Elohim Bijbel

Leviticus 11

123456789101112131415161718192021222324252627

Reine en onreine dieren

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh spreekt tot Mozes en Aäron

1Yahweh sprak tot Mozes en Aäron en zei tot hen:
וַיְדַבֵּ֧ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en tot
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לֵאמֹ֥ר
(lemor)
zeggende
אֲלֵהֶֽם
(alehem)
tot hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De landdieren

2„Spreek tot de zonen van Israël en zeg: Dit zijn de dieren die jullie mogen eten van alle landdieren op de aarde.
דַּבְּר֛וּ
(daberu)
spreek
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
זֹ֤את
(zot)
dit is
הַֽחַיָּה֙
(hachaya)
het dier
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תֹּאכְל֔וּ
(tokhlu)
jullie mogen eten
מִכָּל
(mikal)
van alle
הַבְּהֵמָ֖ה
(habehema)
het landdier
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּהֵמָה (behemah), ‘landdier’: een viervoetig dier van het land, gedomesticeerd of wild.

In Gen. 1:24 vertalen wij hetzelfde woord met ‘vee’; hier gaat het ook om wilde dieren zoals de kameel en de klipdas.

חַיָּה (chayyah), ‘dier’: een levend wezen.

De indeling in rein en onrein bestond al voor de zondvloed (Gen. 7:2). Een parallel van dit hoofdstuk staat in Deut. 14:3–21.

3Elk landdier dat gespleten hoeven heeft, hoeven die geheel gespleten zijn, en dat herkauwt: dat mogen jullie eten.
כֹּ֣ל
(kol)
alles
מַפְרֶ֣סֶת
(mafreset)
dat splijt
פַּרְסָ֗ה
(parsa)
een hoef
וְשֹׁסַ֤עַת
(veshosaat)
en dat splitst
שֶׁ֨סַע֙
(shesa)
een spleet
פְּרָסֹ֔ת
(perasot)
van hoeven
מַעֲלַ֥ת
(maalat)
dat opbrengt
גֵּרָ֖ה
(gera)
herkauwing
בַּבְּהֵמָ֑ה
(babehema)
onder het landdier
אֹתָ֖הּ
(otah)
het
תֹּאכֵֽלוּ
(tokhelu)
jullie mogen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּרְסָה (parsah), ‘hoef’.

Een dier mag gegeten worden als het twee kenmerken heeft: een geheel gespleten hoef en herkauwen (מַעֲלַת גֵּרָה, ma’alat gerah, letterlijk ‘het opbrengen van het herkauwde’).

4Maar van de dieren die herkauwen of een gespleten hoef hebben, mogen jullie deze niet eten: de kameel. Want hij herkauwt wel, maar zijn hoef is niet gespleten. Hij is onrein voor jullie.
אַ֤ךְ
(akh)
maar
אֶת
(et)
(obj.)
זֶה֙
(ze)
dit
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹֽאכְל֔וּ
(tokhlu)
jullie mogen eten
מִֽמַּעֲלֵי֙
(mimaalei)
van hen die opbrengen
הַגֵּרָ֔ה
(hagera)
de herkauwing
וּמִמַּפְרִיסֵ֖י
(umimafrisei)
en van hen die splijten
הַפַּרְסָ֑ה
(haparsa)
de hoef
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַ֠גָּמָל
(hagamal)
de kameel
כִּֽי
(ki)
want
מַעֲלֵ֨ה
(maale)
die opbrengt
גֵרָ֜ה
(gera)
herkauwing
ה֗וּא
(hu)
hij
וּפַרְסָה֙
(ufarsa)
en hoef
אֵינֶ֣נּוּ
(einenu)
niet is hij
מַפְרִ֔יס
(mafris)
die splijt
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
ה֖וּא
(hu)
hij is
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּמָל (gamal), ‘kameel’.

Het dier heeft slechts één van de twee kenmerken.

Zo ook de dieren in vers 5–7.

5Ook de klipdas, want hij herkauwt wel, maar zijn hoef is niet gespleten; hij is onrein voor jullie.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשָּׁפָ֗ן
(hashafan)
de klipdas
כִּֽי
(ki)
want
מַעֲלֵ֤ה
(maale)
die opbrengt
גֵרָה֙
(gera)
herkauwing
ה֔וּא
(hu)
hij
וּפַרְסָ֖ה
(ufarsa)
en hoef
לֹ֣א
(lo)
niet
יַפְרִ֑יס
(yafris)
hij splijt
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
ה֖וּא
(hu)
hij is
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁפָן (shafan), ‘klipdas’: een klein dier dat in rotsen leeft (Ps. 104:18; Spr. 30:26).

Deze weergave is gangbaar maar niet helemaal zeker.

6Ook de haas, want hij herkauwt wel, maar zijn hoef is niet gespleten; hij is onrein voor jullie.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַרְנֶ֗בֶת
(haarnevet)
de haas
כִּֽי
(ki)
want
מַעֲלַ֤ת
(maalat)
die opbrengt
גֵּרָה֙
(gera)
herkauwing
הִ֔וא
(hi)
hij
וּפַרְסָ֖ה
(ufarsa)
en hoef
לֹ֣א
(lo)
niet
הִפְרִ֑יסָה
(hifrisa)
hij splijt
טְמֵאָ֥ה
(temea)
onrein
הִ֖וא
(hi)
zij is
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַרְנֶבֶת (arnevet), ‘haas’.

