Elohim Bijbel

Lucas 24

123456789101112131415161718192021222324

Het lege graf, de weg naar Emmaüs, de opgestane Yeshua en de hemelvaart

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het lege graf

1Op de eerste dag van de week gingen zij heel vroeg in de morgen naar het graf, met de specerijen die zij klaargemaakt hadden.
τῇ
(te)
op de
δὲ
(de)
maar
μιᾷ
(mia)
eerste
τῶν
(ton)
van de
σαββάτων
(sabbaton)
week
ὄρθρου
(orthrou)
in de vroege morgen
βαθέως
(batheos)
diep
ἐπὶ
(epi)
naar
τὸ
(to)
het
μνῆμα
(mnema)
graf
ἦλθον
(elthon)
gingen
φέρουσαι
(pherousai)
brengend
ἃ
(ha)
die
ἡτοίμασαν
(hetoimasan)
hadden klaargemaakt
ἀρώματα
(aromata)
specerijen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging.

De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.

Dit is niet zeker.

Uitleg

τῇ μιᾷ τῶν σαββάτων (te mia ton sabbaton), letterlijk ‘op de eerste van de sabbatten’: de eerste dag van de week, de dag na de sabbat. ἄρωμα (aroma), ‘specerij’: geurige stoffen waarmee men een lichaam verzorgde.

Zie ook Matt. 28:1–8; Mark. 16:1–8; Joh. 20:1–10.

2Zij vonden de steen van het graf weggerold.
εὗρον
(heuron)
vonden
δὲ
(de)
maar
τὸν
(ton)
de
λίθον
(lithon)
steen
ἀποκεκυλισμένον
(apokekylismenon)
weggerold
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
het
μνημείου
(mnemeiou)
graf
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging.

De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.

Dit is niet zeker.

3Zij gingen naar binnen, maar vonden het lichaam niet.
εἰσελθοῦσαι
(eiselthousai)
binnengegaan
δὲ
(de)
maar
οὐχ
(ouch)
niet
εὗρον
(heuron)
vonden
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
Bron: SBLGNT
Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier ‘het lichaam van de Heer Yeshua’; de SBLGNT heeft alleen ‘het lichaam’.

4Terwijl zij hierover in verwarring waren, zie: twee mannen in flitsende kleding kwamen bij hen staan.
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ἀπορεῖσθαι
(aporeisthai)
in verwarring zijn
αὐτὰς
(autas)
zij
περὶ
(peri)
over
τούτου
(toutou)
dit
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἄνδρες
(andres)
mannen
δύο
(dyo)
twee
ἐπέστησαν
(epestesan)
kwamen staan
αὐταῖς
(autais)
bij hen
ἐν
(en)
in
ἐσθῆτι
(estheti)
kleding
ἀστραπτούσῃ
(astraptouse)
flitsend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀστράπτω (astrapto), ‘flitsen’: als een bliksem schitteren.

De twee mannen heten in 24:23 ‘engelen’.

Vergelijk Matt. 28:2–3; Mark. 16:5; Joh. 20:12.

5Zij werden bang en bogen hun gezicht naar de grond. De mannen zeiden tegen hen: „Waarom zoeken jullie de levende bij de doden?
ἐμφόβων
(emphobon)
bevreesd
δὲ
(de)
maar
γενομένων
(genomenon)
geworden
αὐτῶν
(auton)
zij
καὶ
(kai)
en
κλινουσῶν
(klinouson)
buigend
τὰ
(ta)
het
πρόσωπα
(prosopa)
gezicht
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
grond
εἶπαν
(eipan)
zeiden
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτάς
(autas)
hen
Τί
(Ti)
waarom
ζητεῖτε
(zeteite)
zoeken jullie
τὸν
(ton)
de
ζῶντα
(zonta)
levende
μετὰ
(meta)
bij
τῶν
(ton)
de
νεκρῶν
(nekron)
doden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft hier alleen ‘zij zeiden’; wij schrijven ‘de mannen’, omdat anders niet duidelijk is wie spreekt.

6Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt. Denk eraan hoe Hij tot jullie sprak toen Hij nog in Galilea was,
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ὧδε
(hode)
hier
ἀλλὰ
(alla)
maar
ἠγέρθη
(egerthe)
is opgewekt
μνήσθητε
(mnesthete)
herinner jullie
ὡς
(hos)
hoe
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
ὑμῖν
(hymin)
tot jullie
ἔτι
(eti)
nog
ὢν
(on)
zijnde
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
Γαλιλαίᾳ
(Galilaia)
Galilea
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

Vergelijk Luc. 9:22 en Luc. 18:31–33, waar Yeshua Zijn lijden en opstanding aankondigt.

Zie ook Matt. 28:5–7; Mark. 16:6–7.

