Elohim Bijbel

Jesaja 8

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Maher-Sjalal-Chasj-Baz, de wateren van de Rivier en de getuigenis

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Maher-Sjalal-Chasj-Baz

1Yahweh zei tegen mij: „Neem voor jezelf een grote schrijfplaat en schrijf erop met een gewone stift: ‘Voor Maher-Sjalal-Chasj-Baz.’”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
קַח
(qach)
neem
לְךָ֖
(lekha)
voor jezelf
גִּלָּי֣וֹן
(gilayon)
een schrijfplaat
גָּד֑וֹל
(gadol)
grote
וּכְתֹ֤ב
(ukhetov)
en schrijf
עָלָיו֙
(alav)
daarop
בְּחֶ֣רֶט
(becheret)
met een stift van
אֱנ֔וֹשׁ
(enosh)
een mens
לְמַהֵ֥ר
(lemaher)
voor Maher
שָׁלָ֖ל
(shalal)
Sjalal
חָ֥שׁ
(chash)
Chasj
בַּֽז
(baz)
Baz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּלָּיוֹן (gillayon), ‘schrijfplaat’: een groot, glad vlak om op te schrijven.

De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook een rol zijn.

בְּחֶרֶט אֱנוֹשׁ (bechéret enosh), ‘met een gewone stift’: letterlijk ‘met een stift van een mens’. Het gaat om gewoon, leesbaar schrift.

מַהֵר שָׁלָל חָשׁ בַּז (Maher Shalal Chash Baz), ‘Maher-Sjalal-Chasj-Baz’: letterlijk ‘snel is de buit, haastig is de roof’. De naam kondigt de plundering van Damascus en Samaria aan (vers 4).

2Ik riep betrouwbare getuigen voor mij op: Uria, de priester, en Zacharia, de zoon van Jeberechja.
וְאָעִ֣ידָה
(veaida)
en ik riep op
לִּ֔י
(li)
voor mij
עֵדִ֖ים
(edim)
getuigen
נֶאֱמָנִ֑ים
(neemanim)
betrouwbare
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אוּרִיָּ֣ה
(uriya)
Uria
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זְכַרְיָ֖הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
בֶּ֥ן
(ben)
zoon van
יְבֶרֶכְיָֽהוּ
(yeverekhyahu)
Jeberechja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוּרִיָּה (Uriyah), ‘Uria’: de tekst zegt niet welke priester dit is.

Mogelijk is het de priester die voor Achaz het altaar bouwde (2 Kon. 16:10–16).

Zacharia, de zoon van Jeberechja, is verder onbekend.

Lezing

וְאָעִידָה (vaaidah), ‘ik riep op’: de vorm kan ook een wens of voornemen zijn: ‘laat Mij getuigen oproepen’.

Dan zijn het woorden van Yahweh.

Wij nemen Jesaja als spreker, zoals in vers 3.

3Ik ging naar de profetes toe. Zij werd zwanger en beviel van een zoon. Yahweh zei tegen mij: „Noem hem Maher-Sjalal-Chasj-Baz.
וָאֶקְרַב֙
(vaeqrav)
en ik naderde
אֶל
(el)
tot
הַנְּבִיאָ֔ה
(hanevia)
de profetes
וַתַּ֖הַר
(vatahar)
en zij werd zwanger
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en zij beviel
בֵּ֑ן
(ben)
van een zoon
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
קְרָ֣א
(qera)
noem
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
zijn naam
מַהֵ֥ר
(maher)
Maher
שָׁלָ֖ל
(shalal)
Sjalal
חָ֥שׁ
(chash)
Chasj
בַּֽז
(baz)
Baz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנְּבִיאָה (hannevi’ah), ‘de profetes’: de tekst noemt haar naam niet.

Waarschijnlijk is zij de vrouw van Jesaja, maar het Hebreeuws zegt dat niet.

קָרַב אֶל (qarav el), ‘naderen tot’: een omschrijving voor het samenkomen van man en vrouw, zoals in Gen. 20:4.