Dit kan ook een konijn of een ander dier zijn; de weergave is gangbaar maar niet helemaal zeker.

Zie ookDeut 14:7
7Ook het varken, want het heeft wel een gespleten hoef, een geheel gespleten hoef, maar het herkauwt niet; het is onrein voor jullie.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֠חֲזִיר
(hachazir)
het varken
כִּֽי
(ki)
want
מַפְרִ֨יס
(mafris)
dat splijt
פַּרְסָ֜ה
(parsa)
een hoef
ה֗וּא
(hu)
het
וְשֹׁסַ֥ע
(veshosa)
en dat splitst
שֶׁ֨סַע֙
(shesa)
een spleet
פַּרְסָ֔ה
(parsa)
hoef
וְה֖וּא
(vehu)
en het
גֵּרָ֣ה
(gera)
herkauwing
לֹֽא
(lo)
niet
יִגָּ֑ר
(yigar)
het herkauwt
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
ה֖וּא
(hu)
het is
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲזִיר (chazir), ‘varken’.

Het varken heeft wel een gespleten hoef maar herkauwt niet.

8Van hun vlees mogen jullie niet eten en hun kadaver mogen jullie niet aanraken; ze zijn onrein voor jullie.
מִבְּשָׂרָם֙
(mibesaram)
van hun vlees
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכֵ֔לוּ
(tokhelu)
jullie zullen eten
וּבְנִבְלָתָ֖ם
(uvenivlatam)
en hun kadaver
לֹ֣א
(lo)
niet
תִגָּ֑עוּ
(tigau)
jullie zullen aanraken
טְמֵאִ֥ים
(temeim)
onrein
הֵ֖ם
(hem)
zij zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’: een dood dier dat niet geslacht is.

Zie ook Lev. 17:15.

De dieren in het water

9Dit mogen jullie eten van alles wat in het water is: alles wat vinnen en schubben heeft, in het water, in de zeeën en in de beken. Dat mogen jullie eten.
אֶת
(et)
(obj.)
זֶה֙
(ze)
dit
תֹּֽאכְל֔וּ
(tokhlu)
jullie mogen eten
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
בַּמָּ֑יִם
(bamayim)
in het water
כֹּ֣ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לוֹ֩
(lo)
heeft
סְנַפִּ֨יר
(senapir)
vin
וְקַשְׂקֶ֜שֶׂת
(veqasqeset)
en schub
בַּמַּ֗יִם
(bamayim)
in het water
בַּיַּמִּ֛ים
(bayamim)
in de zeeën
וּבַנְּחָלִ֖ים
(uvanechalim)
en in de beken
אֹתָ֥ם
(otam)
die
תֹּאכֵֽלוּ
(tokhelu)
jullie mogen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַמִּים (yammim), ‘zeeën’, en נְחָלִים (nechalim), ‘beken’: het gaat om alle wateren, zowel zout als zoet.

10Maar alles wat in de zeeën en in de beken geen vinnen en schubben heeft. Van alle wemelende dieren van het water en van alle levende wezens in het water. Die zijn afschuwelijk voor jullie.
וְכֹל֩
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
אֵֽין
(ein)
niet is
ל֜וֹ
(lo)
aan hem
סְנַפִּ֣יר
(senapir)
vin
וְקַשְׂקֶ֗שֶׂת
(veqasqeset)
en schub
בַּיַּמִּים֙
(bayamim)
in de zeeën
וּבַנְּחָלִ֔ים
(uvanechalim)
en in de beken
מִכֹּל֙
(mikol)
van alle
שֶׁ֣רֶץ
(sherets)
wemelend dier van
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וּמִכֹּ֛ל
(umikol)
en van alle
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
wezen van
הַחַיָּ֖ה
(hachaya)
het levende
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בַּמָּ֑יִם
(bamayim)
in het water
שֶׁ֥קֶץ
(sheqets)
afschuwelijk
הֵ֖ם
(hem)
zij zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁקֶץ (sheqets), ‘afschuwelijk’: wat men verafschuwt.

Het woord is sterker dan ‘onrein’.

Wij vertalen het werkwoord שִׁקֵּץ (shiqqets) met ‘verafschuwen’.

שֶׁרֶץ (sheretz), ‘wemelend dier’: kleine dieren die in grote aantallen wemelen. Het woord hoort bij het werkwoord שָׁרַץ (sharats), ‘wemelen’ (Gen. 1:20).