7en zei dat de Mensenzoon moest worden overgeleverd in de handen van zondige mensen, gekruisigd moest worden en op de derde dag moest opstaan.”
λέγων
(legon)
zeggend
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ὅτι
(hoti)
dat
δεῖ
(dei)
moet
παραδοθῆναι
(paradothenai)
worden overgeleverd
εἰς
(eis)
in
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
ἁμαρτωλῶν
(hamartolon)
zondige
καὶ
(kai)
en
σταυρωθῆναι
(staurothenai)
gekruisigd worden
καὶ
(kai)
en
τῇ
(te)
op de
τρίτῃ
(trite)
derde
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
ἀναστῆναι
(anastenai)
opstaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου (huios tou anthropou), ‘de Mensenzoon’: zie 5:24. ἀναστῆναι (anastenai), ‘opstaan’: een ander woord dan ἠγέρθη (egerthe), ‘is opgewekt’ in 24:6.

8Zij herinnerden zich Zijn woorden.
καὶ
(kai)
en
ἐμνήσθησαν
(emnesthesan)
herinnerden zich
τῶν
(ton)
de
ῥημάτων
(rhematon)
woorden
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
9Zij keerden terug van het graf en meldden dit alles aan de elf en aan alle anderen.
καὶ
(kai)
en
ὑποστρέψασαι
(hypostrepsasai)
teruggekeerd
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
het
μνημείου
(mnemeiou)
graf
ἀπήγγειλαν
(apengeilan)
meldden
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
πάντα
(panta)
alle
τοῖς
(tois)
aan de
ἕνδεκα
(hendeka)
elf
καὶ
(kai)
en
πᾶσιν
(pasin)
aan allen
τοῖς
(tois)
de
λοιποῖς
(loipois)
overigen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging.

De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.

Dit is niet zeker.

10Het waren Maria Magdalena, Johanna, Maria, de moeder van Jakobus, en de overige vrouwen met hen. Zij zeiden dit tegen de apostelen.
ἦσαν
(esan)
waren
δὲ
(de)
en
ἡ
(he)
de
Μαγδαληνὴ
(Magdalene)
Magdalena
Μαρία
(Maria)
Maria
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννα
(Ioanna)
Johanna
καὶ
(kai)
en
Μαρία
(Maria)
Maria
ἡ
(he)
de
Ἰακώβου
(Iakobou)
van Jakobus
καὶ
(kai)
en
αἱ
(hai)
de
λοιπαὶ
(loipai)
overige
σὺν
(syn)
met
αὐταῖς
(autais)
hen
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
πρὸς
(pros)
tegen
τοὺς
(tous)
de
ἀποστόλους
(apostolous)
apostelen
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft alleen ‘Maria van Jakobus’; wij vullen ‘de moeder’ aan, zoals in Mark. 16:1.

Over Johanna zie Luc. 8:3.

11Deze woorden kwamen hun voor als onzin, en zij geloofden de vrouwen niet.
καὶ
(kai)
en
ἐφάνησαν
(ephanesan)
verschenen
ἐνώπιον
(enopion)
voor
αὐτῶν
(auton)
hen
ὡσεὶ
(hosei)
als
λῆρος
(leros)
onzin
τὰ
(ta)
de
ῥήματα
(rhemata)
woorden
ταῦτα
(tauta)
deze
καὶ
(kai)
en
ἠπίστουν
(epistoun)
geloofden niet
αὐταῖς
(autais)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

λῆρος (leros), ‘onzin’: een zeldzaam woord voor praat zonder zin. ἀπιστέω (apisteo), ‘niet geloven’.

12Maar Petrus stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich, zag alleen de linnen doeken liggen en ging weg, bij zichzelf verwonderd over wat er gebeurd was.
Ὁ
(Ho)
de
δὲ
(de)
maar
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
ἔδραμεν
(edramen)
rende
ἐπὶ
(epi)
naar
τὸ
(to)
het
μνημεῖον
(mnemeion)
graf
καὶ
(kai)
en
παρακύψας
(parakypsas)
bukkend
βλέπει
(blepei)
ziet
τὰ
(ta)
de
ὀθόνια
(othonia)
linnen doeken
μόνα
(mona)
alleen
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
πρὸς
(pros)
bij
αὑτὸν
(hauton)
zichzelf
θαυμάζων
(thaumazon)
verwonderd
τὸ
(to)
het
γεγονός
(gegonos)
gebeurde
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging.

De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.

Dit is niet zeker.

Uitleg

πρὸς ἑαυτόν (pros heauton), ‘bij zichzelf’: het kan ook ‘naar huis’ betekenen.

Wij lezen: verwonderd bij zichzelf.

Zie ook Joh. 20:3–10.

Lezing

In sommige oude handschriften ontbreekt dit vers.

Wij vertalen het zoals de SBLGNT.

Op weg naar Emmaüs

13En zie: twee van hen waren op diezelfde dag op weg naar een dorp dat 60 stadiën van Jeruzalem lag en Emmaüs heette.
Καὶ
(Kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
δύο
(dyo)
twee
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
ἐν
(en)
op
αὐτῇ
(aute)
diezelfde
τῇ
(te)
de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
ἦσαν
(esan)
waren
πορευόμενοι
(poreuomenoi)
gaand
εἰς
(eis)
naar
κώμην
(komen)
dorp
ἀπέχουσαν
(apechousan)
liggend
σταδίους
(stadious)
stadiën
ἑξήκοντα
(hexekonta)
zestig
ἀπὸ
(apo)
van
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
ᾗ
(he)
welk
ὄνομα
(onoma)
naam
Ἐμμαοῦς
(Emmaous)
Emmaüs
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Emmaüs (ligging onzeker): De ligging van Emmaüs is onzeker.

