Elohim Bijbel

Markus 11

12345678910111213141516

De intocht in Jeruzalem, de vijgenboom, de tempel en de vraag naar Zijn gezag

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua komt Jeruzalem binnen

1Toen zij Jeruzalem naderden, bij Betfage en Betanië, bij de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn leerlingen eropuit.
Καὶ
(Kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἐγγίζουσιν
(engizousin)
zij naderen
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
εἰς
(eis)
naar
Βηθφαγὴ
(Bethphage)
Betfage
καὶ
(kai)
en
Βηθανίαν
(Bethanian)
Betanië
πρὸς
(pros)
bij
τὸ
(to)
de
Ὄρος
(Oros)
Berg
τῶν
(ton)
van de
Ἐλαιῶν
(Elaion)
Olijven
ἀποστέλλει
(apostellei)
zendt
δύο
(dyo)
twee
τῶν
(ton)
van de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Betfage (ligging onzeker): Betfage lag op of aan de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem.

De precieze plaats is niet zeker; van oudsher wordt het gezocht bij et-Tur.

Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem.

Zie Olijfberg: De Olijfberg ligt ten oosten van Jeruzalem, aan de overkant van het Kidrondal.

Uitleg

Betfage (Βηθφαγή) en Betanië liggen bij de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem.

Zie ook Matt. 21:1–9; Luc. 19:28–38.

2Hij zei tegen hen: „Ga naar het dorp dat tegenover jullie ligt. Zodra jullie daar binnengaan, zullen jullie een veulen vinden dat vastgebonden staat, waarop nog nooit een mens heeft gezeten. Maak het los en breng het.
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ὑπάγετε
(Hypagete)
ga
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
κώμην
(komen)
dorp
τὴν
(ten)
het
κατέναντι
(katenanti)
tegenover
ὑμῶν
(hymon)
jullie
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
εἰσπορευόμενοι
(eisporeuomenoi)
binnengaand
εἰς
(eis)
in
αὐτὴν
(auten)
het
εὑρήσετε
(heuresete)
jullie zullen vinden
πῶλον
(polon)
veulen
δεδεμένον
(dedemenon)
vastgebonden
ἐφ’
(eph’)
waarop
ὃν
(hon)
wie
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
οὔπω
(oupo)
nog niet
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
ἐκάθισεν
(ekathisen)
zat
λύσατε
(lysate)
maak los
αὐτὸν
(auton)
het
καὶ
(kai)
en
φέρετε
(pherete)
breng
Bron: SBLGNT
Uitleg

πῶλος (polos), ‘veulen’: een jong dier; het Grieks zegt niet van welk dier.

Vergelijk Zach. 9:9 (een koning ‘rijdend op een ezel, op een jonge ezel’); Markus noemt dat vers niet.

Zie ookZach 9:9
3Als iemand tegen jullie zegt: ‘Waarom doen jullie dit?’, zeg dan: ‘De Heer heeft het nodig, en Hij zendt het meteen weer hierheen.’”
καὶ
(kai)
en
ἐάν
(ean)
als
τις
(tis)
iemand
ὑμῖν
(hymin)
jullie
εἴπῃ
(eipe)
zegt
Τί
(Ti)
wat
ποιεῖτε
(poieite)
doen jullie
τοῦτο
(touto)
dit
εἴπατε
(eipate)
zeg
ὅτι
(hoti)
dat
Ὁ
(Ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
αὐτοῦ
(autou)
ervan
χρείαν
(chreian)
behoefte
ἔχει
(echei)
heeft
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
αὐτὸν
(auton)
het
ἀποστέλλει
(apostellei)
zendt
πάλιν
(palin)
weer
ὧδε
(hode)
hierheen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: dit kan Yeshua zelf zijn of de eigenaar van het veulen (‘zijn heer’).

Wij lezen ‘de Heer’ als Yeshua.

Ook wie het veulen weer terugzendt, zegt het Grieks niet met zoveel woorden.

