Elohim Bijbel

Matteüs 7

12345678910111213141516171819202122232425262728

De bergrede: oordelen, vragen, de nauwe poort en het huis op de rots

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Niet oordelen

1Oordeel niet, zodat jullie niet geoordeeld worden.
Μὴ
(Me)
niet
κρίνετε
(krinete)
oordeel
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
κριθῆτε
(krithete)
jullie geoordeeld worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

κρίνω (krino), ‘oordelen’: ook ‘veroordelen’.

In 7:1–2 volgt een lijdende vorm (‘geoordeeld worden’); het Grieks noemt niet wie oordeelt.

Zie ook Mark. 4:24; Luc. 6:37–38.

2Want met het oordeel waarmee jullie oordelen, zullen jullie geoordeeld worden, en met de maat waarmee jullie meten, zal jullie worden toegemeten.
ἐν
(en)
met
ᾧ
(ho)
welk
γὰρ
(gar)
want
κρίματι
(krimati)
oordeel
κρίνετε
(krinete)
jullie oordelen
κριθήσεσθε
(krithesesthe)
jullie zullen geoordeeld worden
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
met
ᾧ
(ho)
welke
μέτρῳ
(metro)
maat
μετρεῖτε
(metreite)
jullie meten
μετρηθήσεται
(metrethesetai)
zal toegemeten worden
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
Bron: SBLGNT
3Waarom zie je de splinter in het oog van je broer, maar merk je de balk in je eigen oog niet op?
τί
(ti)
waarom
δὲ
(de)
maar
βλέπεις
(blepeis)
zie je
τὸ
(to)
de
κάρφος
(karphos)
splinter
τὸ
(to)
die
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ὀφθαλμῷ
(ophthalmo)
oog
τοῦ
(tou)
van de
ἀδελφοῦ
(adelphou)
broer
σου
(sou)
je
τὴν
(ten)
de
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
σῷ
(so)
eigen
ὀφθαλμῷ
(ophthalmo)
oog
δοκὸν
(dokon)
balk
οὐ
(ou)
niet
κατανοεῖς
(katanoeis)
merk je op
Bron: SBLGNT
Uitleg

κάρφος (karphos), ‘splinter’: een klein stukje hout of stro. δοκός (dokos), ‘balk’: een dragende balk van een dak.

Zie ook Luc. 6:41–42.

4Of hoe zul je tegen je broer zeggen: ‘Laat mij de splinter uit je oog halen’? En zie: de balk zit in je eigen oog!
ἢ
(e)
of
πῶς
(pos)
hoe
ἐρεῖς
(ereis)
zul je zeggen
τῷ
(to)
aan de
ἀδελφῷ
(adelpho)
broer
σου
(sou)
je
Ἄφες
(Aphes)
laat
ἐκβάλω
(ekbalo)
ik haal uit
τὸ
(to)
de
κάρφος
(karphos)
splinter
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
ὀφθαλμοῦ
(ophthalmou)
oog
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἡ
(he)
de
δοκὸς
(dokos)
balk
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ὀφθαλμῷ
(ophthalmo)
oog
σοῦ
(sou)
je
Bron: SBLGNT
5Huichelaar, haal eerst de balk uit je eigen oog. Dan zul je scherp zien om de splinter uit het oog van je broer te halen.
ὑποκριτά
(hypokrita)
huichelaar
ἔκβαλε
(ekbale)
haal uit
πρῶτον
(proton)
eerst
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
ὀφθαλμοῦ
(ophthalmou)
oog
σοῦ
(sou)
je
τὴν
(ten)
de
δοκόν
(dokon)
balk
καὶ
(kai)
en
τότε
(tote)
dan
διαβλέψεις
(diablepseis)
zul je scherp zien
ἐκβαλεῖν
(ekbalein)
uit te halen
τὸ
(to)
de
κάρφος
(karphos)
splinter
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
ὀφθαλμοῦ
(ophthalmou)
oog
τοῦ
(tou)
van de
ἀδελφοῦ
(adelphou)
broer
σου
(sou)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: zie 6:2.

