Elohim Bijbel

Jesaja 6

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

De roeping van Jesaja

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Ik zag de Heer

1In het jaar van de dood van koning Uzzia zag ik de Heer. Hij zat op een hoge en verheven troon. De slippen van Zijn gewaad vulden de tempel.
בִּשְׁנַת
(bishnat)
in het jaar van
מוֹת֙
(mot)
de dood van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
koning
עֻזִּיָּ֔הוּ
(uziyahu)
Uzzia
וָאֶרְאֶ֧ה
(vaere)
en ik zag
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנָ֛י
(adonay)
de Heer
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
zittend
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֖א
(kise)
een troon
רָ֣ם
(ram)
hoog
וְנִשָּׂ֑א
(venisa)
en verheven
וְשׁוּלָ֖יו
(veshulav)
en de slippen van Zijn gewaad
מְלֵאִ֥ים
(meleim)
vullend
אֶת
(et)
(obj.)
הַהֵיכָֽל
(haheikhal)
de tempel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel van Yahweh.

In vers 5 heet Hij ‘de Koning, Yahweh van de legermachten’.

Als aanspreking staat er ‘mijn Heer’ (vers 11).

Zie ook Joh. 12:41.

Uzzia is dezelfde koning als Azaria (2 Kon. 15:1–7; 2 Kron. 26:1–23). Zijn geschiedenis is door Jesaja opgeschreven (2 Kron. 26:22).

הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: oorspronkelijk een groot gebouw of paleis. In 1 Kon. 6–8 staat voor hetzelfde woord ‘hoofdzaal’, omdat het daar één ruimte van het huis is.

וְשׁוּלָיו (shulav), ‘Zijn slippen’: het Hebreeuws zegt alleen ‘Zijn zomen’. Het woord ‘gewaad’ voegen wij toe voor de duidelijkheid.

רָם וְנִשָּׂא (ram venissa), ‘hoog en verheven’: het kan bij de troon staan of bij Hem. Wij verbinden het met de troon.

2Serafs stonden boven Hem. Elk van hen had zes vleugels. Met twee bedekte hij zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij.
שְׂרָפִ֨ים
(serafim)
Serafs
עֹמְדִ֤ים
(omedim)
staande
מִמַּ֨עַל֙
(mimaal)
boven
ל֔וֹ
(lo)
Hem
שֵׁ֧שׁ
(shesh)
zes
כְּנָפַ֛יִם
(kenafayim)
vleugels
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
כְּנָפַ֖יִם
(kenafayim)
vleugels
לְאֶחָ֑ד
(leechad)
voor de een
בִּשְׁתַּ֣יִם
(bishtayim)
met twee
יְכַסֶּ֣ה
(yekhase)
bedekte hij
פָנָ֗יו
(panav)
zijn gezicht
וּבִשְׁתַּ֛יִם
(uvishtayim)
en met twee
יְכַסֶּ֥ה
(yekhase)
bedekte hij
רַגְלָ֖יו
(raglav)
zijn voeten
וּבִשְׁתַּ֥יִם
(uvishtayim)
en met twee
יְעוֹפֵֽף
(yeofef)
vloog hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂרָף (saraf), ‘Seraf’: van het werkwoord ‘branden’, dus ‘brandende’.

Hetzelfde woord staat voor de ‘vurige slangen’ in Num. 21:6.

Wij laten open hoe de Serafs eruitzagen.

שֵׁשׁ כְּנָפַיִם שֵׁשׁ כְּנָפַיִם (shesh kenafayim shesh kenafayim): letterlijk ‘zes vleugels, zes vleugels voor de een’. Zo zegt het Hebreeuws dat elk zes vleugels had.

3De een riep naar de ander en zei: „Heilig, heilig, heilig is Yahweh van de legermachten. Heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid.”
וְקָרָ֨א
(veqara)
en riep
זֶ֤ה
(ze)
de een
אֶל
(el)
tot
זֶה֙
(ze)
de ander
וְאָמַ֔ר
(veamar)
en zei
קָד֧וֹשׁ
(qadosh)
heilig
קָד֛וֹשׁ
(qadosh)
heilig
קָד֖וֹשׁ
(qadosh)
heilig
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
מְלֹ֥א
(melo)
de volheid van
כָל
(kal)
heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
כְּבוֹדֽוֹ
(kevodo)
Zijn heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָדוֹשׁ קָדוֹשׁ קָדוֹשׁ (qadosh qadosh qadosh), ‘heilig, heilig, heilig’: drie keer herhaald, met de grootste nadruk.

