Elohim Bijbel

Leviticus 16

123456789101112131415161718192021222324252627

De Verzoendag

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het gevaar van het heiligdom

1Yahweh sprak tot Mozes na de dood van de twee zonen van Aäron, die stierven toen zij voor het aangezicht van Yahweh kwamen.
וַיְדַבֵּ֤ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
na
מ֔וֹת
(mot)
de dood van
שְׁנֵ֖י
(shenei)
twee
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹ֑ן
(aharon)
Aäron
בְּקָרְבָתָ֥ם
(beqarevatam)
bij hun naderen
לִפְנֵי
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּמֻֽתוּ
(vayamutu)
en zij stierven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De twee zonen van Aäron zijn Nadab en Abihu; zie Lev. 10:1–2.

2Yahweh zei tot Mozes: „Spreek tot je broer Aäron: hij mag niet op elk moment het heiligdom binnengaan. Binnen de voorhang, voor het verzoendeksel dat op de ark ligt, zodat hij niet sterft. Want Ik verschijn in de wolk boven het verzoendeksel.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
דַּבֵּר֮
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
אָחִיךָ֒
(achikha)
je broer
וְאַל
(veal)
en niet
יָבֹ֤א
(yavo)
hij mag komen
בְכָל
(bekhal)
op elk
עֵת֙
(et)
moment
אֶל
(el)
in
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
מִבֵּ֖ית
(mibeit)
binnen
לַפָּרֹ֑כֶת
(laparokhet)
de voorhang
אֶל
(el)
voor
פְּנֵ֨י
(penei)
het aangezicht van
הַכַּפֹּ֜רֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הָאָרֹן֙
(haaron)
de ark
וְלֹ֣א
(velo)
zodat niet
יָמ֔וּת
(yamut)
hij sterft
כִּ֚י
(ki)
want
בֶּֽעָנָ֔ן
(beanan)
in de wolk
אֵרָאֶ֖ה
(erae)
Ik verschijn
עַל
(al)
boven
הַכַּפֹּֽרֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקֹּדֶשׁ (haqodesh), ‘het heiligdom’: hier het binnenste deel van de tabernakel, achter de voorhang, met de ark en het verzoendeksel.

פָּרֹכֶת (paroket), ‘voorhang’: het doek dat de ruimte met de ark afscheidt; zie Exod. 26:31–33.

כַּפֹּרֶת (kapporet), ‘verzoendeksel’: het deksel op de ark; zie Exod. 25:17–22.

Lezing

‘De wolk’ kan de wolk zijn waarin Yahweh aanwezig is (Exod. 40:34–35) of de wierookwolk uit vers 13.

Wij laten dat open en vertalen zoals het er staat.

De kleren en de offers van Aäron

3Zo moet Aäron het heiligdom binnengaan: met een jonge stier als zondoffer en met een ram als brandoffer.
בְּזֹ֛את
(bezot)
hiermee
יָבֹ֥א
(yavo)
moet binnengaan
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
אֶל
(el)
in
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
בְּפַ֧ר
(befar)
met een stier
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּקָ֛ר
(baqar)
rund
לְחַטָּ֖את
(lechatat)
als zondoffer
וְאַ֥יִל
(veayil)
en een ram
לְעֹלָֽה
(leola)
als brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Voor zichzelf brengt Aäron een stier als zondoffer (vers 6 en 11) en een ram als brandoffer; voor het volk komen er twee bokken als zondoffer en één ram als brandoffer (vers 5).

Zie ook vers 24.

