Yahweh keert het lot van Israël en Juda: het begin van het Boek van de troost
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
1Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam:
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֣ה
(haya)
kwam
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Want zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh, dat Ik het lot van Mijn volk Israël en Juda keer, zegt Yahweh. Ik zal hen terugbrengen naar het land dat Ik aan hun vaderen gegeven heb. Zij zullen het in bezit nemen.”
כִּ֠י
(ki)
want
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
יָמִ֤ים
(yamim)
dagen
בָּאִים֙
(baim)
komen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְ֠שַׁבְתִּי
(veshavti)
en Ik zal keren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁב֨וּת
(shevut)
het lot van
עַמִּ֧י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוּדָ֖ה
(vihuda)
en Juda
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַהֲשִׁבֹתִ֗ים
(vahashivotim)
en Ik zal hen terugbrengen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לַאֲבוֹתָ֖ם
(laavotam)
aan hun vaderen
וִֽירֵשֽׁוּהָ
(vireshuha)
en zij zullen het bezitten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.
שְׁבוּת (shevut), ‘lot’: in de uitdrukking שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot keren’. Het werkwoord שׁוּב (shuv) betekent ‘terugkeren, keren’. De uitdrukking staat ook in Hos. 6:11, Joël 4:1 en Amos 9:14. Ze betekent: Yahweh brengt de omstandigheden van Zijn volk weer terug naar wat ze waren, en Hij brengt hen ook terug naar hun land. Dit gebeurt ook in vers 18.
6Vraag toch en kijk: baart een man? Waarom zie Ik elke man met zijn handen op zijn heupen als een barende vrouw, en zijn alle gezichten bleek geworden?
שַׁאֲלוּ
(shaalu)
vraagt
נָ֣א
(na)
toch
וּרְא֔וּ
(ureu)
en kijkt
אִם
(im)
of
יֹלֵ֖ד
(yoled)
baart
זָכָ֑ר
(zakhar)
een man
מַדּוּעַ֩
(madua)
waarom
רָאִ֨יתִי
(raiti)
zie Ik
כָל
(kal)
elke
גֶּ֜בֶר
(gever)
man
יָדָ֤יו
(yadav)
zijn handen
עַל
(al)
op
חֲלָצָיו֙
(chalatsav)
zijn heupen
כַּיּ֣וֹלֵדָ֔ה
(kayoleda)
als een barende
וְנֶהֶפְכ֥וּ
(venehefkhu)
en zijn omgeslagen
כָל
(kal)
alle
פָּנִ֖ים
(panim)
gezichten
לְיֵרָקֽוֹן
(leyeraqon)
tot bleekheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֹלֵד זָכָר (yoled zakhar), ‘baart een man’: een vraag waarop het antwoord ‘nee’ is.
Mannen hebben hun handen op hun heupen zoals een vrouw die baart.
Dat laat zien hoe groot de angst is.
יֵרָקוֹן (yeraqon), ‘bleekheid’: het woord wordt ook gebruikt voor de gele kleur van verdorrend graan en van schimmel.
7Wee! Want groot is die dag. Er is er geen zoals hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, maar daaruit zal hij gered worden.
ה֗וֹי
(hoy)
wee
כִּ֥י
(ki)
want
גָד֛וֹל
(gadol)
groot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
מֵאַ֣יִן
(meayin)
zonder
כָּמֹ֑הוּ
(kamohu)
zoals hij
וְעֵֽת
(veet)
en een tijd van
צָרָ֥ה
(tsara)
benauwdheid
הִיא֙
(hi)
zij is
לְיַֽעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
voor Jakob
וּמִמֶּ֖נָּה
(umimena)
en uit haar
יִוָּשֵֽׁעַ
(yivashea)
hij zal gered worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van schrik of aanklacht, zoals in Jes. 1:4.
צָרָה (tsarah), ‘benauwdheid’: letterlijk ‘beknelling’. Het is een tijd van nood voor Jakob, maar Hij zal Jakob eruit redden. Het werkwoord ‘redden’ (הוֹשִׁיעַ, hoshia) komt terug in vers 10 en 11.
