Elohim Bijbel

Nehemia 3

12345678910111213

De bouwers van de muur; Sanballat spot (Hebr. 3:33–38 = NL 4:1–6)

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Schaapspoort en de Vissenpoort

1Eljasib, de hogepriester, stond op met zijn broeders, de priesters. Zij bouwden de Schaapspoort. Zij heiligden haar en plaatsten haar deuren. Zij heiligden haar tot aan de Toren van de Honderd, tot aan de Toren van Chananeël.
וַיָּ֡קָם
(vayaqam)
en stond op
אֶלְיָשִׁיב֩
(elyashiv)
Eljasib
הַכֹּהֵ֨ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֜וֹל
(hagadol)
de hogepriester
וְאֶחָ֣יו
(veechav)
en zijn broeders
הַכֹּהֲנִ֗ים
(hakohanim)
de priesters
וַיִּבְנוּ֙
(vayivnu)
en zij bouwden
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de Schapen
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
קִדְּשׁ֔וּהוּ
(qideshuhu)
heiligden haar
וַֽיַּעֲמִ֖ידוּ
(vayaamidu)
en zij plaatsten
דַּלְתֹתָ֑יו
(daltotav)
haar deuren
וְעַד
(vead)
en tot
מִגְדַּ֤ל
(migdal)
de toren van
הַמֵּאָה֙
(hamea)
de Honderd
קִדְּשׁ֔וּהוּ
(qideshuhu)
zij heiligden haar
עַ֖ד
(ad)
tot
מִגְדַּ֥ל
(migdal)
de toren van
חֲנַנְאֵֽל
(chananel)
Chananeël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Schaapspoort (ligging onzeker): De Schaapspoort lag in de noordoostelijke muur van Jeruzalem, bij de tempel.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Toren van Chananel (ligging onzeker): De Toren van Chananel stond aan de noordkant van Jeruzalem, bij de Schaapspoort.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

אלישׁיב (Elyashiv), ‘Eljasib’: de hogepriester van die tijd; zijn huis wordt genoemd in de verzen 20 en 21.

Zijn zoon Jojada staat in 12:10–11.

Dit hoofdstuk beschrijft de muur in een rondgang, beginnend en eindigend bij de Schaapspoort. De ligging van veel poorten en torens is niet zeker.

שַׁעַר הַצֹּאן (sha’ar hatson), ‘Schaapspoort’: waarschijnlijk een poort in het noordoosten van de stad, bij de tempel. De ligging is niet zeker.

קִדְּשׁוּהוּ (qiddeshuhu), ‘zij heiligden haar’: de priesters wijden dit deel van de muur aan Elohim. Alleen deze poort wordt zo genoemd.

מִגְדַּל הַמֵּאָה (migdal hameah), ‘Toren van de Honderd’, en מִגְדַּל חֲנַנְאֵל (migdal Chanan’el), ‘Toren van Chananeël’: torens bij de noordzijde. Of ‘honderd’ een getal of een naam is, is onzeker. Voor Chananeël zie Jer. 31:38.

Het Hebreeuws gebruikt in dit hoofdstuk het werkwoord חִזֵּק (chizzeq), ‘herstellen’ of ‘versterken’. Wij vertalen steeds ‘herstellen’; alleen bij de eerste poorten staat ‘bouwen’ (בָּנָה, banah).

2Naast hem bouwden de mannen van Jericho. Naast hen bouwde Zakkur, de zoon van Imri.
וְעַל
(veal)
en naast
יָד֥וֹ
(yado)
hem
בָנ֖וּ
(banu)
bouwden
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
יְרֵח֑וֹ
(yerecho)
Jericho
וְעַל
(veal)
en naast
יָד֣וֹ
(yado)
hem
בָנָ֔ה
(bana)
bouwde
זַכּ֖וּר
(zakur)
Zakkur
בֶּן
(ben)
zoon van
אִמְרִֽי
(imri)
Imri
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘naast hem’ (עַל־יָדוֹ, al yado): de bouwer die aansluit op het vorige stuk.

Zo ook in de verzen 4–10 en verder.

יְרִחוֹ (Yericho), ‘Jericho’: mannen uit Jericho bouwen mee; ook de mensen uit steden buiten Jeruzalem werken aan de muur (zie ook Tekoa, Gibeon, Mizpa, Zanoach, Keïla, Bet-Hakkerem en Bet-Tsur).

3De Vissenpoort bouwden de zonen van Hassenaä. Zij balkten haar. Zij plaatsten haar deuren, sloten en grendels.
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הַדָּגִ֔ים
(hadagim)
de Vissen
בָּנ֖וּ
(banu)
bouwden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַסְּנָאָ֑ה
(hasenaa)
Hassenaä
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
קֵר֔וּהוּ
(qeruhu)
balkten haar
וַֽיַּעֲמִ֨ידוּ֙
(vayaamidu)
en zij plaatsten
דַּלְתֹתָ֔יו
(daltotav)
haar deuren
מַנְעוּלָ֖יו
(manulav)
haar sloten
וּבְרִיחָֽיו
(uverichav)
en haar grendels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁעַר הַדָּגִים (sha’ar hadagim), ‘Vissenpoort’: waarschijnlijk in het noorden van de stad, waar vis werd aangevoerd (zie 13:16, 2 Kron. 33:14 en Zef. 1:10).

De ligging is onzeker.

הַסְּנָאָה (Hassenaa), ‘Hassenaä’: een geslacht of plaats. Zonder lidwoord staat de naam als Senaä in Ezra 2:35 en Neh. 7:38. Het Hebreeuws zegt dat de ‘zonen van Hassenaä’ bouwden.

קֵרוּהוּ (qeruhu), ‘zij balkten haar’: het werkwoord קָרָה (qarah) betekent ‘balken leggen’. Het staat ook in 2:8 (‘balken maken’).

4Naast hen herstelde Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkoz. Naast hen herstelde Mesjullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesjezabeël. Naast hen herstelde Zadok, de zoon van Baäna.
וְעַל
(veal)
en naast
יָדָ֣ם
(yadam)
hen
הֶחֱזִ֗יק
(hecheziq)
herstelde
מְרֵמ֤וֹת
(meremot)
Meremot
בֶּן
(ben)
zoon van
אוּרִיָּה֙
(uriya)
Uria
בֶּן
(ben)
zoon van
הַקּ֔וֹץ
(haqots)
Hakkoz
וְעַל
(veal)
en naast
יָדָ֣ם
(yadam)
hen
הֶחֱזִ֔יק
(hecheziq)
herstelde
מְשֻׁלָּ֥ם
(meshulam)
Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
בֶּרֶכְיָ֖ה
(berekhya)
Berechja
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשֵׁיזַבְאֵ֑ל
(mesheizavel)
Mesjezabeël
וְעַל
(veal)
en naast
יָדָ֣ם
(yadam)
hen
הֶֽחֱזִ֔יק
(hecheziq)
herstelde
צָד֖וֹק
(tsadoq)
Zadok
בֶּֽן
(ben)
zoon van
בַּעֲנָֽא
(baana)
Baäna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְרֵמוֹת בֶּן־אוּרִיָּה בֶּן־הַקּוֹץ (Meremot ben Uriyyah ben Haqqots), ‘Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkoz’: dezelfde Meremot herstelt in vers 21 een tweede stuk.