4Hij moet een heilig onderkleed van linnen aantrekken. Op zijn lichaam moeten linnen onderbroeken zijn. Hij moet zich omgorden met een linnen gordel en een linnen tulband omwinden. Dit zijn heilige kleren. Hij moet zijn lichaam met water wassen en ze dan aantrekken.
כְּתֹֽנֶת
(ketonet)
een onderkleed van
בַּ֨ד
(bad)
linnen
קֹ֜דֶשׁ
(qodesh)
heilig
יִלְבָּ֗שׁ
(yilbash)
hij moet aantrekken
וּמִֽכְנְסֵי
(umikhnesei)
en onderbroeken van
בַד֮
(bad)
linnen
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zullen zijn
עַל
(al)
op
בְּשָׂרוֹ֒
(besaro)
zijn lichaam
וּבְאַבְנֵ֥ט
(uveavnet)
en met een gordel van
בַּד֙
(bad)
linnen
יַחְגֹּ֔ר
(yachgor)
hij moet omgorden
וּבְמִצְנֶ֥פֶת
(uvemitsnefet)
en met een tulband van
בַּ֖ד
(bad)
linnen
יִצְנֹ֑ף
(yitsnof)
hij moet omwinden
בִּגְדֵי
(bigdei)
kleren van
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
הֵ֔ם
(hem)
zij
וְרָחַ֥ץ
(verachats)
en hij moet wassen
בַּמַּ֛יִם
(bamayim)
met water
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂר֖וֹ
(besaro)
zijn lichaam
וּלְבֵשָֽׁם
(ulevesham)
en hij moet ze aantrekken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Op deze dag draagt Aäron linnen kleren, zonder de gouden en gekleurde onderdelen van Exod. 28:4–8.

Voor de onderbroeken: zie Exod. 28:42.

5Van de gemeenschap van de zonen van Israël moet hij twee geitenbokken nemen als zondoffer, en één ram als brandoffer.
וּמֵאֵ֗ת
(umeet)
en van
עֲדַת֙
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
יִקַּ֛ח
(yiqach)
hij moet nemen
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
שְׂעִירֵ֥י
(seirei)
bokken van
עִזִּ֖ים
(izim)
geiten
לְחַטָּ֑את
(lechatat)
als zondoffer
וְאַ֥יִל
(veayil)
en een ram
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לְעֹלָֽה
(leola)
als brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Aäron moet de stier van het zondoffer brengen, die voor hemzelf is. Hij moet verzoening doen voor zichzelf en voor zijn huis.
וְהִקְרִ֧יב
(vehiqriv)
en hij moet brengen
אַהֲרֹ֛ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
פַּ֥ר
(par)
de stier van
הַחַטָּ֖את
(hachatat)
het zondoffer
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֑וֹ
(lo)
voor hemzelf
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en hij moet verzoening doen
בַּעֲד֖וֹ
(baado)
voor hem
וּבְעַ֥ד
(uvead)
en voor
בֵּיתֽוֹ
(beito)
zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De twee bokken

7Dan moet hij de twee bokken nemen en ze voor het aangezicht van Yahweh laten staan, bij de ingang van de tent van samenkomst.
וְלָקַ֖ח
(velaqach)
en hij moet nemen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
הַשְּׂעִירִ֑ם
(haseirim)
de bokken
וְהֶעֱמִ֤יד
(veheemid)
en hij moet laten staan
אֹתָם֙
(otam)
hen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Aäron moet over de twee bokken loten werpen: één lot voor Yahweh en één lot voor Azazel.
וְנָתַ֧ן
(venatan)
en hij moet geven
אַהֲרֹ֛ן
(aharon)
Aäron
עַל
(al)
over
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
הַשְּׂעִירִ֖ם
(haseirim)
de bokken
גּוֹרָל֑וֹת
(goralot)
loten
גּוֹרָ֤ל
(goral)
een lot
אֶחָד֙
(echad)
één
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְגוֹרָ֥ל
(vegoral)
en een lot
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לַעֲזָאזֵֽל
(laazazel)
voor Azazel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲזָאזֵל (azazel): wat deze naam betekent, is onzeker.

Wij laten hem onvertaald.

Voorgesteld zijn onder meer een persoonsnaam (van een wezen in de woestijn), een plaatsnaam (een onherbergzame plek) of een omschrijving van de bok zelf (‘de bok die weggaat’).

Het Hebreeuws zegt alleen dat het ene lot ‘voor Yahweh’ is en het andere ‘voor Azazel’.

Lezing

Wij nemen geen standpunt in over wat Azazel is; de tekst zegt het niet.

Dezelfde naam staat in vers 10 en 26.

Aanvullend

Henoch 8:1 en 10:4–8 gebruiken dezelfde naam voor een van de Wachters, die in de woestijn wordt vastgebonden.

Of Lev. 16 hetzelfde bedoelt, zeggen wij hier niet.

