Open in de app Alle boeken Job ← 16 18 → Job 17 Job: mijn hoop is het graf
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Graven wachten op mij 1 „Mijn geest is gebroken, mijn dagen zijn gedoofd, graven wachten op mij.
חֻ֭בָּלָה
(chubala)
is gebroken
נִזְעָ֗כוּ
(nizakhu)
zijn gedoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2 Zijn er geen spotters bij mij? Mijn oog verblijft bij hun getreiter.
הֲ֭תֻלִים
(hatulim)
spotters
וּ֝בְהַמְּרוֹתָ֗ם
(uvehamerotam)
en bij hun tergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 Stel toch een onderpand voor mij bij U. Wie anders zal hand op hand slaan voor mij?
עָרְבֵ֣נִי
(areveni)
mijn onderpand
לְיָדִ֥י
(leyadi)
mijn hand
יִתָּקֵֽעַ
(yitaqea)
zal slaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hand op hand slaan is het teken waarmee men zich borg stelt (Spr. 6:1; 17:18).
Job vraagt dat Eloah zelf, bij Zichzelf, voor hem borg staat, want niemand anders wil dat doen.
Zie ook 16:19–21.
4 Want hun hart hebt U voor inzicht verborgen. Daarom verheft U hen niet.
צָפַ֣נְתָּ
(tsafanta)
verborg U
מִּשָּׂ֑כֶל
(misakhel)
voor inzicht
תְרֹמֵֽם
(teromem)
verhoogt U hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 Wie zijn vrienden aan de plundering prijsgeeft, bij hem zullen de ogen van zijn kinderen smachten.
לְ֭חֵלֶק
(lecheleq)
tot deel
וְעֵינֵ֖י
(veeinei)
en de ogen van
תִּכְלֶֽנָה
(tikhlena)
smachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 Hij heeft mij tot een spreekwoord onder de volken gemaakt. Ik ben iemand in wiens gezicht gespuugd wordt.
וְֽ֭הִצִּגַנִי
(vehitsigani)
en Hij stelde mij
לִמְשֹׁ֣ל
(limshol)
tot spreekwoord van
וְתֹ֖פֶת
(vetofet)
en spuwsel
לְפָנִ֣ים
(lefanim)
in het gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תֹּפֶת (tofet), ‘spuwsel’: iemand in wiens gezicht gespuugd wordt, is volkomen vernederd.
Vergelijk Num. 12:14 en Jes. 50:6.
7 Mijn oog is dof van verdriet, en al mijn ledematen zijn als een schaduw.
וַתֵּ֣כַהּ
(vatekhah)
en dof wordt
מִכַּ֣עַשׂ
(mikaas)
van verdriet
וִֽיצֻרַ֖י
(vitsuray)
en mijn vormen
כַּצֵּ֣ל
(katsel)
als schaduw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 De oprechten staan hierover verbaasd, en de onschuldige windt zich op tegen de goddeloze.
יָשֹׁ֣מּוּ
(yashomu)
zijn verbaasd
יְשָׁרִ֣ים
(yesharim)
oprechten
וְ֝נָקִ֗י
(venaqi)
en de onschuldige
חָנֵ֥ף
(chanef)
de goddeloze
יִתְעֹרָֽר
(yitorar)
windt zich op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Toch houdt de rechtvaardige vast aan zijn weg, en wie reine handen heeft, wint aan kracht.
וְיֹאחֵ֣ז
(veyochez)
en houdt vast
צַדִּ֣יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
zijn weg
וּֽטֳהָר
(utohar)
en wie rein is van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Midden in zijn klacht zegt Job dat de rechtvaardige zijn weg niet loslaat.
Het is een korte lichtflits in een donker hoofdstuk.
Waar is mijn hoop? 10 Maar kom allemaal nog maar eens terug. Ik zal onder jullie geen wijze vinden.
כֻּלָּ֣ם
(kulam)
jullie allen
תָּ֭שֻׁבוּ
(tashuvu)
keer terug
אֶמְצָ֖א
(emtsa)
zal ik vinden
בָכֶ֣ם
(bakhem)
onder jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Mijn dagen zijn voorbij, mijn plannen zijn verbroken, de bezittingen van mijn hart.
עָ֭בְרוּ
(averu)
zijn voorbij
זִמֹּתַ֣י
(zimotay)
mijn plannen
נִתְּק֑וּ
(nitequ)
zijn verbroken
מ֖וֹרָשֵׁ֣י
(morashei)
bezittingen van
לְבָבִֽי
(levavi)
mijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Nacht maken ze tot dag. Licht, zeggen ze, is nabij, voor het aangezicht van de duisternis.
יָשִׂ֑ימוּ
(yasimu)
maken ze
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor het aangezicht van
חֹֽשֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Als ik nog hoop: het dodenrijk is mijn huis, in de duisternis heb ik mijn bed opgemaakt.
שְׁא֣וֹל
(sheol)
het dodenrijk
בַּ֝חֹ֗שֶׁךְ
(bachoshekh)
in de duisternis
רִפַּ֥דְתִּי
(ripadti)
heb ik uitgespreid
יְצוּעָֽי
(yetsuay)
mijn bed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Job ziet het dodenrijk als zijn laatste huis: zijn bed is al opgemaakt in de duisternis.
Vergelijk Ps. 88:4–7.
14 Tot het graf roep ik: ‘U bent mijn vader’, tot de made: ‘mijn moeder en mijn zuster’.
לַשַּׁ֣חַת
(lashachat)
tot het graf
וַ֝אֲחֹתִ֗י
(vaachoti)
en mijn zuster
לָֽרִמָּֽה
(larima)
tot de made
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Job noemt het graf zijn vader en de made zijn moeder en zuster: het enige gezin dat hem rest, is de dood.
15 Waar is dan mijn hoop? Mijn hoop, wie zal die zien?
תִקְוָתִ֑י
(tiqvati)
mijn hoop
וְ֝תִקְוָתִ֗י
(vetiqvati)
en mijn hoop
יְשׁוּרֶֽנָּה
(yeshurena)
zal die zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Naar de grendels van het dodenrijk zal zij dalen, wanneer we samen in het stof neerdalen.”
בַּדֵּ֣י
(badei)
naar de grendels van
שְׁאֹ֣ל
(sheol)
het dodenrijk
תֵּרַ֑דְנָה
(teradna)
zal zij dalen
נָֽחַת
(nachat)
we dalen neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּדֵּי שְׁאֹל (baddey she’ol), ‘de grendels van het dodenrijk’: het beeld van een vestingpoort met sloten.
Zie ook Jona 2:7.