Elohim Bijbel

1 Tessalonicenzen 2

12345

Hoe Paulus, Silvanus en Timoteüs onder de Tessalonicenzen waren, en het verlangen hen te zien

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Hoe wij onder jullie waren

1Want jullie zelf weten, broers, dat onze binnenkomst bij jullie niet vergeefs is geweest.
Αὐτοὶ
(Autoi)
jullie zelf
γὰρ
(gar)
want
οἴδατε
(oidate)
weten
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
τὴν
(ten)
de
εἴσοδον
(eisodon)
binnenkomst
ἡμῶν
(hemon)
onze
τὴν
(ten)
de
πρὸς
(pros)
bij
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
οὐ
(ou)
niet
κενὴ
(kene)
vergeefs
γέγονεν
(gegonen)
is geweest
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἴσοδος (eisodos), ‘binnenkomst’: zie 1:9. κενός (kenos), ‘vergeefs’: letterlijk ‘leeg’, zonder resultaat.

2Maar wij hadden eerst geleden en waren mishandeld in Filippi, zoals jullie weten. Toch hadden wij in onze Elohim de moed om de goede boodschap van Elohim tot jullie te spreken, in een zware strijd.
ἀλλὰ
(alla)
maar
προπαθόντες
(propathontes)
eerst geleden hebbend
καὶ
(kai)
en
ὑβρισθέντες
(hybristhentes)
mishandeld zijnd
καθὼς
(kathos)
zoals
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
ἐν
(en)
in
Φιλίπποις
(Philippois)
Filippi
ἐπαρρησιασάμεθα
(eparresiasametha)
hadden de moed
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
θεῷ
(theo)
Elohim
ἡμῶν
(hemon)
onze
λαλῆσαι
(lalesai)
te spreken
πρὸς
(pros)
tot
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
τὸ
(to)
de
εὐαγγέλιον
(euangelion)
goede boodschap
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐν
(en)
in
πολλῷ
(pollo)
grote
ἀγῶνι
(agoni)
strijd
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Filippi: Filippi lag in het oosten van Macedonië, ongeveer 15 km landinwaarts van de haven Neapolis.

Het was een Romeinse kolonie.

Het is niet de stad Caesarea Filippi uit de evangeliën.

Uitleg

προπάσχω (propascho), ‘eerder lijden’. ὑβρίζω (hybrizo), ‘mishandelen’: beledigen en slecht behandelen.

In Filippi werden Paulus en Silvanus geslagen en gevangengezet. παρρησιάζομαι (parresiazomai), ‘de moed hebben’: vrijmoedig spreken. ἀγών (agon), ‘strijd’: eigenlijk een wedstrijd in de arena, ook een worsteling of grote inspanning.

Zie ook Hand. 16:19–40; Hand. 17:1–2.

3Want onze aansporing is niet uit dwaling, niet uit onreinheid en niet met bedrog.
ἡ
(he)
de
γὰρ
(gar)
want
παράκλησις
(paraklesis)
aansporing
ἡμῶν
(hemon)
onze
οὐκ
(ouk)
niet
ἐκ
(ek)
uit
πλάνης
(planes)
dwaling
οὐδὲ
(oude)
noch
ἐξ
(ex)
uit
ἀκαθαρσίας
(akatharsias)
onreinheid
οὐδὲ
(oude)
noch
ἐν
(en)
in
δόλῳ
(dolo)
bedrog
Bron: SBLGNT
Uitleg

παράκλησις (paraklesis), ‘aansporing’: het Griekse woord betekent ook ‘bemoediging, troost’ en hoort bij het werkwoord παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen, bemoedigen’. πλάνη (plane), ‘dwaling’: dwalen, op een dwaalspoor brengen. ἀκαθαρσία (akatharsia), ‘onreinheid’. δόλος (dolos), ‘bedrog’.