9Aäron moet de bok brengen waarop het lot voor Yahweh is gevallen, en hem als zondoffer toebereiden.
וְהִקְרִ֤יב
(vehiqriv)
en hij moet brengen
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׂעִ֔יר
(hasair)
de bok
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarop
עָלָ֥ה
(ala)
is opgekomen
עָלָ֛יו
(alav)
op hem
הַגּוֹרָ֖ל
(hagoral)
het lot
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְעָשָׂ֖הוּ
(veasahu)
en hij moet hem toebereiden
חַטָּֽאת
(chatat)
als zondoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De bok waarop het lot voor Azazel is gevallen, moet levend voor het aangezicht van Yahweh worden gesteld. Dan wordt er verzoening voor hem gedaan, en wordt hij naar Azazel de woestijn in gestuurd.
וְהַשָּׂעִ֗יר
(vehasair)
en de bok
אֲשֶׁר֩
(asher)
waarop
עָלָ֨ה
(ala)
is opgekomen
עָלָ֤יו
(alav)
op hem
הַגּוֹרָל֙
(hagoral)
het lot
לַעֲזָאזֵ֔ל
(laazazel)
voor Azazel
יָֽעֳמַד
(yaomad)
moet worden gesteld
חַ֛י
(chay)
levend
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְכַפֵּ֣ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עָלָ֑יו
(alav)
over hem
לְשַׁלַּ֥ח
(leshalach)
om weg te sturen
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
לַעֲזָאזֵ֖ל
(laazazel)
naar Azazel
הַמִּדְבָּֽרָה
(hamidbara)
de woestijn in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De verzoening binnen de voorhang

11Aäron moet de stier van het zondoffer brengen, die voor hemzelf is. Hij moet verzoening doen voor zichzelf en voor zijn huis. Dan moet hij de stier van het zondoffer, die voor hemzelf is, slachten.
וְהִקְרִ֨יב
(vehiqriv)
en hij moet brengen
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
פַּ֤ר
(par)
de stier van
הַֽחַטָּאת֙
(hachatat)
het zondoffer
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֔וֹ
(lo)
voor hemzelf
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en hij moet verzoening doen
בַּֽעֲד֖וֹ
(baado)
voor hem
וּבְעַ֣ד
(uvead)
en voor
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וְשָׁחַ֛ט
(veshachat)
en hij moet slachten
אֶת
(et)
(obj.)
פַּ֥ר
(par)
de stier van
הַֽחַטָּ֖את
(hachatat)
het zondoffer
אֲשֶׁר
(asher)
die
לֽוֹ
(lo)
voor hemzelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Hij moet een vuurpan vol gloeiende kolen van het altaar nemen, van voor het aangezicht van Yahweh, en zijn handen vol fijne, welriekende wierook. Dan moet hij dat binnen de voorhang brengen.
וְלָקַ֣ח
(velaqach)
en hij moet nemen
מְלֹֽא
(melo)
de volheid van
הַ֠מַּחְתָּה
(hamachta)
de vuurpan
גַּֽחֲלֵי
(gachalei)
gloeiende kolen van
אֵ֞שׁ
(esh)
vuur
מֵעַ֤ל
(meal)
van boven
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
van voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמְלֹ֣א
(umelo)
en de volheid van
חָפְנָ֔יו
(chafenav)
zijn handen
קְטֹ֥רֶת
(qetoret)
wierook van
סַמִּ֖ים
(samim)
specerijen
דַּקָּ֑ה
(daqa)
fijn
וְהֵבִ֖יא
(vehevi)
en hij moet brengen
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
binnen
לַפָּרֹֽכֶת
(laparokhet)
de voorhang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Hij moet de wierook op het vuur leggen, voor het aangezicht van Yahweh. De wolk van de wierook moet het verzoendeksel bedekken dat op het getuigenis ligt, zodat hij niet sterft.
וְנָתַ֧ן
(venatan)
en hij moet leggen
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַקְּטֹ֛רֶת
(haqetoret)
de wierook
עַל
(al)
op
הָאֵ֖שׁ
(haesh)
het vuur
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכִסָּ֣ה
(vekhisa)
en zal bedekken
עֲנַ֣ן
(anan)
de wolk van
הַקְּטֹ֗רֶת
(haqetoret)
de wierook
אֶת
(et)
(obj.)
הַכַּפֹּ֛רֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הָעֵד֖וּת
(haedut)
het getuigenis
וְלֹ֥א
(velo)
zodat niet
יָמֽוּת
(yamut)
hij sterft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָעֵדוּת (ha’edut), ‘het getuigenis’: de stenen tafelen in de ark; zie Exod. 25:16 en 25:21.