Hakkoz is een priestergeslacht (1 Kron. 24:10).

Meremot, de zoon van Uria, staat ook in Ezra 8:33.

Wij schrijven ‘Hakkoz’ zoals in 1 Kron. 24:10.

5Naast hen herstelden de Tekoïeten. Hun edelen brachten hun nek niet onder de dienst van hun heren.
וְעַל
(veal)
en naast
יָדָ֖ם
(yadam)
hen
הֶחֱזִ֣יקוּ
(hecheziqu)
herstelden
הַתְּקוֹעִ֑ים
(hateqoim)
de Tekoïeten
וְאַדִּֽירֵיהֶם֙
(veadireihem)
en hun edelen
לֹא
(lo)
niet
הֵבִ֣יאוּ
(heviu)
brachten
צַוָּרָ֔ם
(tsavaram)
hun nek
בַּעֲבֹדַ֖ת
(baavodat)
in de dienst van
אֲדֹנֵיהֶֽם
(adoneihem)
hun heren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַתְּקוֹעִים (hatteqo’im), ‘de Tekoïeten’: mannen uit Tekoa, ten zuiden van Betlehem.

Zij herstellen ook een tweede stuk (vers 27).

אַדִּירֵיהֶם (addireihem), ‘hun edelen’: hun aanzienlijken. Zij weigerden mee te werken.

צוּרָם (tsuram), ‘hun nek’: het Hebreeuws heeft een woord dat meestal ‘rots’ betekent. Hier wordt het opgevat als ‘nek’, in de uitdrukking ‘hun nek niet buigen’. De betekenis is niet zeker.

בַּעֲבֹדַת אֲדֹנֵיהֶם (ba’avodat adoneihem), ‘in de dienst van hun heren’: waarschijnlijk de dienst van Nehemia en de leiders. De tekst zegt het niet.

De Oude Poort

6De Oude Poort herstelden Jojada, de zoon van Paseach, en Mesjullam, de zoon van Besodja. Zij balkten haar. Zij plaatsten haar deuren, sloten en grendels.
וְאֵת֩
(veet)
en (obj.)
שַׁ֨עַר
(shaar)
de poort van
הַיְשָׁנָ֜ה
(hayshana)
de Oude
הֶחֱזִ֗יקוּ
(hecheziqu)
herstelden
יֽוֹיָדָע֙
(yoyada)
Jojada
בֶּן
(ben)
zoon van
פָּסֵ֔חַ
(paseach)
Paseach
וּמְשֻׁלָּ֖ם
(umeshulam)
en Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּסֽוֹדְיָ֑ה
(besodeya)
Besodja
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
קֵר֔וּהוּ
(qeruhu)
balkten haar
וַֽיַּעֲמִ֨ידוּ֙
(vayaamidu)
en zij plaatsten
דַּלְתֹתָ֔יו
(daltotav)
haar deuren
וּמַנְעֻלָ֖יו
(umanulav)
en haar sloten
וּבְרִיחָֽיו
(uverichav)
en haar grendels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁעַר הַיְשָׁנָה (sha’ar hayeshanah), ‘Oude Poort’: de betekenis van het woord is onzeker (‘de oude’ of de naam van een plaats).

Zie ook 12:39.

Wij vertalen ‘Oude Poort’.

יוידע (Yoyada), ‘Jojada’: de naam is een verkorte vorm van Yehoyada (Jojada in 1 Kon. 1:8). Wij schrijven ‘Jojada’.

מַנְעוּלָיו (man’ulav), ‘zijn sloten’, en בְּרִיחָיו (berichav), ‘zijn grendels’: de vergrendeling van een poort.

7Naast hen herstelden Melatja de Gibeoniet en Jadon de Meronotiet, mannen van Gibeon en Mizpa. Zij herstelden tot aan de zetel van de landvoogd van het gebied over de rivier.
וְעַל
(veal)
en naast
יָדָ֨ם
(yadam)
hen
הֶחֱזִ֜יק
(hecheziq)
herstelde
מְלַטְיָ֣ה
(melatya)
Melatja
הַגִּבְעֹנִ֗י
(hagivoni)
de Gibeoniet
וְיָדוֹן֙
(veyadon)
en Jadon
הַמֵּרֹ֣נֹתִ֔י
(hameronoti)
de Meronotiet
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
גִבְע֖וֹן
(givon)
Gibeon
וְהַמִּצְפָּ֑ה
(vehamitspa)
en Mizpa
לְכִסֵּ֕א
(lekhise)
tot de zetel van
פַּחַ֖ת
(pachat)
de landvoogd van
עֵ֥בֶר
(ever)
het gebied over
הַנָּהָֽר
(hanahar)
de rivier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Uitleg

גִּבְעוֹן (Giv’on), ‘Gibeon’, en מִצְפָּה (Mitspah), ‘Mizpa’: twee steden ten noorden van Jeruzalem.

Hun mannen herstellen tot ‘de zetel van de landvoogd’.

כִּסֵּא פַּחַת עֵבֶר הַנָּהָר (kisse pachat ever hanahar), ‘de zetel van de landvoogd van het gebied over de rivier’: de plek in Jeruzalem waar de Perzische landvoogd verbleef als hij kwam. Het Hebreeuws zegt niet waar dit was.

8Naast hem herstelde Uzziël, de zoon van Charhaja, van de goudsmeden. Naast hem herstelde Chananja, een van de zalfbereiders. Zij lieten Jeruzalem staan tot aan de brede muur.
עַל
(al)
naast
יָד֣וֹ
(yado)
hem
הֶחֱזִ֗יק
(hecheziq)
herstelde
עֻזִּיאֵ֤ל
(uziel)
Uzziël
בֶּֽן
(ben)
zoon van
חַרְהֲיָה֙
(charhaya)
Charhaja
צֽוֹרְפִ֔ים
(tsorefim)
goudsmeden
וְעַל
(veal)
en naast
יָד֣וֹ
(yado)
hem
הֶחֱזִ֔יק
(hecheziq)
herstelde
חֲנַנְיָ֖ה
(chananya)
Chananja
בֶּן
(ben)
zoon van
הָרַקָּחִ֑ים
(haraqachim)
de zalfbereiders
וַיַּֽעַזְבוּ֙
(vayaazvu)
en zij lieten staan
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
עַ֖ד
(ad)
tot
הַחוֹמָ֥ה
(hachoma)
de muur
הָרְחָבָֽה
(harechava)
de brede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וַיַּעַזְבוּ (vayya’azvu), ‘zij lieten staan’: letterlijk ‘zij verlieten’.