4Want voordat de jongen kan roepen: ‘Mijn vader!’ en ‘Mijn moeder!’, wordt de rijkdom van Damascus en de buit van Samaria weggedragen voor de koning van Assyrië.”
כִּ֗י
(ki)
want
בְּטֶ֨רֶם֙
(beterem)
voordat
יֵדַ֣ע
(yeda)
weet
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
קְרֹ֖א
(qero)
te roepen
אָבִ֣י
(avi)
mijn vader
וְאִמִּ֑י
(veimi)
en mijn moeder
יִשָּׂ֣א
(yisa)
zal men wegdragen
אֶת
(et)
(obj.)
חֵ֣יל
(cheil)
de rijkdom van
דַּמֶּ֗שֶׂק
(dameseq)
Damascus
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שְׁלַ֣ל
(shelal)
de buit van
שֹׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

חֵיל דַּמֶּשֶׂק (chel Dammesek), ‘de rijkdom van Damascus’: ‘rijkdom’ kan ook ‘macht’ of ‘leger’ betekenen.

לִפְנֵי (lifney), ‘voor’: letterlijk ‘voor het aangezicht van’. De buit wordt in zijn aanwezigheid, door hem, weggedragen.

Een kind leert pas na enige tijd ‘vader’ en ‘moeder’ zeggen. De profetie noemt dus een korte tijd.

De wateren van de Rivier

5Yahweh sprak nog eens tegen mij:
וַיֹּ֣סֶף
(vayosef)
en Hij voegde toe
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
דַּבֵּ֥ר
(daber)
te spreken
אֵלַ֛י
(elay)
tegen mij
ע֖וֹד
(od)
nog
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJes 7:10
6„Omdat dit volk het water van de Siloah heeft verworpen, dat zachtjes stroomt, en blij is met Rezin en de zoon van Remalja.
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
כִּ֤י
(ki)
dat
מָאַס֙
(maas)
heeft verworpen
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מֵ֣י
(mei)
de wateren van
הַשִּׁלֹ֔חַ
(hashiloach)
de Siloah
הַהֹלְכִ֖ים
(haholekhim)
die gaan
לְאַ֑ט
(leat)
zachtjes
וּמְשׂ֥וֹשׂ
(umesos)
en blijdschap
אֶת
(et)
met
רְצִ֖ין
(retsin)
Rezin
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
רְמַלְיָֽהוּ
(remalyahu)
Remalja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Siloah (waterleiding van de Gihon): Siloah (Siloam) is de waterleiding die het water van de Gihon naar de zuidkant van de oude stad van Jeruzalem voerde.

De naam ‘water van de Siloah’ wijst op dit zachtjes stromende water.

Uitleg

הַשִּׁלֹחַ (hashShiloach), ‘de Siloah’: een waterleiding bij Jeruzalem die zachtjes stroomt.

Zij staat tegenover de machtige wateren van de Rivier in vers 7.

מְשׂוֹשׂ אֶת־רְצִין (mesos et Retsin), ‘blij met Rezin’: letterlijk ‘blijdschap met Rezin’. ‘Dit volk’ keert terug in vers 11.

Lezing

De tekst is moeilijk.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

7Daarom, zie, de Heer laat de machtige en vele wateren van de Rivier over hen komen: de koning van Assyrië met heel zijn heerlijkheid. Het stijgt boven al zijn beddingen uit en gaat over al zijn oevers.
וְלָכֵ֡ן
(velakhen)
en daarom
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אֲדֹנָי֩
(adonay)
de Heer
מַעֲלֶ֨ה
(maale)
laat opkomen
עֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
מֵ֣י
(mei)
de wateren van
הַנָּהָ֗ר
(hanahar)
de Rivier
הָעֲצוּמִים֙
(haatsumim)
de machtige
וְהָ֣רַבִּ֔ים
(veharabim)
en de vele
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
כְּבוֹד֑וֹ
(kevodo)
zijn heerlijkheid
וְעָלָה֙
(veala)
en het zal stijgen
עַל
(al)
boven
כָּל
(kal)
al
אֲפִיקָ֔יו
(afiqav)
zijn beddingen
וְהָלַ֖ךְ
(vehalakh)
en het zal gaan
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
al
גְּדוֹתָֽיו
(gedotav)
zijn oevers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land.

De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

הַנָּהָר (hannahar), ‘de Rivier’: de Eufraat.

Het water is het beeld van het leger van Assyrië.

כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: hier de pracht en macht van de koning.