6Geef het heilige niet aan de honden en werp jullie parels niet voor de zwijnen. Anders vertrappen zij ze met hun voeten, keren zich om en verscheuren jullie.
Μὴ
(Me)
niet
δῶτε
(dote)
geef
τὸ
(to)
het
ἅγιον
(hagion)
heilige
τοῖς
(tois)
aan de
κυσίν
(kysin)
honden
μηδὲ
(mede)
en niet
βάλητε
(balete)
werp
τοὺς
(tous)
de
μαργαρίτας
(margaritas)
parels
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
τῶν
(ton)
de
χοίρων
(choiron)
zwijnen
μήποτε
(mepote)
anders
καταπατήσουσιν
(katapatesousin)
zullen vertrappen
αὐτοὺς
(autous)
ze
ἐν
(en)
met
τοῖς
(tois)
de
ποσὶν
(posin)
voeten
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
στραφέντες
(straphentes)
omkerend
ῥήξωσιν
(rhexosin)
zullen verscheuren
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

Honden en zwijnen golden als onrein; vergelijk Lev. 11:7 voor het varken.

‘Het heilige’ (τὸ ἅγιον, to hagion) is wat voor Elohim apart is gezet.

Zie ookLev 11:7

Vragen, zoeken en kloppen

7Vraag, en het zal jullie gegeven worden. Zoek, en jullie zullen vinden. Klop, en er zal voor jullie opengedaan worden.
Αἰτεῖτε
(Aiteite)
vraag
καὶ
(kai)
en
δοθήσεται
(dothesetai)
zal gegeven worden
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ζητεῖτε
(zeteite)
zoek
καὶ
(kai)
en
εὑρήσετε
(heuresete)
jullie zullen vinden
κρούετε
(krouete)
klop
καὶ
(kai)
en
ἀνοιγήσεται
(anoigesetai)
zal opengedaan worden
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Jer. 29:13, ‘Jullie zullen Mij zoeken en vinden’.

Zie ook Luc. 11:9–13.

8Want ieder die vraagt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en voor wie klopt, zal er opengedaan worden.
πᾶς
(pas)
ieder
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
die
αἰτῶν
(aiton)
vraagt
λαμβάνει
(lambanei)
ontvangt
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
die
ζητῶν
(zeton)
zoekt
εὑρίσκει
(heuriskei)
vindt
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
aan wie
κρούοντι
(krouonti)
klopt
ἀνοιγήσεται
(anoigesetai)
zal opengedaan worden
Bron: SBLGNT
9Of welke man onder jullie zal zijn zoon een steen geven, als die hem om brood vraagt?
ἢ
(e)
of
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
ἐξ
(ex)
van
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ὃν
(hon)
die
αἰτήσει
(aitesei)
zal vragen
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἄρτον
(arton)
brood
μὴ
(me)
toch niet
λίθον
(lithon)
steen
ἐπιδώσει
(epidosei)
zal geven
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
10Of, als hij om een vis vraagt, zal hij hem dan een slang geven?
ἢ
(e)
of
καὶ
(kai)
ook
ἰχθὺν
(ichthyn)
vis
αἰτήσει
(aitesei)
hij vraagt
μὴ
(me)
toch niet
ὄφιν
(ophin)
slang
ἐπιδώσει
(epidosei)
zal hij geven
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
11Als jullie dan, die slecht zijn, weten hoe je goede gaven aan jullie kinderen geeft: hoeveel meer zal jullie Vader in de hemelen goede dingen geven aan wie Hem erom vragen!
εἰ
(ei)
als
οὖν
(oun)
dus
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
πονηροὶ
(poneroi)
slecht
ὄντες
(ontes)
zijnde
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
δόματα
(domata)
gaven
ἀγαθὰ
(agatha)
goede
διδόναι
(didonai)
te geven
τοῖς
(tois)
aan de
τέκνοις
(teknois)
kinderen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
πόσῳ
(poso)
hoeveel
μᾶλλον
(mallon)
meer
ὁ
(ho)
de
πατὴρ
(pater)
Vader
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ὁ
(ho)
die
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
δώσει
(dosei)
zal geven
ἀγαθὰ
(agatha)
goede dingen
τοῖς
(tois)
aan hen die
αἰτοῦσιν
(aitousin)
vragen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

πονηρός (poneros), ‘slecht’; zie 5:37.