De betekenis is onzeker.

Sommigen vatten het op als ‘zij herstelden’ of als ‘zij lieten het (al bestaande) liggen’.

Wij vertalen ‘lieten staan’.

הַחוֹמָה הָרְחָבָה (hachomah harechavah), ‘de brede muur’: een breed stuk muur, vermoedelijk in het westen van de stad. De ligging is niet zeker.

הָרַקָּחִים (haraqqachim), ‘de zalfbereiders’: mensen die geurige zalven maken (zoals in Pred. 10:1).

9Naast hen herstelde Refaja, de zoon van Chur, overste van de helft van het district Jeruzalem.
וְעַל
(veal)
en naast
יָדָ֤ם
(yadam)
hen
הֶחֱזִיק֙
(hecheziq)
herstelde
רְפָיָ֣ה
(refaya)
Refaja
בֶן
(ben)
zoon van
ח֔וּר
(chur)
Chur
שַׂ֕ר
(sar)
overste van
חֲצִ֖י
(chatsi)
de helft van
פֶּ֥לֶךְ
(pelekh)
het district
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

פֶּלֶךְ (pelekh), ‘district’, en שַׂר (sar), ‘overste’: een bestuurlijk deel van de provincie.

Wij vertalen steeds ‘district’.

Jeruzalem was verdeeld in twee delen, elk onder een overste (zie ook vers 12).

10Naast hen herstelde Jedaja, de zoon van Charumaf, tegenover zijn huis. Naast hem herstelde Chattoes, de zoon van Chasjabneja.
וְעַל
(veal)
en naast
יָדָ֧ם
(yadam)
hen
הֶחֱזִ֛יק
(hecheziq)
herstelde
יְדָיָ֥ה
(yedaya)
Jedaja
בֶן
(ben)
zoon van
חֲרוּמַ֖ף
(charumaf)
Charumaf
וְנֶ֣גֶד
(veneged)
en tegenover
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וְעַל
(veal)
en naast
יָד֣וֹ
(yado)
hem
הֶחֱזִ֔יק
(hecheziq)
herstelde
חַטּ֖וּשׁ
(chatush)
Chattoes
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲשַׁבְנְיָֽה
(chashavneya)
Chasjabneja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Een tweede stuk herstelden Malkia, de zoon van Charim, en Chasjub, de zoon van Pachat-Moab. Zij herstelden ook de Toren van de Ovens.
מִדָּ֣ה
(mida)
stuk
שֵׁנִ֗ית
(shenit)
tweede
הֶחֱזִיק֙
(hecheziq)
herstelde
מַלְכִּיָּ֣ה
(malkiya)
Malkia
בֶן
(ben)
zoon van
חָרִ֔ם
(charim)
Charim
וְחַשּׁ֖וּב
(vechashuv)
en Chasjub
בֶּן
(ben)
zoon van
פַּחַ֣ת
(pachat)
Pachat
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
מִגְדַּ֥ל
(migdal)
de toren van
הַתַּנּוּרִֽים
(hatanurim)
de Ovens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִגְדַּל הַתַּנּוּרִים (migdal hatannurim), ‘Toren van de Ovens’: een toren in het westen van de stad (12:38).

De ligging is onzeker.

פַּחַת מוֹאָב (Pachat Mo’av), ‘Pachat-Moab’: een geslacht; de naam betekent letterlijk ‘landvoogd van Moab’. Zo ook Ezra 2:6.

מִדָּה שֵׁנִית (middah sheniyt), ‘een tweede stuk’: dezelfde bouwers herstellen een tweede deel (zie ook de verzen 19–21, 24, 27 en 30).

12Naast hem herstelde Sjallum, de zoon van Hallochesj, overste van de helft van het district Jeruzalem, hij en zijn dochters.
וְעַל
(veal)
en naast
יָד֣וֹ
(yado)
hem
הֶחֱזִ֗יק
(hecheziq)
herstelde
שַׁלּוּם֙
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
הַלּוֹחֵ֔שׁ
(halochesh)
Hallochesj
שַׂ֕ר
(sar)
overste van
חֲצִ֖י
(chatsi)
de helft van
פֶּ֣לֶךְ
(pelekh)
het district
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
ה֖וּא
(hu)
hij
וּבְנוֹתָֽיו
(uvenotav)
en zijn dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וּבְנוֹתָיו (uvenotav), ‘en zijn dochters’: de dochters van Sjallum herstellen mee.

Vrouwen worden verder in dit hoofdstuk niet genoemd.

De Dalpoort en de Mestpoort

13De Dalpoort herstelde Chanoen met de inwoners van Zanoach. Zij bouwden haar en plaatsten haar deuren, sloten en grendels. Ook herstelden zij duizend el van de muur, tot aan de Mestpoort.
אֵת֩
(et)
(obj.)
שַׁ֨עַר
(shaar)
de poort van
הַגַּ֜יְא
(hagay)
de Vallei
הֶחֱזִ֣יק
(hecheziq)
herstelde
חָנוּן֮
(chanun)
Chanoen
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en de inwoners van
זָנוֹחַ֒
(zanoach)
Zanoach
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
בָנ֔וּהוּ
(banuhu)
bouwden haar
וַֽיַּעֲמִ֨ידוּ֙
(vayaamidu)
en zij plaatsten
דַּלְתֹתָ֔יו
(daltotav)
haar deuren
מַנְעֻלָ֖יו
(manulav)
haar sloten
וּבְרִיחָ֑יו
(uverichav)
en haar grendels
וְאֶ֤לֶף
(veelef)
en duizend
אַמָּה֙
(ama)
el
בַּחוֹמָ֔ה
(bachoma)
in de muur
עַ֖ד
(ad)
tot
שַׁ֥עַר
(shaar)
de poort van
הָשֲׁפֽוֹת
(hashafot)
de Mest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dalpoort (ligging onzeker): De Dalpoort lag in de westelijke of zuidwestelijke muur van Jeruzalem.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Zanoach: Zanoach wordt gezocht bij Khirbet Zanu', in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.

Zie Mestpoort (ligging onzeker): De Mestpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij het dal van Hinnom.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

שַׁעַר הַגַּיְא (sha’ar hagay), ‘Dalpoort’: een poort in het westen of zuidwesten van de stad (2:13, 15).

De ligging is niet zeker.

אֶלֶף אַמָּה (elef ammah), ‘duizend el’: een el (אַמָּה, ammah) is ongeveer 45–52 cm; duizend el is dus ongeveer 450–520 meter. De omrekening is bij benadering. Het is een lang stuk muur.