8Het trekt door Juda, overstroomt en gaat erdoorheen. Tot aan de hals reikt het. De uitgespreide vleugels ervan vullen de breedte van je land, Immanuel.”
וְחָלַ֤ף
(vechalaf)
en het zal doortrekken
בִּֽיהוּדָה֙
(bihuda)
door Juda
שָׁטַ֣ף
(shataf)
overstromend
וְעָבַ֔ר
(veavar)
en overgaand
עַד
(ad)
tot
צַוָּ֖אר
(tsavar)
de hals
יַגִּ֑יעַ
(yagia)
reikt het
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
מֻטּ֣וֹת
(mutot)
de uitgespreide delen van
כְּנָפָ֔יו
(kenafav)
zijn vleugels
מְלֹ֥א
(melo)
vullend
רֹֽחַב
(rochav)
de breedte van
אַרְצְךָ֖
(artsekha)
je land
עִמָּ֥נוּ
(imanu)
met ons
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

‘Tot aan de hals’: het water komt tot vlak onder de mond.

Juda wordt niet weggespoeld, maar het is bijna te laat.

עִמָּנוּ אֵל (Immanu El), ‘Immanuel’: hier wordt het land ‘het land van Immanuel’ genoemd. Zie 7:14.

9Wees verbrijzeld, volken, en wees ontzet. Luister, alle verre streken van de aarde. Gord je en wees ontzet. Gord je en wees ontzet.
רֹ֤עוּ
(rou)
wees verbrijzeld
עַמִּים֙
(amim)
volken
וָחֹ֔תּוּ
(vachotu)
en wees ontzet
וְהַֽאֲזִ֔ינוּ
(vehaazinu)
en luistert
כֹּ֖ל
(kol)
alle
מֶרְחַקֵּי
(merchaqei)
de verre streken van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
הִתְאַזְּר֣וּ
(hitazeru)
gordt je
וָחֹ֔תּוּ
(vachotu)
en wees ontzet
הִֽתְאַזְּר֖וּ
(hitazeru)
gordt je
וָחֹֽתּוּ
(vachotu)
en wees ontzet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹעוּ (ro’u), ‘wees verbrijzeld’: de betekenis is niet zeker.

Het kan ook ‘roep een strijdkreet’ betekenen.

חַתּוּ (chattu), ‘wees ontzet’: ook ‘wees verbijsterd’.

Dit werkwoord staat drie keer.

10Neem raad, en het wordt verijdeld. Spreek een woord, en het houdt niet stand. Want El is met ons.
עֻ֥צוּ
(utsu)
neemt
עֵצָ֖ה
(etsa)
raad
וְתֻפָ֑ר
(vetufar)
en het wordt verijdeld
דַּבְּר֤וּ
(daberu)
spreekt
דָבָר֙
(davar)
een woord
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָק֔וּם
(yaqum)
zal standhouden
כִּ֥י
(ki)
want
עִמָּ֖נוּ
(imanu)
met ons
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵצָה (etsah), ‘raad’: zo vertalen wij etsah als het om mensen gaat.

Bij Yahweh heet het ‘besluit’, zoals in Jes. 5:19.

כִּי עִמָּנוּ אֵל (ki immanu El), ‘want El is met ons’: dit is de naam Immanuel uit 7:14 en 8:8, nu als belijdenis. Het is het antwoord aan de volken.

Houd Yahweh van de legermachten heilig

11Want zo zei Yahweh tegen mij, terwijl Zijn hand sterk op mij was. Hij waarschuwde mij om niet op de weg van dit volk te gaan:
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֧ר
(amar)
zei
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֖י
(elay)
tegen mij
כְּחֶזְקַ֣ת
(kechezqat)
als sterk was
הַיָּ֑ד
(hayad)
de hand
וְיִסְּרֵ֕נִי
(veyisereni)
en Hij waarschuwde mij
מִלֶּ֛כֶת
(milekhet)
om te gaan
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
הָֽעָם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּחֶזְקַת הַיָּד (kechezqat hayad), ‘terwijl de hand sterk was’: het Hebreeuws zegt alleen ‘de hand’.

Het woord ‘Zijn’ is onze aanvulling: het is de hand van Yahweh.

וַיְיַסְּרֵנִי (vayyasserení), ‘Hij waarschuwde mij’: het werkwoord יָסַר (yasar) betekent ‘onderrichten’, ‘waarschuwen’ en ‘tuchtigen’.

12„Noem niet ‘samenzwering’ alles wat dit volk ‘samenzwering’ noemt. Vrees niet wat zij vrezen, en sidder er niet voor.
לֹא
(lo)
niet
תֹאמְר֣וּן
(tomrun)
zegt
קֶ֔שֶׁר
(qesher)
samenzwering
לְכֹ֧ל
(lekhol)
tot alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֹאמַ֛ר
(yomar)
zegt
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
קָ֑שֶׁר
(qasher)
samenzwering
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מוֹרָא֥וֹ
(morao)
wat het vreest
לֹֽא
(lo)
niet
תִֽירְא֖וּ
(tireu)
vreest
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תַעֲרִֽיצוּ
(taaritsu)
siddert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: ook ‘verbond’ of ‘bondgenootschap’.