14Hij moet van het bloed van de stier nemen en het met zijn vinger op de voorkant van het verzoendeksel spatten, aan de oostkant. Voor het verzoendeksel moet hij zeven keer met zijn vinger van het bloed spatten.
וְלָקַח֙
(velaqach)
en hij moet nemen
מִדַּ֣ם
(midam)
van het bloed van
הַפָּ֔ר
(hapar)
de stier
וְהִזָּ֧ה
(vehiza)
en hij moet spatten
בְאֶצְבָּע֛וֹ
(beetsbao)
met zijn vinger
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
de voorkant van
הַכַּפֹּ֖רֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
קֵ֑דְמָה
(qedema)
naar het oosten
וְלִפְנֵ֣י
(velifnei)
en voor
הַכַּפֹּ֗רֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
יַזֶּ֧ה
(yaze)
hij moet spatten
שֶֽׁבַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֛ים
(peamim)
keer
מִן
(min)
van
הַדָּ֖ם
(hadam)
het bloed
בְּאֶצְבָּעֽוֹ
(beetsbao)
met zijn vinger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Dan moet hij de bok van het zondoffer slachten, die voor het volk is. Hij moet zijn bloed binnen de voorhang brengen. Met dat bloed moet hij doen wat hij met het bloed van de stier gedaan heeft: hij moet het op het verzoendeksel en voor het verzoendeksel spatten.
וְשָׁחַ֞ט
(veshachat)
en hij moet slachten
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂעִ֤יר
(seir)
de bok van
הַֽחַטָּאת֙
(hachatat)
het zondoffer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לָעָ֔ם
(laam)
voor het volk
וְהֵבִיא֙
(vehevi)
en hij moet brengen
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמ֔וֹ
(damo)
zijn bloed
אֶל
(el)
naar
מִבֵּ֖ית
(mibeit)
binnen
לַפָּרֹ֑כֶת
(laparokhet)
de voorhang
וְעָשָׂ֣ה
(veasa)
en hij moet doen
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמ֗וֹ
(damo)
zijn bloed
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂה֙
(asa)
hij deed
לְדַ֣ם
(ledam)
met het bloed van
הַפָּ֔ר
(hapar)
de stier
וְהִזָּ֥ה
(vehiza)
en hij moet spatten
אֹת֛וֹ
(oto)
het
עַל
(al)
op
הַכַּפֹּ֖רֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
וְלִפְנֵ֥י
(velifnei)
en voor
הַכַּפֹּֽרֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Zo moet hij verzoening doen voor het heiligdom, vanwege de onreinheden van de zonen van Israël en vanwege hun overtredingen, met al hun zonden. Hetzelfde moet hij doen voor de tent van samenkomst, die bij hen woont, midden in hun onreinheden.
וְכִפֶּ֣ר
(vekhiper)
en hij moet verzoening doen
עַל
(al)
over
הַקֹּ֗דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
מִטֻּמְאֹת֙
(mitumot)
vanwege de onreinheden van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּמִפִּשְׁעֵיהֶ֖ם
(umipisheihem)
en vanwege hun overtredingen
לְכָל
(lekhal)
bij
חַטֹּאתָ֑ם
(chatotam)
al hun zonden
וְכֵ֤ן
(vekhen)
en zo
יַעֲשֶׂה֙
(yaase)
hij moet doen
לְאֹ֣הֶל
(leohel)
voor de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
הַשֹּׁכֵ֣ן
(hashokhen)
die woont
אִתָּ֔ם
(itam)
bij hen
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
in het midden van
טֻמְאֹתָֽם
(tumotam)
hun onreinheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טֻמְאָה (tum’ah), ‘onreinheid’: rituele onreinheid.

Het heiligdom wordt door de onreinheid en de overtredingen van het volk geraakt; daarom wordt er ook voor het heiligdom verzoening gedaan (vers 16, 19 en 33).

Zie ook Lev. 15:31.