שַׁעַר הָאַשְׁפּוֹת (sha’ar ha’ashpot), ‘Mestpoort’: zie 2:13.

14De Mestpoort herstelde Malkia, de zoon van Rechab, overste van het district Bet-Hakkerem. Hij bouwde haar en plaatste haar deuren, sloten en grendels.
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הָאַשְׁפּ֗וֹת
(haashpot)
de Mest
הֶחֱזִיק֙
(hecheziq)
herstelde
מַלְכִּיָּ֣ה
(malkiya)
Malkia
בֶן
(ben)
zoon van
רֵכָ֔ב
(rekhav)
Rechab
שַׂ֖ר
(sar)
overste van
פֶּ֣לֶךְ
(pelekh)
het district
בֵּית
(beit)
Bet
הַכָּ֑רֶם
(hakarem)
Hakkerem
ה֣וּא
(hu)
hij
יִבְנֶ֔נּוּ
(yivnenu)
bouwde haar
וְיַעֲמִיד֙
(veyaamid)
en plaatste
דַּלְתֹתָ֔יו
(daltotav)
haar deuren
מַנְעֻלָ֖יו
(manulav)
haar sloten
וּבְרִיחָֽיו
(uverichav)
en haar grendels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mestpoort (ligging onzeker): De Mestpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij het dal van Hinnom.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Bet-Hakkerem (Ramat Rachel?; ligging onzeker): Bet-Hakkerem (‘huis van de wijngaard’) lag op een hoogte tussen Jeruzalem en Tekoa, waarschijnlijk bij Ramat Rachel.

Dit is niet zeker.

Uitleg

בֵּית הַכֶּרֶם (Bet haKerem), ‘Bet-Hakkerem’: letterlijk ‘huis van de wijngaard’; een plaats in Juda, bekend uit Jer. 6:1.

De ligging is onzeker.

De Bronpoort

15De Bronpoort herstelde Sjallun, de zoon van Kol-Choze, overste van het district Mizpa. Hij bouwde haar, overdekte haar en plaatste haar deuren, sloten en grendels. Ook herstelde hij de muur van de Vijver van Sjelach, bij de tuin van de koning. Hij herstelde tot aan de trappen die van de stad van David naar beneden gaan.
וְאֵת֩
(veet)
en (obj.)
שַׁ֨עַר
(shaar)
de poort van
הָעַ֜יִן
(haayin)
de Bron
הֶ֠חֱזִיק
(hecheziq)
herstelde
שַׁלּ֣וּן
(shalun)
Sjallun
בֶּן
(ben)
zoon van
כָּל
(kal)
Kol
חֹזֶה֮
(choze)
Choze
שַׂ֣ר
(sar)
overste van
פֶּ֣לֶךְ
(pelekh)
het district
הַמִּצְפָּה֒
(hamitspa)
Mizpa
ה֤וּא
(hu)
hij
יִבְנֶ֨נּוּ֙
(yivnenu)
bouwde haar
וִיטַֽלְלֶ֔נּוּ
(vitallenu)
en overdekte haar
וְיַעֲמִיד֙
(veyaamid)
en plaatste
דַּלְתֹתָ֔יו
(daltotav)
haar deuren
מַנְעֻלָ֖יו
(manulav)
haar sloten
וּבְרִיחָ֑יו
(uverichav)
en haar grendels
וְ֠אֵת
(veet)
en (obj.)
חוֹמַ֞ת
(chomat)
de muur van
בְּרֵכַ֤ת
(berekhat)
de vijver van
הַשֶּׁ֨לַח֙
(hashelach)
Sjelach
לְגַן
(legan)
bij de tuin van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְעַד
(vead)
en tot
הַֽמַּעֲל֔וֹת
(hamaalot)
de trappen
הַיּוֹרְד֖וֹת
(hayoredot)
die afdalen
מֵעִ֥יר
(meir)
van de stad van
דָּוִֽיד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bronpoort (ligging onzeker): De Bronpoort lag aan de zuidoostkant van Jeruzalem, bij de vijver van Siloam.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Zie Vijver van Sjelach (Siloam): De Vijver van Sjelach is de vijver van Siloam, in het zuiden van Jeruzalem.

Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

שַׁלּוּן (Shallun), ‘Sjallun’: niet dezelfde naam als Sjallum in vers 12.

Het Hebreeuws schrijft hier een andere uitgang.

כָּל־חֹזֶה (Kol Chozeh), ‘Kol-Choze’: letterlijk ‘alles ziet’. De naam komt ook voor in Neh. 11:5.

בְּרֵכַת הַשֶּׁלַח (berekhat hashelach), ‘Vijver van Sjelach’: vermoedelijk dezelfde plaats als de Siloah (vergelijk Jes. 8:6). De ligging is onzeker.

גַּן־הַמֶּלֶךְ (gan hamelekh), ‘tuin van de koning’: vergelijk 2 Kon. 25:4.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ויעמידו (vaya’amidu), ‘en zij plaatsten’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft וְיַעֲמִיד (veya’amid), ‘en hij plaatste’.

Wij volgen het qere.

De muur bij de stad van David

16Na hem herstelde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van de helft van het district Bet-Tsur. Hij herstelde tot tegenover de graven van David, tot de gegraven vijver en tot het Huis van de Helden.
אַחֲרָ֤יו
(acharav)
na hem
הֶחֱזִיק֙
(hecheziq)
herstelde
נְחֶמְיָ֣ה
(nechemya)
Nehemia
בֶן
(ben)
zoon van
עַזְבּ֔וּק
(azbuq)
Azbuk
שַׂ֕ר
(sar)
overste van
חֲצִ֖י
(chatsi)
de helft van
פֶּ֣לֶךְ
(pelekh)
het district
בֵּֽית
(beit)
Bet
צ֑וּר
(tsur)
Tsur
עַד
(ad)
tot
נֶ֨גֶד֙
(neged)
tegenover
קִבְרֵ֣י
(qivrei)
de graven van
דָוִ֔יד
(david)
David
וְעַד
(vead)
en tot
הַבְּרֵכָה֙
(haberekha)
de vijver
הָעֲשׂוּיָ֔ה
(haasuya)
de gegraven
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַגִּבֹּרִֽים
(hagiborim)
de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bet-Tsur: Bet-Tsur (Khirbet et-Tubeiqa) lag in het bergland van Juda, ongeveer 6 km ten noorden van Hebron.

Uitleg

Deze Nehemia, de zoon van Azbuk, is niet de schrijver van dit boek (de zoon van Chakalja, 1:1).

בֵּית־צוּר (Bet Tsur), ‘Bet-Tsur’: een plaats in het bergland van Juda, ten zuiden van Jeruzalem (Joz. 15:58).

קִבְרֵי דָוִיד (qivre David), ‘graven van David’: de koninklijke graven in de stad van David (1 Kon. 2:10). De exacte plek is onzeker.