4Maar zoals wij door Elohim goed bevonden zijn om de goede boodschap toevertrouwd te krijgen, zo spreken wij. Wij spreken niet om mensen te behagen, maar Elohim, die onze harten toetst.
ἀλλὰ
(alla)
maar
καθὼς
(kathos)
zoals
δεδοκιμάσμεθα
(dedokimasmetha)
wij zijn goed bevonden
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
πιστευθῆναι
(pisteuthenai)
toevertrouwd te worden
τὸ
(to)
de
εὐαγγέλιον
(euangelion)
goede boodschap
οὕτως
(houtos)
zo
λαλοῦμεν
(laloumen)
spreken wij
οὐχ
(ouch)
niet
ὡς
(hos)
als
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
ἀρέσκοντες
(areskontes)
behagend
ἀλλὰ
(alla)
maar
θεῷ
(theo)
Elohim
τῷ
(to)
de
δοκιμάζοντι
(dokimazonti)
toetsende
τὰς
(tas)
de
καρδίας
(kardias)
harten
ἡμῶν
(hemon)
onze
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοκιμάζω (dokimazo), ‘toetsen’: iets onderzoeken om te zien of het deugt, zoals metaal; δεδοκιμάσμεθα (dedokimasmetha) vertalen wij met ‘goed bevonden’, δοκιμάζοντι met ‘toetst’.

Vergelijk Ps. 7:10, Jer. 17:10 en Spr. 17:3, waar Elohim of Yahweh het hart onderzoekt of toetst.

Zie ook Ps. 7:10; Jer. 17:10; Spr. 17:3.

5Want wij zijn nooit opgetreden met woorden van vleierij, zoals jullie weten, en nooit met een voorwendsel voor hebzucht. Elohim is getuige.
οὔτε
(oute)
noch
γάρ
(gar)
want
ποτε
(pote)
ooit
ἐν
(en)
in
λόγῳ
(logo)
woord
κολακείας
(kolakeias)
van vleierij
ἐγενήθημεν
(egenethemen)
werden wij
καθὼς
(kathos)
zoals
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
οὔτε
(oute)
noch
ἐν
(en)
in
προφάσει
(prophasei)
voorwendsel
πλεονεξίας
(pleonexias)
van hebzucht
θεὸς
(theos)
Elohim
μάρτυς
(martys)
getuige
Bron: SBLGNT
Uitleg

κολακεία (kolakeia), ‘vleierij’: iemand naar de mond praten voor eigen voordeel. πρόφασις (profasis), ‘voorwendsel’: een schijnreden. πλεονεξία (pleonexia), ‘hebzucht’: altijd méér willen hebben.

‘Elohim is getuige’: een eed-achtige uitdrukking; het Grieks heeft hier geen lidwoord.

6Wij zochten ook geen eer van mensen, niet van jullie en niet van anderen.
οὔτε
(oute)
noch
ζητοῦντες
(zetountes)
zoekend
ἐξ
(ex)
van
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
δόξαν
(doxan)
eer
οὔτε
(oute)
noch
ἀφ’
(aph’)
van
ὑμῶν
(hymon)
jullie
οὔτε
(oute)
noch
ἀπ’
(ap’)
van
ἄλλων
(allon)
anderen
Bron: SBLGNT
Uitleg

δόξα (doxa), ‘eer’: ook ‘heerlijkheid, roem’.

In vers 12 vertalen wij hetzelfde woord met ‘heerlijkheid’, omdat het daar bij Elohim hoort.

Als een voedster en als een vader

7Wij hadden als apostelen van de Messias gewicht kunnen hebben. Maar wij zijn mild onder jullie geweest, zoals een voedster haar eigen kinderen koestert.
δυνάμενοι
(dynamenoi)
kunnende
ἐν
(en)
in
βάρει
(barei)
gewicht
εἶναι
(einai)
zijn
ὡς
(hos)
als
Χριστοῦ
(Christou)
van de Messias
ἀπόστολοι
(apostoloi)
apostelen
ἀλλὰ
(alla)
maar
ἐγενήθημεν
(egenethemen)
werden wij
ἤπιοι
(epioi)
mild
ἐν
(en)
in
μέσῳ
(meso)
midden
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
ὡς
(hos)
zoals
ἐὰν
(ean)
wanneer
τροφὸς
(trophos)
voedster
θάλπῃ
(thalpe)
koestert
τὰ
(ta)
de
ἑαυτῆς
(heautes)
haar eigen
τέκνα
(tekna)
kinderen
Bron: SBLGNT
Uitleg

βάρος (baros), ‘gewicht’: het Grieks ἐν βάρει εἶναι kan betekenen ‘gewicht hebben, gezag laten gelden’ of ‘tot last zijn’ (zie vers 9, ἐπιβαρέω).

