Elohim Bijbel

Johannes 2

123456789101112131415161718192021

De bruiloft in Kana en de reiniging van de tempel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De bruiloft in Kana

1Op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galilea, en de moeder van Yeshua was daar.
Καὶ
(Kai)
en
τῇ
(te)
op de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
τῇ
(te)
de
τρίτῃ
(trite)
derde
γάμος
(gamos)
bruiloft
ἐγένετο
(egeneto)
was
ἐν
(en)
in
Κανὰ
(Kana)
Kana
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἐκεῖ
(ekei)
daar
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kana in Galilea (ligging onzeker): Kana in Galilea is waarschijnlijk Khirbet Qana of Kafr Kanna, ongeveer 12 km ten noordnoordoosten van Nazaret.

Welke van de twee het is, is niet zeker.

Het is een ander Kana dan dat bij Tyrus (Jozua 19:28).

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

Het Grieks zegt niet vanaf welke dag ‘de derde dag’ geteld wordt; de voorgaande dagen staan in 1:29, 1:35 en 1:43.

2Ook Yeshua en Zijn leerlingen waren op de bruiloft uitgenodigd.
ἐκλήθη
(eklethe)
werd uitgenodigd
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
γάμον
(gamon)
bruiloft
Bron: SBLGNT
3Toen de wijn op was, zei de moeder van Yeshua tegen Hem: „Ze hebben geen wijn.”
καὶ
(kai)
en
ὑστερήσαντος
(hysteresantos)
ontbrekend zijnde
οἴνου
(oinou)
wijn
λέγει
(legei)
zegt
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
πρὸς
(pros)
tot
αὐτόν
(auton)
Hem
Οἶνον
(Oinon)
wijn
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχουσιν
(echousin)
hebben zij
Bron: SBLGNT
4Yeshua zei tegen haar: „Wat heb Ik met jou te maken, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen.”
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῇ
(aute)
haar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Τί
(Ti)
wat
ἐμοὶ
(emoi)
mij
καὶ
(kai)
en
σοί
(soi)
jou
γύναι
(gynai)
vrouw
οὔπω
(oupo)
nog niet
ἥκει
(hekei)
is gekomen
ἡ
(he)
het
ὥρα
(hora)
uur
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

τί ἐμοὶ καὶ σοί (ti emoi kai soi), letterlijk ‘wat (is er) tussen Mij en jou’: een uitdrukking die afstand neemt of bezwaar maakt; vergelijk ‘Wat hebben wij met U te maken’ in Mark. 1:24. γύναι (gynai), ‘vrouw’: een beleefde aanspreking, zonder minachting.

ὥρα (hora), ‘uur’: het bepaalde uur van Yeshua. Johannes gebruikt het woord later voor het uur van Zijn lijden en Zijn verheerlijking. Het Grieks zegt hier niet welk uur bedoeld is.

Zie ookMar 1:24
5Zijn moeder zei tegen de dienaren: „Wat Hij ook tegen jullie zegt, doe dat.”
λέγει
(legei)
zegt
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τοῖς
(tois)
aan de
διακόνοις
(diakonois)
dienaren
Ὅ
(Ho)
wat
τι
(ti)
ook
ἂν
(an)
maar
λέγῃ
(lege)
Hij zegt
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ποιήσατε
(poiesate)
doe
Bron: SBLGNT
Uitleg

διάκονος (diakonos), ‘dienaar’: iemand die anderen dient, bijvoorbeeld aan tafel (vergelijk Matt. 23:11).

Zie ookMat 23:11
6Daar stonden zes stenen waterkruiken, bestemd voor de reiniging van de Joden. Elke kruik kon twee of drie maten bevatten.
ἦσαν
(esan)
waren
δὲ
(de)
en
ἐκεῖ
(ekei)
daar
λίθιναι
(lithinai)
stenen
ὑδρίαι
(hydriai)
waterkruiken
ἓξ
(hex)
zes
κατὰ
(kata)
volgens
τὸν
(ton)
de
καθαρισμὸν
(katharismon)
reiniging
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
κείμεναι
(keimenai)
staand
χωροῦσαι
(chorousai)
bevattend
ἀνὰ
(ana)
elk
μετρητὰς
(metretas)
maten
δύο
(dyo)
twee
ἢ
(e)
of
τρεῖς
(treis)
drie
Bron: SBLGNT
Uitleg

μετρητής (metretes), ‘maat’: ongeveer 39 liter.