4Zij gingen weg en vonden een veulen dat buiten aan een deur vastgebonden stond, aan de straat. Zij maakten het los.
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθον
(apelthon)
gingen weg
καὶ
(kai)
en
εὗρον
(heuron)
vonden
πῶλον
(polon)
veulen
δεδεμένον
(dedemenon)
vastgebonden
πρὸς
(pros)
bij
θύραν
(thyran)
deur
ἔξω
(exo)
buiten
ἐπὶ
(epi)
aan
τοῦ
(tou)
de
ἀμφόδου
(amphodou)
straat
καὶ
(kai)
en
λύουσιν
(lyousin)
maken los
αὐτόν
(auton)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄμφοδον (amphodon), ‘straat’: een straat of steeg tussen huizen.

5Enkelen van hen die daar stonden, zeiden tegen hen: „Wat doen jullie, dat jullie het veulen losmaken?”
καί
(kai)
en
τινες
(tines)
enkelen
τῶν
(ton)
van de
ἐκεῖ
(ekei)
daar
ἑστηκότων
(hestekoton)
staanden
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τί
(Ti)
wat
ποιεῖτε
(poieite)
doen jullie
λύοντες
(lyontes)
losmakend
τὸν
(ton)
het
πῶλον
(polon)
veulen
Bron: SBLGNT
6Zij zeiden tegen hen zoals Yeshua gezegd had, en die lieten hen gaan.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
καθὼς
(kathos)
zoals
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἀφῆκαν
(aphekan)
zij lieten gaan
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
7Zij brachten het veulen naar Yeshua en legden hun mantels erop. Hij ging erop zitten.
καὶ
(kai)
en
φέρουσιν
(pherousin)
brengen
τὸν
(ton)
het
πῶλον
(polon)
veulen
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐπιβάλλουσιν
(epiballousin)
leggen
αὐτῷ
(auto)
erop
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
mantels
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
ἐκάθισεν
(ekathisen)
ging zitten
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτόν
(auton)
het
Bron: SBLGNT
8Velen spreidden hun mantels uit op de weg, en anderen takken die zij van de velden hadden afgesneden.
καὶ
(kai)
en
πολλοὶ
(polloi)
velen
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
mantels
αὐτῶν
(auton)
hun
ἔστρωσαν
(estrosan)
spreidden uit
εἰς
(eis)
op
τὴν
(ten)
de
ὁδόν
(hodon)
weg
ἄλλοι
(alloi)
anderen
δὲ
(de)
maar
στιβάδας
(stibadas)
takken
κόψαντες
(kopsantes)
afgesneden hebbend
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
ἀγρῶν
(agron)
velden
Bron: SBLGNT
Uitleg

στιβάς (stibas), ‘tak’: een afgesneden tak met bladeren of een laag bladeren.

9Zij die voorop gingen en zij die volgden, riepen: „Hosanna! Gezegend is Hij die komt in de naam van Yahweh!
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
προάγοντες
(proagontes)
voorgaanden
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἀκολουθοῦντες
(akolouthountes)
volgenden
ἔκραζον
(ekrazon)
riepen
Ὡσαννά
(Hosanna)
Hosanna
Εὐλογημένος
(Eulogemenos)
gezegend
ὁ
(ho)
de
ἐρχόμενος
(erchomenos)
komende
ἐν
(en)
in
ὀνόματι
(onomati)
naam
κυρίου
(kyriou)
van Yahweh
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὡσαννά (hosanna) komt van het Hebreeuwse הוֹשִׁיעָה נָּא (hoshia na), ‘red toch’ (Ps. 118:25).

Wij laten het woord staan.

De woorden ‘Gezegend is hij die komt in de naam van Yahweh’ zijn Ps. 118:26. Daarom vertalen wij κυρίου (kyriou) als ‘Yahweh’.

Zie ook Matt. 21:9; Luc. 19:38.

10Gezegend is het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in de hoogste hoogten!”
Εὐλογημένη
(Eulogemene)
gezegend
ἡ
(he)
het
ἐρχομένη
(erchomene)
komende
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van de
πατρὸς
(patros)
vader
ἡμῶν
(hemon)
onze
Δαυίδ
(Dauid)
David
Ὡσαννὰ
(Hosanna)
Hosanna
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
ὑψίστοις
(hypsistois)
hoogsten
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐν τοῖς ὑψίστοις (en tois hypsistois), letterlijk ‘in de hoogsten’: wij schrijven ‘in de hoogste hoogten’.