8Het zal gebeuren op die dag, godsspraak van Yahweh van de legermachten, dat Ik zijn juk van je hals zal breken en je banden zal verscheuren. Vreemden zullen hem niet meer laten dienen.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en het zal zijn
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֜וּא
(hahu)
die
נְאֻ֣ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֶשְׁבֹּ֤ר
(eshbor)
Ik zal breken
עֻלּוֹ֙
(ulo)
zijn juk
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
צַוָּארֶ֔ךָ
(tsavarekha)
je hals
וּמוֹסְרוֹתֶ֖יךָ
(umoseroteikha)
en je banden
אֲנַתֵּ֑ק
(anateq)
Ik zal verscheuren
וְלֹא
(velo)
en niet
יַעַבְדוּ
(yaavdu)
zij zullen laten dienen
ב֥וֹ
(bo)
hem
ע֖וֹד
(od)
meer
זָרִֽים
(zarim)
vreemden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot), ‘Yahweh van de legers’: zie Jer. 2:19.
עֻלּוֹ (ullo), ‘zijn juk’: het Hebreeuws wisselt hier tussen ‘jouw hals’ en ‘zijn juk’. Het juk is dat van de onderdrukker; de hals is die van het volk. Wij laten de wisseling staan.
לֹא יַעַבְדוּ בוֹ (lo ya’avdu vo), ‘zij zullen hem niet laten dienen’: letterlijk ‘zij zullen niet door hem werken’. Het werkwoord עָבַד (avad), ‘dienen’, wordt gebruikt voor het dwingen tot dienstbaarheid, zoals in Exod. 1:14.
10Jij dan, wees niet bang, Mijn knecht Jakob, godsspraak van Yahweh, en wees niet ontzet, Israël. Want zie, Ik red je uit de verte en je nageslacht uit het land van hun gevangenschap. Jakob zal terugkeren, rust hebben en onbezorgd zijn. Niemand zal hem doen schrikken.
וְאַתָּ֡ה
(veata)
en jij
אַל
(al)
niet
תִּירָא֩
(tira)
wees bang
עַבְדִּ֨י
(avdi)
Mijn knecht
יַעֲקֹ֤ב
(yaaqov)
Jakob
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּחַ֣ת
(techat)
wees ontzet
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּ֠י
(ki)
want
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Ik
מוֹשִֽׁיעֲךָ֙
(moshiakha)
ben die je redt
מֵֽרָח֔וֹק
(merachoq)
uit de verte
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
זַרְעֲךָ֖
(zarakha)
je nageslacht
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
שִׁבְיָ֑ם
(shivyam)
hun gevangenschap
וְשָׁ֧ב
(veshav)
en zal terugkeren
יַעֲקֹ֛ב
(yaaqov)
Jakob
וְשָׁקַ֥ט
(veshaqat)
en zal rust hebben
וְשַׁאֲנַ֖ן
(veshaanan)
en onbezorgd zijn
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מַחֲרִֽיד
(macharid)
die doet schrikken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: een eretitel voor Jakob als volk.
Vergelijk Jes. 41:8–9, 44:1–2 en 45:4.
In vers 10–11 komt het ‘wees niet bang’ van Yahweh terug in Jes. 41:10 en 43:5.
מוֹשִׁיעֲךָ (moshi’akha), ‘die je redt’: het werkwoord הוֹשִׁיעַ (hoshia) betekent ‘redden’.
שִׁבְיָם (shivyam), ‘hun gevangenschap’: de ballingschap.
11Want Ik ben met je, godsspraak van Yahweh, om je te redden. Want Ik zal een volledig einde maken aan alle volken waarheen Ik je verspreid heb. Maar aan jou zal Ik geen volledig einde maken. Ik zal je tuchtigen naar recht, maar Ik zal je zeker niet ongestraft laten.”
כִּֽי
(ki)
want
אִתְּךָ֥
(itekha)
met je
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהֽוֹשִׁיעֶ֑ךָ
(lehoshiekha)
om je te redden
כִּי֩
(ki)
want
אֶעֱשֶׂ֨ה
(eese)
Ik zal maken
כָלָ֜ה
(kala)
een volledig einde
בְּכָֽל
(bekhal)
onder alle
הַגּוֹיִ֣ם
(hagoyim)
volken
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waarheen
הֲפִצוֹתִ֣יךָ
(hafitsotikha)
Ik je heb verspreid
שָּׁ֗ם
(sham)
daar
אַ֤ךְ
(akh)
maar
אֹֽתְךָ֙
(otekha)
met jou
לֹֽא
(lo)
niet
אֶעֱשֶׂ֣ה
(eese)
Ik zal maken
כָלָ֔ה
(kala)
een volledig einde
וְיִסַּרְתִּ֨יךָ֙
(veyisartikha)
en Ik zal je tuchtigen
לַמִּשְׁפָּ֔ט
(lamishpat)
naar recht
וְנַקֵּ֖ה
(venaqe)
en ongestraft
לֹ֥א
(lo)
niet
אֲנַקֶּֽךָּ
(anaqeka)
Ik zal je laten gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָלָה (khalah), ‘volledig einde’: een algehele vernietiging, zoals in Jer. 4:27 en 5:10.