Elke kruik bevatte dus ongeveer 80 tot 120 liter. ὑδρία (hydria), ‘waterkruik’. καθαρισμός (katharismos), ‘reiniging’: het ritueel wassen en onderdompelen vóór het eten (vergelijk Mark. 7:3–4). Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’, zijn hier de Joden in het algemeen, niet hun leiders.

7Yeshua zei tegen hen: „Vul de waterkruiken met water.” Zij vulden ze tot boven.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Γεμίσατε
(Gemisate)
vul
τὰς
(tas)
de
ὑδρίας
(hydrias)
waterkruiken
ὕδατος
(hydatos)
met water
καὶ
(kai)
en
ἐγέμισαν
(egemisan)
vulden
αὐτὰς
(autas)
ze
ἕως
(heos)
tot
ἄνω
(ano)
boven
Bron: SBLGNT
8Hij zei tegen hen: „Schep nu en breng het naar de tafelmeester.” Zij brachten het.
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Ἀντλήσατε
(Antlesate)
schep
νῦν
(nyn)
nu
καὶ
(kai)
en
φέρετε
(pherete)
breng
τῷ
(to)
aan de
ἀρχιτρικλίνῳ
(architriklino)
tafelmeester
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἤνεγκαν
(enenkan)
brachten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀρχιτρίκλινος (architriklinos), ‘tafelmeester’: degene die het feestmaal leidt.

9De tafelmeester proefde het water dat wijn geworden was. Hij wist niet waar het vandaan kwam, maar de dienaren die het water hadden geschept, wisten het. Daarna riep de tafelmeester de bruidegom
ὡς
(hos)
toen
δὲ
(de)
maar
ἐγεύσατο
(egeusato)
proefde
ὁ
(ho)
de
ἀρχιτρίκλινος
(architriklinos)
tafelmeester
τὸ
(to)
het
ὕδωρ
(hydor)
water
οἶνον
(oinon)
wijn
γεγενημένον
(gegenemenon)
geworden
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ᾔδει
(edei)
wist
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἐστίν
(estin)
het is
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
διάκονοι
(diakonoi)
dienaren
ᾔδεισαν
(edeisan)
wisten
οἱ
(hoi)
die
ἠντληκότες
(entlekotes)
geschept hadden
τὸ
(to)
het
ὕδωρ
(hydor)
water
φωνεῖ
(phonei)
roept
τὸν
(ton)
de
νυμφίον
(nymphion)
bruidegom
ὁ
(ho)
de
ἀρχιτρίκλινος
(architriklinos)
tafelmeester
Bron: SBLGNT
10en zei tegen hem: „Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en als men dronken geworden is, de mindere. Jij hebt de goede wijn tot nu bewaard.”
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
Πᾶς
(Pas)
elk
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
πρῶτον
(proton)
eerst
τὸν
(ton)
de
καλὸν
(kalon)
goede
οἶνον
(oinon)
wijn
τίθησιν
(tithesin)
zet voor
καὶ
(kai)
en
ὅταν
(hotan)
wanneer
μεθυσθῶσιν
(methysthosin)
men dronken is geworden
τὸν
(ton)
de
ἐλάσσω
(elasso)
mindere
σὺ
(sy)
jij
τετήρηκας
(teterekas)
hebt bewaard
τὸν
(ton)
de
καλὸν
(kalon)
goede
οἶνον
(oinon)
wijn
ἕως
(heos)
tot
ἄρτι
(arti)
nu
Bron: SBLGNT
Uitleg

μεθυσθῶσιν (methysthosin), ‘dronken zijn geworden’: de tafelmeester beschrijft een gewoonte bij feesten.