11Hij ging Jeruzalem binnen, naar de tempel. Nadat Hij alles rondom had bekeken, vertrok Hij met de twaalf naar Betanië, omdat het uur al laat was.
Καὶ
(Kai)
en
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
ging binnen
εἰς
(eis)
in
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
ἱερόν
(hieron)
tempel
καὶ
(kai)
en
περιβλεψάμενος
(periblepsamenos)
rondkijkend
πάντα
(panta)
alles
ὀψὲ
(opse)
laat
ἤδη
(ede)
al
οὔσης
(ouses)
zijnde
τῆς
(tes)
het
ὥρας
(horas)
uur
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
εἰς
(eis)
naar
Βηθανίαν
(Bethanian)
Betanië
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem.

Uitleg

ἱερόν (hieron), ‘tempel’: het hele tempelterrein met de gebouwen.

De vijgenboom wordt vervloekt

12De volgende dag, toen zij Betanië verlaten hadden, kreeg Hij honger.
Καὶ
(Kai)
en
τῇ
(te)
op de
ἐπαύριον
(epaurion)
volgende dag
ἐξελθόντων
(exelthonton)
uitgegaan zijnde
αὐτῶν
(auton)
zij
ἀπὸ
(apo)
van
Βηθανίας
(Bethanias)
Betanië
ἐπείνασεν
(epeinasen)
kreeg honger
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem.

13Hij zag in de verte een vijgenboom die bladeren had en ging erheen om te zien of Hij er misschien iets aan zou vinden. Toen Hij erbij kwam, vond Hij niets dan bladeren. Want het was niet de tijd van de vijgen.
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziend
συκῆν
(syken)
vijgenboom
ἀπὸ
(apo)
van
μακρόθεν
(makrothen)
veraf
ἔχουσαν
(echousan)
hebbende
φύλλα
(phylla)
bladeren
ἦλθεν
(elthen)
ging
εἰ
(ei)
of
ἄρα
(ara)
misschien
τι
(ti)
iets
εὑρήσει
(heuresei)
zal vinden
ἐν
(en)
in
αὐτῇ
(aute)
haar
καὶ
(kai)
en
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
ἐπ’
(ep’)
bij
αὐτὴν
(auten)
haar
οὐδὲν
(ouden)
niets
εὗρεν
(heuren)
vond
εἰ
(ei)
indien
μὴ
(me)
niet
φύλλα
(phylla)
bladeren
ὁ
(ho)
de
γὰρ
(gar)
want
καιρὸς
(kairos)
tijd
οὐκ
(ouk)
niet
ἦν
(en)
was
σύκων
(sykon)
van vijgen
Bron: SBLGNT
Uitleg

σύκων (sykon), ‘vijgen’.

Het Grieks zegt dat het niet de tijd van de vijgen was.

Zie ook Matt. 21:18–22.

14Hij antwoordde en zei tegen de vijgenboom: „Laat nooit meer, voor eeuwig, iemand vrucht van je eten.” En Zijn leerlingen hoorden het.
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῇ
(aute)
tegen haar
Μηκέτι
(Meketi)
niet meer
εἰς
(eis)
tot
τὸν
(ton)
de
αἰῶνα
(aiona)
eeuwigheid
ἐκ
(ek)
van
σοῦ
(sou)
jou
μηδεὶς
(medeis)
niemand
καρπὸν
(karpon)
vrucht
φάγοι
(phagoi)
moge eten
καὶ
(kai)
en
ἤκουον
(ekouon)
hoorden
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἰς τὸν αἰῶνα (eis ton aiona), ‘voor eeuwig’: letterlijk ‘tot de eeuw’.

Wij vertalen deze uitdrukking overal zo.

Yeshua in de tempel

15Zij kwamen in Jeruzalem. Hij ging de tempel in en begon de verkopers en de kopers in de tempel naar buiten te jagen. Hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de zetels van de duivenverkopers om.
Καὶ
(Kai)
en
ἔρχονται
(erchontai)
komen
εἰς
(eis)
in
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
εἰσελθὼν
(eiselthon)
binnengaand
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
ἱερὸν
(hieron)
tempel
ἤρξατο
(erxato)
begon
ἐκβάλλειν
(ekballein)
naar buiten te jagen
τοὺς
(tous)
de
πωλοῦντας
(polountas)
verkopende
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἀγοράζοντας
(agorazontas)
kopende
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
τραπέζας
(trapezas)
tafels
τῶν
(ton)
van de
κολλυβιστῶν
(kollybiston)
geldwisselaars
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
καθέδρας
(kathedras)
zetels
τῶν
(ton)
van de
πωλούντων
(polounton)
verkopende
τὰς
(tas)
de
περιστερὰς
(peristeras)
duiven
κατέστρεψεν
(katestrepsen)
gooide om
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

κολλυβιστής (kollybistes), ‘geldwisselaar’: iemand die munten wisselt. ἐκβάλλω (ekballo) betekent ‘naar buiten werpen’; voor mensen schrijven wij ‘naar buiten jagen’, voor geesten ‘uitdrijven’.

