Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Ik zag de Heer
1In het jaar van de dood van koning Uzzia zag ik de Heer. Hij zat op een hoge en verheven troon. De slippen van Zijn gewaad vulden de tempel.
בִּשְׁנַת
(bishnat)
in het jaar van
מוֹת֙
(mot)
de dood van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
koning
עֻזִּיָּ֔הוּ
(uziyahu)
Uzzia
וָאֶרְאֶ֧ה
(vaere)
en ik zag
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנָ֛י
(adonay)
de Heer
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
zittend
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֖א
(kise)
een troon
רָ֣ם
(ram)
hoog
וְנִשָּׂ֑א
(venisa)
en verheven
וְשׁוּלָ֖יו
(veshulav)
en de slippen van Zijn gewaad
מְלֵאִ֥ים
(meleim)
vullend
אֶת
(et)
(obj.)
הַהֵיכָֽל
(haheikhal)
de tempel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel van Yahweh.
In vers 5 heet Hij ‘de Koning, Yahweh van de legermachten’.
Als aanspreking staat er ‘mijn Heer’ (vers 11).
Zie ook Joh. 12:41.
Uzzia is dezelfde koning als Azaria (2 Kon. 15:1–7; 2 Kron. 26:1–23). Zijn geschiedenis is door Jesaja opgeschreven (2 Kron. 26:22).
הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: oorspronkelijk een groot gebouw of paleis. In 1 Kon. 6–8 staat voor hetzelfde woord ‘hoofdzaal’, omdat het daar één ruimte van het huis is.
וְשׁוּלָיו (shulav), ‘Zijn slippen’: het Hebreeuws zegt alleen ‘Zijn zomen’. Het woord ‘gewaad’ voegen wij toe voor de duidelijkheid.
רָם וְנִשָּׂא (ram venissa), ‘hoog en verheven’: het kan bij de troon staan of bij Hem. Wij verbinden het met de troon.
2Serafs stonden boven Hem. Elk van hen had zes vleugels. Met twee bedekte hij zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij.
שְׂרָפִ֨ים
(serafim)
Serafs
עֹמְדִ֤ים
(omedim)
staande
מִמַּ֨עַל֙
(mimaal)
boven
ל֔וֹ
(lo)
Hem
שֵׁ֧שׁ
(shesh)
zes
כְּנָפַ֛יִם
(kenafayim)
vleugels
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
כְּנָפַ֖יִם
(kenafayim)
vleugels
לְאֶחָ֑ד
(leechad)
voor de een
בִּשְׁתַּ֣יִם
(bishtayim)
met twee
יְכַסֶּ֣ה
(yekhase)
bedekte hij
פָנָ֗יו
(panav)
zijn gezicht
וּבִשְׁתַּ֛יִם
(uvishtayim)
en met twee
יְכַסֶּ֥ה
(yekhase)
bedekte hij
רַגְלָ֖יו
(raglav)
zijn voeten
וּבִשְׁתַּ֥יִם
(uvishtayim)
en met twee
יְעוֹפֵֽף
(yeofef)
vloog hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂרָף (saraf), ‘Seraf’: van het werkwoord ‘branden’, dus ‘brandende’.
Hetzelfde woord staat voor de ‘vurige slangen’ in Num. 21:6.
Wij laten open hoe de Serafs eruitzagen.
שֵׁשׁ כְּנָפַיִם שֵׁשׁ כְּנָפַיִם (shesh kenafayim shesh kenafayim): letterlijk ‘zes vleugels, zes vleugels voor de een’. Zo zegt het Hebreeuws dat elk zes vleugels had.
5Toen zei ik: „Wee mij, want ik ben verloren! Want ik ben een man met onreine lippen, en te midden van een volk met onreine lippen woon ik. Want mijn ogen hebben de Koning gezien, Yahweh van de legermachten.”
וָאֹמַ֞ר
(vaomar)
en ik zei
אֽוֹי
(oy)
wee
לִ֣י
(li)
mij
כִֽי
(ki)
want
נִדְמֵ֗יתִי
(nidmeiti)
ik ben verloren
כִּ֣י
(ki)
want
אִ֤ישׁ
(ish)
een man
טְמֵֽא
(teme)
onrein van
שְׂפָתַ֨יִם֙
(sefatayim)
lippen
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
וּבְתוֹךְ֙
(uvetokh)
en te midden van
עַם
(am)
een volk
טְמֵ֣א
(teme)
onrein van
שְׂפָתַ֔יִם
(sefatayim)
lippen
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
יוֹשֵׁ֑ב
(yoshev)
woon
כִּ֗י
(ki)
want
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de Koning
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
רָא֥וּ
(rau)
hebben gezien
עֵינָֽי
(einay)
mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִדְמֵיתִי (nidmeti), ‘ik ben verloren’: het werkwoord kan ‘tot zwijgen gebracht zijn’ en ‘weggenomen zijn’ betekenen.
טְמֵא שְׂפָתַיִם (temé sefatayim), ‘onrein van lippen’: ‘onrein’ is het woord uit de wetten over rein en onrein (Lev. 11–15). Jesaja noemt zijn mond en de mond van zijn volk onrein.
7Hij raakte mijn mond aan en zei: „Zie, dit heeft je lippen aangeraakt. Je schuld is weggenomen en voor je zonde is verzoening gedaan.”
