharia zijn. Wij beslissen voor Zacharia, de verteller; die woorden staan zwart.

זָמַם (zamam), ‘besluiten’: het werkwoord van een plan, hier ook 8:14–15.

Eerste visioen: de ruiters tussen de mirtestruiken

7Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, dat is de maand Sjebat, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van Yahweh tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet:
בְּיוֹם֩
(beyom)
op de dag
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֜ה
(vearbaa)
en vier
לְעַשְׁתֵּֽי
(leashtei)
van één
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
חֹ֨דֶשׁ֙
(chodesh)
maand
הוּא
(hu)
dat is
חֹ֣דֶשׁ
(chodesh)
maand
שְׁבָ֔ט
(shevat)
Sjebat
בִּשְׁנַ֥ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁתַּ֖יִם
(shetayim)
twee
לְדָרְיָ֑וֶשׁ
(ledareyavesh)
van Darius
הָיָ֣ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
זְכַרְיָה֙
(zekharya)
Zacharia
בֶּן
(ben)
zoon van
בֶּ֣רֶכְיָ֔הוּ
(berekhyahu)
Berechja
בֶּן
(ben)
zoon van
עִדּ֥וֹא
(ido)
Iddo
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁבָט (Shevat), Sjebat: de elfde maand van de joodse jaartelling, ongeveer januari–februari.

Dit is de datum van de acht visioenen (1:7–6:8), ongeveer begin 519 v.Chr. volgens de gangbare berekening.

בֶּרֶכְיָהוּ (Berekhyahu), ‘Berechja’: een langere vorm van dezelfde naam als in vers 1. עִדּוֹא (Iddo) is een andere spelling van עִדּוֹ in vers 1. Wij schrijven de naam in beide verzen gelijk.

Zie ookZach 1:1
8Ik zag in de nacht, en zie: een man die op een rood paard reed. Hij stond tussen de mirtestruiken in de diepte. Achter hem waren rode, rossige en witte paarden.
רָאִ֣יתִי
(raiti)
ik zag
הַלַּ֗יְלָה
(halayla)
in de nacht
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
אִישׁ֙
(ish)
een man
רֹכֵב֙
(rokhev)
rijdend
עַל
(al)
op
ס֣וּס
(sus)
een paard
אָדֹ֔ם
(adom)
rood
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
עֹמֵ֔ד
(omed)
stond
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הַהֲדַסִּ֖ים
(hahadasim)
de mirtestruiken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּמְּצֻלָ֑ה
(bametsula)
in de diepte
וְאַחֲרָיו֙
(veacharav)
en achter hem
סוּסִ֣ים
(susim)
paarden
אֲדֻמִּ֔ים
(adumim)
rode
שְׂרֻקִּ֖ים
(seruqim)
rossige
וּלְבָנִֽים
(ulevanim)
en witte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאִישׁ (ha’ish), ‘de man’: in vers 10 en 11 blijkt dat het de engel van Yahweh is.

מְצֻלָה (metsulah), ‘diepte’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet helemaal zeker. Men denkt aan een diep dal, een ravijn of een schaduwrijke plek. Het is een aanname.

שְׂרֻקִּים (seruqqim), ‘rossige’: de kleur is onzeker; het woord staat alleen hier voor paarden. Het is een kleur tussen rood en bruin of geel. De mirtestruiken (הֲדַסִּים, hadassim) zijn de struiken waaraan Ester haar naam Hadassa dankt.

9Ik zei: „Wat zijn dit, mijn heer?” De engel die met mij sprak, zei tegen mij: „Ik zal je laten zien wat dit zijn.”
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
מָה
(ma)
wat
אֵ֣לֶּה
(ele)
zijn dit
אֲדֹנִ֑י
(adoni)
mijn heer
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
הַמַּלְאָךְ֙
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֣ר
(hadover)
die sprak
בִּ֔י
(bi)
met mij
אֲנִ֥י
(ani)
ik
אַרְאֶ֖ךָּ
(areka)
zal je laten zien
מָה
(ma)
wat
הֵ֥מָּה
(hema)
zijn zij
אֵֽלֶּה
(ele)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: een beleefde aanspreking voor de engel, geen aanspreking van Yahweh.

Daarom met kleine letter, ook in 4:4, 4:5, 4:13.

הַמַּלְאָךְ הַדֹּבֵר בִּי (hammal’akh haddover bi), ‘de engel die met mij sprak’: letterlijk ‘die in mij sprak’. Het is de engel die Zacharia door de visioenen leidt; hij komt terug in 2:2, 2:7, 4:1, 4:4, 5:5, 5:10, 6:4.