Het Hebreeuws zegt niet welk plan bedoeld is.

De betekenis is niet zeker.

מוֹרָא (mora), ‘wat zij vrezen’: het voorwerp van hun vrees. Het woord keert terug in vers 13.

13Yahweh van de legermachten, Hem moeten jullie heilig houden. Hij is jullie vrees en Hij is jullie schrik.
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֹת֣וֹ
(oto)
Hem
תַקְדִּ֑ישׁוּ
(taqdishu)
moeten jullie heilig houden
וְה֥וּא
(vehu)
en Hij
מוֹרַאֲכֶ֖ם
(moraakhem)
jullie vrees
וְה֥וּא
(vehu)
en Hij
מַֽעֲרִֽצְכֶֽם
(maaritskhem)
jullie schrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּקְדִּישׁוּ (taqdishu), ‘jullie moeten heilig houden’: letterlijk ‘heilig verklaren’, dat is Hem behandelen als de Heilige.

14Hij zal een heiligdom zijn, een steen om aan te stoten en een rots om over te struikelen voor de twee huizen van Israël. Hij zal een strik en een valstrik zijn voor wie in Jeruzalem woont.
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en Hij zal zijn
לְמִקְדָּ֑שׁ
(lemiqdash)
tot een heiligdom
וּלְאֶ֣בֶן
(uleeven)
en tot een steen van
נֶ֠גֶף
(negef)
het stoten
וּלְצ֨וּר
(uletsur)
en tot een rots van
מִכְשׁ֜וֹל
(mikhshol)
het struikelen
לִשְׁנֵ֨י
(lishnei)
voor de twee
בָתֵּ֤י
(batei)
huizen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְפַ֣ח
(lefach)
tot een strik
וּלְמוֹקֵ֔שׁ
(ulemoqesh)
en tot een valstrik
לְיוֹשֵׁ֖ב
(leyoshev)
voor de bewoner van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: een heilige plaats, een toevlucht.

Voor wie Hem heilig houdt, is Hij dat.

Voor wie dat niet doet, is Hij een steen waarover men struikelt.

שְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל (shney battey Yisrael), ‘de twee huizen van Israël’: het noordelijke Israël en Juda.

15Velen zullen erover struikelen. Zij vallen, worden verbrijzeld, verstrikt en gevangen.”
וְכָ֥שְׁלוּ
(vekhashelu)
en zullen struikelen
בָ֖ם
(bam)
erover
רַבִּ֑ים
(rabim)
velen
וְנָפְל֣וּ
(venafelu)
en zullen vallen
וְנִשְׁבָּ֔רוּ
(venishbaru)
en zullen verbrijzeld worden
וְנוֹקְשׁ֖וּ
(venoqeshu)
en zullen verstrikt worden
וְנִלְכָּֽדוּ
(venilkadu)
en zullen gevangen worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bind de getuigenis dicht

16Bind de getuigenis dicht. Verzegel de wet bij mijn leerlingen.
צ֖וֹר
(tsor)
bind dicht
תְּעוּדָ֑ה
(teuda)
getuigenis
חֲת֥וֹם
(chatom)
verzegel
תּוֹרָ֖ה
(tora)
wet
בְּלִמֻּדָֽי
(belimuday)
bij mijn leerlingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderricht’.

Hier is het het onderricht dat Jesaja heeft gegeven.

תְּעוּדָה (te’udah), ‘getuigenis’: wat als getuige dient (zie vers 2 en 20).

De rol wordt dichtgebonden en verzegeld, zodat de woorden bewaard blijven tot ze uitkomen.

Lezing

Het Hebreeuws zegt niet wie hier spreekt: Yahweh tegen Jesaja, of Jesaja tegen zijn leerlingen.

Wij nemen Jesaja, omdat vers 17 in de eerste persoon verdergaat.

17Ik zal wachten op Yahweh, die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob. Ik zal op Hem hopen.
וְחִכִּ֨יתִי֙
(vechikiti)
en ik zal wachten
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
op Yahweh
הַמַּסְתִּ֥יר
(hamastir)
die verbergt
פָּנָ֖יו
(panav)
Zijn aangezicht
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
voor het huis van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְקִוֵּ֖יתִֽי
(veqiveiti)
en ik zal hopen
לֽוֹ
(lo)
op Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zijn aangezicht verbergen’: Yahweh keert Zich van hen af.