Yeshua zet de mensen hier tegenover de Vader.

Wat de wet en de profeten zeggen

12Alles wat jullie dus willen dat de mensen voor jullie doen, doe dat ook zo voor hen. Want dit is de wet en de profeten.
Πάντα
(Panta)
alles
οὖν
(oun)
dus
ὅσα
(hosa)
wat
ἐὰν
(ean)
(ooit)
θέλητε
(thelete)
jullie willen
ἵνα
(hina)
dat
ποιῶσιν
(poiosin)
doen
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
οἱ
(hoi)
de
ἄνθρωποι
(anthropoi)
mensen
οὕτως
(houtos)
zo
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ποιεῖτε
(poieite)
doe
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
οὗτος
(houtos)
dit
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
νόμος
(nomos)
wet
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
προφῆται
(prophetai)
profeten
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De wet en de profeten’: zie 5:17.

Vergelijk Lev. 19:18, ‘Heb je naaste lief als jezelf’.

Zie ook Luc. 6:31.

De nauwe poort

13Ga binnen door de nauwe poort. Want breed is de poort en ruim is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die erdoor binnengaan.
Εἰσέλθατε
(Eiselthate)
ga binnen
διὰ
(dia)
door
τῆς
(tes)
de
στενῆς
(stenes)
nauwe
πύλης
(pyles)
poort
ὅτι
(hoti)
want
πλατεῖα
(plateia)
breed
ἡ
(he)
de
πύλη
(pyle)
poort
καὶ
(kai)
en
εὐρύχωρος
(eurychoros)
ruim
ἡ
(he)
de
ὁδὸς
(hodos)
weg
ἡ
(he)
de
ἀπάγουσα
(apagousa)
die leidt
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
ἀπώλειαν
(apoleian)
verderf
καὶ
(kai)
en
πολλοί
(polloi)
velen
εἰσιν
(eisin)
zijn
οἱ
(hoi)
zij die
εἰσερχόμενοι
(eiserchomenoi)
binnengaan
δι’
(di’)
door
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

Twee wegen, een van leven en een van dood: vergelijk Deut. 30:15, ‘het leven en het goede, de dood en het kwade’, en Ps. 1:6.

ἀπώλεια (apoleia), ‘verderf’.

Zie ook Luc. 13:23–24.

14Want nauw is de poort en smal is de weg die naar het leven leidt, en weinigen zijn het die haar vinden.
ὅτι
(hoti)
want
στενὴ
(stene)
nauw
ἡ
(he)
de
πύλη
(pyle)
poort
καὶ
(kai)
en
τεθλιμμένη
(tethlimmene)
smal
ἡ
(he)
de
ὁδὸς
(hodos)
weg
ἡ
(he)
de
ἀπάγουσα
(apagousa)
die leidt
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
ζωήν
(zoen)
leven
καὶ
(kai)
en
ὀλίγοι
(oligoi)
weinigen
εἰσὶν
(eisin)
zijn
οἱ
(hoi)
zij die
εὑρίσκοντες
(heuriskontes)
vinden
αὐτήν
(auten)
haar
Bron: SBLGNT

Valse profeten

15Pas op voor de valse profeten, die in schaapskleren naar jullie toe komen, maar van binnen roofzuchtige wolven zijn.
Προσέχετε
(Prosechete)
pas op
ἀπὸ
(apo)
voor
τῶν
(ton)
de
ψευδοπροφητῶν
(pseudopropheton)
valse profeten
οἵτινες
(hoitines)
die
ἔρχονται
(erchontai)
komen
πρὸς
(pros)
naar
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐν
(en)
in
ἐνδύμασι
(endymasi)
kleding
προβάτων
(probaton)
van schapen
ἔσωθεν
(esothen)
van binnen
δέ
(de)
maar
εἰσιν
(eisin)
zijn
λύκοι
(lykoi)
wolven
ἅρπαγες
(harpages)
roofzuchtige
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψευδοπροφήτης (pseudoprophetes), ‘valse profeet’.

