Maher-Sjalal-Chasj-Baz, de wateren van de Rivier en de getuigenis
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Maher-Sjalal-Chasj-Baz
1Yahweh zei tegen mij: „Neem voor jezelf een grote schrijfplaat en schrijf erop met een gewone stift: ‘Voor Maher-Sjalal-Chasj-Baz.’”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
קַח
(qach)
neem
לְךָ֖
(lekha)
voor jezelf
גִּלָּי֣וֹן
(gilayon)
een schrijfplaat
גָּד֑וֹל
(gadol)
grote
וּכְתֹ֤ב
(ukhetov)
en schrijf
עָלָיו֙
(alav)
daarop
בְּחֶ֣רֶט
(becheret)
met een stift van
אֱנ֔וֹשׁ
(enosh)
een mens
לְמַהֵ֥ר
(lemaher)
voor Maher
שָׁלָ֖ל
(shalal)
Sjalal
חָ֥שׁ
(chash)
Chasj
בַּֽז
(baz)
Baz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גִּלָּיוֹן (gillayon), ‘schrijfplaat’: een groot, glad vlak om op te schrijven.
De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook een rol zijn.
בְּחֶרֶט אֱנוֹשׁ (bechéret enosh), ‘met een gewone stift’: letterlijk ‘met een stift van een mens’. Het gaat om gewoon, leesbaar schrift.
מַהֵר שָׁלָל חָשׁ בַּז (Maher Shalal Chash Baz), ‘Maher-Sjalal-Chasj-Baz’: letterlijk ‘snel is de buit, haastig is de roof’. De naam kondigt de plundering van Damascus en Samaria aan (vers 4).
4Want voordat de jongen kan roepen: ‘Mijn vader!’ en ‘Mijn moeder!’, wordt de rijkdom van Damascus en de buit van Samaria weggedragen voor de koning van Assyrië.”
כִּ֗י
(ki)
want
בְּטֶ֨רֶם֙
(beterem)
voordat
יֵדַ֣ע
(yeda)
weet
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
קְרֹ֖א
(qero)
te roepen
אָבִ֣י
(avi)
mijn vader
וְאִמִּ֑י
(veimi)
en mijn moeder
יִשָּׂ֣א
(yisa)
zal men wegdragen
אֶת
(et)
(obj.)
חֵ֣יל
(cheil)
de rijkdom van
דַּמֶּ֗שֶׂק
(dameseq)
Damascus
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שְׁלַ֣ל
(shelal)
de buit van
שֹׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
חֵיל דַּמֶּשֶׂק (chel Dammesek), ‘de rijkdom van Damascus’: ‘rijkdom’ kan ook ‘macht’ of ‘leger’ betekenen.
לִפְנֵי (lifney), ‘voor’: letterlijk ‘voor het aangezicht van’. De buit wordt in zijn aanwezigheid, door hem, weggedragen.
Een kind leert pas na enige tijd ‘vader’ en ‘moeder’ zeggen. De profetie noemt dus een korte tijd.
6„Omdat dit volk het water van de Siloah heeft verworpen, dat zachtjes stroomt, en blij is met Rezin en de zoon van Remalja.
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
כִּ֤י
(ki)
dat
מָאַס֙
(maas)
heeft verworpen
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מֵ֣י
(mei)
de wateren van
הַשִּׁלֹ֔חַ
(hashiloach)
de Siloah
הַהֹלְכִ֖ים
(haholekhim)
die gaan
לְאַ֑ט
(leat)
zachtjes
וּמְשׂ֥וֹשׂ
(umesos)
en blijdschap
אֶת
(et)
met
רְצִ֖ין
(retsin)
Rezin
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
רְמַלְיָֽהוּ
(remalyahu)
Remalja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Siloah (waterleiding van de Gihon): Siloah (Siloam) is de waterleiding die het water van de Gihon naar de zuidkant van de oude stad van Jeruzalem voerde.
De naam ‘water van de Siloah’ wijst op dit zachtjes stromende water.
Uitleg
הַשִּׁלֹחַ (hashShiloach), ‘de Siloah’: een waterleiding bij Jeruzalem die zachtjes stroomt.
Zij staat tegenover de machtige wateren van de Rivier in vers 7.
מְשׂוֹשׂ אֶת־רְצִין (mesos et Retsin), ‘blij met Rezin’: letterlijk ‘blijdschap met Rezin’. ‘Dit volk’ keert terug in vers 11.
7Daarom, zie, de Heer laat de machtige en vele wateren van de Rivier over hen komen: de koning van Assyrië met heel zijn heerlijkheid. Het stijgt boven al zijn beddingen uit en gaat over al zijn oevers.