Vergelijk Ps. 99:3, 5 en 9.

Zie ook Openb. 4:8.

מְלֹא כָל הָאָרֶץ כְּבוֹדוֹ (melo khol ha’arets kevodo): letterlijk ‘de volheid van heel de aarde is Zijn heerlijkheid’.

כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: de zichtbare grootheid van Yahweh, zoals in Exod. 40:34–35.

4De fundamenten van de drempels trilden van de stem van wie riep, en het huis werd vol rook.
וַיָּנֻ֨עוּ֙
(vayanuu)
en trilden
אַמּ֣וֹת
(amot)
fundamenten van
הַסִּפִּ֔ים
(hasipim)
de drempels
מִקּ֖וֹל
(miqol)
van de stem van
הַקּוֹרֵ֑א
(haqore)
hem die riep
וְהַבַּ֖יִת
(vehabayit)
en het huis
יִמָּלֵ֥א
(yimale)
werd gevuld
עָשָֽׁן
(ashan)
met rook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַמּוֹת הַסִּפִּים (ammot hassippim), ‘de fundamenten van de drempels’: letterlijk ‘de ellen van de drempels’.

Het gaat waarschijnlijk om de draaipunten of de onderste delen van de drempel.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Het huis vol rook of wolk: vergelijk Exod. 40:34–35 en 1 Kon. 8:10–11.

Wee mij: onreine lippen

5Toen zei ik: „Wee mij, want ik ben verloren! Want ik ben een man met onreine lippen, en te midden van een volk met onreine lippen woon ik. Want mijn ogen hebben de Koning gezien, Yahweh van de legermachten.”
וָאֹמַ֞ר
(vaomar)
en ik zei
אֽוֹי
(oy)
wee
לִ֣י
(li)
mij
כִֽי
(ki)
want
נִדְמֵ֗יתִי
(nidmeiti)
ik ben verloren
כִּ֣י
(ki)
want
אִ֤ישׁ
(ish)
een man
טְמֵֽא
(teme)
onrein van
שְׂפָתַ֨יִם֙
(sefatayim)
lippen
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
וּבְתוֹךְ֙
(uvetokh)
en te midden van
עַם
(am)
een volk
טְמֵ֣א
(teme)
onrein van
שְׂפָתַ֔יִם
(sefatayim)
lippen
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
יוֹשֵׁ֑ב
(yoshev)
woon
כִּ֗י
(ki)
want
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de Koning
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
רָא֥וּ
(rau)
hebben gezien
עֵינָֽי
(einay)
mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִדְמֵיתִי (nidmeti), ‘ik ben verloren’: het werkwoord kan ‘tot zwijgen gebracht zijn’ en ‘weggenomen zijn’ betekenen.

טְמֵא שְׂפָתַיִם (temé sefatayim), ‘onrein van lippen’: ‘onrein’ is het woord uit de wetten over rein en onrein (Lev. 11–15). Jesaja noemt zijn mond en de mond van zijn volk onrein.

6Toen vloog een van de Serafs naar mij toe. In zijn hand had hij een gloeiende steen, die hij met een tang van het altaar had genomen.
וַיָּ֣עָף
(vayaaf)
en vloog
אֵלַ֗י
(elay)
naar mij
אֶחָד֙
(echad)
een
מִן
(min)
van
הַשְּׂרָפִ֔ים
(haserafim)
de Serafs
וּבְיָד֖וֹ
(uveyado)
en in zijn hand
רִצְפָּ֑ה
(ritspa)
een gloeiende steen
בְּמֶ֨לְקַחַ֔יִם
(bemelqachayim)
met een tang
לָקַ֖ח
(laqach)
had genomen
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִצְפָּה (ritspah), ‘gloeiende steen’: een steen die in het vuur heet is gemaakt.

Het wordt vaak vertaald als ‘gloeiende kool’.

Verwant is de ‘hete stenen’ in 1 Kon. 19:6.

מֶלְקָחַיִם (melqachayim), ‘tang’.

