Elohim Bijbel

Jeremia 24

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Twee manden vijgen: de goede en de slechte

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Twee manden met vijgen

1Yahweh liet mij zien: twee manden met vijgen, neergezet voor de tempel van Yahweh. Dat was nadat Nebukadnezar, de koning van Babel, Jojachin, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, de oversten van Juda, de ambachtslieden en de smeden uit Jeruzalem had weggevoerd en naar Babel had gebracht.
הִרְאַנִי֮
(hirani)
liet mij zien
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וְהִנֵּ֗ה
(vehine)
en zie
שְׁנֵי֙
(shenei)
twee
דּוּדָאֵ֣י
(dudaei)
manden met
תְאֵנִ֔ים
(teenim)
vijgen
מוּעָדִ֕ים
(muadim)
neergezet
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
הֵיכַ֣ל
(heikhal)
tempel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
nadat
הַגְל֣וֹת
(haglot)
had weggevoerd
נְבוּכַדְרֶאצַּ֣ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֡ל
(bavel)
Babel
אֶת
(et)
(obj.)
יְכָנְיָ֣הוּ
(yekhaneyahu)
Jojachin
בֶן
(ben)
zoon van
יְהוֹיָקִ֣ים
(yehoyaqim)
Jojakim
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָה֩
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שָׂרֵ֨י
(sarei)
oversten van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הֶחָרָ֤שׁ
(hecharash)
de ambachtslieden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמַּסְגֵּר֙
(hamasger)
de smeden
מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
וַיְבִאֵ֖ם
(vayviem)
en had hen gebracht
בָּבֶֽל
(bavel)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יכניהו (Yekhonyahu), ‘Jojachin’: de Hebreeuwse tekst heeft hier de vorm Jechonja.

Het is dezelfde koning als Konyahu in Jer. 22:24 en Jojachin in 2 Kon. 24:6.

Wij schrijven overal ‘Jojachin’.

Hij werd in 597 voor Christus samen met de oversten, de ambachtslieden en de smeden naar Babel gevoerd (2 Kon. 24:10–16).

דודאי (dudei), ‘manden met’: manden, ook wel kruiken of potten. Het zijn hier manden voor fruit.

החרשׁ (hecharash), ‘de ambachtslieden’, en המסגר (hammasger), ‘de smeden’: zoals in 2 Kon. 24:14 en 24:16.

Het visioen valt dus na de eerste wegvoering (597 voor Christus) en voor de val van Jeruzalem (587 voor Christus). Jeremia ziet de manden ‘voor de tempel van Yahweh’. De data komen uit het geheugen en zijn niet gecontroleerd.

2De ene mand had zeer goede vijgen, zoals vijgen die als eersten rijp zijn. De andere mand had zeer slechte vijgen, die niet te eten waren vanwege hun slechtheid.
הַדּ֣וּד
(hadud)
de mand
אֶחָ֗ד
(echad)
ene
תְּאֵנִים֙
(teenim)
vijgen
טֹב֣וֹת
(tovot)
goede
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
כִּתְאֵנֵ֖י
(kitenei)
zoals de vijgen van
הַבַּכֻּר֑וֹת
(habakurot)
de eerste rijpheid
וְהַדּ֣וּד
(vehadud)
en de mand
אֶחָ֗ד
(echad)
andere
תְּאֵנִים֙
(teenim)
vijgen
רָע֣וֹת
(raot)
slechte
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
תֵֽאָכַ֖לְנָה
(teakhalna)
kunnen gegeten worden
מֵרֹֽעַ
(meroa)
vanwege slechtheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כתאני הבכרות (keteene habbekhorot), ‘zoals de vijgen van de eerste rijpheid’: vroege vijgen, die als eersten rijp zijn en als een lekkernij gelden.

Zie ook Hos. 9:10 en Jes. 28:4.

Wat zie je, Jeremia?