Wij kiezen ‘gewicht’; beide betekenissen passen bij wat volgt. ἀπόστολοι (apostoloi), ‘apostelen’: het Grieks heeft het meervoud, passend bij het ‘wij’ van de brief. ἤπιοι (epioi), ‘mild’. τροφός (trofos), ‘voedster’: een vrouw die kinderen voedt en verzorgt. θάλπω (thalpo), ‘koesteren’: warm houden, verzorgen.

Lezing

Voor ‘mild’ (ἤπιοι, epioi) verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.

Zie ook1 Tess 2:9
8Zo teder met jullie verbonden waren wij graag bereid jullie niet alleen de goede boodschap van Elohim te geven, maar ook ons eigen leven. Jullie waren ons immers dierbaar geworden.
οὕτως
(houtos)
zo
ὁμειρόμενοι
(homeiromenoi)
teder verlangend
ὑμῶν
(hymon)
naar jullie
εὐδοκοῦμεν
(eudokoumen)
waren wij bereid
μεταδοῦναι
(metadounai)
te delen
ὑμῖν
(hymin)
met jullie
οὐ
(ou)
niet
μόνον
(monon)
alleen
τὸ
(to)
de
εὐαγγέλιον
(euangelion)
goede boodschap
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἀλλὰ
(alla)
maar
καὶ
(kai)
ook
τὰς
(tas)
de
ἑαυτῶν
(heauton)
eigen
ψυχάς
(psychas)
levens
διότι
(dioti)
omdat
ἀγαπητοὶ
(agapetoi)
dierbaar
ἡμῖν
(hemin)
aan ons
ἐγενήθητε
(egenethete)
werden jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁμείρομαι (homeiromai), ‘teder verlangen’: een zeldzaam Grieks woord voor de warme verbondenheid van een moeder met haar kind. εὐδοκέω (eudokeo), ‘graag bereid zijn’. μεταδίδωμι (metadidomi), ‘meedelen, geven’. ψυχή (psyche), ‘leven’: ook ‘ziel, mens’; hier het leven zelf. ἀγαπητός (agapetos), ‘dierbaar’: geliefd.

9Want jullie herinneren je, broers, onze moeite en onze zware arbeid. Nacht en dag werkten wij, om niemand van jullie tot last te zijn. Zo hebben wij aan jullie de goede boodschap van Elohim verkondigd.
Μνημονεύετε
(Mnemoneuete)
gedenken
γάρ
(gar)
want
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
τὸν
(ton)
de
κόπον
(kopon)
moeite
ἡμῶν
(hemon)
onze
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
μόχθον
(mochthon)
zware arbeid
νυκτὸς
(nyktos)
nacht
καὶ
(kai)
en
ἡμέρας
(hemeras)
dag
ἐργαζόμενοι
(ergazomenoi)
werkend
πρὸς
(pros)
om
τὸ
(to)
het
μὴ
(me)
niet
ἐπιβαρῆσαί
(epibaresai)
tot last zijn
τινα
(tina)
iemand
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
ἐκηρύξαμεν
(ekeryxamen)
verkondigden wij
εἰς
(eis)
aan
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
τὸ
(to)
de
εὐαγγέλιον
(euangelion)
goede boodschap
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόπος (kopos), ‘moeite’ en μόχθος (mochthos), ‘zware arbeid’: vermoeiend werk.

Paulus werkte met zijn handen voor zijn levensonderhoud. ἐπιβαρέω (epibareo), ‘tot last zijn’. κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen’.

Zie ook Hand. 18:3; Hand. 20:34; 2 Tess. 3:8.

10Jullie zijn getuigen, en Elohim ook, hoe vroom, rechtvaardig en onberispelijk wij voor jullie, de gelovigen, zijn geweest.
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
μάρτυρες
(martyres)
getuigen
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
ὡς
(hos)
hoe
ὁσίως
(hosios)
vroom
καὶ
(kai)
en
δικαίως
(dikaios)
rechtvaardig
καὶ
(kai)
en
ἀμέμπτως
(amemptos)
onberispelijk
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
τοῖς
(tois)
de
πιστεύουσιν
(pisteuousin)
gelovenden
ἐγενήθημεν
(egenethemen)
zijn wij geweest
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁσίως (hosios), ‘vroom’: toegewijd aan Elohim. δικαίως (dikaios), ‘rechtvaardig’: in overeenstemming met wat recht is. ἀμέμπτως (amemptos), ‘onberispelijk’: zonder iets om aan te merken.