7Hij raakte mijn mond aan en zei: „Zie, dit heeft je lippen aangeraakt. Je schuld is weggenomen en voor je zonde is verzoening gedaan.”
וַיַּגַּ֣ע
(vayaga)
en raakte aan
עַל
(al)
op
פִּ֔י
(pi)
mijn mond
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
נָגַ֥ע
(naga)
heeft aangeraakt
זֶ֖ה
(ze)
dit
עַל
(al)
aan
שְׂפָתֶ֑יךָ
(sefateikha)
je lippen
וְסָ֣ר
(vesar)
en is weggegaan
עֲוֺנֶ֔ךָ
(avonekha)
je schuld
וְחַטָּאתְךָ֖
(vechatatkha)
en je zonde
תְּכֻפָּֽר
(tekhupar)
is verzoend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָוֺן (avon), ‘schuld’, en חַטָּאת (chatat), ‘zonde’.

כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: het werkwoord van de offers en van de verzoendag (Lev. 16). Hier staat het in de lijdende vorm: ‘voor je zonde is verzoening gedaan’.

Wie zal Ik zenden?

8Toen hoorde ik de stem van de Heer zeggen: „Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons gaan?” En ik zei: „Hier ben ik. Zend mij.”
וָאֶשְׁמַ֞ע
(vaeshma)
en ik hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
ק֤וֹל
(qol)
de stem van
אֲדֹנָי֙
(adonay)
de Heer
אֹמֵ֔ר
(omer)
zeggend
אֶת
(et)
(obj.)
מִ֥י
(mi)
wie
אֶשְׁלַ֖ח
(eshlach)
zal Ik zenden
וּמִ֣י
(umi)
en wie
יֵֽלֶךְ
(yelekh)
zal gaan
לָ֑נוּ
(lanu)
voor Ons
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
הִנְנִ֥י
(hinni)
hier ben ik
שְׁלָחֵֽנִי
(shelacheni)
zend mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לָנוּ (lanu), ‘voor Ons’: Yahweh spreekt hier in het meervoud.

Vergelijk Gen. 1:26, 3:22 en 11:7.

הִנְנִי (hinneni), ‘hier ben ik’: zoals het antwoord van Abraham in Gen. 22:1.

De woorden van de stem van de Heer staan rood.

De opdracht aan Jesaja

9Hij zei: „Ga en zeg tegen dit volk: ‘Luister en luister, maar begrijp niet. Kijk en kijk, maar weet niet.’
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לֵ֥ךְ
(lekh)
ga
וְאָמַרְתָּ֖
(veamarta)
en zeg
לָעָ֣ם
(laam)
tot het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
luistert
שָׁמ֨וֹעַ֙
(shamoa)
voortdurend
וְאַל
(veal)
en niet
תָּבִ֔ינוּ
(tavinu)
begrijpt
וּרְא֥וּ
(ureu)
en kijkt
רָא֖וֹ
(rao)
voortdurend
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּדָֽעוּ
(tedau)
weet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁמְעוּ שָׁמוֹעַ וְאַל תָּבִינוּ (shim’u shamo’a ve’al tavinu): het werkwoord wordt herhaald, dus ‘blijf luisteren’.

Het Hebreeuws gebruikt de gebiedende wijs.

Wij laten die staan.

Zie ook Matt. 13:14–15, Joh. 12:40 en Hand. 28:26–27.

10Maak het hart van dit volk vet. Maak zijn oren zwaar en smeer zijn ogen dicht, zodat het niet met zijn ogen ziet, niet met zijn oren hoort en niet met zijn hart begrijpt, en niet terugkeert en niet genezen wordt.”
הַשְׁמֵן֙
(hashmen)
maak vet
לֵב
(lev)
het hart van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְאָזְנָ֥יו
(veazenav)
en zijn oren
הַכְבֵּ֖ד
(hakhbed)
maak zwaar
וְעֵינָ֣יו
(veeinav)
en zijn ogen
הָשַׁ֑ע
(hasha)
smeer dicht
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִרְאֶ֨ה
(yire)
het ziet
בְעֵינָ֜יו
(beeinav)
met zijn ogen
וּבְאָזְנָ֣יו
(uveazenav)
en met zijn oren
יִשְׁמָ֗ע
(yishma)
het hoort
וּלְבָב֥וֹ
(ulevavo)
en zijn hart
יָבִ֛ין
(yavin)
het begrijpt
וָשָׁ֖ב
(vashav)
en het keert terug
וְרָ֥פָא
(verafa)
en wordt genezen
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְׁמֵן (hashmen), ‘maak vet’: een vet hart is een gevoelloos hart.