11Ze moeten afschuwelijk voor jullie zijn: van hun vlees mogen jullie niet eten, en hun kadaver moeten jullie verafschuwen.
וְשֶׁ֖קֶץ
(vesheqets)
en afschuwelijk
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zij zullen zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
מִבְּשָׂרָם֙
(mibesaram)
van hun vlees
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכֵ֔לוּ
(tokhelu)
jullie zullen eten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נִבְלָתָ֖ם
(nivlatam)
hun kadaver
תְּשַׁקֵּֽצוּ
(teshaqetsu)
jullie zullen verafschuwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Alles wat in het water geen vinnen en schubben heeft, is afschuwelijk voor jullie.
כֹּ֣ל
(kol)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
אֵֽין
(ein)
niet is
ל֛וֹ
(lo)
aan hem
סְנַפִּ֥יר
(senapir)
vin
וְקַשְׂקֶ֖שֶׂת
(veqasqeset)
en schub
בַּמָּ֑יִם
(bamayim)
in het water
שֶׁ֥קֶץ
(sheqets)
afschuwelijk
ה֖וּא
(hu)
het is
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De vogels

13Dit zijn de vogels die jullie moeten verafschuwen. Ze mogen niet gegeten worden, ze zijn afschuwelijk: de arend, de lammergier en de zwarte gier,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֵ֨לֶּה֙
(ele)
deze
תְּשַׁקְּצ֣וּ
(teshaqetsu)
jullie zullen verafschuwen
מִן
(min)
van
הָע֔וֹף
(haof)
de vogels
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵאָכְל֖וּ
(yeakhelu)
zij mogen gegeten worden
שֶׁ֣קֶץ
(sheqets)
afschuwelijk
הֵ֑ם
(hem)
zij zijn
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֨שֶׁר֙
(hanesher)
de arend
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפֶּ֔רֶס
(haperes)
de lammergier
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
הָעָזְנִיָּֽה
(haazeniya)
de zwarte gier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen van de vogels in vers 13–19 zijn deels onzeker.

Wij gebruiken de gangbare weergave.

נֶשֶׁר (nesher), ‘arend’; פֶּרֶס (peres), ‘lammergier’; עָזְנִיָּה (ozniyyah), ‘zwarte gier’. Bij nesher wordt ook ‘gier’ voorgesteld. Een parallel staat in Deut. 14:12–18.

14de wouw en de valk naar zijn soort,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֨דָּאָ֔ה
(hadaa)
de wouw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַיָּ֖ה
(haaya)
de valk
לְמִינָֽהּ
(leminah)
naar haar soort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּאָה (da’ah), ‘wouw’; אַיָּה (ayyah), ‘valk’.

In Deut. 14:13 staat רָאָה (ra’ah) in plaats van דָּאָה.

Dat is waarschijnlijk dezelfde vogel.

Zie ookDeut 14:13
15elke raaf naar zijn soort,
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
עֹרֵ֖ב
(orev)
raaf
לְמִינֽוֹ
(lemino)
naar zijn soort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16de struisvogel, de nachtzwaluw, de meeuw en de havik naar zijn soort,
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
בַּ֣ת
(bat)
dochter van
הַֽיַּעֲנָ֔ה
(hayaana)
de struis
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתַּחְמָ֖ס
(hatachmas)
de nachtzwaluw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשָּׁ֑חַף
(hashachaf)
de meeuw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנֵּ֖ץ
(hanets)
de havik
לְמִינֵֽהוּ
(leminehu)
naar zijn soort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּת הַיַּעֲנָה (bat hayya’anah), letterlijk ‘dochter van de struis’: de struisvogel.

תַּחְמָס (tachmas), ‘nachtzwaluw’; שַׁחַף (shachaf), ‘meeuw’; נֵץ (nets), ‘havik’.

Alle vier zijn onzeker.

17het steenuiltje, de aalscholver en de ooruil,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכּ֥וֹס
(hakos)
het steenuiltje
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשָּׁלָ֖ךְ
(hashalakh)
de aalscholver
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַיַּנְשֽׁוּף
(hayanshuf)
de ooruil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כּוֹס (kos), ‘steenuiltje’; שָׁלָךְ (shalakh), ‘aalscholver’; יַנְשׁוּף (yanshuf), ‘ooruil’.

De weergave van deze drie is onzeker.

18de purperkoet, de pelikaan en de aasgier,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתִּנְשֶׁ֥מֶת
(hatinshemet)
de purperkoet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַקָּאָ֖ת
(haqaat)
de pelikaan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָרָחָֽם
(haracham)
de aasgier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּנְשֶׁמֶת (tinshemet), ‘purperkoet’; קָאָת (qa’at), ‘pelikaan’; רָחָם (racham), ‘aasgier’.

De weergave van deze drie is onzeker.

Voor תִּנְשֶׁמֶת wordt ook ‘uil’ voorgesteld.

Hetzelfde woord staat in vers 30 voor een kruipend dier.

Zie ookLev 11:30
19de ooievaar, de reiger naar zijn soort, de hop en de vleermuis.
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
הַחֲסִידָ֔ה
(hachasida)
de ooievaar
הָאֲנָפָ֖ה
(haanafa)
de reiger
לְמִינָ֑הּ
(leminah)
naar haar soort
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַדּוּכִיפַ֖ת
(hadukhifat)
de hop
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעֲטַלֵּֽף
(haatalef)
de vleermuis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲסִידָה (chasidah), ‘ooievaar’; אֲנָפָה (anafah), ‘reiger’; דּוּכִיפַת (dukhifat), ‘hop’; עֲטַלֵּף (atallef), ‘vleermuis’.

De vleermuis wordt in de Hebreeuwse tekst tot de vogels gerekend: alle gevleugelde dieren staan in één groep.