Zie ook Matt. 21:12–13; Luc. 19:45–46.

16Hij liet niet toe dat iemand een voorwerp door de tempel droeg.
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἤφιεν
(ephien)
liet toe
ἵνα
(hina)
opdat
τις
(tis)
iemand
διενέγκῃ
(dienenke)
draagt
σκεῦος
(skeuos)
voorwerp
διὰ
(dia)
door
τοῦ
(tou)
de
ἱεροῦ
(hierou)
tempel
Bron: SBLGNT
17Hij onderwees en zei tegen hen: „Staat er niet geschreven: ‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken’? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.”
καὶ
(kai)
en
ἐδίδασκεν
(edidasken)
Hij onderwees
καὶ
(kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Οὐ
(Ou)
niet
γέγραπται
(gegraptai)
is geschreven
ὅτι
(hoti)
dat
Ὁ
(Ho)
het
οἶκός
(oikos)
huis
μου
(mou)
Mijn
οἶκος
(oikos)
huis
προσευχῆς
(proseuches)
van gebed
κληθήσεται
(klethesetai)
zal worden genoemd
πᾶσιν
(pasin)
voor alle
τοῖς
(tois)
de
ἔθνεσιν
(ethnesin)
volken
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
πεποιήκατε
(pepoiekate)
hebben gemaakt
αὐτὸν
(auton)
het
σπήλαιον
(spelaion)
spelonk
λῃστῶν
(leston)
van rovers
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Jes. 56:7 (‘Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken’) met een toespeling op Jer. 7:11 (‘een rovershol’).

Zie ook Matt. 21:13; Luc. 19:46.

18De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden het en zochten hoe zij Hem konden ombrengen. Zij waren namelijk bang voor Hem, want heel de menigte stond versteld over Zijn onderwijs.
καὶ
(kai)
en
ἤκουσαν
(ekousan)
hoorden
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
ἐζήτουν
(ezetoun)
zochten
πῶς
(pos)
hoe
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀπολέσωσιν
(apolesosin)
zij ombrengen
ἐφοβοῦντο
(ephobounto)
zij waren bang
γὰρ
(gar)
namelijk
αὐτόν
(auton)
voor Hem
πᾶς
(pas)
heel
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
ὄχλος
(ochlos)
menigte
ἐξεπλήσσετο
(exeplesseto)
stond versteld
ἐπὶ
(epi)
over
τῇ
(te)
het
διδαχῇ
(didache)
onderwijs
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκπλήσσομαι (ekplessomai), ‘versteld staan’: wij vertalen het zo (ook 10:26).

19Wanneer het avond werd, gingen zij de stad uit.
Καὶ
(Kai)
en
ὅταν
(hotan)
wanneer
ὀψὲ
(opse)
laat
ἐγένετο
(egeneto)
het werd
ἐξεπορεύοντο
(exeporeuonto)
gingen uit
ἔξω
(exo)
buiten
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
Bron: SBLGNT

De vijgenboom is verdord

20Toen zij ’s morgens vroeg voorbijkwamen, zagen zij de vijgenboom, vanaf de wortels verdord.
Καὶ
(Kai)
en
παραπορευόμενοι
(paraporeuomenoi)
voorbijgaand
πρωῒ
(proi)
’s morgens
εἶδον
(eidon)
zagen zij
τὴν
(ten)
de
συκῆν
(syken)
vijgenboom
ἐξηραμμένην
(exerammenen)
verdord
ἐκ
(ek)
vanaf
ῥιζῶν
(rhizon)
wortels
Bron: SBLGNT
21Petrus herinnerde zich het en zei tegen Hem: „Rabbi, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.”
καὶ
(kai)
en
ἀναμνησθεὶς
(anamnestheis)
zich herinnerend
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Ῥαββί
(Rhabbi)
rabbi
ἴδε
(ide)
kijk
ἡ
(he)
de
συκῆ
(syke)
vijgenboom
ἣν
(hen)
die
κατηράσω
(kateraso)
U hebt vervloekt
ἐξήρανται
(exerantai)
is verdord
Bron: SBLGNT
22Yeshua antwoordde en zei tegen hen: „Heb geloof in Elohim.
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἔχετε
(Echete)
heb
πίστιν
(pistin)
geloof
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

πίστιν θεοῦ (pistin theou) is letterlijk ‘geloof van Elohim’.