וְיִסַּרְתִּיךָ לַמִּשְׁפָּט (veyissartikha lamishpat), ‘Ik zal je tuchtigen naar recht’: letterlijk ‘volgens het recht’, dus met de juiste maat, niet te weinig en niet te veel. Het woord מִשְׁפָּט (mishpat) is ‘recht’.
וְנַקֵּה לֹא אֲנַקֶּךָּ (venakkeh lo anakkekha), ‘ongestraft laten gaan zal Ik je niet’: het werkwoord wordt herhaald voor de nadruk, zoals in Exod. 34:7.
14Al je minnaars zijn je vergeten. Zij zoeken je niet. Want Ik heb je geslagen zoals een vijand slaat, met de tuchtiging van een wrede, om je grote schuld, omdat je zonden talrijk zijn.
כָּל
(kal)
alle
מְאַהֲבַ֣יִךְ
(meahavayikh)
je minnaars
שְׁכֵח֔וּךְ
(shekhechukh)
zijn je vergeten
אוֹתָ֖ךְ
(otakh)
jou
לֹ֣א
(lo)
niet
יִדְרֹ֑שׁוּ
(yidroshu)
zij zoeken
כִּי֩
(ki)
want
מַכַּ֨ת
(makat)
met de slag van
אוֹיֵ֤ב
(oyev)
een vijand
הִכִּיתִיךְ֙
(hikitikh)
Ik heb je geslagen
מוּסַ֣ר
(musar)
met de tuchtiging van
אַכְזָרִ֔י
(akhzari)
een wrede
עַ֚ל
(al)
om
רֹ֣ב
(rov)
de grootte van
עֲוֺנֵ֔ךְ
(avonekh)
je schuld
עָצְמ֖וּ
(atsemu)
zijn talrijk
חַטֹּאתָֽיִךְ
(chatotayikh)
je zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְאַהֲבַיִךְ (me’ahavayikh), ‘je minnaars’: de volken met wie Juda verbonden was; het beeld van een ontrouwe vrouw komt ook voor in Jer. 2:33 en 22:20–22.
מוּסַר אַכְזָרִי (musar akhzari), ‘tuchtiging van een wrede’: een harde, genadeloze tuchtiging.
16Daarom zullen allen die je verslinden, verslonden worden. Al je tegenstanders gaan allemaal in gevangenschap. Wie je plunderen, worden geplunderd. Allen die je beroven, geef Ik aan roof prijs.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כָּל
(kal)
alle
אֹכְלַ֨יִךְ֙
(okhelayikh)
die je verslinden
יֵאָכֵ֔לוּ
(yeakhelu)
zullen verslonden worden
וְכָל
(vekhal)
en alle
צָרַ֥יִךְ
(tsarayikh)
je tegenstanders
כֻּלָּ֖ם
(kulam)
zij allen
בַּשְּׁבִ֣י
(bashevi)
in gevangenschap
יֵלֵ֑כוּ
(yelekhu)
zullen gaan
וְהָי֤וּ
(vehayu)
en zullen zijn
שֹׁאסַ֨יִךְ֙
(shosayikh)
die je plunderen
לִמְשִׁסָּ֔ה
(limshisa)
tot plundering
וְכָל
(vekhal)
en alle
בֹּזְזַ֖יִךְ
(bozezayikh)
die je beroven
אֶתֵּ֥ן
(eten)
Ik zal geven
לָבַֽז
(lavaz)
tot roof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De woorden ‘verslinden’, ‘plunderen’ en ‘beroven’ keren zich nu om: wie het volk heeft opgegeten, wordt zelf opgegeten.
17Want Ik zal je genezing laten opkomen en je van je slagen genezen, godsspraak van Yahweh. Want zij hebben je ‘de verdrevene’ genoemd: ‘Dat is Sion, niemand vraagt naar haar.’”