De gevleugelde wemelende dieren

20Alle gevleugelde wemelende dieren die op vier poten gaan, zijn afschuwelijk voor jullie.
כֹּ֚ל
(kol)
alle
שֶׁ֣רֶץ
(sherets)
wemelend dier van
הָע֔וֹף
(haof)
het gevleugelde
הַהֹלֵ֖ךְ
(haholekh)
dat gaat
עַל
(al)
op
אַרְבַּ֑ע
(arba)
vier
שֶׁ֥קֶץ
(sheqets)
afschuwelijk
ה֖וּא
(hu)
het is
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁרֶץ הָעוֹף (sheretz ha’of), ‘gevleugelde wemelende dieren’: kleine gevleugelde dieren zoals insecten.

Vers 21–23 spreken over sprinkhanen.

21Maar dit mogen jullie eten van alle gevleugelde wemelende dieren die op vier poten gaan. De dieren die boven hun poten sprongpoten hebben, om daarmee over de grond te springen.
אַ֤ךְ
(akh)
maar
אֶת
(et)
(obj.)
זֶה֙
(ze)
dit
תֹּֽאכְל֔וּ
(tokhlu)
jullie mogen eten
מִכֹּל֙
(mikol)
van alle
שֶׁ֣רֶץ
(sherets)
wemelend dier van
הָע֔וֹף
(haof)
het gevleugelde
הַהֹלֵ֖ךְ
(haholekh)
dat gaat
עַל
(al)
op
אַרְבַּ֑ע
(arba)
vier
אֲשֶׁר
(asher)
dat
ל֤וֹ
(lo)
aan hem
כְרָעַ֨יִם֙
(keraayim)
sprongpoten
מִמַּ֣עַל
(mimaal)
boven
לְרַגְלָ֔יו
(leraglav)
zijn poten
לְנַתֵּ֥ר
(lenater)
om te springen
בָּהֵ֖ן
(bahen)
daarmee
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּרָעַיִם (kera’ayim), ‘sprongpoten’: de lange achterpoten van een sprinkhaan.

Lezing

De medeklinkertekst heeft לֹא (lo), ‘niet’: ‘die geen sprongpoten hebben’.

De leestraditie heeft לוֹ (lo), ‘aan hem’: ‘die sprongpoten hebben’.

Alleen de tweede lezing past bij vers 22.

Wij vertalen ‘die … hebben’.

Zie ookLev 11:22
22Hiervan mogen jullie eten: de sprinkhaan naar zijn soort, de woestijnsprinkhaan naar zijn soort, de krekel naar zijn soort en de veldsprinkhaan naar zijn soort.
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֤לֶּה
(ele)
deze
מֵהֶם֙
(mehem)
van hen
תֹּאכֵ֔לוּ
(tokhelu)
jullie mogen eten
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽאַרְבֶּ֣ה
(haarbe)
de sprinkhaan
לְמִינ֔וֹ
(lemino)
naar zijn soort
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַסָּלְעָ֖ם
(hasaleam)
de woestijnsprinkhaan
לְמִינֵ֑הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחַרְגֹּ֣ל
(hachargol)
de krekel
לְמִינֵ֔הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הֶחָגָ֖ב
(hechagav)
de veldsprinkhaan
לְמִינֵֽהוּ
(leminehu)
naar zijn soort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’ (Exod. 10:4); סָלְעָם (sol’am), ‘woestijnsprinkhaan’; חַרְגֹּל (chargol), ‘krekel’; חָגָב (chagav), ‘veldsprinkhaan’.

Hoe de vier soorten precies te onderscheiden zijn, is onzeker.

Sprinkhanen waren ook later voedsel (Matt. 3:4).

23En alle gevleugelde wemelende dieren die vier poten hebben, zijn afschuwelijk voor jullie.
וְכֹל֙
(vekhol)
en alle
שֶׁ֣רֶץ
(sherets)
wemelend dier van
הָע֔וֹף
(haof)
het gevleugelde
אֲשֶׁר
(asher)
dat
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
רַגְלָ֑יִם
(raglayim)
poten
שֶׁ֥קֶץ
(sheqets)
afschuwelijk
ה֖וּא
(hu)
het is
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers herhaalt vers 20.

De uitzondering in vers 21–22 blijft gelden.

Onreinheid door een kadaver

24Door deze dieren worden jullie onrein: ieder die hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond.
וּלְאֵ֖לֶּה
(uleele)
en door deze
תִּטַּמָּ֑אוּ
(titamau)
zullen jullie onrein worden
כָּל
(kal)
ieder
הַנֹּגֵ֥עַ
(hanogea)
die aanraakt
בְּנִבְלָתָ֖ם
(benivlatam)
hun kadaver
יִטְמָ֥א
(yitma)
hij zal onrein zijn
עַד
(ad)
tot
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het gaat om de dieren die in vers 4–8 en 26–27 onrein genoemd zijn.

De onreinheid duurt tot de avond (zie ook vers 25, 28 en 31).