וְלָכֵ֡ן
(velakhen)
en daarom
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אֲדֹנָי֩
(adonay)
de Heer
מַעֲלֶ֨ה
(maale)
laat opkomen
עֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
מֵ֣י
(mei)
de wateren van
הַנָּהָ֗ר
(hanahar)
de Rivier
הָעֲצוּמִים֙
(haatsumim)
de machtige
וְהָ֣רַבִּ֔ים
(veharabim)
en de vele
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
כְּבוֹד֑וֹ
(kevodo)
zijn heerlijkheid
וְעָלָה֙
(veala)
en het zal stijgen
עַל
(al)
boven
כָּל
(kal)
al
אֲפִיקָ֔יו
(afiqav)
zijn beddingen
וְהָלַ֖ךְ
(vehalakh)
en het zal gaan
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
al
גְּדוֹתָֽיו
(gedotav)
zijn oevers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land.
De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat.
Het water is het beeld van het leger van Assyrië.
כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: hier de pracht en macht van de koning.
8Het trekt door Juda, overstroomt en gaat erdoorheen. Tot aan de hals reikt het. De uitgespreide vleugels ervan vullen de breedte van je land, Immanuel.”
וְחָלַ֤ף
(vechalaf)
en het zal doortrekken
בִּֽיהוּדָה֙
(bihuda)
door Juda
שָׁטַ֣ף
(shataf)
overstromend
וְעָבַ֔ר
(veavar)
en overgaand
עַד
(ad)
tot
צַוָּ֖אר
(tsavar)
de hals
יַגִּ֑יעַ
(yagia)
reikt het
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
מֻטּ֣וֹת
(mutot)
de uitgespreide delen van
כְּנָפָ֔יו
(kenafav)
zijn vleugels
מְלֹ֥א
(melo)
vullend
רֹֽחַב
(rochav)
de breedte van
אַרְצְךָ֖
(artsekha)
je land
עִמָּ֥נוּ
(imanu)
met ons
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
‘Tot aan de hals’: het water komt tot vlak onder de mond.
Juda wordt niet weggespoeld, maar het is bijna te laat.
עִמָּנוּ אֵל (Immanu El), ‘Immanuel’: hier wordt het land ‘het land van Immanuel’ genoemd. Zie 7:14.
14Hij zal een heiligdom zijn, een steen om aan te stoten en een rots om over te struikelen voor de twee huizen van Israël. Hij zal een strik en een valstrik zijn voor wie in Jeruzalem woont.
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en Hij zal zijn
לְמִקְדָּ֑שׁ
(lemiqdash)
tot een heiligdom
וּלְאֶ֣בֶן
(uleeven)
en tot een steen van
נֶ֠גֶף
(negef)
het stoten
וּלְצ֨וּר
(uletsur)
en tot een rots van
מִכְשׁ֜וֹל
(mikhshol)
het struikelen
לִשְׁנֵ֨י
(lishnei)
voor de twee
בָתֵּ֤י
(batei)
huizen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְפַ֣ח
(lefach)
tot een strik
וּלְמוֹקֵ֔שׁ
(ulemoqesh)
en tot een valstrik
לְיוֹשֵׁ֖ב
(leyoshev)
voor de bewoner van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: een heilige plaats, een toevlucht.
Voor wie Hem heilig houdt, is Hij dat.
Voor wie dat niet doet, is Hij een steen waarover men struikelt.
שְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל (shney battey Yisrael), ‘de twee huizen van Israël’: het noordelijke Israël en Juda.
19En als zij tegen jullie zeggen: „Raadpleeg de dodengeesten en de waarzeggers, die fluisteren en prevelen”, zal een volk dan niet zijn Elohim raadplegen? Moet het voor de levenden de doden raadplegen?
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יֹאמְר֣וּ
(yomru)
zij zullen zeggen
אֲלֵיכֶ֗ם
(aleikhem)
tegen jullie
דִּרְשׁ֤וּ
(dirshu)
raadpleegt
אֶל
(el)
tot
הָאֹבוֹת֙
(haovot)
de dodengeesten
וְאֶל
(veel)
en tot
הַיִּדְּעֹנִ֔ים
(hayideonim)
de waarzeggers
הַֽמְצַפְצְפִ֖ים
(hamtsaftsefim)
die fluisteren
וְהַמַּהְגִּ֑ים
(vehamahgim)
en die prevelen
הֲלוֹא
(halo)
zal dan niet
עַם֙
(am)
een volk
אֶל
(el)
tot
אֱלֹהָ֣יו
(elohav)
zijn Elohim
יִדְרֹ֔שׁ
(yidrosh)
raadplegen
בְּעַ֥ד
(bead)
ten behoeve van
הַחַיִּ֖ים
(hachayim)
de levenden
אֶל
(el)
tot
הַמֵּתִֽים
(hametim)
de doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֹבוֹת (ovot), ‘dodengeesten’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: zoals in Lev. 19:31, Lev. 20:6 en Deut. 18:11.