11Dit was het begin van de tekenen die Yeshua deed, in Kana in Galilea. Hij maakte Zijn heerlijkheid openbaar, en Zijn leerlingen geloofden in Hem.
ταύτην
(tauten)
dit
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
ἀρχὴν
(archen)
begin
τῶν
(ton)
van de
σημείων
(semeion)
tekenen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐν
(en)
in
Κανὰ
(Kana)
Kana
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
καὶ
(kai)
en
ἐφανέρωσεν
(ephanerosen)
maakte openbaar
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
εἰς
(eis)
in
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kana in Galilea (ligging onzeker): Kana in Galilea is waarschijnlijk Khirbet Qana of Kafr Kanna, ongeveer 12 km ten noordnoordoosten van Nazaret.

Welke van de twee het is, is niet zeker.

Het is een ander Kana dan dat bij Tyrus (Jozua 19:28).

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

σημεῖον (semeion), ‘teken’: Johannes noemt de wonderen van Yeshua ‘tekenen’.

Wij schrijven overal ‘teken’. δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: zie 1:14.

12Hierna ging Hij af naar Kapernaüm, Hij met Zijn moeder, Zijn broers en Zijn leerlingen. Daar bleven zij niet veel dagen.
Μετὰ
(Meta)
na
τοῦτο
(touto)
dit
κατέβη
(katebe)
daalde Hij af
εἰς
(eis)
naar
Καφαρναοὺμ
(Kapharnaoum)
Kapernaüm
αὐτὸς
(autos)
Hij zelf
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἐκεῖ
(ekei)
daar
ἔμειναν
(emeinan)
bleven zij
οὐ
(ou)
niet
πολλὰς
(pollas)
vele
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.

Uitleg

κατέβη (katebe), ‘ging af’: naar het lager gelegen meer. ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: zie Matt. 13:55.

Zie ookMat 13:55

Yeshua in de tempel

13Het Pesach van de Joden was nabij, en Yeshua ging op naar Jeruzalem.
Καὶ
(Kai)
en
ἐγγὺς
(engys)
nabij
ἦν
(en)
was
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
καὶ
(kai)
en
ἀνέβη
(anebe)
ging op
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

πάσχα (pascha), ‘Pesach’: het feest waarop Israël de uittocht uit Egypte herdenkt (Exod. 12:11; Lev. 23:5). ἀνέβη (anebe), ‘ging op’: naar Jeruzalem trok men omhoog.

14In de tempel trof Hij verkopers van runderen, schapen en duiven aan, en geldwisselaars die daar zaten.
καὶ
(kai)
en
εὗρεν
(heuren)
vond Hij
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
τοὺς
(tous)
de
πωλοῦντας
(polountas)
verkopende
βόας
(boas)
runderen
καὶ
(kai)
en
πρόβατα
(probata)
schapen
καὶ
(kai)
en
περιστερὰς
(peristeras)
duiven
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
κερματιστὰς
(kermatistas)
geldwisselaars
καθημένους
(kathemenous)
zittend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelterrein. κερματιστής (kermatistes), ‘geldwisselaar’: iemand die geld wisselde voor wie in de tempel iets moest betalen.

Wij gebruiken ‘geldwisselaar’ ook voor κολλυβιστής (kollybistes) in vers 15.

Zie ook Matt. 21:12–13; Mark. 11:15–17; Luc. 19:45–46.

15Hij maakte een zweep van touwen en joeg allen de tempel uit, zowel de schapen als de runderen. De munten van de geldwisselaars goot Hij uit, en de tafels keerde Hij om.
καὶ
(kai)
en
ποιήσας
(poiesas)
makend
φραγέλλιον
(phragellion)
zweep
ἐκ
(ek)
van
σχοινίων
(schoinion)
touwen
πάντας
(pantas)
allen
ἐξέβαλεν
(exebalen)
joeg uit
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἱεροῦ
(hierou)
tempel
τά
(ta)
de
τε
(te)
zowel
πρόβατα
(probata)
schapen
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
βόας
(boas)
runderen
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
van de
κολλυβιστῶν
(kollybiston)
geldwisselaars
ἐξέχεεν
(execheen)
goot uit
τὰ
(ta)
de
κέρματα
(kermata)
munten
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
τραπέζας
(trapezas)
tafels
ἀνέστρεψεν
(anestrepsen)
keerde om
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft ‘allen’ met daarna ‘zowel de schapen als de runderen’.