11Jullie weten hoe wij ieder van jullie, als een vader zijn eigen kinderen,
καθάπερ
(kathaper)
zoals
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
ὡς
(hos)
hoe
ἕνα
(hena)
ieder
ἕκαστον
(hekaston)
enkele
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
ὡς
(hos)
als
πατὴρ
(pater)
een vader
τέκνα
(tekna)
kinderen
ἑαυτοῦ
(heautou)
zijn eigen
Bron: SBLGNT
Uitleg

De zin loopt door in vers 12: ‘wij … aanspoorden, bemoedigden en ernstig opriepen’. ἕνα ἕκαστον (hena hekaston), ‘ieder’: elk afzonderlijk.

12aanspoorden, bemoedigden en ernstig opriepen om te wandelen zoals Elohim waardig is. Hij roept jullie tot Zijn eigen koninkrijk en heerlijkheid.
παρακαλοῦντες
(parakalountes)
aansporend
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
καὶ
(kai)
en
παραμυθούμενοι
(paramythoumenoi)
bemoedigend
καὶ
(kai)
en
μαρτυρόμενοι
(martyromenoi)
ernstig oproepend
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
het
περιπατεῖν
(peripatein)
wandelen
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἀξίως
(axios)
waardig
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τοῦ
(tou)
die
καλοῦντος
(kalountos)
roept
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
εἰς
(eis)
tot
τὴν
(ten)
de
ἑαυτοῦ
(heautou)
Zijn eigen
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
καὶ
(kai)
en
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’; παραμυθέομαι (paramytheomai), ‘bemoedigen’: troosten en moed geven; μαρτύρομαι (martyromai), ‘ernstig oproepen’: met nadruk vragen en getuigen. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: de manier waarop iemand leeft; wij gebruiken ‘wandelen’ ook in Gal. 5:16. καλέω (kaleo), ‘roepen’. βασιλεία (basileia), ‘koninkrijk’.

Het Grieks heeft hier een bijzin (‘Elohim, die jullie roept’); wij hebben de zin daar gesplitst.

Zie ook Gal. 5:16.

Zie ookGal 5:16

Het woord van Elohim aangenomen

13En daarom danken ook wij Elohim onophoudelijk, omdat jullie het gehoorde woord van Elohim van ons ontvingen. Jullie namen het aan, niet als een woord van mensen, maar zoals het werkelijk is: als woord van Elohim. Dat werkt ook in jullie, de gelovigen.
Καὶ
(Kai)
en
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
καὶ
(kai)
ook
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
εὐχαριστοῦμεν
(eucharistoumen)
danken
τῷ
(to)
de
θεῷ
(theo)
Elohim
ἀδιαλείπτως
(adialeiptos)
onophoudelijk
ὅτι
(hoti)
omdat
παραλαβόντες
(paralabontes)
ontvangen hebbend
λόγον
(logon)
woord
ἀκοῆς
(akoes)
van gehoor
παρ’
(par’)
van
ἡμῶν
(hemon)
ons
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐδέξασθε
(edexasthe)
namen jullie aan
οὐ
(ou)
niet
λόγον
(logon)
woord
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
ἀλλὰ
(alla)
maar
καθὼς
(kathos)
zoals
ἀληθῶς
(alethos)
werkelijk
ἐστὶν
(estin)
het is
λόγον
(logon)
woord
θεοῦ
(theou)
van Elohim
ὃς
(hos)
dat
καὶ
(kai)
ook
ἐνεργεῖται
(energeitai)
werkt
ἐν
(en)
in
ὑμῖν
(hymin)
jullie
τοῖς
(tois)
de
πιστεύουσιν
(pisteuousin)
gelovenden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀκοή (akoe), ‘het horen’: λόγον ἀκοῆς is ‘het woord dat gehoord werd’. παραλαμβάνω (paralambano), ‘ontvangen’ en δέχομαι (dechomai), ‘aannemen’: eerst krijgen jullie het woord te horen, dan nemen jullie het aan. ἐνεργέω (energeo), ‘werken’: werkzaam zijn.

Het Griekse ὅς (hos), ‘dat’, kan terugwijzen op ‘woord’ of op ‘Elohim’; wij kiezen ‘woord’.

Zie ook Gal. 3:2.