Vergelijk Deut. 31:17–18.

18Zie, ik en de kinderen die Yahweh mij heeft gegeven, zijn tekenen en wonderen in Israël, van Yahweh van de legermachten, die op de berg Sion woont.
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
וְהַיְלָדִים֙
(vehayladim)
en de kinderen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָֽתַן
(natan)
heeft gegeven
לִ֣י
(li)
mij
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְאֹת֥וֹת
(leotot)
tot tekenen
וּלְמוֹפְתִ֖ים
(ulemofetim)
en tot wonderen
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
מֵעִם֙
(meim)
van bij
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
הַשֹּׁכֵ֖ן
(hashokhen)
die woont
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
צִיּֽוֹן
(tsiyon)
Sion
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: ‘Yahweh is redding’.

De namen van zijn zonen zijn tekenen: Sjear-Jasjoev (7:3) en Maher-Sjalal-Chasj-Baz (8:1–3).

Zie ook Hebr. 2:13.

Naar de wet en naar het getuigenis

19En als zij tegen jullie zeggen: „Raadpleeg de dodengeesten en de waarzeggers, die fluisteren en prevelen”, zal een volk dan niet zijn Elohim raadplegen? Moet het voor de levenden de doden raadplegen?
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יֹאמְר֣וּ
(yomru)
zij zullen zeggen
אֲלֵיכֶ֗ם
(aleikhem)
tegen jullie
דִּרְשׁ֤וּ
(dirshu)
raadpleegt
אֶל
(el)
tot
הָאֹבוֹת֙
(haovot)
de dodengeesten
וְאֶל
(veel)
en tot
הַיִּדְּעֹנִ֔ים
(hayideonim)
de waarzeggers
הַֽמְצַפְצְפִ֖ים
(hamtsaftsefim)
die fluisteren
וְהַמַּהְגִּ֑ים
(vehamahgim)
en die prevelen
הֲלוֹא
(halo)
zal dan niet
עַם֙
(am)
een volk
אֶל
(el)
tot
אֱלֹהָ֣יו
(elohav)
zijn Elohim
יִדְרֹ֔שׁ
(yidrosh)
raadplegen
בְּעַ֥ד
(bead)
ten behoeve van
הַחַיִּ֖ים
(hachayim)
de levenden
אֶל
(el)
tot
הַמֵּתִֽים
(hametim)
de doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֹבוֹת (ovot), ‘dodengeesten’, en יִדְּעֹנִים (yidde’onim), ‘waarzeggers’: zoals in Lev. 19:31, Lev. 20:6 en Deut. 18:11.

הַמְצַפְצְפִים (hamtsaftsefim), ‘die fluisteren’, en הַמַּהְגִּים (hammahgim), ‘die prevelen’: de zachte, geheimzinnige klanken van de waarzeggers.

20Naar de wet en naar het getuigenis! Zeggen zij niet volgens dit woord, dan is er voor hem geen dageraad.
לְתוֹרָ֖ה
(letora)
naar de wet
וְלִתְעוּדָ֑ה
(velituda)
en naar het getuigenis
אִם
(im)
als
לֹ֤א
(lo)
niet
יֹֽאמְרוּ֙
(yomru)
zij zeggen
כַּדָּבָ֣ר
(kadavar)
volgens het woord
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֵֽין
(ein)
niet is
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
שָֽׁחַר
(shachar)
dageraad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְתוֹרָה וְלִתְעוּדָה (letorah velitudah), ‘naar de wet en naar het getuigenis’: een uitroep.

Wie raad zoekt, moet terug naar wat Jesaja heeft laten vastleggen (vers 16).

שָׁחַר (shachar), ‘dageraad’: het begin van het licht. Wie niet naar dit woord spreekt, heeft geen toekomst.

Lezing

De zin is moeilijk.

Het woord ‘voor hem’ (lo) is enkelvoud.

Het kan ook betekenen: ‘zij spreken een woord waarin geen licht is’.

Wij vertalen: ‘dan is er voor hem geen dageraad’.