הַכְבֵּד (hakhbed), ‘maak zwaar’: zware oren horen niet.

הָשַׁע (hasha’), ‘smeer dicht’: de ogen worden als met pleisterwerk dichtgesmeerd.

וָשָׁב וְרָפָא לוֹ (vashav verafa lo), ‘en terugkeert en genezen wordt’: שׁוּב (shuv) is ‘terugkeren’, hier tot Yahweh. Letterlijk staat er: ‘en genezing is voor hem’.

Tot wanneer?

11Toen zei ik: „Tot wanneer, mijn Heer?” En Hij zei: „Tot steden verwoest zijn, zonder bewoner, en huizen zonder mens, en de grond verwoest is tot een woestenij,
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
עַד
(ad)
tot
מָתַ֖י
(matay)
wanneer
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
mijn Heer
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
עַ֣ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
אִם
(im)
als
שָׁא֨וּ
(shau)
verwoest zijn
עָרִ֜ים
(arim)
steden
מֵאֵ֣ין
(meein)
zonder
יוֹשֵׁ֗ב
(yoshev)
bewoner
וּבָתִּים֙
(uvatim)
en huizen
מֵאֵ֣ין
(meein)
zonder
אָדָ֔ם
(adam)
mens
וְהָאֲדָמָ֖ה
(vehaadama)
en de grond
תִּשָּׁאֶ֥ה
(tishae)
is verwoest
שְׁמָמָֽה
(shemama)
tot woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: aanspreking van Yahweh.

שָׁאוּ (sha’u), ‘verwoest zijn’, en שְׁמָמָה (shemamah), ‘woestenij’: dezelfde woorden voor een kaal en leeg land.

Hier spreekt Yahweh weer; Zijn woorden staan rood.

12en Yahweh de mensen ver weg heeft gebracht, en de verlatenheid groot is midden in het land.
וְרִחַ֥ק
(verichaq)
en heeft ver weg gebracht
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָדָ֑ם
(haadam)
de mensen
וְרַבָּ֥ה
(veraba)
en groot is
הָעֲזוּבָ֖ה
(haazuva)
de verlatenheid
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
midden in
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon, in Zijn eigen woorden; daarom blijft het rood (vergelijk Hos. 1:7).

וְרִחַק (verichaq), ‘ver weg heeft gebracht’: letterlijk ‘ver gemaakt’. Het gaat om ballingschap.

13Is er daarin nog een tiende deel, dan keert ook dat terug en wordt het verteerd. Zoals een terebint en zoals een eik, die, wanneer ze geveld worden, een stronk in zich hebben: een heilig zaad is haar stronk.”
וְע֥וֹד
(veod)
en nog
בָּהּ֙
(bah)
daarin
עֲשִׂ֣רִיָּ֔ה
(asiriya)
een tiende deel
וְשָׁ֖בָה
(veshava)
en het keert terug
וְהָיְתָ֣ה
(vehayeta)
en wordt
לְבָעֵ֑ר
(levaer)
om verteerd te worden
כָּאֵלָ֣ה
(kaela)
zoals een terebint
וְכָאַלּ֗וֹן
(vekhaalon)
en zoals een eik
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בְּשַׁלֶּ֨כֶת֙
(beshalekhet)
wanneer ze geveld worden
מַצֶּ֣בֶת
(matsevet)
een stronk
בָּ֔ם
(bam)
in hen
זֶ֥רַע
(zera)
een zaad
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
מַצַּבְתָּֽהּ
(matsavtah)
haar stronk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲשִׂרִיָּה (asiriyyah), ‘een tiende deel’: een tiende van wat er was.

וְשָׁבָה (veshavah), ‘dan keert het terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv) staat ook in vers 10. Het kan hier ook ‘weer’ betekenen.

לְבָעֵר (leva’er), ‘om verteerd te worden’: zie 4:4 en 5:5.

אֵלָה (elah), ‘terebint’, en אַלּוֹן (allon), ‘eik’: grote bomen.

מַצֶּבֶת (matstevet), ‘stronk’: bijna hetzelfde woord als מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde steen’, maar hier is het wat blijft staan als een boom is geveld.

Lezing

De laatste woorden, ‘een heilig zaad is haar stronk’, ontbreken in sommige oude vertalingen.

Wij volgen de Masoretische tekst.