Zie ookGal 3:2
14Want jullie zijn navolgers geworden, broers, van de gemeenten van Elohim die in Judea zijn, in de Messias Yeshua. Jullie hebben immers hetzelfde geleden van jullie eigen landgenoten als zij van de Joden,
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
γὰρ
(gar)
want
μιμηταὶ
(mimetai)
navolgers
ἐγενήθητε
(egenethete)
werden
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
τῶν
(ton)
van de
ἐκκλησιῶν
(ekklesion)
gemeenten
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τῶν
(ton)
die
οὐσῶν
(ouson)
zijn
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
Ἰουδαίᾳ
(Ioudaia)
Judea
ἐν
(en)
in
Χριστῷ
(Christo)
de Messias
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
omdat
τὰ
(ta)
het
αὐτὰ
(auta)
zelfde
ἐπάθετε
(epathete)
leden
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
ἰδίων
(idion)
eigen
συμφυλετῶν
(symphyleton)
landgenoten
καθὼς
(kathos)
zoals
καὶ
(kai)
ook
αὐτοὶ
(autoi)
zij zelf
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.

Het komt overeen met het oude Juda.

Uitleg

ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’.

‘Gemeenten van Elohim in Judea’: de gemeenten in het land rond Jeruzalem. ἰδίων συμφυλετῶν (idion symfyleton), ‘eigen landgenoten’: letterlijk ‘medestamgenoten’, de mensen van hun eigen streek. Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: in de verzen 14–16 spreekt Paulus over de Joden die de gemeenten in Judea vervolgden.

Paulus is zelf een Jood.

Het Grieks zegt niet welke Joden precies bedoeld zijn; wij vertalen letterlijk.

Zie ook Hand. 17:5; Hand. 22:3; Gal. 1:22.

15die zowel de Heer Yeshua als de profeten hebben gedood en ons hebben weggejaagd. Zij behagen Elohim niet en staan tegenover alle mensen.
τῶν
(ton)
van de
καὶ
(kai)
ook
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
ἀποκτεινάντων
(apokteinanton)
gedood hebbenden
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
προφήτας
(prophetas)
profeten
καὶ
(kai)
en
ἡμᾶς
(hemas)
ons
ἐκδιωξάντων
(ekdioxanton)
weggejaagd hebbenden
καὶ
(kai)
en
θεῷ
(theo)
Elohim
μὴ
(me)
niet
ἀρεσκόντων
(areskonton)
behagenden
καὶ
(kai)
en
πᾶσιν
(pasin)
alle
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
ἐναντίων
(enantion)
tegenstanders
Bron: SBLGNT
Uitleg

De zin sluit aan op vers 14: ‘de Joden, die …’. ἐκδιώκω (ekdioko), ‘wegjagen’: verjagen, vervolgen. ἀρέσκω (aresko), ‘behagen’.

Zie ook Matt. 23:34–37; Hand. 7:52.

16Zij verhinderen ons tot de volken te spreken, opdat die gered worden. Zo maken zij hun zonden altijd vol. Maar de toorn is over hen gekomen, tot het einde.
κωλυόντων
(kolyonton)
verhinderend
ἡμᾶς
(hemas)
ons
τοῖς
(tois)
aan de
ἔθνεσιν
(ethnesin)
volken
λαλῆσαι
(lalesai)
te spreken
ἵνα
(hina)
opdat
σωθῶσιν
(sothosin)
ze worden gered
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
het
ἀναπληρῶσαι
(anaplerosai)
vol te maken
αὐτῶν
(auton)
hun
τὰς
(tas)
de
ἁμαρτίας
(hamartias)
zonden
πάντοτε
(pantote)
altijd
ἔφθασεν
(ephthasen)
is gekomen
δὲ
(de)
maar
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἡ
(he)
de
ὀργὴ
(orge)
toorn
εἰς
(eis)
tot
τέλος
(telos)
einde
Bron: SBLGNT
Uitleg

κωλύω (kolyo), ‘verhinderen’. ἀναπληρόω (anapleroo), ‘vol maken’: tot de rand vullen. εἰς τέλος (eis telos), ‘tot het einde’: ook ‘volledig, voorgoed’; het Grieks zegt niet wat er gekomen is of wanneer. ἔφθασεν (efthasen), ‘is gekomen’: heeft hen bereikt. ὀργή (orge), ‘toorn’.

Zie ook Hand. 13:45; Hand. 17:5.