כִּי֩
(ki)
want
אַעֲלֶ֨ה
(aale)
Ik zal laten opkomen
אֲרֻכָ֥ה
(arukha)
genezing
לָ֛ךְ
(lakh)
voor jou
וּמִמַּכּוֹתַ֥יִךְ
(umimakotayikh)
en van je slagen
אֶרְפָּאֵ֖ךְ
(erpaekh)
Ik zal je genezen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֤י
(ki)
omdat
נִדָּחָה֙
(nidacha)
een verdrevene
קָ֣רְאוּ
(qareu)
zij hebben genoemd
לָ֔ךְ
(lakh)
jou
צִיּ֣וֹן
(tsiyon)
Sion
הִ֔יא
(hi)
zij
דֹּרֵ֖שׁ
(doresh)
iemand die zoekt
אֵ֥ין
(ein)
niet is
לָֽהּ
(lah)
naar haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
אֲרֻכָה (arukhah), ‘genezing’: letterlijk ‘nieuw vlees’, het herstel van de huid over een wond.
Zie ook Jer. 8:22 en 33:6.
נִדָּחָה (niddachah), ‘verdrevene’: een vrouw die verdreven is. Het werkwoord נָדַח (nadach), ‘verdrijven’, staat ook in 29:14. Zij noemen Sion zo: ‘niemand vraagt naar haar’. De woorden tussen enkele aanhalingstekens zijn de woorden van de spotters.
18Zo zegt Yahweh: „Zie, Ik keer het lot van de tenten van Jakob. Over zijn woningen ontferm Ik Mij. De stad zal herbouwd worden op haar eigen puinheuvel, en de burcht zal staan waar hij hoort.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִי
(hinni)
zie Ik
שָׁב֙
(shav)
ben die keert
שְׁבוּת֙
(shevut)
het lot van
אָהֳלֵ֣י
(aholei)
de tenten van
יַֽעֲק֔וֹב
(yaaqov)
Jakob
וּמִשְׁכְּנֹתָ֖יו
(umishkenotav)
en zijn woningen
אֲרַחֵ֑ם
(arachem)
Ik zal Mij ontfermen
וְנִבְנְתָ֥ה
(venivneta)
en zal herbouwd worden
עִיר֙
(ir)
stad
עַל
(al)
op
תִּלָּ֔הּ
(tilah)
haar puinheuvel
וְאַרְמ֖וֹן
(vearmon)
en burcht
עַל
(al)
op
מִשְׁפָּט֥וֹ
(mishpato)
zijn plaats
יֵשֵֽׁב
(yeshev)
zal staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot keren’: zie vers 3.
תֵּל (tel), ‘puinheuvel’: de heuvel die ontstaat als een verwoeste stad telkens op de resten wordt herbouwd. Zie ook Joz. 11:13.
אַרְמוֹן (armon), ‘burcht’: zie 2 Kon. 15:25. ‘Op zijn plaats’ staat in het Hebreeuws letterlijk ‘volgens zijn recht’, מִשְׁפָּט (mishpat): zoals het hoort.
19Uit hen gaan dankzegging en het geluid van mensen die lachen. Ik maak hen talrijk, en zij zullen niet minder worden. Ik geef hen eer, en zij zullen niet klein worden.
וְיָצָ֥א
(veyatsa)
en zal uitgaan
מֵהֶ֛ם
(mehem)
uit hen
תּוֹדָ֖ה
(toda)
dankzegging
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid van
מְשַׂחֲקִ֑ים
(mesachaqim)
wie lachen
וְהִרְבִּתִים֙
(vehirbitim)
en Ik zal hen talrijk maken
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִמְעָ֔טוּ
(yimatu)
zij zullen minder worden
וְהִכְבַּדְתִּ֖ים
(vehikhbadtim)
en Ik zal hen eer geven
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִצְעָֽרוּ
(yitsaru)
zij zullen klein worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹדָה (todah), ‘dankzegging’: het woord is verwant met het werkwoord ‘danken, loven’ en wordt ook gebruikt voor het dankoffer.
הִכְבַּדְתִּים (hikhbadtim), ‘Ik zal hen eer geven’: van כָּבֵד (kaved), ‘zwaar zijn’. Wie ‘gewicht’ heeft, heeft aanzien en eer.