25Ieder die iets van hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond.
וְכָל
(vekhal)
en ieder
הַנֹּשֵׂ֖א
(hanose)
die draagt
מִנִּבְלָתָ֑ם
(minivlatam)
van hun kadaver
יְכַבֵּ֥ס
(yekhabes)
hij zal wassen
בְּגָדָ֖יו
(begadav)
zijn kleren
וְטָמֵ֥א
(vetame)
en onrein
עַד
(ad)
tot
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Elk landdier dat de hoef wel splijt, maar niet geheel gespleten heeft, en dat niet herkauwt, is onrein voor jullie. Ieder die ze aanraakt, is onrein.
לְֽכָל
(lekhal)
voor elk
הַבְּהֵמָ֡ה
(habehema)
landdier
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִוא֩
(hi)
het is
מַפְרֶ֨סֶת
(mafreset)
dat splijt
פַּרְסָ֜ה
(parsa)
een hoef
וְשֶׁ֣סַע
(veshesa)
en een spleet
אֵינֶ֣נָּה
(einena)
niet is het
שֹׁסַ֗עַת
(shosaat)
gespleten
וְגֵרָה֙
(vegera)
en herkauwing
אֵינֶ֣נָּה
(einena)
niet is het
מַעֲלָ֔ה
(maala)
dat opbrengt
טְמֵאִ֥ים
(temeim)
onrein
הֵ֖ם
(hem)
zij zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
כָּל
(kal)
ieder
הַנֹּגֵ֥עַ
(hanogea)
die aanraakt
בָּהֶ֖ם
(bahem)
hen
יִטְמָֽא
(yitma)
hij zal onrein zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Alles wat op zijn zolen loopt, onder alle dieren die op vier poten gaan, is onrein voor jullie. Ieder die hun kadaver aanraakt, is onrein tot de avond.
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alles
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wat gaat
עַל
(al)
op
כַּפָּ֗יו
(kapav)
zijn zolen
בְּכָל
(bekhal)
onder alle
הַֽחַיָּה֙
(hachaya)
het dier
הַהֹלֶ֣כֶת
(haholekhet)
dat gaat
עַל
(al)
op
אַרְבַּ֔ע
(arba)
vier
טְמֵאִ֥ים
(temeim)
onrein
הֵ֖ם
(hem)
zij zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
כָּל
(kal)
ieder
הַנֹּגֵ֥עַ
(hanogea)
die aanraakt
בְּנִבְלָתָ֖ם
(benivlatam)
hun kadaver
יִטְמָ֥א
(yitma)
hij zal onrein zijn
עַד
(ad)
tot
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּפַּיִם (kappayim), letterlijk ‘handpalmen’: dieren die op zolen lopen en geen hoeven hebben.

Het is onzeker welke dieren bedoeld zijn.

28Wie hun kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. Ze zijn onrein voor jullie.
וְהַנֹּשֵׂא֙
(vehanose)
en wie draagt
אֶת
(et)
(obj.)
נִבְלָתָ֔ם
(nivlatam)
hun kadaver
יְכַבֵּ֥ס
(yekhabes)
hij zal wassen
בְּגָדָ֖יו
(begadav)
zijn kleren
וְטָמֵ֣א
(vetame)
en onrein
עַד
(ad)
tot
הָעָ֑רֶב
(haarev)
de avond
טְמֵאִ֥ים
(temeim)
onrein
הֵ֖מָּה
(hema)
zij zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De wemelende dieren op de grond

29Dit is voor jullie onrein onder de wemelende dieren die op de grond wemelen: de wezel, de muis en de grote hagedis naar zijn soort,
וְזֶ֤ה
(veze)
en dit
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
הַטָּמֵ֔א
(hatame)
het onreine
בַּשֶּׁ֖רֶץ
(basherets)
onder de wemelende dieren
הַשֹּׁרֵ֣ץ
(hashorets)
die wemelen
עַל
(al)
op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
הַחֹ֥לֶד
(hacholed)
de wezel
וְהָעַכְבָּ֖ר
(vehaakhbar)
en de muis
וְהַצָּ֥ב
(vehatsav)
en de grote hagedis
לְמִינֵֽהוּ
(leminehu)
naar zijn soort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen van de dieren in vers 29–30 zijn onzeker.

חֹלֶד (choled), ‘wezel’ (ook ‘mol’); עַכְבָּר (akhbar), ‘muis’; צָב (tsav), ‘grote hagedis’ (ook ‘landschildpad’ of ‘pad’).

30de gekko, de varaan, de hagedis, de slak en de kameleon.
וְהָאֲנָקָ֥ה
(vehaanaqa)
en de gekko
וְהַכֹּ֖חַ
(vehakoach)
en de varaan
וְהַלְּטָאָ֑ה
(vehaletaa)
en de hagedis
וְהַחֹ֖מֶט
(vehachomet)
en de slak
וְהַתִּנְשָֽׁמֶת
(vehatinshamet)
en de kameleon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲנָקָה (anaqah), ‘gekko’ (ook ‘egel’); כֹּחַ (koach), ‘varaan’; לְטָאָה (leta’ah), ‘hagedis’; חֹמֶט (chomet), ‘slak’ (ook ‘zandhagedis’); תִּנְשֶׁמֶת (tinshemet), ‘kameleon’ (ook ‘mol’).

De weergave van deze vijf is onzeker.