Het zegt niet of ook de verkopers zelf de tempel uit werden gejaagd; wij laten dat zo staan. κέρματα (kermata), ‘munten’: kleingeld.

16Tegen de duivenverkopers zei Hij: „Haal dit hier weg! Maak het huis van Mijn Vader niet tot een huis van handel.”
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
aan hen
τὰς
(tas)
de
περιστερὰς
(peristeras)
duiven
πωλοῦσιν
(polousin)
verkopende
εἶπεν
(eipen)
zei Hij
Ἄρατε
(Arate)
neem weg
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ἐντεῦθεν
(enteuthen)
vanhier
μὴ
(me)
niet
ποιεῖτε
(poieite)
maak
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
τοῦ
(tou)
van de
πατρός
(patros)
Vader
μου
(mou)
Mijn
οἶκον
(oikon)
huis
ἐμπορίου
(emporiou)
van handel
Bron: SBLGNT
Uitleg

Yeshua noemt Elohim hier ‘Mijn Vader’.

17Zijn leerlingen herinnerden zich dat geschreven staat: „De ijver voor Uw huis zal Mij verteren.”
ἐμνήσθησαν
(emnesthesan)
herinnerden zich
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ὅτι
(hoti)
dat
γεγραμμένον
(gegrammenon)
geschreven
ἐστίν
(estin)
is
Ὁ
(Ho)
de
ζῆλος
(zelos)
ijver
τοῦ
(tou)
van het
οἴκου
(oikou)
huis
σου
(sou)
Uw
καταφάγεταί
(kataphagetai)
zal verteren
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Ps. 69:10.

Het Hebreeuws heeft ‘heeft mij verteerd’ (verleden tijd); de Griekse tekst heeft ‘zal mij verteren’.

Zie ookPs 69:10
18De Joden antwoordden en zeiden tegen Hem: „Welk teken laat U ons zien, dat U deze dingen doet?”
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Τί
(Ti)
welk
σημεῖον
(semeion)
teken
δεικνύεις
(deiknyeis)
laat U zien
ἡμῖν
(hemin)
ons
ὅτι
(hoti)
dat
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ποιεῖς
(poieis)
doet U
Bron: SBLGNT
Uitleg

De Joden zijn hier waarschijnlijk de leiders van de tempel.

19Yeshua antwoordde en zei tegen hen: „Breek dit heiligdom af, en in drie dagen zal Ik het opwekken.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Λύσατε
(Lysate)
breek af
τὸν
(ton)
het
ναὸν
(naon)
heiligdom
τοῦτον
(touton)
dit
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τρισὶν
(trisin)
drie
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
ἐγερῶ
(egero)
zal Ik opwekken
αὐτόν
(auton)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

ναός (naos), ‘heiligdom’: het gebouw zelf; ἱερόν (hieron), ‘tempel’, is heel het terrein (vers 14). ἐγείρω (egeiro), ‘opwekken’: het woord kan ook ‘overeind zetten, opbouwen’ betekenen; in vers 22 wordt het gebruikt voor de opstanding uit de doden. λύω (lyo), ‘afbreken’: losmaken, slopen.

Zie ook Matt. 26:61; Matt. 27:40; Mark. 14:58.