הַבְּרֵכָה הָעֲשׂוּיָה (habberekhah ha’asuyah), ‘de gegraven vijver’: letterlijk ‘de gemaakte vijver’. Welke vijver bedoeld is, is niet zeker.

בֵּית הַגִּבּוֹרִים (bet haggibborim), ‘Huis van de Helden’: vermoedelijk de kazerne van Davids helden. De ligging is onzeker.

17Na hem herstelden de Levieten: Rechum, de zoon van Bani. Naast hem herstelde Chasjabja, overste van de helft van het district Keïla, voor zijn district.
אַחֲרָ֛יו
(acharav)
na hem
הֶחֱזִ֥יקוּ
(hecheziqu)
herstelden
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
רְח֣וּם
(rechum)
Rechum
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּנִ֑י
(bani)
Bani
עַל
(al)
naast
יָד֣וֹ
(yado)
hem
הֶחֱזִ֗יק
(hecheziq)
herstelde
חֲשַׁבְיָ֛ה
(chashavya)
Chasjabja
שַׂר
(sar)
overste van
חֲצִי
(chatsi)
de helft van
פֶ֥לֶךְ
(pelekh)
het district
קְעִילָ֖ה
(qeila)
Keïla
לְפִלְכּֽוֹ
(lefilko)
voor zijn district
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.

Dit is niet zeker.

Uitleg

רְחוּם (Rechum), ‘Rechum’: een Leviet; niet dezelfde als Rechum in Ezra 4:8–9.

De namen komen vaker voor.

קְעִילָה (Qe’ilah), ‘Keïla’: een stad in het bergland van Juda (Joz. 15:44; 1 Sam. 23). Het district Keïla was in twee delen verdeeld (zie ook vers 18).

18Na hem herstelden hun broeders: Bavvai, de zoon van Chenadad, overste van de helft van het district Keïla.
אַחֲרָיו֙
(acharav)
na hem
הֶחֱזִ֣יקוּ
(hecheziqu)
herstelden
אֲחֵיהֶ֔ם
(acheihem)
hun broeders
בַּוַּ֖י
(bavay)
Bavvai
בֶּן
(ben)
zoon van
חֵנָדָ֑ד
(chenadad)
Chenadad
שַׂ֕ר
(sar)
overste van
חֲצִ֖י
(chatsi)
de helft van
פֶּ֥לֶךְ
(pelekh)
het district
קְעִילָֽה
(qeila)
Keïla
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.

Dit is niet zeker.

Uitleg

בַּוַּי (Bavvai), ‘Bavvai’: in vers 24 heet de zoon van Chenadad Binnoei.

Sommige oude vertalingen lezen hier ook ‘Binnoei’.

Wij volgen de Hebreeuwse tekst.

אֲחֵיהֶם (acheihem), ‘hun broeders’: de Levieten uit vers 17.

19Naast hem herstelde Ezer, de zoon van Jesua, overste van Mizpa, een tweede stuk, tegenover de opgang naar het wapenhuis bij de hoek.
וַיְחַזֵּ֨ק
(vaychazeq)
en herstelde
עַל
(al)
naast
יָד֜וֹ
(yado)
hem
עֵ֧זֶר
(ezer)
Ezer
בֶּן
(ben)
zoon van
יֵשׁ֛וּעַ
(yeshua)
Jesua
שַׂ֥ר
(sar)
overste van
הַמִּצְפָּ֖ה
(hamitspa)
Mizpa
מִדָּ֣ה
(mida)
stuk
שֵׁנִ֑ית
(shenit)
tweede
מִנֶּ֕גֶד
(mineged)
tegenover
עֲלֹ֥ת
(alot)
de opgang naar
הַנֶּ֖שֶׁק
(hanesheq)
het wapenhuis
הַמִּקְצֹֽעַ
(hamiqtsoa)
de hoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Uitleg

הַמִּצְפָּה (hammitspah), ‘Mizpa’: de stad ten noorden van Jeruzalem, ook genoemd in de verzen 7 en 15.

Of het steeds dezelfde plaats is, zegt de tekst niet.

נֵשֶׁק (neshek), ‘wapens’: ‘het wapenhuis’ is een plaats waar wapens werden bewaard; vergelijk Jes. 22:8.

20Na hem herstelde Baruch, de zoon van Zakkai, vol ijver een tweede stuk. Dat liep van de hoek tot de ingang van het huis van Eljasib, de hogepriester.
אַחֲרָ֨יו
(acharav)
na hem
הֶחֱרָ֧ה
(hechera)
met ijver
הֶחֱזִ֛יק
(hecheziq)
herstelde
בָּר֥וּךְ
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
זַכַּ֖י
(zakay)
Zakkai
מִדָּ֣ה
(mida)
stuk
שֵׁנִ֑ית
(shenit)
tweede
מִן
(min)
vanaf
הַ֨מִּקְצ֔וֹעַ
(hamiqtsoa)
de hoek
עַד
(ad)
tot
פֶּ֨תַח֙
(petach)
de ingang van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אֶלְיָשִׁ֔יב
(elyashiv)
Eljasib
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
הַגָּדֽוֹל
(hagadol)
de hoge
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶחֱרָה (hecherah), ‘vol ijver’: het werkwoord חָרָה (charah) betekent ‘ontbranden’.

Het Hebreeuws zegt dat Baruch ‘ontbrandde’.

Wij vertalen ‘vol ijver’.

מִן הַמִּקְצוֹעַ (min hammiqtso’a), ‘van de hoek’: de hoek van de muur bij het wapenhuis.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft זבי (Zabbai).

De voorgelezen tekst (qere) heeft זַכַּי (Zakkai).

Wij volgen het qere.

21Na hem herstelde Meremot, de zoon van Uria, de zoon van Hakkoz, een tweede stuk. Dat liep van de ingang van het huis van Eljasib tot het einde van het huis van Eljasib.
אַחֲרָ֣יו
(acharav)
na hem
הֶחֱזִ֗יק
(hecheziq)
herstelde
מְרֵמ֧וֹת
(meremot)
Meremot
בֶּן
(ben)
zoon van
אוּרִיָּ֛ה
(uriya)
Uria
בֶּן
(ben)
zoon van
הַקּ֖וֹץ
(haqots)
Hakkoz
מִדָּ֣ה
(mida)
stuk
שֵׁנִ֑ית
(shenit)
tweede
מִפֶּ֨תַח֙
(mipetach)
vanaf de ingang van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אֶלְיָשִׁ֔יב
(elyashiv)
Eljasib
וְעַד
(vead)
en tot
תַּכְלִ֖ית
(takhlit)
het einde van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אֶלְיָשִֽׁיב
(elyashiv)
Eljasib
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Na hem herstelden de priesters, de mannen van de Vlakte.
וְאַחֲרָ֛יו
(veacharav)
en na hem
הֶחֱזִ֥יקוּ
(hecheziqu)
herstelden
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
הַכִּכָּֽר
(hakikar)
de Vlakte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכִּכָּר (hakkikkar), ‘de Vlakte’: de streek rond de Jordaan, of de omgeving van Jeruzalem.