31Dit zijn de dieren die voor jullie onrein zijn onder alle wemelende dieren. Ieder die ze aanraakt als ze dood zijn, is onrein tot de avond.
אֵ֛לֶּה
(ele)
deze
הַטְּמֵאִ֥ים
(hatemeim)
de onreinen
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
בְּכָל
(bekhal)
onder alle
הַשָּׁ֑רֶץ
(hasharets)
de wemelende dieren
כָּל
(kal)
ieder
הַנֹּגֵ֧עַ
(hanogea)
die aanraakt
בָּהֶ֛ם
(bahem)
hen
בְּמֹתָ֖ם
(bemotam)
bij hun dood
יִטְמָ֥א
(yitma)
hij zal onrein zijn
עַד
(ad)
tot
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Alles waarop iets van hen valt als ze dood zijn, wordt onrein: elk houten voorwerp, elk kleed, elke huid en elke zak, elk voorwerp waarmee werk wordt gedaan. Het moet in water worden gedaan. Het blijft onrein tot de avond; dan is het rein.
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יִפֹּל
(yipol)
valt
עָלָיו֩
(alav)
erop
מֵהֶ֨ם
(mehem)
van hen
בְּמֹתָ֜ם
(bemotam)
bij hun dood
יִטְמָ֗א
(yitma)
zal onrein zijn
מִכָּל
(mikal)
van elk
כְּלִי
(keli)
voorwerp van
עֵץ֙
(ets)
hout
א֣וֹ
(o)
of
בֶ֤גֶד
(beged)
kleed
אוֹ
(o)
of
עוֹר֙
(or)
huid
א֣וֹ
(o)
of
שָׂ֔ק
(saq)
zak
כָּל
(kal)
elk
כְּלִ֕י
(keli)
voorwerp
אֲשֶׁר
(asher)
waarmee
יֵעָשֶׂ֥ה
(yease)
gedaan wordt
מְלָאכָ֖ה
(melakha)
werk
בָּהֶ֑ם
(bahem)
daarmee
בַּמַּ֧יִם
(bamayim)
in water
יוּבָ֛א
(yuva)
moet gebracht worden
וְטָמֵ֥א
(vetame)
en onrein
עַד
(ad)
tot
הָעֶ֖רֶב
(haerev)
de avond
וְטָהֵֽר
(vetaher)
en rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers noemt vijf soorten voorwerpen: een houten voorwerp, een kleed, een huid, een zak en elk ander voorwerp waarmee gewerkt wordt.

Een onrein voorwerp moet in water; het is onrein tot de avond.

33Elk aarden vat waarin iets van hen valt: alles wat erin is, wordt onrein, en het vat moeten jullie breken.
וְכָל
(vekhal)
en elk
כְּלִי
(keli)
vat van
חֶ֔רֶשׂ
(cheres)
aardewerk
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
יִפֹּ֥ל
(yipol)
valt
מֵהֶ֖ם
(mehem)
van hen
אֶל
(el)
in
תּוֹכ֑וֹ
(tokho)
zijn binnenste
כֹּ֣ל
(kol)
alles
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
wat
בְּתוֹכ֛וֹ
(betokho)
in zijn binnenste
יִטְמָ֖א
(yitma)
zal onrein zijn
וְאֹת֥וֹ
(veoto)
en het
תִשְׁבֹּֽרוּ
(tishboru)
zullen jullie breken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een aarden vat dat onrein is geworden, wordt niet gereinigd maar gebroken.

Vergelijk Lev. 6:21 en Lev. 15:12.

34Al het voedsel dat gegeten wordt, wordt onrein als er water op komt. Ook alle drank die gedronken wordt, wordt onrein, in welk vat ook.
מִכָּל
(mikal)
van al
הָאֹ֜כֶל
(haokhel)
het voedsel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יֵאָכֵ֗ל
(yeakhel)
gegeten wordt
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarop
יָב֥וֹא
(yavo)
komt
עָלָ֛יו
(alav)
erop
מַ֖יִם
(mayim)
water
יִטְמָ֑א
(yitma)
zal onrein zijn
וְכָל
(vekhal)
en alle
מַשְׁקֶה֙
(mashqe)
drank
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יִשָּׁתֶ֔ה
(yishate)
gedronken wordt
בְּכָל
(bekhal)
in elk
כְּלִ֖י
(keli)
vat
יִטְמָֽא
(yitma)
zal onrein zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Alles waarop iets van hun kadaver valt, wordt onrein. Oven en fornuis moeten worden afgebroken. Ze zijn onrein en blijven onrein voor jullie.
וְ֠כֹל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
waarop
יִפֹּ֨ל
(yipol)
valt
מִנִּבְלָתָ֥ם
(minivlatam)
van hun kadaver
עָלָיו֮
(alav)
erop
יִטְמָא֒
(yitma)
zal onrein zijn
תַּנּ֧וּר
(tanur)
oven
וְכִירַ֛יִם
(vekhirayim)
en fornuis
יֻתָּ֖ץ
(yutats)
moet afgebroken worden
טְמֵאִ֣ים
(temeim)
onrein
הֵ֑ם
(hem)
zij zijn
וּטְמֵאִ֖ים
(utemeim)
en onrein
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zij zullen zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּנּוּר (tannur), ‘oven’, en כִּירַיִם (kirayim), ‘fornuis’: letterlijk ‘twee kookplaatsen’.

Wat er precies met het fornuis bedoeld wordt, is niet helemaal zeker.