21Zijn machtige zal uit hemzelf zijn, en zijn heerser zal uit zijn midden voortkomen. Ik laat hem naderen, en hij zal tot Mij naderen. Want wie is hij die zijn hart tot onderpand geeft om tot Mij te naderen? Godsspraak van Yahweh.
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en zal zijn
אַדִּיר֜וֹ
(adiro)
zijn machtige
מִמֶּ֗נּוּ
(mimenu)
uit hem
וּמֹֽשְׁלוֹ֙
(umoshelo)
en zijn heerser
מִקִּרְבּ֣וֹ
(miqirbo)
uit zijn midden
יֵצֵ֔א
(yetse)
zal voortkomen
וְהִקְרַבְתִּ֖יו
(vehiqravtiv)
en Ik zal hem laten naderen
וְנִגַּ֣שׁ
(venigash)
en hij zal naderen
אֵלָ֑י
(elay)
tot Mij
כִּי֩
(ki)
want
מִ֨י
(mi)
wie
הוּא
(hu)
hij
זֶ֜ה
(ze)
deze
עָרַ֧ב
(arav)
heeft tot onderpand gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
לִבּ֛וֹ
(libo)
zijn hart
לָגֶ֥שֶׁת
(lageshet)
om te naderen
אֵלַ֖י
(elay)
tot Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַדִּירוֹ (addiro), ‘zijn machtige’: iemand uit zijn eigen volk, geen vreemdeling.
Het gaat om een leider uit het volk zelf.
עָרַב אֶת לִבּוֹ (arav et libbo), ‘zijn hart tot onderpand geeft’: het werkwoord betekent ‘borg staan’, ‘verpanden’. Wie zou zijn hart durven inzetten om voor Yahweh te staan? Naderen tot Yahweh is gevaarlijk, zoals in Exod. 19:21–22 en Num. 16:5.
Het vers sluit af met נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’.
23Zie, de stormwind van Yahweh, Zijn woede, is uitgegaan. Een wervelende storm draait neer op het hoofd van de goddelozen.
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
סַעֲרַ֣ת
(saarat)
de stormwind van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
חֵמָה֙
(chema)
woede
יָֽצְאָ֔ה
(yatsea)
is uitgegaan
סַ֖עַר
(saar)
een storm
מִתְגּוֹרֵ֑ר
(mitgorer)
wervelend
עַ֛ל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
de kop van
רְשָׁעִ֖ים
(reshaim)
goddelozen
יָחֽוּל
(yachul)
zal neerdraaien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De verzen 23 en 24 staan bijna woordelijk ook in Jer. 23:19–20.
Daar staan ze bij de woorden over de valse profeten.
Hier sluiten ze het eerste hoofdstuk van het Boek van de troost af.
סַעֲרַת יְהוָה (sa’arat Yahweh), ‘de stormwind van Yahweh’: het beeld van Zijn toorn.
מִתְגּוֹרֵר (mitgorer), ‘wervelend’: de betekenis van het woord is onzeker. Het kan ook ‘zich vasthoudend’ of ‘neerstortend’ betekenen. Wij vertalen ‘wervelend’.
24De brandende toorn van Yahweh keert niet terug, totdat Hij de plannen van Zijn hart heeft uitgevoerd en laten opstaan. In de laatste dagen zullen jullie dit goed begrijpen.
לֹ֣א
(lo)
niet
יָשׁ֗וּב
(yashuv)
zal terugkeren
חֲרוֹן֙
(charon)
de brandende
אַף
(af)
toorn van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַד
(ad)
totdat
עֲשֹׂת֥וֹ
(asoto)
Hij heeft uitgevoerd
וְעַד
(vead)
en totdat
הֲקִימ֖וֹ
(haqimo)
Hij heeft laten opstaan
מְזִמּ֣וֹת
(mezimot)
de plannen van
לִבּ֑וֹ
(libo)
Zijn hart
בְּאַחֲרִ֥ית
(beacharit)
in het laatste van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
תִּתְבּ֥וֹנְנוּ
(titbonenu)
jullie zullen begrijpen
בָֽהּ
(bah)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲרוֹן אַף (charon af), ‘brandende toorn’: letterlijk ‘gloed van de neus’, het beeld van ontbrande woede.
מְזִמּוֹת לִבּוֹ (mezimmot libbo), ‘de plannen van Zijn hart’: wat Hij bedacht heeft. Yahweh voert Zijn plan helemaal uit.
בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de uiteindelijke tijd, zoals in Jes. 2:2.