Welke priesters bedoeld zijn, zegt de tekst niet.

Het woord komt ook voor in 12:28.

23Na hen herstelden Benjamin en Chasjub, tegenover hun huis. Na hen herstelde Azarja, de zoon van Maäseja, de zoon van Ananja, naast zijn huis.
אַחֲרָ֨יו
(acharav)
na hen
הֶחֱזִ֧יק
(hecheziq)
herstelde
בִּנְיָמִ֛ן
(binyamin)
Benjamin
וְחַשּׁ֖וּב
(vechashuv)
en Chasjub
נֶ֣גֶד
(neged)
tegenover
בֵּיתָ֑ם
(beitam)
hun huis
אַחֲרָ֣יו
(acharav)
na hen
הֶחֱזִ֗יק
(hecheziq)
herstelde
עֲזַרְיָ֧ה
(azarya)
Azarja
בֶן
(ben)
zoon van
מַעֲשֵׂיָ֛ה
(maaseya)
Maäseja
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲנָֽנְיָ֖ה
(ananeya)
Ananja
אֵ֥צֶל
(etsel)
naast
בֵּיתֽוֹ
(beito)
zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Na hem herstelde Binnoei, de zoon van Chenadad, een tweede stuk, van het huis van Azarja tot de hoek en tot de bocht.
אַחֲרָ֣יו
(acharav)
na hem
הֶחֱזִ֗יק
(hecheziq)
herstelde
בִּנּ֛וּי
(binuy)
Binnoei
בֶּן
(ben)
zoon van
חֵנָדָ֖ד
(chenadad)
Chenadad
מִדָּ֣ה
(mida)
stuk
שֵׁנִ֑ית
(shenit)
tweede
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
vanaf het huis van
עֲזַרְיָ֔ה
(azarya)
Azarja
עַד
(ad)
tot
הַמִּקְצ֖וֹעַ
(hamiqtsoa)
de hoek
וְעַד
(vead)
en tot
הַפִּנָּֽה
(hapina)
de bocht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמִּקְצוֹעַ (hammiqtso’a), ‘de hoek’, en הַפִּנָּה (happinnah), ‘de bocht’: twee woorden voor een hoek in de muur.

Het ene staat voor een uitspringende hoek, het andere voor een draai van de muur.

De betekenis is bij benadering.

25Palal, de zoon van Uzai, herstelde tegenover de hoek en de toren die uitsteekt uit het bovenste huis van de koning, bij de wachthof. Na hem herstelde Pedaja, de zoon van Parosj.
פָּלָ֣ל
(palal)
Palal
בֶּן
(ben)
zoon van
אוּזַי֮
(uzay)
Uzai
מִנֶּ֣גֶד
(mineged)
tegenover
הַמִּקְצוֹעַ֒
(hamiqtsoa)
de hoek
וְהַמִּגְדָּ֗ל
(vehamigdal)
en de toren
הַיּוֹצֵא֙
(hayotse)
die uitsteekt
מִבֵּ֤ית
(mibeit)
uit het huis van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הָֽעֶלְי֔וֹן
(haelyon)
het bovenste
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
לַחֲצַ֣ר
(lachatsar)
bij de hof van
הַמַּטָּרָ֑ה
(hamatara)
de wacht
אַחֲרָ֖יו
(acharav)
na hem
פְּדָיָ֥ה
(pedaya)
Pedaja
בֶן
(ben)
zoon van
פַּרְעֹֽשׁ
(parosh)
Parosj
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft in dit vers geen werkwoord; ‘herstelde’ is aangevuld uit de verzen 4–24.

חֲצַר הַמַּטָּרָה (chatsar hammattarah), ‘de wachthof’: de hof van de bewaking bij het paleis van de koning (Jer. 32:2). De ligging is onzeker.

פַּרְעֹשׁ (Par’osh), ‘Parosj’: een geslacht van wie nakomelingen terugkeerden (Ezra 2:3).

De Ofel en de Paardenpoort

26De tempeldienaren woonden op de Ofel, tot tegenover de Waterpoort aan de oostkant en de toren die uitsteekt.
וְהַ֨נְּתִינִ֔ים
(vehanetinim)
en de tempeldienaren
הָי֥וּ
(hayu)
waren
יֹשְׁבִ֖ים
(yoshevim)
wonend
בָּעֹ֑פֶל
(baofel)
op de Ofel
עַ֠ד
(ad)
tot
נֶ֜גֶד
(neged)
tegenover
שַׁ֤עַר
(shaar)
de poort van
הַמַּ֨יִם֙
(hamayim)
het Water
לַמִּזְרָ֔ח
(lamizrach)
naar het oosten
וְהַמִּגְדָּ֖ל
(vehamigdal)
en de toren
הַיּוֹצֵֽא
(hayotse)
die uitsteekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ofel (Jeruzalem): De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg in Jeruzalem.

Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

הַנְּתִינִים (hanetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’, mensen die aan de tempel waren gegeven om te dienen (zie Ezra 2:43).

Wij vertalen steeds ‘tempeldienaren’.

Zij woonden op de Ofel, de heuvel ten zuiden van de tempel.

הָעֹפֶל (ha’ofel), ‘de Ofel’: een heuvel in het zuidoosten van de stad, ten zuiden van de tempelberg (2 Kron. 27:3).

שַׁעַר הַמַּיִם (sha’ar hamayim), ‘Waterpoort’: een poort in het oosten van de stad, bij de bron Gihon. De ligging is onzeker.

27Na hem herstelden de Tekoïeten een tweede stuk, tegenover de grote toren die uitsteekt, tot aan de muur van de Ofel.
אַחֲרָ֛יו
(acharav)
na hem
הֶחֱזִ֥יקוּ
(hecheziqu)
herstelden
הַתְּקֹעִ֖ים
(hateqoim)
de Tekoïeten
מִדָּ֣ה
(mida)
stuk
שֵׁנִ֑ית
(shenit)
tweede
מִנֶּ֜גֶד
(mineged)
tegenover
הַמִּגְדָּ֤ל
(hamigdal)
de toren
הַגָּדוֹל֙
(hagadol)
de grote
הַיּוֹצֵ֔א
(hayotse)
die uitsteekt
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
חוֹמַ֥ת
(chomat)
de muur van
הָעֹֽפֶל
(haofel)
de Ofel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ofel (Jeruzalem): De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg in Jeruzalem.