Vergelijk Ezech. 22:27, waar de oversten ‘als wolven’ zijn, en Deut. 13:2–6 over een profeet die tot andere goden oproept.

16Aan hun vruchten zullen jullie hen herkennen. Plukt men soms druiven van doornen of vijgen van distels?
ἀπὸ
(apo)
aan
τῶν
(ton)
de
καρπῶν
(karpon)
vruchten
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐπιγνώσεσθε
(epignosesthe)
jullie zullen herkennen
αὐτούς
(autous)
hen
μήτι
(meti)
soms
συλλέγουσιν
(syllegousin)
plukken zij
ἀπὸ
(apo)
van
ἀκανθῶν
(akanthon)
doornen
σταφυλὰς
(staphylas)
druiven
ἢ
(e)
of
ἀπὸ
(apo)
van
τριβόλων
(tribolon)
distels
σῦκα
(syka)
vijgen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄκανθαι (akanthai), ‘doornen’; τρίβολοι (triboloi), ‘distels’.

Zie ook Matt. 12:33; Luc. 6:43–44.

17Zo brengt elke goede boom goede vruchten voort, maar de rotte boom brengt slechte vruchten voort.
οὕτως
(houtos)
zo
πᾶν
(pan)
elke
δένδρον
(dendron)
boom
ἀγαθὸν
(agathon)
goede
καρποὺς
(karpous)
vruchten
καλοὺς
(kalous)
goede
ποιεῖ
(poiei)
brengt voort
τὸ
(to)
de
δὲ
(de)
maar
σαπρὸν
(sapron)
rotte
δένδρον
(dendron)
boom
καρποὺς
(karpous)
vruchten
πονηροὺς
(ponerous)
slechte
ποιεῖ
(poiei)
brengt voort
Bron: SBLGNT
18Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen, en een rotte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.
οὐ
(ou)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
δένδρον
(dendron)
boom
ἀγαθὸν
(agathon)
goede
καρποὺς
(karpous)
vruchten
πονηροὺς
(ponerous)
slechte
ποιεῖν
(poiein)
voortbrengen
οὐδὲ
(oude)
en niet
δένδρον
(dendron)
boom
σαπρὸν
(sapron)
rotte
καρποὺς
(karpous)
vruchten
καλοὺς
(kalous)
goede
ποιεῖν
(poiein)
voortbrengen
Bron: SBLGNT
19Elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.
πᾶν
(pan)
elke
δένδρον
(dendron)
boom
μὴ
(me)
niet
ποιοῦν
(poioun)
voortbrengend
καρπὸν
(karpon)
vrucht
καλὸν
(kalon)
goede
ἐκκόπτεται
(ekkoptetai)
wordt omgehakt
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
in
πῦρ
(pyr)
vuur
βάλλεται
(balletai)
wordt geworpen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Dezelfde woorden zegt Johannes de Doper in Matt. 3:10.

Zie ookMat 3:10
20Aan hun vruchten zullen jullie hen dus herkennen.
ἄρα
(ara)
dus
γε
(ge)
immers
ἀπὸ
(apo)
aan
τῶν
(ton)
de
καρπῶν
(karpon)
vruchten
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐπιγνώσεσθε
(epignosesthe)
jullie zullen herkennen
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT

Zeggen en doen

21Niet ieder die tegen Mij zegt: ‘Heer, Heer’, zal het koninkrijk van de hemelen binnengaan, maar wie de wil doet van Mijn Vader in de hemelen.
Οὐ
(Ou)
niet
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
die
λέγων
(legon)
zegt
μοι
(moi)
tegen Mij
Κύριε
(Kyrie)
Heer
κύριε
(kyrie)
Heer
εἰσελεύσεται
(eiseleusetai)
zal binnengaan
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
ἀλλ’
(all’)
maar
ὁ
(ho)
die
ποιῶν
(poion)
doet
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
τοῦ
(tou)
van de
πατρός
(patros)
Vader
μου
(mou)
Mijn
τοῦ
(tou)
die
ἐν
(en)
in
τοῖς
(tois)
de
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριε (kyrie), ‘Heer’: de aanspreking van Yeshua.