17Niemand mag in de tent van samenkomst zijn wanneer hij binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, tot hij weer naar buiten komt. Hij moet verzoening doen voor zichzelf, voor zijn huis en voor de hele vergadering van Israël.
וְכָל
(vekhal)
en geen
אָדָ֞ם
(adam)
mens
לֹא
(lo)
niet
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵ֗ד
(moed)
samenkomst
בְּבֹא֛וֹ
(bevoo)
bij zijn binnenkomen
לְכַפֵּ֥ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
בַּקֹּ֖דֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
עַד
(ad)
tot
צֵאת֑וֹ
(tseto)
zijn naar buiten komen
וְכִפֶּ֤ר
(vekhiper)
en hij moet verzoening doen
בַּעֲדוֹ֙
(baado)
voor hem
וּבְעַ֣ד
(uvead)
en voor
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וּבְעַ֖ד
(uvead)
en voor
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֥ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Dan moet hij naar buiten gaan, naar het altaar dat voor het aangezicht van Yahweh is, en daarvoor verzoening doen. Hij moet van het bloed van de stier en van het bloed van de bok nemen en het rondom op de hoorns van het altaar doen.
וְיָצָ֗א
(veyatsa)
en hij moet naar buiten gaan
אֶל
(el)
naar
הַמִּזְבֵּ֛חַ
(hamizbeach)
het altaar
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכִפֶּ֣ר
(vekhiper)
en hij moet verzoening doen
עָלָ֑יו
(alav)
erover
וְלָקַ֞ח
(velaqach)
en hij moet nemen
מִדַּ֤ם
(midam)
van het bloed van
הַפָּר֙
(hapar)
de stier
וּמִדַּ֣ם
(umidam)
en van het bloed van
הַשָּׂעִ֔יר
(hasair)
de bok
וְנָתַ֛ן
(venatan)
en hij moet doen
עַל
(al)
op
קַרְנ֥וֹת
(qarnot)
de hoorns van
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt alleen ‘het altaar dat voor het aangezicht van Yahweh is’.

Dat kan het gouden wierookaltaar zijn (Exod. 30:1–10) of het altaar voor de brandoffers (Exod. 27:1–8).

Wij laten het open.

19Hij moet er met zijn vinger zeven keer van het bloed op spatten. Zo moet hij het rein maken en heiligen, weg van de onreinheden van de zonen van Israël.
וְהִזָּ֨ה
(vehiza)
en hij moet spatten
עָלָ֧יו
(alav)
erop
מִן
(min)
van
הַדָּ֛ם
(hadam)
het bloed
בְּאֶצְבָּע֖וֹ
(beetsbao)
met zijn vinger
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֑ים
(peamim)
keer
וְטִהֲר֣וֹ
(vetiharo)
en hij moet het rein maken
וְקִדְּשׁ֔וֹ
(veqidesho)
en hij moet het heiligen
מִטֻּמְאֹ֖ת
(mitumot)
van de onreinheden van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De bok die wordt weggestuurd

20Als hij klaar is met de verzoening voor het heiligdom, de tent van samenkomst en het altaar, moet hij de levende bok brengen.
וְכִלָּה֙
(vekhila)
en hij is klaar
מִכַּפֵּ֣ר
(mikaper)
met verzoening doen voor
אֶת
(et)
(obj.)
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
וְהִקְרִ֖יב
(vehiqriv)
en hij moet brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׂעִ֥יר
(hasair)
de bok
הֶחָֽי
(hechay)
de levende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Aäron moet zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen. Daarbij moet hij alle schuld van de zonen van Israël belijden, en al hun overtredingen, al hun zonden. Hij moet ze op de kop van de bok leggen. Daarna moet hij de bok de woestijn in sturen, door een man die daarvoor klaarstaat.
וְסָמַ֨ךְ
(vesamakh)
en hij moet leunen
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
יָדָ֗יו
(yadav)
zijn handen
עַ֨ל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
de kop van
הַשָּׂעִיר֮
(hasair)
de bok
הַחַי֒
(hachay)
de levende
וְהִתְוַדָּ֣ה
(vehitvada)
en hij moet belijden
עָלָ֗יו
(alav)
over hem
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲוֺנֹת֙
(avonot)
de schuld van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
פִּשְׁעֵיהֶ֖ם
(pisheihem)
hun overtredingen
לְכָל
(lekhal)
bij
חַטֹּאתָ֑ם
(chatotam)
al hun zonden
וְנָתַ֤ן
(venatan)
en hij moet leggen
אֹתָם֙
(otam)
hen
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
de kop van
הַשָּׂעִ֔יר
(hasair)
de bok
וְשִׁלַּ֛ח
(veshilach)
en hij moet wegsturen
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
עִתִּ֖י
(iti)
die klaarstaat
הַמִּדְבָּֽרָה
(hamidbara)
de woestijn in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָמַךְ (samakh), ‘leggen’: letterlijk ‘leunen’.