Zie ookNeh 3:5
28Boven de Paardenpoort herstelden de priesters, ieder tegenover zijn eigen huis.
מֵעַ֣ל
(meal)
boven
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הַסּוּסִ֗ים
(hasusim)
de Paarden
הֶחֱזִ֨יקוּ֙
(hecheziqu)
herstelden
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
לְנֶ֥גֶד
(leneged)
tegenover
בֵּיתֽוֹ
(beito)
zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Paardenpoort (ligging onzeker): De Paardenpoort was een poort van Jeruzalem bij het huis van de koning.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

שַׁעַר הַסּוּסִים (sha’ar hassusim), ‘Paardenpoort’: een poort in het oosten van de stad, bij het paleis (Jer. 31:40).

De ligging is onzeker.

29Na hen herstelde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. Na hem herstelde Sjemaja, de zoon van Sjekanja, de bewaker van de Oostpoort.
אַחֲרָ֧יו
(acharav)
na hem
הֶחֱזִ֛יק
(hecheziq)
herstelde
צָד֥וֹק
(tsadoq)
Zadok
בֶּן
(ben)
zoon van
אִמֵּ֖ר
(imer)
Immer
נֶ֣גֶד
(neged)
tegenover
בֵּית֑וֹ
(beito)
zijn huis
וְאַחֲרָ֤יו
(veacharav)
en na hem
הֶחֱזִיק֙
(hecheziq)
herstelde
שְׁמַֽעְיָ֣ה
(shemaya)
Sjemaja
בֶן
(ben)
zoon van
שְׁכַנְיָ֔ה
(shekhanya)
Sjekanja
שֹׁמֵ֖ר
(shomer)
bewaker van
שַׁ֥עַר
(shaar)
de poort van
הַמִּזְרָֽח
(hamizrach)
het Oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Oostpoort (ligging onzeker): De Oostpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de tempel.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

שַׁעַר הַמִּזְרָח (sha’ar hammizrach), ‘Oostpoort’: de poort aan de oostzijde van de stad, vermoedelijk dichtbij de tempel.

De ligging is onzeker.

30Na hem herstelden Chananja, de zoon van Sjelemja, en Chanoen, de zesde zoon van Salaf, een tweede stuk. Na hem herstelde Mesjullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn kamer.
אַחֲרָ֨יו
(acharav)
na hem
הֶחֱזִ֜יק
(hecheziq)
herstelde
חֲנַנְיָ֣ה
(chananya)
Chananja
בֶן
(ben)
zoon van
שֶׁלֶמְיָ֗ה
(shelemya)
Sjelemja
וְחָנ֧וּן
(vechanun)
en Chanoen
בֶּן
(ben)
zoon van
צָלָ֛ף
(tsalaf)
Salaf
הַשִּׁשִּׁ֖י
(hashishi)
de zesde
מִדָּ֣ה
(mida)
stuk
שֵׁנִ֑י
(sheni)
tweede
אַחֲרָ֣יו
(acharav)
na hem
הֶחֱזִ֗יק
(hecheziq)
herstelde
מְשֻׁלָּם֙
(meshulam)
Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
בֶּ֣רֶכְיָ֔ה
(berekhya)
Berechja
נֶ֖גֶד
(neged)
tegenover
נִשְׁכָּתֽוֹ
(nishkato)
zijn kamer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁשִּׁי (shishshi), ‘de zesde’: Chanoen is de zesde zoon van Salaf.

נִשְׁכָּתוֹ (nishkato), ‘zijn kamer’: een vertrek bij het huis; zie ook 12:44 en 13:7.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft אחרי (acharei), ‘na’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft אַחֲרָיו (acharav), ‘na hem’.

Wij volgen het qere.

31Na hem herstelde Malkia, de zoon van de goudsmid, tot het huis van de tempeldienaren en de kooplieden. Dat was tegenover de Inspectiepoort en reikte tot de bovenkamer van de hoek.
אַחֲרָ֣יו
(acharav)
na hem
הֶחֱזִ֗יק
(hecheziq)
herstelde
מַלְכִּיָּה֙
(malkiya)
Malkia
בֶּן
(ben)
zoon van
הַצֹּ֣רְפִ֔י
(hatsorefi)
de goudsmid
עַד
(ad)
tot
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַנְּתִינִ֖ים
(hanetinim)
de tempeldienaren
וְהָרֹכְלִ֑ים
(veharokhelim)
en de kooplieden
נֶ֚גֶד
(neged)
tegenover
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הַמִּפְקָ֔ד
(hamifqad)
de Inspectie
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
עֲלִיַּ֥ת
(aliyat)
de bovenkamer van
הַפִּנָּֽה
(hapina)
de hoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Inspectiepoort (ligging onzeker): De Inspectiepoort lag in de oostelijke muur van Jeruzalem, ten noorden van de tempelberg.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

שַׁעַר הַמִּפְקָד (sha’ar hammifqad), ‘Inspectiepoort’: de naam komt van het werkwoord פָּקַד (paqad), ‘inspecteren’ of ‘tellen’.

De ligging is onzeker; vermoedelijk in het noordoosten van de stad.

הָרֹכְלִים (harokhelim), ‘de kooplieden’: handelaren, vaak rondtrekkende.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft אחרי (acharei), ‘na’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft אַחֲרָיו (acharav), ‘na hem’.

Wij volgen het qere.

32Tussen de bovenkamer van de hoek en de Schaapspoort herstelden de goudsmeden en de kooplieden.
וּבֵ֨ין
(uvein)
en tussen
עֲלִיַּ֤ת
(aliyat)
de bovenkamer van
הַפִּנָּה֙
(hapina)
de hoek
לְשַׁ֣עַר
(leshaar)
en de poort van
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de Schapen
הֶחֱזִ֥יקוּ
(hecheziqu)
herstelden
הַצֹּרְפִ֖ים
(hatsorefim)
de goudsmeden
וְהָרֹכְלִֽים
(veharokhelim)
en de kooplieden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Schaapspoort (ligging onzeker): De Schaapspoort lag in de noordoostelijke muur van Jeruzalem, bij de tempel.

De precieze plaats is niet zeker.

Sanballat en Tobia spotten

33Toen Sanballat hoorde dat wij de muur aan het bouwen waren, werd hij woedend en zeer boos. Hij bespotte de Joden.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֧ר
(kaasher)
toen
שָׁמַ֣ע
(shama)
hoorde
סַנְבַלַּ֗ט
(sanvalat)
Sanballat
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנַ֤חְנוּ
(anachnu)
wij
בוֹנִים֙
(bonim)
bouwend zijn
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֣חוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
וַיִּ֣חַר
(vayichar)
en hij werd woedend
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
וַיִּכְעַ֖ס
(vayikhas)
en werd boos
הַרְבֵּ֑ה
(harbe)
zeer
וַיַּלְעֵ֖ג
(vayaleg)
en bespotte
עַל
(al)
de
הַיְּהוּדִֽים
(hayehudim)
Joden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier begint de Nederlandse telling van hoofdstuk 4: Hebr. 3:33–38 = NL 4:1–6, en Hebr. 4:1–17 = NL 4:7–23.