20Toen zeiden de Joden: „Dit heiligdom is in 46 jaar gebouwd, en zult U het in drie dagen opwekken?”
εἶπαν
(eipan)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
Τεσσεράκοντα
(Tesserakonta)
40
καὶ
(kai)
en
ἓξ
(hex)
6
ἔτεσιν
(etesin)
jaren
οἰκοδομήθη
(oikodomethe)
is gebouwd
ὁ
(ho)
het
ναὸς
(naos)
heiligdom
οὗτος
(houtos)
dit
καὶ
(kai)
en
σὺ
(sy)
U
ἐν
(en)
in
τρισὶν
(trisin)
drie
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
ἐγερεῖς
(egereis)
zult opwekken
αὐτόν
(auton)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks noemt 46 jaar bouwtijd en zegt niet welke bouw bedoeld is.

21Maar Hij sprak over het heiligdom van Zijn lichaam.
ἐκεῖνος
(ekeinos)
Hij
δὲ
(de)
maar
ἔλεγεν
(elegen)
sprak
περὶ
(peri)
over
τοῦ
(tou)
het
ναοῦ
(naou)
heiligdom
τοῦ
(tou)
van het
σώματος
(somatos)
lichaam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
22Toen Hij dan uit de doden was opgewekt, herinnerden Zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had. Zij geloofden de Schrift en het woord dat Yeshua had gesproken.
ὅτε
(hote)
toen
οὖν
(oun)
dus
ἠγέρθη
(egerthe)
Hij was opgewekt
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
ἐμνήσθησαν
(emnesthesan)
herinnerden zich
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ὅτι
(hoti)
dat
τοῦτο
(touto)
dit
ἔλεγεν
(elegen)
Hij zei
καὶ
(kai)
en
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
τῇ
(te)
de
γραφῇ
(graphe)
Schrift
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
het
λόγῳ
(logo)
woord
ὃν
(hon)
dat
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De Schrift’ (γραφή, graphe): het Grieks zegt niet welke tekst bedoeld is.

Yeshua kent de mensen

23Toen Hij tijdens het Pesach, op het feest, in Jeruzalem was, geloofden velen in Zijn naam, omdat zij de tekenen zagen die Hij deed.
Ὡς
(Hos)
toen
δὲ
(de)
maar
ἦν
(en)
Hij was
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
Ἱεροσολύμοις
(Hierosolymois)
Jeruzalem
ἐν
(en)
tijdens
τῷ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
het
ἑορτῇ
(heorte)
feest
πολλοὶ
(polloi)
velen
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
ὄνομα
(onoma)
naam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
θεωροῦντες
(theorountes)
ziend
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τὰ
(ta)
de
σημεῖα
(semeia)
tekenen
ἃ
(ha)
die
ἐποίει
(epoiei)
Hij deed
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

24Maar Yeshua Zelf vertrouwde Zich niet aan hen toe, omdat Hij hen allen kende
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
οὐκ
(ouk)
niet
ἐπίστευεν
(episteuen)
vertrouwde toe
αὑτὸν
(hauton)
Zichzelf
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
διὰ
(dia)
omdat
τὸ
(to)
het
αὐτὸν
(auton)
Hij
γινώσκειν
(ginoskein)
kennen
πάντας
(pantas)
allen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Er is een woordspel: ‘geloofden in Zijn naam’ (vers 23), maar Yeshua ἐπίστευεν (episteuen), ‘vertrouwde toe’, Zichzelf niet aan hen.

Het is hetzelfde werkwoord als ‘geloven’.

γινώσκω (ginosko), ‘kennen, weten’: wij schrijven ‘kende’ en ‘wist’ naar de zin.

Zie ookJoh 2:23
25en omdat Hij er geen behoefte aan had dat iemand over de mens getuigde. Want Hij Zelf wist wat er in de mens was.
καὶ
(kai)
en
ὅτι
(hoti)
omdat
οὐ
(ou)
niet
χρείαν
(chreian)
behoefte
εἶχεν
(eichen)
had Hij
ἵνα
(hina)
opdat
τις
(tis)
iemand
μαρτυρήσῃ
(martyrese)
getuigt
περὶ
(peri)
over
τοῦ
(tou)
de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
γὰρ
(gar)
want
ἐγίνωσκεν
(eginosken)
kende
τί
(ti)
wat
ἦν
(en)
was
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
mens
Bron: SBLGNT