3Yahweh zei tegen mij: „Wat zie je, Jeremia?” Ik zei: „Vijgen. De goede vijgen zijn zeer goed, en de slechte zijn zeer slecht, zo slecht dat ze niet te eten zijn.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
מָֽה
(ma)
wat
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
רֹאֶה֙
(roe)
ziet
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
תְּאֵנִ֑ים
(teenim)
vijgen
הַתְּאֵנִ֤ים
(hateenim)
de vijgen
הַטֹּבוֹת֙
(hatovot)
de goede
טֹב֣וֹת
(tovot)
goed
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וְהָֽרָעוֹת֙
(veharaot)
en de slechte
רָע֣וֹת
(raot)
slecht
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
תֵאָכַ֖לְנָה
(teakhalna)
kunnen gegeten worden
מֵרֹֽעַ
(meroa)
vanwege slechtheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh vraagt, Jeremia antwoordt.

De vraag ‘Wat zie je, Jeremia?’ staat rood.

Het antwoord van de profeet staat zwart.

Vergelijk Jer. 1:11 en 1:13 en Amos 7:8.

De goede vijgen: de ballingen van Juda

4Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Zo zegt Yahweh, Elohim van Israël: „Zoals deze goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda ten goede aanzien. Ik heb hen van deze plaats naar het land van de Chaldeeën weggestuurd.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כַּתְּאֵנִ֥ים
(kateenim)
zoals de vijgen
הַטֹּב֖וֹת
(hatovot)
goede
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
כֵּֽן
(ken)
zo
אַכִּ֞יר
(akir)
zal Ik aanzien
אֶת
(et)
(obj.)
גָּל֣וּת
(galut)
ballingen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
שִׁלַּ֜חְתִּי
(shilachti)
heb Ik weggestuurd
מִן
(min)
uit
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
אֶ֥רֶץ
(erets)
naar het land van
כַּשְׂדִּ֖ים
(kasdim)
de Chaldeeën
לְטוֹבָֽה
(letova)
ten goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Uitleg

אכיר (akkir), ‘Ik zal aanzien’: het werkwoord נָכַר (nakar) betekent ‘erkennen, opmerken’.

Yahweh kent hen en let op hen, ten goede.

De goede vijgen zijn de ballingen die in 597 voor Christus naar Babel gingen. Zie ook Jer. 29:1–14.

6Ik richt Mijn ogen ten goede op hen. Ik breng hen terug naar dit land. Ik bouw hen op en breek hen niet af. Ik plant hen en ruk hen niet uit.
וְשַׂמְתִּ֨י
(vesamti)
en Ik zal richten
עֵינִ֤י
(eini)
Mijn ogen
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
op hen
לְטוֹבָ֔ה
(letova)
ten goede
וַהֲשִׁבֹתִ֖ים
(vahashivotim)
en Ik zal hen terugbrengen
עַל
(al)
naar
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
וּבְנִיתִים֙
(uvenitim)
en Ik zal hen bouwen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶהֱרֹ֔ס
(eheros)
zal Ik afbreken
וּנְטַעְתִּ֖ים
(unetatim)
en Ik zal hen planten
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אֶתּֽוֹשׁ
(etosh)
zal Ik uitrukken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De werkwoorden ‘bouwen’, ‘afbreken’, ‘planten’ en ‘uitrukken’ staan ook in Jer. 1:10 en 31:28.

Hier zijn ze naast elkaar gezet: de ballingen worden niet uitgerukt, maar geplant.

7Ik geef hun een hart om Mij te kennen, dat Ik Yahweh ben. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn, want zij zullen met heel hun hart tot Mij terugkeren.
וְנָתַתִּי֩
(venatati)
en Ik zal geven
לָהֶ֨ם
(lahem)
hun
לֵ֜ב
(lev)
hart
לָדַ֣עַת
(ladaat)
om te kennen
אֹתִ֗י
(oti)
Mij
כִּ֚י
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָיוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לִ֣י
(li)
voor Mij
לְעָ֔ם
(leam)
tot volk
וְאָ֣נֹכִ֔י
(veanokhi)
en Ik
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
zal zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לֵאלֹהִ֑ים
(lElohim)
tot Elohim
כִּֽי
(ki)
want
יָשֻׁ֥בוּ
(yashuvu)
zullen zij terugkeren
אֵלַ֖י
(elay)
tot Mij
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לִבָּֽם
(libam)
hun hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ונתתי להם לב לדעת (venatati lahem lev lada’at oti), ‘Ik geef hun een hart om Mij te kennen’: zie ook Jer. 31:33 en Ezech. 36:26.