36Maar een bron of een put, een verzameling van water, blijft rein. Wie echter hun kadaver aanraakt, wordt onrein.
אַ֣ךְ
(akh)
maar
מַעְיָ֥ן
(mayan)
bron
וּב֛וֹר
(uvor)
en put
מִקְוֵה
(miqve)
verzameling van
מַ֖יִם
(mayim)
water
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
טָה֑וֹר
(tahor)
rein
וְנֹגֵ֥עַ
(venogea)
en wie aanraakt
בְּנִבְלָתָ֖ם
(benivlatam)
hun kadaver
יִטְמָֽא
(yitma)
zal onrein zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְוֵה מַיִם (miqweh mayim), ‘verzameling van water’: een put of bak waarin water zich verzamelt.

Water uit een bron blijft rein.

37Als iets van hun kadaver valt op zaad dat gezaaid wordt, dan is dat rein.
וְכִ֤י
(vekhi)
en als
יִפֹּל֙
(yipol)
valt
מִנִּבְלָתָ֔ם
(minivlatam)
van hun kadaver
עַל
(al)
op
כָּל
(kal)
elk
זֶ֥רַע
(zera)
zaad
זֵר֖וּעַ
(zerua)
gezaaid
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יִזָּרֵ֑עַ
(yizarea)
gezaaid wordt
טָה֖וֹר
(tahor)
rein
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Maar als er water op het zaad is gedaan en er valt iets van hun kadaver op, dan is het onrein voor jullie.
וְכִ֤י
(vekhi)
en als
יֻתַּן
(yutan)
wordt gedaan
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
עַל
(al)
op
זֶ֔רַע
(zera)
zaad
וְנָפַ֥ל
(venafal)
en valt
מִנִּבְלָתָ֖ם
(minivlatam)
van hun kadaver
עָלָ֑יו
(alav)
erop
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
ה֖וּא
(hu)
het is
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een kadaver van een dier dat gegeten mag worden

39Als een van de landdieren sterft die jullie mogen eten, dan is ieder die het kadaver ervan aanraakt, onrein tot de avond.
וְכִ֤י
(vekhi)
en als
יָמוּת֙
(yamut)
sterft
מִן
(min)
van
הַבְּהֵמָ֔ה
(habehema)
het landdier
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הִ֥יא
(hi)
het is
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לְאָכְלָ֑ה
(leakhela)
tot voedsel
הַנֹּגֵ֥עַ
(hanogea)
wie aanraakt
בְּנִבְלָתָ֖הּ
(benivlatah)
zijn kadaver
יִטְמָ֥א
(yitma)
hij zal onrein zijn
עַד
(ad)
tot
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een dier dat jullie mogen eten maar dat uit zichzelf gestorven is, maakt onrein.

Zie ook Lev. 17:15, Lev. 22:8 en Deut. 14:21.

40Wie van het kadaver eet, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond. Wie het kadaver draagt, moet zijn kleren wassen en is onrein tot de avond.
וְהָֽאֹכֵל֙
(vehaokhel)
en wie eet
מִנִּבְלָתָ֔הּ
(minivlatah)
van zijn kadaver
יְכַבֵּ֥ס
(yekhabes)
hij zal wassen
בְּגָדָ֖יו
(begadav)
zijn kleren
וְטָמֵ֣א
(vetame)
en onrein
עַד
(ad)
tot
הָעָ֑רֶב
(haarev)
de avond
וְהַנֹּשֵׂא֙
(vehanose)
en wie draagt
אֶת
(et)
(obj.)
נִבְלָתָ֔הּ
(nivlatah)
zijn kadaver
יְכַבֵּ֥ס
(yekhabes)
hij zal wassen
בְּגָדָ֖יו
(begadav)
zijn kleren
וְטָמֵ֥א
(vetame)
en onrein
עַד
(ad)
tot
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wees heilig, want Ik ben heilig

41Elk wemelend dier dat op de grond wemelt, is afschuwelijk; het mag niet gegeten worden.
וְכָל
(vekhal)
en elk
הַשֶּׁ֖רֶץ
(hasherets)
wemelend dier
הַשֹּׁרֵ֣ץ
(hashorets)
dat wemelt
עַל
(al)
op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
שֶׁ֥קֶץ
(sheqets)
afschuwelijk
ה֖וּא
(hu)
het is
לֹ֥א
(lo)
niet
יֵאָכֵֽל
(yeakhel)
het mag gegeten worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Alles wat op de buik gaat, alles wat op vier poten gaat en alles wat veel poten heeft, van alle wemelende dieren die op de grond wemelen. Die mogen jullie niet eten. Want ze zijn afschuwelijk.
כֹּל֩
(kol)
alles
הוֹלֵ֨ךְ
(holekh)
wat gaat
עַל
(al)
op
גָּח֜וֹן
(gachon)
de buik
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alles
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wat gaat
עַל
(al)
op
אַרְבַּ֗ע
(arba)
vier
עַ֚ד
(ad)
tot en met
כָּל
(kal)
alles
מַרְבֵּ֣ה
(marbe)
wat vermeerdert
רַגְלַ֔יִם
(raglayim)
poten
לְכָל
(lekhal)
van alle
הַשֶּׁ֖רֶץ
(hasherets)
de wemelende dieren
הַשֹּׁרֵ֣ץ
(hashorets)
die wemelen
עַל
(al)
op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכְל֖וּם
(tokhlum)
jullie zullen ze eten
כִּי
(ki)
want
שֶׁ֥קֶץ
(sheqets)
afschuwelijk
הֵֽם
(hem)
zij zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּחוֹן (gachon), ‘buik’: dieren zoals slangen, die op hun buik gaan.