10De man die tussen de mirtestruiken stond, antwoordde en zei: „Dit zijn zij die Yahweh heeft gezonden om over de aarde rond te gaan.”
וַיַּ֗עַן
(vayaan)
en antwoordde
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
הָעֹמֵ֥ד
(haomed)
die stond
בֵּין
(bein)
tussen
הַהַדַסִּ֖ים
(hahadasim)
de mirtestruiken
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit zijn zij
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁלַ֣ח
(shalach)
heeft gezonden
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהִתְהַלֵּ֖ךְ
(lehithalekh)
om rond te gaan
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
over de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהִתְהַלֵּךְ בָּאָרֶץ (lehithalekh ba’arets), ‘om over de aarde rond te gaan’: ze zijn gezonden om de aarde te verkennen, zoals in Job 1:7 en 2:2.

Zij zijn de ruiters van de paarden.

Zie ook 6:7.

11Zij antwoordden de engel van Yahweh die tussen de mirtestruiken stond. Zij zeiden: „Wij zijn over de aarde rondgegaan, en zie: heel de aarde zit stil en is rustig.”
וַֽיַּעֲנ֞וּ
(vayaanu)
en zij antwoordden
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הָֽעֹמֵד֙
(haomed)
die stond
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
הַהֲדַסִּ֔ים
(hahadasim)
de mirtestruiken
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
הִתְהַלַּ֣כְנוּ
(hithalakhnu)
wij zijn rondgegaan
בָאָ֑רֶץ
(baarets)
over de aarde
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
כָל
(kal)
heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
יֹשֶׁ֥בֶת
(yoshevet)
zit
וְשֹׁקָֽטֶת
(veshoqatet)
en is rustig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאַךְ יְהוָה (mal’akh Yahweh), ‘de engel van Yahweh’: dezelfde figuur als ‘de man’ in vers 8 en 10.

Hij is de leider van de ruiters en pleit bij Yahweh voor Jeruzalem (vers 12).

יֹשֶׁבֶת וְשֹׁקָטֶת (yoshevet veshoqetet), ‘zit stil en is rustig’: de aarde is rustig, de volken zorgeloos (vers 15). Er is geen beweging die de herbouw van Jeruzalem aankondigt.

Tot wanneer, Yahweh van de legermachten?

12Toen antwoordde de engel van Yahweh en zei: „Yahweh van de legermachten, tot wanneer zult U Zich niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda? U bent nu al zeventig jaar verbolgen op hen.”
וַיַּ֣עַן
(vayaan)
en antwoordde
מַלְאַךְ
(malakh)
de engel van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
עַד
(ad)
tot
מָתַ֗י
(matay)
wanneer
אַתָּה֙
(ata)
U
לֹֽא
(lo)
niet
תְרַחֵ֣ם
(terachem)
zult U Zich ontfermen
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
op wie
זָעַ֔מְתָּה
(zaamta)
U verbolgen bent
זֶ֖ה
(ze)
dit
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

עַד מָתַי (ad matai), ‘tot wanneer’: de klacht van de psalmen, bijvoorbeeld Ps. 6:4 en Ps. 13:2–3.

זְעַמְתָּה (zaamta), ‘U bent verbolgen geweest’: het werkwoord van Yahweh’s verontwaardiging. Zie ook 1:2 (toorn).

שִׁבְעִים שָׁנָה (shiv’im shanah), ‘zeventig jaar’: de tijd van de ballingschap, zoals in Jer. 25:11–12 en 29:10. Vanaf de verwoesting van de tempel (586 v.Chr.) tot 520 v.Chr. zijn dat ongeveer zeventig jaar.

13Yahweh antwoordde de engel die met mij sprak met goede woorden, met woorden van troost.
וַיַּ֣עַן
(vayaan)
en antwoordde
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּלְאָ֛ךְ
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֥ר
(hadover)
die sprak
בִּ֖י
(bi)
met mij
דְּבָרִ֣ים
(devarim)
woorden
טוֹבִ֑ים
(tovim)
goede
דְּבָרִ֖ים
(devarim)
woorden
נִחֻמִֽים
(nichumim)
van troost
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּבָרִים נִחֻמִים (devarim nichumim), ‘woorden van troost’: van het werkwoord נָחַם (nacham), ‘troosten’, zoals in vers 17.

Yahweh antwoordt: ijver en ontferming

14De engel die met mij sprak, zei tegen mij: „Roep uit en zeg: Zo zegt Yahweh van de legermachten: ‘Ik ben met grote ijver vervuld voor Jeruzalem en voor Sion.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
הַמַּלְאָךְ֙
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֣ר
(hadover)
die sprak
בִּ֔י
(bi)
met mij
קְרָ֣א
(qera)
roep uit
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
קִנֵּ֧אתִי
(qineti)
Ik ben vol ijver
לִירוּשָׁלִַ֛ם
(lirushaliam)
voor Jeruzalem
וּלְצִיּ֖וֹן
(uletsiyon)
en voor Sion
קִנְאָ֥ה
(qina)
met ijver
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

קִנֵּאתִי (qinne’ti), ‘Ik ben vol ijver’: קִנְאָה (qin’ah) is de gloeiende toewijding van Yahweh voor wat van Hem is.