Verlangen naar de Tessalonicenzen

17Wij, broers, zijn voor korte tijd van jullie gescheiden, als wezen, in persoon, niet in ons hart. Met groot verlangen hebben wij ons des te meer ingespannen om jullie gezicht te zien.
Ἡμεῖς
(Hemeis)
wij
δέ
(de)
maar
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
ἀπορφανισθέντες
(aporphanisthentes)
tot wezen gemaakt
ἀφ’
(aph’)
van
ὑμῶν
(hymon)
jullie
πρὸς
(pros)
voor
καιρὸν
(kairon)
tijd
ὥρας
(horas)
van een uur
προσώπῳ
(prosopo)
in persoon
οὐ
(ou)
niet
καρδίᾳ
(kardia)
in hart
περισσοτέρως
(perissoteros)
des te meer
ἐσπουδάσαμεν
(espoudasamen)
spanden wij ons in
τὸ
(to)
het
πρόσωπον
(prosopon)
gezicht
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἰδεῖν
(idein)
te zien
ἐν
(en)
in
πολλῇ
(polle)
groot
ἐπιθυμίᾳ
(epithymia)
verlangen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπορφανίζω (aporfanizo), ‘tot wees maken’: een zeldzaam woord voor het scheiden van geliefde mensen, als ouders en kinderen. πρὸς καιρὸν ὥρας (pros kairon horas), ‘voor korte tijd’: letterlijk ‘voor een tijd van een uur’.

‘In persoon, niet in hart’: lichamelijk gescheiden, maar niet in gedachten.

18Want wij wilden naar jullie komen, ik, Paulus, zowel één keer als twee keer. Maar Satan heeft ons verhinderd.
διότι
(dioti)
omdat
ἠθελήσαμεν
(ethelesamen)
wilden wij
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
πρὸς
(pros)
naar
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐγὼ
(ego)
ik
μὲν
(men)
zeker
Παῦλος
(Paulos)
Paulus
καὶ
(kai)
zowel
ἅπαξ
(hapax)
één keer
καὶ
(kai)
als
δίς
(dis)
twee keer
καὶ
(kai)
en
ἐνέκοψεν
(enekopsen)
verhinderde
ἡμᾶς
(hemas)
ons
ὁ
(ho)
de
Σατανᾶς
(Satanas)
Satan
Bron: SBLGNT
Uitleg

Dit is de plek waar Paulus zich bij naam noemt en ‘ik’ zegt, midden in het ‘wij’ van de brief (zie 1:1). ἅπαξ καὶ δίς (hapax kai dis), ‘één keer en twee keer’: een Griekse manier om ‘meer dan eens’ of ‘herhaaldelijk’ te zeggen. Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: van het Hebreeuwse שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’. ἐγκόπτω (enkopto), ‘verhinderen’: letterlijk ‘insnijden’, een weg versperren.

De tekst zegt niet hoe Satan dit deed.

Zie ook Hand. 17:10–15.

19Want wat is onze hoop of vreugde of krans van roem, voor onze Heer Yeshua bij Zijn komst? Of zijn dat niet ook jullie?
τίς
(tis)
wat
γὰρ
(gar)
want
ἡμῶν
(hemon)
onze
ἐλπὶς
(elpis)
hoop
ἢ
(e)
of
χαρὰ
(chara)
vreugde
ἢ
(e)
of
στέφανος
(stephanos)
krans
καυχήσεως
(kaucheseos)
van roem
ἢ
(e)
of
οὐχὶ
(ouchi)
niet
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
τοῦ
(tou)
de
κυρίου
(kyriou)
Heer
ἡμῶν
(hemon)
onze
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἐν
(en)
bij
τῇ
(te)
de
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
παρουσίᾳ
(parousia)
komst
Bron: SBLGNT
Uitleg

στέφανος (stefanos), ‘krans’: de overwinningskrans van een winnaar. καύχησις (kauchesis), ‘roem’. παρουσία (parousia), ‘komst’: letterlijk ‘aanwezigheid’; wij gebruiken overal ‘komst’.

Hier gaat het om de komst van Yeshua als Heer.

Zie ook Matt. 24:27.

Zie ookMat 24:27
20Want jullie zijn onze eer en onze vreugde.
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
γάρ
(gar)
want
ἐστε
(este)
zijn
ἡ
(he)
de
δόξα
(doxa)
eer
ἡμῶν
(hemon)
onze
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
χαρά
(chara)
vreugde
Bron: SBLGNT
Uitleg

δόξα (doxa), ‘eer’: zie vers 6.

Paulus zegt: de Tessalonicenzen zijn zijn eer en vreugde, niet iets daarbuiten.

Zie ook1 Tess 2:6