43Maak jullie zelf niet afschuwelijk door al die wemelende dieren. Maak jullie er niet onrein mee, zodat jullie er niet door onrein worden.
אַל
(al)
niet
תְּשַׁקְּצוּ֙
(teshaqetsu)
maak afschuwelijk
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֹׁ֣תֵיכֶ֔ם
(nafshoteikhem)
jullie zelf
בְּכָל
(bekhal)
door alle
הַשֶּׁ֖רֶץ
(hasherets)
de wemelende dieren
הַשֹּׁרֵ֑ץ
(hashorets)
die wemelen
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תִֽטַּמְּאוּ֙
(titameu)
maak onrein
בָּהֶ֔ם
(bahem)
door hen
וְנִטְמֵתֶ֖ם
(venitmetem)
en jullie zouden onrein worden
בָּֽם
(bam)
door hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשֹׁתֵיכֶם (nafshotekhem), letterlijk ‘jullie zielen’, wordt hier ‘jullie zelf’.

הַשֶּׁרֶץ הַשֹּׁרֵץ (hasheretz hasoretz), ‘de wemelende dieren die wemelen’, vertalen wij hier met ‘al die wemelende dieren’.

44Want Ik ben Yahweh, jullie Elohim. Heilig jullie zelf en wees heilig, want Ik ben heilig. Maak jullie zelf niet onrein door de wemelende dieren die zich op de grond voortbewegen.
כִּ֣י
(ki)
want
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶם֒
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְהִתְקַדִּשְׁתֶּם֙
(vehitqadishtem)
en heilig jullie zelf
וִהְיִיתֶ֣ם
(vihyitem)
en wees
קְדֹשִׁ֔ים
(qedoshim)
heilig
כִּ֥י
(ki)
want
קָד֖וֹשׁ
(qadosh)
heilig
אָ֑נִי
(ani)
Ik
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תְטַמְּאוּ֙
(tetameu)
maak onrein
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֹׁ֣תֵיכֶ֔ם
(nafshoteikhem)
jullie zelf
בְּכָל
(bekhal)
door alle
הַשֶּׁ֖רֶץ
(hasherets)
de wemelende dieren
הָרֹמֵ֥שׂ
(haromes)
die zich voortbewegen
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִתְקַדֵּשׁ (hitqaddesh), ‘zich heiligen’: zich afzonderen voor Yahweh.

Zie ook Lev. 19:2 en 1 Petr. 1:16.

רָמַשׂ (ramas), ‘zich voortbewegen’: een kruipend of trippelend dier.

45Want Ik ben Yahweh, die jullie uit het land Egypte heb laten optrekken om jullie tot Elohim te zijn. Wees heilig, want Ik ben heilig.
כִּ֣י
(ki)
want
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הַֽמַּעֲלֶ֤ה
(hamaale)
die laat optrekken
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לִהְיֹ֥ת
(lihyot)
om te zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לֵאלֹהִ֑ים
(lElohim)
tot Elohim
וִהְיִיתֶ֣ם
(vihyitem)
en wees
קְדֹשִׁ֔ים
(qedoshim)
heilig
כִּ֥י
(ki)
want
קָד֖וֹשׁ
(qadosh)
heilig
אָֽנִי
(ani)
Ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De zin ‘om jullie tot Elohim te zijn’ staat ook in Exod. 6:7.

46Dit is de wet voor het landdier en de vogel. Voor elk levend wezen dat zich in het water beweegt en voor elk levend wezen dat op de grond wemelt,
זֹ֣את
(zot)
dit is
תּוֹרַ֤ת
(torat)
de wet van
הַבְּהֵמָה֙
(habehema)
het landdier
וְהָע֔וֹף
(vehaof)
en de vogel
וְכֹל֙
(vekhol)
en elk
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
wezen
הַֽחַיָּ֔ה
(hachaya)
van het levende
הָרֹמֶ֖שֶׂת
(haromeset)
dat zich beweegt
בַּמָּ֑יִם
(bamayim)
in het water
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor elk
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
wezen
הַשֹּׁרֶ֥צֶת
(hashoretset)
dat wemelt
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht.

Deze slotzin vat de wetten van het hoofdstuk samen.

47om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen het dier dat gegeten mag worden en het dier dat niet gegeten mag worden.”
לְהַבְדִּ֕יל
(lehavdil)
om onderscheid te maken
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הַטָּמֵ֖א
(hatame)
het onreine
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַטָּהֹ֑ר
(hatahor)
het reine
וּבֵ֤ין
(uvein)
en tussen
הַֽחַיָּה֙
(hachaya)
het dier
הַֽנֶּאֱכֶ֔לֶת
(haneekhelet)
dat gegeten wordt
וּבֵין֙
(uvein)
en tussen
הַֽחַיָּ֔ה
(hachaya)
het dier
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵאָכֵֽל
(teakhel)
gegeten wordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De priesters moeten dit onderscheid kennen en doorgeven (Lev. 10:10–11).