Wie Hem zo aanspreekt, moet ook doen wat Hij zegt. θέλημα (thelema), ‘wil’.

Zie ook Luc. 6:46.

Zie ookLuc 6:46
22Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: ‘Heer, Heer, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd, in Uw naam demonen uitgedreven en in Uw naam vele krachtige daden gedaan?’
πολλοὶ
(polloi)
velen
ἐροῦσίν
(erousin)
zullen zeggen
μοι
(moi)
tegen Mij
ἐν
(en)
op
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
τῇ
(te)
de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
Κύριε
(Kyrie)
Heer
κύριε
(kyrie)
Heer
οὐ
(ou)
niet
τῷ
(to)
in de
σῷ
(so)
Uw
ὀνόματι
(onomati)
naam
ἐπροφητεύσαμεν
(epropheteusamen)
hebben wij geprofeteerd
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
in de
σῷ
(so)
Uw
ὀνόματι
(onomati)
naam
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
ἐξεβάλομεν
(exebalomen)
hebben wij uitgedreven
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
in de
σῷ
(so)
Uw
ὀνόματι
(onomati)
naam
δυνάμεις
(dynameis)
krachtige daden
πολλὰς
(pollas)
vele
ἐποιήσαμεν
(epoiesamen)
hebben wij gedaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Op die dag’ is de dag van het oordeel; vergelijk ‘de dag van Yahweh’ in Joël 1:15 en Joël 2:1. δυνάμεις (dynameis), ‘krachtige daden’: wonderen.

Zie ook Luc. 13:26–27.

23Dan zal Ik hun verklaren: ‘Ik heb jullie nooit gekend. Ga weg van Mij, jullie die de wetteloosheid doen.’
καὶ
(kai)
en
τότε
(tote)
dan
ὁμολογήσω
(homologeso)
zal Ik verklaren
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
ὅτι
(hoti)
dat
Οὐδέποτε
(Oudepote)
nooit
ἔγνων
(egnon)
Ik heb gekend
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἀποχωρεῖτε
(apochoreite)
ga weg
ἀπ’
(ap’)
van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
οἱ
(hoi)
zij die
ἐργαζόμενοι
(ergazomenoi)
doen
τὴν
(ten)
de
ἀνομίαν
(anomian)
wetteloosheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Ps. 6:9, ‘Wijk van mij, alle werkers van onheil’. ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’, letterlijk ‘zonder wet’. ὁμολογέω (homologeo), ‘verklaren’: openlijk zeggen.

Zie ookPs 6:9

Het huis op de rots

24Ieder dus die deze woorden van Mij hoort en ze doet, zal lijken op een verstandige man, die zijn huis op de rots bouwde.
Πᾶς
(Pas)
ieder
οὖν
(oun)
dus
ὅστις
(hostis)
wie
ἀκούει
(akouei)
hoort
μου
(mou)
van Mij
τοὺς
(tous)
de
λόγους
(logous)
woorden
τούτους
(toutous)
deze
καὶ
(kai)
en
ποιεῖ
(poiei)
doet
αὐτούς
(autous)
ze
ὁμοιωθήσεται
(homoiothesetai)
zal lijken op
ἀνδρὶ
(andri)
man
φρονίμῳ
(phronimo)
verstandige
ὅστις
(hostis)
die
ᾠκοδόμησεν
(okodomesen)
bouwde
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
πέτραν
(petran)
rots
Bron: SBLGNT
Uitleg

πέτρα (petra), ‘rots’.

Vergelijk Spr. 10:25, ‘de rechtvaardige is een eeuwig fundament’. φρόνιμος (phronimos), ‘verstandig’; μωρός (moros), ‘dwaas’, zie 5:22.

Zie ook Luc. 6:47–49.

