1 Tessalonicenzen 2
Hoe Paulus, Silvanus en Timoteüs onder de Tessalonicenzen waren, en het verlangen hen te zien
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Hoe wij onder jullie waren
εἴσοδος (eisodos), ‘binnenkomst’: zie 1:9. κενός (kenos), ‘vergeefs’: letterlijk ‘leeg’, zonder resultaat.
Zie Filippi: Filippi lag in het oosten van Macedonië, ongeveer 15 km landinwaarts van de haven Neapolis.
Het was een Romeinse kolonie.
Het is niet de stad Caesarea Filippi uit de evangeliën.
προπάσχω (propascho), ‘eerder lijden’. ὑβρίζω (hybrizo), ‘mishandelen’: beledigen en slecht behandelen.
In Filippi werden Paulus en Silvanus geslagen en gevangengezet. παρρησιάζομαι (parresiazomai), ‘de moed hebben’: vrijmoedig spreken. ἀγών (agon), ‘strijd’: eigenlijk een wedstrijd in de arena, ook een worsteling of grote inspanning.
Zie ook Hand. 16:19–40; Hand. 17:1–2.
παράκλησις (paraklesis), ‘aansporing’: het Griekse woord betekent ook ‘bemoediging, troost’ en hoort bij het werkwoord παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen, bemoedigen’. πλάνη (plane), ‘dwaling’: dwalen, op een dwaalspoor brengen. ἀκαθαρσία (akatharsia), ‘onreinheid’. δόλος (dolos), ‘bedrog’.
δοκιμάζω (dokimazo), ‘toetsen’: iets onderzoeken om te zien of het deugt, zoals metaal; δεδοκιμάσμεθα (dedokimasmetha) vertalen wij met ‘goed bevonden’, δοκιμάζοντι met ‘toetst’.
Vergelijk Ps. 7:10, Jer. 17:10 en Spr. 17:3, waar Elohim of Yahweh het hart onderzoekt of toetst.
Zie ook Ps. 7:10; Jer. 17:10; Spr. 17:3.
κολακεία (kolakeia), ‘vleierij’: iemand naar de mond praten voor eigen voordeel. πρόφασις (profasis), ‘voorwendsel’: een schijnreden. πλεονεξία (pleonexia), ‘hebzucht’: altijd méér willen hebben.
‘Elohim is getuige’: een eed-achtige uitdrukking; het Grieks heeft hier geen lidwoord.
δόξα (doxa), ‘eer’: ook ‘heerlijkheid, roem’.
In vers 12 vertalen wij hetzelfde woord met ‘heerlijkheid’, omdat het daar bij Elohim hoort.
Als een voedster en als een vader
βάρος (baros), ‘gewicht’: het Grieks ἐν βάρει εἶναι kan betekenen ‘gewicht hebben, gezag laten gelden’ of ‘tot last zijn’ (zie vers 9, ἐπιβαρέω).
Wij kiezen ‘gewicht’; beide betekenissen passen bij wat volgt. ἀπόστολοι (apostoloi), ‘apostelen’: het Grieks heeft het meervoud, passend bij het ‘wij’ van de brief. ἤπιοι (epioi), ‘mild’. τροφός (trofos), ‘voedster’: een vrouw die kinderen voedt en verzorgt. θάλπω (thalpo), ‘koesteren’: warm houden, verzorgen.
Voor ‘mild’ (ἤπιοι, epioi) verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.
ὁμείρομαι (homeiromai), ‘teder verlangen’: een zeldzaam Grieks woord voor de warme verbondenheid van een moeder met haar kind. εὐδοκέω (eudokeo), ‘graag bereid zijn’. μεταδίδωμι (metadidomi), ‘meedelen, geven’. ψυχή (psyche), ‘leven’: ook ‘ziel, mens’; hier het leven zelf. ἀγαπητός (agapetos), ‘dierbaar’: geliefd.
κόπος (kopos), ‘moeite’ en μόχθος (mochthos), ‘zware arbeid’: vermoeiend werk.
Paulus werkte met zijn handen voor zijn levensonderhoud. ἐπιβαρέω (epibareo), ‘tot last zijn’. κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen’.
Zie ook Hand. 18:3; Hand. 20:34; 2 Tess. 3:8.
ὁσίως (hosios), ‘vroom’: toegewijd aan Elohim. δικαίως (dikaios), ‘rechtvaardig’: in overeenstemming met wat recht is. ἀμέμπτως (amemptos), ‘onberispelijk’: zonder iets om aan te merken.