Het kan ‘geloof in Elohim’ betekenen (zo vertalen wij) of ‘geloof dat van Elohim komt’.

Zie ook Matt. 21:20–22.

23Voorwaar, Ik zeg jullie: wie tegen deze berg zegt: ‘Word opgeheven en word in de zee geworpen’. Als hij in zijn hart niet twijfelt maar gelooft dat gebeurt wat hij zegt, zal het voor hem zo zijn.
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
(ooit)
εἴπῃ
(eipe)
zegt
τῷ
(to)
tegen de
ὄρει
(orei)
berg
τούτῳ
(touto)
deze
Ἄρθητι
(Artheti)
word opgeheven
καὶ
(kai)
en
βλήθητι
(bletheti)
word geworpen
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
διακριθῇ
(diakrithe)
twijfelt
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
καρδίᾳ
(kardia)
hart
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἀλλὰ
(alla)
maar
πιστεύῃ
(pisteue)
gelooft
ὅτι
(hoti)
dat
ὃ
(ho)
wat
λαλεῖ
(lalei)
hij zegt
γίνεται
(ginetai)
gebeurt
ἔσται
(estai)
zal zijn
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
24Daarom zeg Ik jullie: alles wat jullie bidden en vragen, geloof dat jullie het ontvangen hebben, en het zal voor jullie zo zijn.
διὰ
(dia)
daarom
τοῦτο
(touto)
dit
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
wat
προσεύχεσθε
(proseuchesthe)
jullie bidden
καὶ
(kai)
en
αἰτεῖσθε
(aiteisthe)
jullie vragen
πιστεύετε
(pisteuete)
geloof
ὅτι
(hoti)
dat
ἐλάβετε
(elabete)
jullie ontvingen
καὶ
(kai)
en
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
Bron: SBLGNT
25En wanneer jullie staan te bidden, vergeef dan als jullie iets tegen iemand hebben, opdat ook jullie Vader in de hemelen jullie overtredingen vergeeft.”
καὶ
(kai)
en
ὅταν
(hotan)
wanneer
στήκετε
(stekete)
jullie staan
προσευχόμενοι
(proseuchomenoi)
biddend
ἀφίετε
(aphiete)
vergeef
εἴ
(ei)
indien
τι
(ti)
iets
ἔχετε
(echete)
jullie hebben
κατά
(kata)
tegen
τινος
(tinos)
iemand
ἵνα
(hina)
opdat
καὶ
(kai)
ook
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
Vader
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ὁ
(ho)
die
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
ἀφῇ
(aphe)
vergeeft
ὑμῖν
(hymin)
jullie
τὰ
(ta)
de
παραπτώματα
(paraptomata)
overtredingen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀφίημι (aphiemi), ‘vergeven’; παράπτωμα (paraptoma), ‘overtreding’.

Zie ook Matt. 6:14–15.

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet.

De vraag naar Zijn gezag

27Zij kwamen weer in Jeruzalem. Terwijl Hij in de tempel rondliep, kwamen de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe.
Καὶ
(Kai)
en
ἔρχονται
(erchontai)
komen
πάλιν
(palin)
weer
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
περιπατοῦντος
(peripatountos)
rondlopend
αὐτοῦ
(autou)
Hij
ἔρχονται
(erchontai)
komen
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πρεσβύτεροι
(presbyteroi)
oudsten
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘oudsten’: leiders van het volk.

Zie ook Matt. 21:23–27; Luc. 20:1–8.