21Hij trekt daarin rond, hard bedrukt en hongerig. Het zal gebeuren: als hij honger heeft, wordt hij woedend en vervloekt hij zijn koning en zijn Elohim. Hij keert zich omhoog.
וְעָ֥בַר
(veavar)
en hij trekt rond
בָּ֖הּ
(bah)
daarin
נִקְשֶׁ֣ה
(niqshe)
hard bedrukt
וְרָעֵ֑ב
(veraev)
en hongerig
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִֽי
(ki)
wanneer
יִרְעַ֜ב
(yirav)
hij honger heeft
וְהִתְקַצַּ֗ף
(vehitqatsaf)
dan is hij woedend
וְקִלֵּ֧ל
(veqilel)
en vervloekt
בְּמַלְכּ֛וֹ
(bemalko)
zijn koning
וּבֵאלֹהָ֖יו
(uvelohav)
en zijn Elohim
וּפָנָ֥ה
(ufana)
en hij keert zich
לְמָֽעְלָה
(lemaela)
omhoog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie hier rondtrekt, is niet genoemd: het is ieder die door de ramp getroffen wordt.

Hij vervloekt in zijn woede zijn koning en zijn Elohim.

Daarna kijkt hij omhoog en naar de aarde (vers 22), maar hij vindt geen uitweg.

22Hij kijkt naar de aarde, en zie: benauwdheid en duisternis, de somberheid van nood, en donkerte waarin men wordt weggedreven.
וְאֶל
(veel)
en naar
אֶ֖רֶץ
(erets)
de aarde
יַבִּ֑יט
(yabit)
kijkt hij
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
צָרָ֤ה
(tsara)
benauwdheid
וַחֲשֵׁכָה֙
(vachashekha)
en duisternis
מְע֣וּף
(meuf)
somberheid van
צוּקָ֔ה
(tsuqa)
nood
וַאֲפֵלָ֖ה
(vaafela)
en donkerte
מְנֻדָּֽח
(menudach)
verdreven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוּעָף (mu’af), ‘somberheid’, en מְנֻדָּח (menuddach), ‘weggedreven’: zeldzame woorden.

De betekenis is niet zeker.

Maar geen somberheid meer

23Maar er is geen somberheid voor haar die in nood was. In de eerste tijd heeft Hij het land Zebulon en het land Naftali in minachting gebracht. In de laatste tijd heeft Hij het tot eer gebracht: de weg langs de zee, het gebied aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de volken.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
מוּעָף֮
(muaf)
somberheid
לַאֲשֶׁ֣ר
(laasher)
voor haar die
מוּצָ֣ק
(mutsaq)
in nood was
לָהּ֒
(lah)
haar
כָּעֵ֣ת
(kaet)
zoals in de tijd
הָרִאשׁ֗וֹן
(harishon)
de eerste
הֵקַ֞ל
(heqal)
heeft in minachting gebracht
אַ֤רְצָה
(artsa)
het land van
זְבֻלוּן֙
(zevulun)
Zebulon
וְאַ֣רְצָה
(veartsa)
en het land van
נַפְתָּלִ֔י
(naftali)
Naftali
וְהָאַחֲר֖וֹן
(vehaacharon)
en de laatste
הִכְבִּ֑יד
(hikhbid)
heeft tot eer gebracht
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
עֵ֣בֶר
(ever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
גְּלִ֖יל
(gelil)
Galilea van
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Zebulon (stamgebied): Zebulon is het stamgebied in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea.

Zie Naftali: Naftali is het stamgebied in het noorden van Galilea, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Welke twintig steden Salomo aan Hiram gaf, is niet bekend.

Uitleg

Dit vers is in de Nederlandse telling Jes. 9:1.

Hebr. 8:23 = NL 9:1, en Hebr. 9:1–20 = NL 9:2–21.

Wij volgen de Hebreeuwse telling.

הֵקַל (heqal), ‘in minachting brengen’: letterlijk ‘licht maken’. הִכְבִּיד (hikbid), ‘tot eer brengen’: letterlijk ‘zwaar maken’. Het woord ‘eer’ (kavod) komt van hetzelfde grondwoord als ‘zwaar’. Het is een woordspel.

Zebulon, Naftali, de weg langs de zee en Galilea zijn de noordelijke gebieden die het eerst door Assyrië werden getroffen (2 Kon. 15:29). ‘Galilea van de volken’ is het gebied met veel niet-Israëlitische bewoners. Zie ook Matt. 4:15–16.

Lezing

Het Hebreeuws heeft hier de verleden tijd.

Waarschijnlijk is het een profetisch verleden: de profeet spreekt over de toekomst alsof ze al gebeurd is.

Wij laten de verleden tijd staan.

Het eerste woord (כִּי, ki) is hier tegenstellend: ‘maar’.