Het woord kan ook ‘naijver’ of ‘jaloezie’ betekenen.

Wij vertalen ‘ijver’; zie ook 8:2.

Vanaf hier tot vers 17 geeft de engel de woorden van Yahweh door. Het eerste woord van de engel (‘Roep uit en zeg’) en de formule ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staan zwart; de woorden van Yahweh zelf rood.

15Met grote toorn ben Ik toornig op de zorgeloze volken. Want Ik was maar een beetje toornig, maar zij hebben meegeholpen tot onheil.’
וְקֶ֤צֶף
(veqetsef)
en met toorn
גָּדוֹל֙
(gadol)
grote
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
קֹצֵ֔ף
(qotsef)
ben toornig
עַל
(al)
over
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
הַשַּֽׁאֲנַנִּ֑ים
(hashaananim)
de zorgeloze
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
want
אֲנִי֙
(ani)
Ik
קָצַ֣פְתִּי
(qatsafti)
was toornig
מְּעָ֔ט
(meat)
een beetje
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
maar zij
עָזְר֥וּ
(azeru)
hielpen
לְרָעָֽה
(leraa)
tot onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַגּוֹיִם הַשַּׁאֲנַנִּים (haggoyim hashsha’ananim), ‘de zorgeloze volken’: de volken die zich veilig en tevreden voelen, zonder zorg voor Yahweh’s volk.

עָזְרוּ לְרָעָה (azru lera’ah), ‘zij hielpen ten kwade’: de volken gingen verder dan Yahweh bedoelde toen Hij Zijn volk strafte. Het woord רָעָה (ra’ah) betekent hier ‘onheil’, rampspoed. Het is hetzelfde woord als ‘kwaad’ in Jona 1:2, maar daar gaat het om moreel kwaad.

16Daarom, zo zegt Yahweh: ‘Ik keer terug naar Jeruzalem met ontferming. Mijn huis zal daarin gebouwd worden, godsspraak van Yahweh van de legermachten, en een meetsnoer zal over Jeruzalem worden uitgespannen.’
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
שַׁ֤בְתִּי
(shavti)
Ik keer terug
לִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
בְּֽרַחֲמִ֔ים
(berachamim)
met ontferming
בֵּיתִי֙
(beiti)
Mijn huis
יִבָּ֣נֶה
(yibane)
zal gebouwd worden
בָּ֔הּ
(bah)
daarin
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְקָ֥ו
(veqav)
en een meetsnoer
יִנָּטֶ֖ה
(yinate)
zal worden uitgespannen
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שַׁבְתִּי (shavti), ‘Ik keer terug’: de Hebreeuwse werkwoordsvorm is een voltooide tijd (‘Ik ben teruggekeerd’).

In profetische taal is de terugkeer al zeker.

Wij vertalen het onvoltooid.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is וקוה (veqaveh).

De te lezen vorm (qere) is וְקָו (veqav), ‘en een meetsnoer’.

Alleen de spelling verschilt.

Wij volgen de qere.

קָו (qav), ‘meetsnoer’: een snoer om de grenzen van de bouw uit te meten, zoals in Jes. 44:13 en Jer. 31:39 en vergelijk 2:5.

17Roep nog eens uit en zeg: Zo zegt Yahweh van de legermachten: ‘Mijn steden zullen nog overvloeien van het goede. Yahweh zal Sion nog troosten en Jeruzalem nog kiezen.’”
ע֣וֹד
(od)
nog
קְרָ֣א
(qera)
roep uit
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
ע֛וֹד
(od)
nog
תְּפוּצֶ֥ינָה
(tefutseina)
zullen overvloeien
עָרַ֖י
(aray)
Mijn steden
מִטּ֑וֹב
(mitov)
van het goede
וְנִחַ֨ם
(venicham)
en zal troosten
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
עוֹד֙
(od)
nog
אֶת
(et)
(obj.)
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
וּבָחַ֥ר
(uvachar)
en zal kiezen
ע֖וֹד
(od)
nog
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וְנִחַם (venicham), ‘en zal troosten’: Piel van נָחַם (nacham), ‘troosten’.

Het gaat om het troosten van Sion, zoals in Jes. 40:1 en 51:3.

וּבָחַר עוֹד בִּירוּשָׁלִַם (uvachar od bi-Yerushalaim), ‘en zal nog Jeruzalem kiezen’: Yahweh heeft Jeruzalem eerder gekozen (zie 1 Kon. 11:13, 11:32); hier kiest Hij het opnieuw. Zie ook 2:16 en 3:2.