In deze vertaling volgen wij de Hebreeuwse indeling.

Sanballat de Choroniet is ook genoemd in 2:10 en 2:19.

34Hij zei in het bijzijn van zijn broeders en het leger van Samaria: „Wat doen die zwakke Joden? Zal men hun dit laten doen? Zullen zij offeren? Zullen zij in één dag klaar zijn? Zullen zij de stenen weer levend maken uit de stofhopen van het puin, terwijl ze verbrand zijn?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֶחָ֗יו
(echav)
zijn broeders
וְחֵיל֙
(vecheil)
en het leger van
שֹֽׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
מָ֛ה
(ma)
wat
הַיְּהוּדִ֥ים
(hayehudim)
de Joden
הָאֲמֵלָלִ֖ים
(haamelalim)
de zwakke
עֹשִׂ֑ים
(osim)
doen
הֲיַעַזְב֨וּ
(hayaazvu)
zal men toelaten
לָהֶ֤ם
(lahem)
hun
הֲיִזְבָּ֨חוּ֙
(hayizbachu)
zullen zij offeren
הַיְכַלּ֣וּ
(haykhalu)
zullen zij voltooien
בַיּ֔וֹם
(bayom)
op een dag
הַיְחַיּ֧וּ
(haychayu)
zullen zij levend maken
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲבָנִ֛ים
(haavanim)
de stenen
מֵעֲרֵמ֥וֹת
(mearemot)
uit de hopen van
הֶעָפָ֖ר
(heafar)
het stof
וְהֵ֥מָּה
(vehema)
terwijl zij
שְׂרוּפֽוֹת
(serufot)
verbrand zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

חֵיל שֹׁמְרוֹן (chel Shomron), ‘het leger van Samaria’: Sanballat was bestuurder in Samaria, de hoofdstad van de provincie ten noorden van Juda.

הָאֲמֵלָלִים (ha’amelalim), ‘de zwakke’: een woord voor mensen die verwelkt of krachteloos zijn. Het is hier spot.

הֲיַעַזְבוּ לָהֶם (hayya’azvu lahem), ‘zal men hun dit laten doen’: de betekenis van deze woorden is onzeker; letterlijk ‘zullen zij zich aan hen overlaten’.

הֲיִזְבָּחוּ (hayizbachu), ‘zullen zij offeren’: waarop Sanballat doelt is niet zeker. Misschien bedoelt hij dat zij met een offer de voltooiing willen vieren.

35Tobia de Ammoniet stond naast hem. Hij zei: „Wat zij ook bouwen: als een vos erop klimt, breekt hij hun stenen muur door.”
וְטוֹבִיָּ֥ה
(vetoviya)
en Tobia
הָעַמֹּנִ֖י
(haamoni)
de Ammoniet
אֶצְל֑וֹ
(etslo)
naast hem
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
גַּ֚ם
(gam)
ook
אֲשֶׁר
(asher)
wat
הֵ֣ם
(hem)
zij
בּוֹנִ֔ים
(bonim)
bouwen
אִם
(im)
als
יַעֲלֶ֣ה
(yaale)
klimt
שׁוּעָ֔ל
(shual)
een vos
וּפָרַ֖ץ
(ufarats)
en breekt door
חוֹמַ֥ת
(chomat)
de muur van
אַבְנֵיהֶֽם
(avneihem)
hun stenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוּעָל (shu’al), ‘vos’: een licht dier.

Tobia’s spot is dat een vos de muur al omver zou lopen.

Nehemia’s gebed tegen de spotters

36Hoor, onze Elohim, want wij zijn een voorwerp van verachting geworden. Breng hun smaad terug op hun eigen hoofd. Geef hen over tot buit in een land van gevangenschap.
שְׁמַ֤ע
(shema)
hoor
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
כִּֽי
(ki)
want
הָיִ֣ינוּ
(hayinu)
wij zijn geworden
בוּזָ֔ה
(buza)
tot verachting
וְהָשֵׁ֥ב
(vehashev)
en breng terug
חֶרְפָּתָ֖ם
(cherpatam)
hun smaad
אֶל
(el)
op
רֹאשָׁ֑ם
(rosham)
hun hoofd
וּתְנֵ֥ם
(utenem)
en geef hen
לְבִזָּ֖ה
(leviza)
tot buit
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
שִׁבְיָֽה
(shivya)
gevangenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is NL 4:4 in de Nederlandse telling (zie vers 33).

Dit gebed is een verwensing van de vijanden en een klacht aan Elohim. Nehemia vraagt niet om zelf wraak te nemen. Vergelijk Ps. 79:12 en Jer. 18:23.

בִּזָּה (bizzah), ‘verachting’, en שִׁבְיָה (shivyah), ‘gevangenschap’: woorden uit de ellende van de ballingschap.

37Bedek hun schuld niet en laat hun zonde niet voor Uw aangezicht uitgewist worden, want zij hebben de bouwers tot woede geprikkeld.
וְאַל
(veal)
en niet
תְּכַס֙
(tekhas)
bedek
עַל
(al)
over
עֲוֺנָ֔ם
(avonam)
hun schuld
וְחַטָּאתָ֖ם
(vechatatam)
en hun zonde
מִלְּפָנֶ֣יךָ
(milefaneikha)
voor U
אַל
(al)
niet
תִּמָּחֶ֑ה
(timache)
laat uitgewist worden
כִּ֥י
(ki)
want
הִכְעִ֖יסוּ
(hikhisu)
zij hebben getergd
לְנֶ֥גֶד
(leneged)
tegenover
הַבּוֹנִֽים
(habonim)
de bouwers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאַל־תְּכַס עַל־עונם (ve’al tekhas al avonam), ‘bedek hun schuld niet’: een bede dat Elohim hun schuld niet vergeeft.

Het werkwoord כָּסָה (kasah) betekent ‘bedekken’ (zoals in Ps. 32:1).

38Wij bouwden de muur en heel de muur werd tot de helft ervan aaneengesloten. Het volk had zin om te werken.
וַנִּבְנֶה֙
(vanivne)
en wij bouwden
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֣חוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
וַתִּקָּשֵׁ֥ר
(vatiqasher)
en werd samengevoegd
כָּל
(kal)
heel
הַחוֹמָ֖ה
(hachoma)
de muur
עַד
(ad)
tot
חֶצְיָ֑הּ
(chetsyah)
de helft ervan
וַיְהִ֧י
(vayhi)
en het was
לֵ֦ב
(lev)
een hart
לָעָ֖ם
(laam)
voor het volk
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
om te werken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘het volk had een hart om te werken’: zij hadden zin en moed.