Aäron leunt met beide handen op de kop van de bok; bij andere offers wordt één hand gelegd (Lev. 1:4; 3:2).

הִתְוַדָּה (hitvaddah), ‘belijden’: hardop zeggen wat men gedaan heeft.

עִתִּי (itti), ‘klaarstaand’: een man die voor dit moment klaarstaat. Het woord komt maar hier voor; de betekenis is niet helemaal zeker.

22De bok moet al hun schuld op zich dragen naar een afgelegen land. Hij moet de bok in de woestijn wegsturen.
וְנָשָׂ֨א
(venasa)
en hij zal dragen
הַשָּׂעִ֥יר
(hasair)
de bok
עָלָ֛יו
(alav)
op zich
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲוֺנֹתָ֖ם
(avonotam)
hun schuld
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land
גְּזֵרָ֑ה
(gezera)
afgesneden
וְשִׁלַּ֥ח
(veshilach)
en hij moet wegsturen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׂעִ֖יר
(hasair)
de bok
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשָׂא (nasa), ‘dragen’: de bok draagt de schuld weg.

Hetzelfde werkwoord staat bij ‘zijn schuld dragen’ (Lev. 5:1).

גְּזֵרָה (gezerah), ‘afgesneden’: een land dat van de bewoonde wereld is afgesneden. Wij vertalen ‘afgelegen’. De precieze betekenis is niet zeker.

Aäron kleedt zich om

23Aäron moet de tent van samenkomst ingaan. Hij moet de linnen kleren uittrekken die hij heeft aangetrokken toen hij het heiligdom binnenging, en ze daar neerleggen.
וּבָ֤א
(uva)
en hij moet gaan
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
וּפָשַׁט֙
(ufashat)
en hij moet uittrekken
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵ֣י
(bigdei)
de kleren van
הַבָּ֔ד
(habad)
het linnen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לָבַ֖שׁ
(lavash)
hij aantrok
בְּבֹא֣וֹ
(bevoo)
bij zijn binnenkomen
אֶל
(el)
in
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
וְהִנִּיחָ֖ם
(vehinicham)
en hij moet ze neerleggen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Hij moet zijn lichaam op een heilige plaats met water wassen en zijn kleren aantrekken. Dan moet hij naar buiten gaan en zijn brandoffer en het brandoffer van het volk toebereiden. Hij moet verzoening doen voor zichzelf en voor het volk.
וְרָחַ֨ץ
(verachats)
en hij moet wassen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂר֤וֹ
(besaro)
zijn lichaam
בַמַּ֨יִם֙
(bamayim)
met water
בְּמָק֣וֹם
(bemaqom)
op een plaats
קָד֔וֹשׁ
(qadosh)
heilig
וְלָבַ֖שׁ
(velavash)
en hij moet aantrekken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֑יו
(begadav)
zijn kleren
וְיָצָ֗א
(veyatsa)
en hij moet naar buiten gaan
וְעָשָׂ֤ה
(veasa)
en hij moet toebereiden
אֶת
(et)
(obj.)
עֹֽלָתוֹ֙
(olato)
zijn brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֹלַ֣ת
(olat)
het brandoffer van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en hij moet verzoening doen
בַּעֲד֖וֹ
(baado)
voor hem
וּבְעַ֥ד
(uvead)
en voor
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Het vet van het zondoffer moet hij op het altaar in rook laten opgaan.
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
חֵ֥לֶב
(chelev)
het vet van
הַֽחַטָּ֖את
(hachatat)
het zondoffer
יַקְטִ֥יר
(yaqtir)
hij moet in rook laten opgaan
הַמִּזְבֵּֽחָה
(hamizbecha)
op het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Wie de bok naar Azazel heeft weggestuurd, moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Daarna mag hij het kamp binnengaan.
וְהַֽמְשַׁלֵּ֤חַ
(vehamshaleach)
en wie wegstuurt
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׂעִיר֙
(hasair)
de bok
לַֽעֲזָאזֵ֔ל
(laazazel)
naar Azazel
יְכַבֵּ֣ס
(yekhabes)
hij moet wassen
בְּגָדָ֔יו
(begadav)
zijn kleren
וְרָחַ֥ץ
(verachats)
en hij moet wassen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂר֖וֹ
(besaro)
zijn lichaam
בַּמָּ֑יִם
(bamayim)
met water
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en na
כֵ֖ן
(ken)
dat
יָב֥וֹא
(yavo)
mag hij binnengaan
אֶל
(el)
in
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27De stier van het zondoffer en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed binnengebracht is om verzoening te doen in het heiligdom, moet hij naar buiten brengen. Buiten het kamp. Hun huid, hun vlees en hun mest moeten met vuur worden verbrand.
וְאֵת֩
(veet)
en (obj.)
פַּ֨ר
(par)
de stier van
הַֽחַטָּ֜את
(hachatat)
het zondoffer
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שְׂעִ֣יר
(seir)
de bok van
הַֽחַטָּ֗את
(hachatat)
het zondoffer
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarvan
הוּבָ֤א
(huva)
is binnengebracht
אֶת
(et)
(obj.)
דָּמָם֙
(damam)
hun bloed
לְכַפֵּ֣ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
בַּקֹּ֔דֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
יוֹצִ֖יא
(yotsi)
hij moet naar buiten brengen
אֶל
(el)
naar
מִח֣וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֑ה
(lamachane)
het kamp
וְשָׂרְפ֣וּ
(vesarefu)
en zij moeten verbranden
בָאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
אֶת
(et)
(obj.)
עֹרֹתָ֥ם
(orotam)
hun huiden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּשָׂרָ֖ם
(besaram)
hun vlees
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פִּרְשָֽׁם
(pirsham)
hun mest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ook bij andere zondoffers wordt het dier buiten het kamp verbrand; zie Lev. 4:11–12 en Exod. 29:14.