וַיַּגַּ֣ע
(vayaga)
en raakte aan
עַל
(al)
op
פִּ֔י
(pi)
mijn mond
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּ֛ה
(hine)
zie
נָגַ֥ע
(naga)
heeft aangeraakt
זֶ֖ה
(ze)
dit
עַל
(al)
aan
שְׂפָתֶ֑יךָ
(sefateikha)
je lippen
וְסָ֣ר
(vesar)
en is weggegaan
עֲוֺנֶ֔ךָ
(avonekha)
je schuld
וְחַטָּאתְךָ֖
(vechatatkha)
en je zonde
תְּכֻפָּֽר
(tekhupar)
is verzoend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָוֺן (avon), ‘schuld’, en חַטָּאת (chatat), ‘zonde’.
כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: het werkwoord van de offers en van de verzoendag (Lev. 16). Hier staat het in de lijdende vorm: ‘voor je zonde is verzoening gedaan’.
10Maak het hart van dit volk vet. Maak zijn oren zwaar en smeer zijn ogen dicht, zodat het niet met zijn ogen ziet, niet met zijn oren hoort en niet met zijn hart begrijpt, en niet terugkeert en niet genezen wordt.”
הַשְׁמֵן֙
(hashmen)
maak vet
לֵב
(lev)
het hart van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְאָזְנָ֥יו
(veazenav)
en zijn oren
הַכְבֵּ֖ד
(hakhbed)
maak zwaar
וְעֵינָ֣יו
(veeinav)
en zijn ogen
הָשַׁ֑ע
(hasha)
smeer dicht
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִרְאֶ֨ה
(yire)
het ziet
בְעֵינָ֜יו
(beeinav)
met zijn ogen
וּבְאָזְנָ֣יו
(uveazenav)
en met zijn oren
יִשְׁמָ֗ע
(yishma)
het hoort
וּלְבָב֥וֹ
(ulevavo)
en zijn hart
יָבִ֛ין
(yavin)
het begrijpt
וָשָׁ֖ב
(vashav)
en het keert terug
וְרָ֥פָא
(verafa)
en wordt genezen
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַשְׁמֵן (hashmen), ‘maak vet’: een vet hart is een gevoelloos hart.
הָשַׁע (hasha’), ‘smeer dicht’: de ogen worden als met pleisterwerk dichtgesmeerd.
וָשָׁב וְרָפָא לוֹ (vashav verafa lo), ‘en terugkeert en genezen wordt’: שׁוּב (shuv) is ‘terugkeren’, hier tot Yahweh. Letterlijk staat er: ‘en genezing is voor hem’.
11Toen zei ik: „Tot wanneer, mijn Heer?” En Hij zei: „Tot steden verwoest zijn, zonder bewoner, en huizen zonder mens, en de grond verwoest is tot een woestenij,
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
עַד
(ad)
tot
מָתַ֖י
(matay)
wanneer
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
mijn Heer
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
עַ֣ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
אִם
(im)
als
שָׁא֨וּ
(shau)
verwoest zijn
עָרִ֜ים
(arim)
steden
מֵאֵ֣ין
(meein)
zonder
יוֹשֵׁ֗ב
(yoshev)
bewoner
וּבָתִּים֙
(uvatim)
en huizen
מֵאֵ֣ין
(meein)
zonder
אָדָ֔ם
(adam)
mens
וְהָאֲדָמָ֖ה
(vehaadama)
en de grond
תִּשָּׁאֶ֥ה
(tishae)
is verwoest
שְׁמָמָֽה
(shemama)
tot woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: aanspreking van Yahweh.
שָׁאוּ (sha’u), ‘verwoest zijn’, en שְׁמָמָה (shemamah), ‘woestenij’: dezelfde woorden voor een kaal en leeg land.
Hier spreekt Yahweh weer; Zijn woorden staan rood.
13Is er daarin nog een tiende deel, dan keert ook dat terug en wordt het verteerd. Zoals een terebint en zoals een eik, die, wanneer ze geveld worden, een stronk in zich hebben: een heilig zaad is haar stronk.”
וְע֥וֹד
(veod)
en nog
בָּהּ֙
(bah)
daarin
עֲשִׂ֣רִיָּ֔ה
(asiriya)
een tiende deel
וְשָׁ֖בָה
(veshava)
en het keert terug
וְהָיְתָ֣ה
(vehayeta)
en wordt
לְבָעֵ֑ר
(levaer)
om verteerd te worden
כָּאֵלָ֣ה
(kaela)
zoals een terebint
וְכָאַלּ֗וֹן
(vekhaalon)
en zoals een eik
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בְּשַׁלֶּ֨כֶת֙
(beshalekhet)
wanneer ze geveld worden
מַצֶּ֣בֶת
(matsevet)
een stronk
בָּ֔ם
(bam)
in hen
זֶ֥רַע
(zera)
een zaad
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
מַצַּבְתָּֽהּ
(matsavtah)
haar stronk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲשִׂרִיָּה (asiriyyah), ‘een tiende deel’: een tiende van wat er was.
וְשָׁבָה (veshavah), ‘dan keert het terug’: het werkwoord שׁוּב (shuv) staat ook in vers 10. Het kan hier ook ‘weer’ betekenen.
לְבָעֵר (leva’er), ‘om verteerd te worden’: zie 4:4 en 5:5.
אֵלָה (elah), ‘terebint’, en אַלּוֹן (allon), ‘eik’: grote bomen.
מַצֶּבֶת (matstevet), ‘stronk’: bijna hetzelfde woord als מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde steen’, maar hier is het wat blijft staan als een boom is geveld.
Lezing
De laatste woorden, ‘een heilig zaad is haar stronk’, ontbreken in sommige oude vertalingen.