והיו לי לעם ואנכי אהיה להם לאלהים (vehayu li le’am va’anokhi ehyeh lahem le’elohim), ‘zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn’: de verbondsformule van Exod. 6:7 en Lev. 26:12.

De slechte vijgen: Zedekia en wie achterbleven

8En zoals de slechte vijgen, die niet te eten zijn vanwege hun slechtheid, want zo zegt Yahweh: Zo geef Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn oversten, de overgeblevenen van Jeruzalem die in dit land zijn overgebleven en wie in het land Egypte wonen.
וְכַתְּאֵנִים֙
(vekhateenim)
en zoals de vijgen
הָֽרָע֔וֹת
(haraot)
slechte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
תֵאָכַ֖לְנָה
(teakhalna)
kunnen gegeten worden
מֵרֹ֑עַ
(meroa)
vanwege slechtheid
כִּי
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אֶ֠תֵּן
(eten)
zal Ik geven
אֶת
(et)
(obj.)
צִדְקִיָּ֨הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֤ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שָׂרָיו֙
(sarav)
zijn oversten
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הַנִּשְׁאָרִים֙
(hanisharim)
die overgebleven zijn
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְהַיֹּשְׁבִ֖ים
(vehayoshevim)
en die wonen
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De slechte vijgen zijn Zedekia, zijn oversten, wie in Jeruzalem overbleven en wie naar Egypte gingen.

Zie ook Jer. 42–44.

De woorden ‘want zo zegt Yahweh’ staan midden in Zijn woorden en zijn daarom rood.

9Ik maak hen tot een schrikbeeld, tot onheil voor alle koninkrijken van de aarde. Ik maak hen tot smaad, tot spreekwoord, tot bijtend woord en tot vloek, op alle plaatsen waarheen Ik hen verdrijf.
וּנְתַתִּים֙
(unetatim)
en Ik zal hen maken
לְזַעֲוָ֣ה
(lezaava)
tot schrikbeeld
לְרָעָ֔ה
(leraa)
tot kwaad
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor alle
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
לְחֶרְפָּ֤ה
(lecherpa)
tot smaad
וּלְמָשָׁל֙
(ulemashal)
en tot spreekwoord
לִשְׁנִינָ֣ה
(lishnina)
tot bijtend woord
וְלִקְלָלָ֔ה
(veliqlala)
en tot vloek
בְּכָל
(bekhal)
op alle
הַמְּקֹמ֖וֹת
(hameqomot)
plaatsen
אֲשֶֽׁר
(asher)
waarheen
אַדִּיחֵ֥ם
(adichem)
verdrijf Ik hen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לזעוה (lezava’ah), ‘tot schrikbeeld’: zie Deut. 28:25.

לשׁנינה (leshininah), ‘tot bijtend woord’: een woord dat steekt, zoals in Deut. 28:37.

10Ik stuur het zwaard, de honger en de pest onder hen, totdat zij verdwenen zijn van de grond die Ik aan hen en aan hun vaders heb gegeven.”
וְשִׁלַּ֣חְתִּי
(veshilachti)
en Ik zal sturen
בָ֔ם
(bam)
onder hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֖רֶב
(hacherev)
het zwaard
אֶת
(et)
(obj.)
הָרָעָ֣ב
(haraav)
de honger
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַדָּ֑בֶר
(hadaver)
de pest
עַד
(ad)
totdat
תֻּמָּם֙
(tumam)
zij verdwenen zijn
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
הָאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥תִּי
(natati)
heb Ik gegeven
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
וְלַאֲבוֹתֵיהֶֽם
(velaavoteihem)
en aan hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het zwaard, de honger en de pest: de drie plagen van Jer. 21:9.

Hier worden ze over wie in Jeruzalem bleef en in Egypte woonde uitgesproken.