28Wie ze verbrandt, moet zijn kleren wassen en zijn lichaam met water wassen. Daarna mag hij het kamp binnengaan.
וְהַשֹּׂרֵ֣ף
(vehasoref)
en wie verbrandt
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
יְכַבֵּ֣ס
(yekhabes)
hij moet wassen
בְּגָדָ֔יו
(begadav)
zijn kleren
וְרָחַ֥ץ
(verachats)
en hij moet wassen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂר֖וֹ
(besaro)
zijn lichaam
בַּמָּ֑יִם
(bamayim)
met water
וְאַחֲרֵי
(veacharei)
en na
כֵ֖ן
(ken)
dat
יָב֥וֹא
(yavo)
mag hij binnengaan
אֶל
(el)
in
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Verzoendag voor het volk

29Dit moet voor jullie een eeuwig voorschrift zijn: in de zevende maand, op de tiende dag van de maand, moeten jullie jezelf kwellen. Jullie mogen geen enkel werk doen, de inheemse niet en de vreemdeling die in jullie midden verblijft niet.
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en het zal zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לְחֻקַּ֣ת
(lechuqat)
tot een voorschrift van
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַ֠שְּׁבִיעִי
(hashevii)
de zevende
בֶּֽעָשׂ֨וֹר
(beasor)
op de tiende
לַחֹ֜דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
תְּעַנּ֣וּ
(teanu)
jullie moeten kwellen
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֹֽׁתֵיכֶ֗ם
(nafshoteikhem)
jullie levens
וְכָל
(vekhal)
en geen
מְלָאכָה֙
(melakha)
werk
לֹ֣א
(lo)
niet
תַעֲשׂ֔וּ
(taasu)
jullie mogen doen
הָֽאֶזְרָ֔ח
(haezrach)
de inheemse
וְהַגֵּ֖ר
(vehager)
en de vreemdeling
הַגָּ֥ר
(hagar)
die verblijft
בְּתוֹכְכֶֽם
(betokhekhem)
in jullie midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּעַנּוּ אֶת־נַפְשֹׁתֵיכֶם (te’annu et-nafshoteikhem), ‘jullie moeten jezelf kwellen’: letterlijk ‘jullie levens kwellen’.

Het gaat om vasten en je inhouden; zie ook Lev. 23:27–32 en Num. 29:7.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘leven, wezen, persoon’: zie ook Lev. 17:11.