25En de regen kwam neer en de rivieren kwamen en de winden waaiden en vielen dat huis aan. En het viel niet, want het was op de rots gefundeerd.
καὶ
(kai)
en
κατέβη
(katebe)
kwam neer
ἡ
(he)
de
βροχὴ
(broche)
regen
καὶ
(kai)
en
ἦλθον
(elthon)
kwamen
οἱ
(hoi)
de
ποταμοὶ
(potamoi)
rivieren
καὶ
(kai)
en
ἔπνευσαν
(epneusan)
waaiden
οἱ
(hoi)
de
ἄνεμοι
(anemoi)
winden
καὶ
(kai)
en
προσέπεσαν
(prosepesan)
vielen aan
τῇ
(te)
het
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
ἐκείνῃ
(ekeine)
dat
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἔπεσεν
(epesen)
viel
τεθεμελίωτο
(tethemelioto)
het was gefundeerd
γὰρ
(gar)
want
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
πέτραν
(petran)
rots
Bron: SBLGNT
26En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal lijken op een dwaze man, die zijn huis op het zand bouwde.
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
ieder
ὁ
(ho)
die
ἀκούων
(akouon)
hoort
μου
(mou)
van Mij
τοὺς
(tous)
de
λόγους
(logous)
woorden
τούτους
(toutous)
deze
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ποιῶν
(poion)
doet
αὐτοὺς
(autous)
ze
ὁμοιωθήσεται
(homoiothesetai)
zal lijken op
ἀνδρὶ
(andri)
man
μωρῷ
(moro)
dwaze
ὅστις
(hostis)
die
ᾠκοδόμησεν
(okodomesen)
bouwde
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
het
ἄμμον
(ammon)
zand
Bron: SBLGNT
27En de regen kwam neer en de rivieren kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis. En het viel, en zijn val was groot.”
καὶ
(kai)
en
κατέβη
(katebe)
kwam neer
ἡ
(he)
de
βροχὴ
(broche)
regen
καὶ
(kai)
en
ἦλθον
(elthon)
kwamen
οἱ
(hoi)
de
ποταμοὶ
(potamoi)
rivieren
καὶ
(kai)
en
ἔπνευσαν
(epneusan)
waaiden
οἱ
(hoi)
de
ἄνεμοι
(anemoi)
winden
καὶ
(kai)
en
προσέκοψαν
(prosekopsan)
sloegen tegen
τῇ
(te)
het
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
ἐκείνῃ
(ekeine)
dat
καὶ
(kai)
en
ἔπεσεν
(epesen)
viel
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
ἡ
(he)
de
πτῶσις
(ptosis)
val
αὐτῆς
(autes)
haar
μεγάλη
(megale)
groot
Bron: SBLGNT

De menigten staan versteld

28Toen Yeshua deze woorden had beëindigd, stonden de menigten versteld van Zijn onderwijs.
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ὅτε
(hote)
toen
ἐτέλεσεν
(etelesen)
beëindigde
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τοὺς
(tous)
de
λόγους
(logous)
woorden
τούτους
(toutous)
deze
ἐξεπλήσσοντο
(exeplessonto)
stonden versteld
οἱ
(hoi)
de
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
ἐπὶ
(epi)
over
τῇ
(te)
het
διδαχῇ
(didache)
onderwijs
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Een bijna gelijke formule staat in Matt. 11:1; Matt. 13:53; Matt. 19:1 en Matt. 26:1: ‘En het gebeurde toen Yeshua … had beëindigd’.

ἐκπλήσσομαι (ekplessomai), ‘versteld staan’: zo overweldigd zijn dat je niet weet wat je moet zeggen.

29Want Hij onderwees hen als iemand met gezag, en niet zoals hun schriftgeleerden.
ἦν
(en)
was
γὰρ
(gar)
want
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
αὐτοὺς
(autous)
hen
ὡς
(hos)
als
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ἔχων
(echon)
hebbend
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
ὡς
(hos)
als
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te spreken en te beslissen. γραμματεύς (grammateus), ‘schriftgeleerde’: zie 5:20.

Zie ook Mark. 1:22.

Lezing

Latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) hebben alleen ‘de schriftgeleerden’, zonder ‘hun’.

Zie ookMar 1:22