De zin loopt door in vers 12: ‘wij … aanspoorden, bemoedigden en ernstig opriepen’. ἕνα ἕκαστον (hena hekaston), ‘ieder’: elk afzonderlijk.
παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’; παραμυθέομαι (paramytheomai), ‘bemoedigen’: troosten en moed geven; μαρτύρομαι (martyromai), ‘ernstig oproepen’: met nadruk vragen en getuigen. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: de manier waarop iemand leeft; wij gebruiken ‘wandelen’ ook in Gal. 5:16. καλέω (kaleo), ‘roepen’. βασιλεία (basileia), ‘koninkrijk’.
Het Grieks heeft hier een bijzin (‘Elohim, die jullie roept’); wij hebben de zin daar gesplitst.
Zie ook Gal. 5:16.
Het woord van Elohim aangenomen
ἀκοή (akoe), ‘het horen’: λόγον ἀκοῆς is ‘het woord dat gehoord werd’. παραλαμβάνω (paralambano), ‘ontvangen’ en δέχομαι (dechomai), ‘aannemen’: eerst krijgen jullie het woord te horen, dan nemen jullie het aan. ἐνεργέω (energeo), ‘werken’: werkzaam zijn.
Het Griekse ὅς (hos), ‘dat’, kan terugwijzen op ‘woord’ of op ‘Elohim’; wij kiezen ‘woord’.
Zie ook Gal. 3:2.
Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.
Het komt overeen met het oude Juda.
ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’.
‘Gemeenten van Elohim in Judea’: de gemeenten in het land rond Jeruzalem. ἰδίων συμφυλετῶν (idion symfyleton), ‘eigen landgenoten’: letterlijk ‘medestamgenoten’, de mensen van hun eigen streek. Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: in de verzen 14–16 spreekt Paulus over de Joden die de gemeenten in Judea vervolgden.
Paulus is zelf een Jood.
Het Grieks zegt niet welke Joden precies bedoeld zijn; wij vertalen letterlijk.
Zie ook Hand. 17:5; Hand. 22:3; Gal. 1:22.
De zin sluit aan op vers 14: ‘de Joden, die …’. ἐκδιώκω (ekdioko), ‘wegjagen’: verjagen, vervolgen. ἀρέσκω (aresko), ‘behagen’.
Zie ook Matt. 23:34–37; Hand. 7:52.
κωλύω (kolyo), ‘verhinderen’. ἀναπληρόω (anapleroo), ‘vol maken’: tot de rand vullen. εἰς τέλος (eis telos), ‘tot het einde’: ook ‘volledig, voorgoed’; het Grieks zegt niet wat er gekomen is of wanneer. ἔφθασεν (efthasen), ‘is gekomen’: heeft hen bereikt. ὀργή (orge), ‘toorn’.
Zie ook Hand. 13:45; Hand. 17:5.
Verlangen naar de Tessalonicenzen
ἀπορφανίζω (aporfanizo), ‘tot wees maken’: een zeldzaam woord voor het scheiden van geliefde mensen, als ouders en kinderen. πρὸς καιρὸν ὥρας (pros kairon horas), ‘voor korte tijd’: letterlijk ‘voor een tijd van een uur’.
‘In persoon, niet in hart’: lichamelijk gescheiden, maar niet in gedachten.
Dit is de plek waar Paulus zich bij naam noemt en ‘ik’ zegt, midden in het ‘wij’ van de brief (zie 1:1). ἅπαξ καὶ δίς (hapax kai dis), ‘één keer en twee keer’: een Griekse manier om ‘meer dan eens’ of ‘herhaaldelijk’ te zeggen. Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’: van het Hebreeuwse שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’. ἐγκόπτω (enkopto), ‘verhinderen’: letterlijk ‘insnijden’, een weg versperren.
De tekst zegt niet hoe Satan dit deed.
Zie ook Hand. 17:10–15.
στέφανος (stefanos), ‘krans’: de overwinningskrans van een winnaar. καύχησις (kauchesis), ‘roem’. παρουσία (parousia), ‘komst’: letterlijk ‘aanwezigheid’; wij gebruiken overal ‘komst’.
Hier gaat het om de komst van Yeshua als Heer.
Zie ook Matt. 24:27.
δόξα (doxa), ‘eer’: zie vers 6.
Paulus zegt: de Tessalonicenzen zijn zijn eer en vreugde, niet iets daarbuiten.