28Zij zeiden tegen Hem: „Met welk gezag doet U dit? Of wie heeft U dit gezag gegeven, zodat U dit doet?”
καὶ
(kai)
en
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Ἐν
(En)
met
ποίᾳ
(poia)
welk
ἐξουσίᾳ
(exousia)
gezag
ταῦτα
(tauta)
dit
ποιεῖς
(poieis)
doet U
ἢ
(e)
of
τίς
(tis)
wie
σοι
(soi)
U
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
τὴν
(ten)
het
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ταύτην
(tauten)
dit
ἵνα
(hina)
opdat
ταῦτα
(tauta)
dit
ποιῇς
(poies)
U doet
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te beslissen.

Wij vertalen het overal zo.

29Yeshua zei tegen hen: „Ik zal jullie één vraag stellen. Antwoord Mij, dan zal Ik jullie zeggen met welk gezag Ik dit doe.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἐπερωτήσω
(Eperoteso)
Ik zal vragen
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἕνα
(hena)
één
λόγον
(logon)
woord
καὶ
(kai)
en
ἀποκρίθητέ
(apokrithete)
antwoord
μοι
(moi)
Mij
καὶ
(kai)
en
ἐρῶ
(ero)
Ik zal zeggen
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐν
(en)
met
ποίᾳ
(poia)
welk
ἐξουσίᾳ
(exousia)
gezag
ταῦτα
(tauta)
dit
ποιῶ
(poio)
Ik doe
Bron: SBLGNT
30De doop van Johannes, was die uit de hemel of van mensen? Antwoord Mij.”
τὸ
(to)
de
βάπτισμα
(baptisma)
doop
τὸ
(to)
de
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
ἐξ
(ex)
uit
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἦν
(en)
was
ἢ
(e)
of
ἐξ
(ex)
uit
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ἀποκρίθητέ
(apokrithete)
antwoord
μοι
(moi)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξ οὐρανοῦ (ex ouranou), ‘uit de hemel’: een omschrijving voor ‘van Elohim’.

31Zij overlegden onder elkaar: „Wat zullen wij zeggen? Als wij zeggen: ‘Uit de hemel’, dan zal Hij zeggen: ‘Waarom hebben jullie hem dan niet geloofd?’
καὶ
(kai)
en
διελογίζοντο
(dielogizonto)
overlegden
πρὸς
(pros)
tot
ἑαυτοὺς
(heautous)
zichzelf
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Τί
(Ti)
wat
εἴπωμεν
(eipomen)
zullen wij zeggen
ἐὰν
(ean)
als
εἴπωμεν
(eipomen)
wij zeggen
Ἐξ
(Ex)
uit
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
ἐρεῖ
(erei)
zal Hij zeggen
Διὰ
(Dia)
om
τί
(ti)
wat
οὖν
(oun)
dan
οὐκ
(ouk)
niet
ἐπιστεύσατε
(episteusate)
jullie geloofden
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
32Maar zullen wij zeggen: ‘Van mensen’?” Zij waren bang voor de menigte, want allen hielden Johannes werkelijk voor een profeet.
ἀλλὰ
(alla)
maar
εἴπωμεν
(eipomen)
zullen wij zeggen
Ἐξ
(Ex)
van
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ἐφοβοῦντο
(ephobounto)
zij waren bang
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
ἅπαντες
(hapantes)
allen
γὰρ
(gar)
want
εἶχον
(eichon)
hielden
τὸν
(ton)
de
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
ὄντως
(ontos)
werkelijk
ὅτι
(hoti)
dat
προφήτης
(prophetes)
profeet
ἦν
(en)
was
Bron: SBLGNT
Uitleg

De zin is in het Grieks niet afgemaakt (‘Maar zullen wij zeggen: Van mensen?’).

Wij hebben dat zo gelaten.

33Zij antwoordden Yeshua: „Wij weten het niet.” Yeshua zei tegen hen: „Ook Ik zeg jullie niet met welk gezag Ik dit doe.”
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθέντες
(apokrithentes)
antwoordend
τῷ
(to)
aan de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
Οὐκ
(Ouk)
niet
οἴδαμεν
(oidamen)
wij weten
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Οὐδὲ
(Oude)
ook niet
ἐγὼ
(ego)
Ik
λέγω
(lego)
zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐν
(en)
met
ποίᾳ
(poia)
welk
ἐξουσίᾳ
(exousia)
gezag
ταῦτα
(tauta)
dit
ποιῶ
(poio)
Ik doe
Bron: SBLGNT