הַמְצַפְצְפִים (hamtsaftsefim), ‘die fluisteren’, en הַמַּהְגִּים (hammahgim), ‘die prevelen’: de zachte, geheimzinnige klanken van de waarzeggers.
21Hij trekt daarin rond, hard bedrukt en hongerig. Het zal gebeuren: als hij honger heeft, wordt hij woedend en vervloekt hij zijn koning en zijn Elohim. Hij keert zich omhoog.
וְעָ֥בַר
(veavar)
en hij trekt rond
בָּ֖הּ
(bah)
daarin
נִקְשֶׁ֣ה
(niqshe)
hard bedrukt
וְרָעֵ֑ב
(veraev)
en hongerig
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִֽי
(ki)
wanneer
יִרְעַ֜ב
(yirav)
hij honger heeft
וְהִתְקַצַּ֗ף
(vehitqatsaf)
dan is hij woedend
וְקִלֵּ֧ל
(veqilel)
en vervloekt
בְּמַלְכּ֛וֹ
(bemalko)
zijn koning
וּבֵאלֹהָ֖יו
(uvelohav)
en zijn Elohim
וּפָנָ֥ה
(ufana)
en hij keert zich
לְמָֽעְלָה
(lemaela)
omhoog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Wie hier rondtrekt, is niet genoemd: het is ieder die door de ramp getroffen wordt.
Hij vervloekt in zijn woede zijn koning en zijn Elohim.
Daarna kijkt hij omhoog en naar de aarde (vers 22), maar hij vindt geen uitweg.
23Maar er is geen somberheid voor haar die in nood was. In de eerste tijd heeft Hij het land Zebulon en het land Naftali in minachting gebracht. In de laatste tijd heeft Hij het tot eer gebracht: de weg langs de zee, het gebied aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de volken.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
מוּעָף֮
(muaf)
somberheid
לַאֲשֶׁ֣ר
(laasher)
voor haar die
מוּצָ֣ק
(mutsaq)
in nood was
לָהּ֒
(lah)
haar
כָּעֵ֣ת
(kaet)
zoals in de tijd
הָרִאשׁ֗וֹן
(harishon)
de eerste
הֵקַ֞ל
(heqal)
heeft in minachting gebracht
אַ֤רְצָה
(artsa)
het land van
זְבֻלוּן֙
(zevulun)
Zebulon
וְאַ֣רְצָה
(veartsa)
en het land van
נַפְתָּלִ֔י
(naftali)
Naftali
וְהָאַחֲר֖וֹן
(vehaacharon)
en de laatste
הִכְבִּ֑יד
(hikhbid)
heeft tot eer gebracht
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
עֵ֣בֶר
(ever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
גְּלִ֖יל
(gelil)
Galilea van
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Zebulon (stamgebied): Zebulon is het stamgebied in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea.
Zie Naftali: Naftali is het stamgebied in het noorden van Galilea, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.
Welke twintig steden Salomo aan Hiram gaf, is niet bekend.
Uitleg
Dit vers is in de Nederlandse telling Jes. 9:1.
Hebr. 8:23 = NL 9:1, en Hebr. 9:1–20 = NL 9:2–21.
Wij volgen de Hebreeuwse telling.
הֵקַל (heqal), ‘in minachting brengen’: letterlijk ‘licht maken’. הִכְבִּיד (hikbid), ‘tot eer brengen’: letterlijk ‘zwaar maken’. Het woord ‘eer’ (kavod) komt van hetzelfde grondwoord als ‘zwaar’. Het is een woordspel.
Zebulon, Naftali, de weg langs de zee en Galilea zijn de noordelijke gebieden die het eerst door Assyrië werden getroffen (2 Kon. 15:29). ‘Galilea van de volken’ is het gebied met veel niet-Israëlitische bewoners. Zie ook Matt. 4:15–16.
Lezing
Het Hebreeuws heeft hier de verleden tijd.
Waarschijnlijk is het een profetisch verleden: de profeet spreekt over de toekomst alsof ze al gebeurd is.
Wij laten de verleden tijd staan.
Het eerste woord (כִּי, ki) is hier tegenstellend: ‘maar’.