De zevende maand valt ongeveer in september en oktober; de tiende dag van die maand is de Grote Verzoendag (Yom Kippur).

Aanvullend

Jubileeën 34:18–19 noemt dezelfde dag, de tiende van de zevende maand, en de verzoening eenmaal per jaar.

30Want op deze dag wordt er verzoening voor jullie gedaan, om jullie rein te maken. Van al jullie zonden zullen jullie rein worden voor het aangezicht van Yahweh.
כִּֽי
(ki)
want
בַיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
יְכַפֵּ֥ר
(yekhaper)
er wordt verzoening gedaan
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
voor jullie
לְטַהֵ֣ר
(letaher)
om rein te maken
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
מִכֹּל֙
(mikol)
van al
חַטֹּ֣אתֵיכֶ֔ם
(chatoteikhem)
jullie zonden
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תִּטְהָֽרוּ
(titharu)
jullie zullen rein worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Het is voor jullie een sabbat van volledige rust. Jullie moeten jezelf kwellen. Dit is een eeuwig voorschrift.
שַׁבַּ֨ת
(shabat)
een sabbat van
שַׁבָּת֥וֹן
(shabaton)
volledige rust
הִיא֙
(hi)
het is
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
וְעִנִּיתֶ֖ם
(veinitem)
en jullie moeten kwellen
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם
(nafshoteikhem)
jullie levens
חֻקַּ֖ת
(chuqat)
een voorschrift van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wie de verzoening doet

32De priester die gezalfd wordt en ingewijd wordt om priester te zijn in plaats van zijn vader, moet verzoening doen. Hij moet de linnen kleren aantrekken, de heilige kleren.
וְכִפֶּ֨ר
(vekhiper)
en hij moet verzoening doen
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִמְשַׁ֣ח
(yimshach)
men zalft
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en die
יְמַלֵּא֙
(yemale)
men inwijdt
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
לְכַהֵ֖ן
(lekhahen)
om priester te zijn
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וְלָבַ֛שׁ
(velavash)
en hij moet aantrekken
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
de kleren van
הַבָּ֖ד
(habad)
het linnen
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
de kleren van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
de heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִלֵּא אֶת־יָדוֹ (mille et-yado), ‘zijn hand vullen’, betekent ‘inwijden’; zie Exod. 29:9.

33Hij moet verzoening doen voor het heilige heiligdom. Ook voor de tent van samenkomst en voor het altaar moet hij verzoening doen. Voor de priesters en voor heel het volk van de vergadering moet hij ook verzoening doen.
וְכִפֶּר֙
(vekhiper)
en hij moet verzoening doen
אֶת
(et)
(obj.)
מִקְדַּ֣שׁ
(miqdash)
het heiligdom van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֹ֧הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֛ד
(moed)
samenkomst
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
יְכַפֵּ֑ר
(yekhaper)
hij moet verzoening doen
וְעַ֧ל
(veal)
en voor
הַכֹּהֲנִ֛ים
(hakohanim)
de priesters
וְעַל
(veal)
en voor
כָּל
(kal)
heel
עַ֥ם
(am)
het volk van
הַקָּהָ֖ל
(haqahal)
de vergadering
יְכַפֵּֽר
(yekhaper)
hij moet verzoening doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Dit moet voor jullie een eeuwig voorschrift zijn: eenmaal per jaar verzoening doen voor de zonen van Israël, voor al hun zonden.” Er werd gedaan zoals Yahweh Mozes geboden had.
וְהָֽיְתָה
(vehayeta)
en het zal zijn
זֹּ֨את
(zot)
dit
לָכֶ֜ם
(lakhem)
voor jullie
לְחֻקַּ֣ת
(lechuqat)
tot een voorschrift van
עוֹלָ֗ם
(olam)
eeuwigheid
לְכַפֵּ֞ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עַל
(al)
voor
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִכָּל
(mikal)
van al
חַטֹּאתָ֔ם
(chatotam)
hun zonden
אַחַ֖ת
(achat)
eenmaal
בַּשָּׁנָ֑ה
(bashana)
per jaar
וַיַּ֕עַשׂ
(vayaas)
en er werd gedaan
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In het Hebreeuws staat bij ‘en hij deed’ geen onderwerp; waarschijnlijk is het Aäron.

Wij vertalen onpersoonlijk.