Het lag 60 stadiën (ongeveer 11 km) van Jeruzalem; voorgesteld worden onder meer Qaloniya/Motza en Abu Gosh (westelijk van Jeruzalem).

Imwas (Emmaüs-Nikopolis) ligt op ongeveer 30 km.

Dit punt is een gok.

Uitleg

Ἐμμαοῦς (Emmaous), ‘Emmaüs’: de ligging is onzeker. στάδιον (stadion), ‘stadie’: ongeveer 185 meter; 60 stadiën is dus ongeveer 11 kilometer.

Zie ook Mark. 16:12–13.

14Zij spraken met elkaar over alles wat er gebeurd was.
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zij
ὡμίλουν
(homiloun)
spraken
πρὸς
(pros)
met
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
περὶ
(peri)
over
πάντων
(panton)
alle
τῶν
(ton)
de
συμβεβηκότων
(symbebekoton)
gebeurde
τούτων
(touton)
deze
Bron: SBLGNT
15Terwijl zij spraken en overlegden, kwam Yeshua zelf bij hen en liep met hen mee.
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ὁμιλεῖν
(homilein)
spreken
αὐτοὺς
(autous)
zij
καὶ
(kai)
en
συζητεῖν
(syzetein)
overleggen
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐγγίσας
(engisas)
genaderd
συνεπορεύετο
(syneporeueto)
liep mee
αὐτοῖς
(autois)
met hen
Bron: SBLGNT
16Maar hun ogen werden tegengehouden, zodat zij Hem niet herkenden.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ὀφθαλμοὶ
(ophthalmoi)
ogen
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐκρατοῦντο
(ekratounto)
werden tegengehouden
τοῦ
(tou)
om
μὴ
(me)
niet
ἐπιγνῶναι
(epignonai)
te herkennen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκρατοῦντο (ekratounto), ‘werden tegengehouden’: de lijdende vorm; de tekst zegt niet door wie of wat.

Vergelijk Luc. 24:31, waar hun ogen geopend worden.

Zie ookLuc 24:31
17Hij zei tegen hen: „Wat zijn dit voor woorden die jullie onder het lopen met elkaar wisselen?” Zij bleven somber staan.
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Τίνες
(Tines)
welke
οἱ
(hoi)
de
λόγοι
(logoi)
woorden
οὗτοι
(houtoi)
deze
οὓς
(hous)
die
ἀντιβάλλετε
(antiballete)
wisselen jullie
πρὸς
(pros)
met
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
περιπατοῦντες
(peripatountes)
wandelend
καὶ
(kai)
en
ἐστάθησαν
(estathesan)
bleven staan
σκυθρωποί
(skythropoi)
somber
Bron: SBLGNT
18Een van hen, Kleopas genaamd, antwoordde Hem: „Bent u als enige een vreemdeling in Jeruzalem? Weet u niet wat daar in deze dagen gebeurd is?”
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
εἷς
(heis)
een
ὀνόματι
(onomati)
met de naam
Κλεοπᾶς
(Kleopas)
Kleopas
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Σὺ
(Sy)
u
μόνος
(monos)
alleen
παροικεῖς
(paroikeis)
verblijft als vreemdeling
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἔγνως
(egnos)
weet
τὰ
(ta)
de
γενόμενα
(genomena)
gebeurde
ἐν
(en)
in
αὐτῇ
(aute)
haar
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
ταύταις
(tautais)
deze
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

παροικέω (paroikeo), ‘als vreemdeling verblijven’.

De twee herkennen Hem niet (24:16); daarom spreken zij Hem aan met ‘u’ in kleine letter.

19Hij zei tegen hen: „Wat voor dingen?” Zij zeiden tegen Hem: „Wat er met Yeshua de Nazarener gebeurd is. Hij was een man, een profeet, machtig in daad en woord voor Elohim en voor het hele volk.
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ποῖα
(Poia)
wat voor
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Τὰ
(Ta)
de
περὶ
(peri)
over
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
τοῦ
(tou)
de
Ναζαρηνοῦ
(Nazarenou)
Nazarener
ὃς
(hos)
die
ἐγένετο
(egeneto)
werd
ἀνὴρ
(aner)
man
προφήτης
(prophetes)
profeet
δυνατὸς
(dynatos)
machtig
ἐν
(en)
in
ἔργῳ
(ergo)
daad
καὶ
(kai)
en
λόγῳ
(logo)
woord
ἐναντίον
(enantion)
voor
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
παντὸς
(pantos)
heel
τοῦ
(tou)
het
λαοῦ
(laou)
volk
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ναζαρηνός (Nazarenos), ‘Nazarener’: iemand uit Nazaret; vergelijk Mark. 14:67.

Zie ookMar 14:67
20En hoe onze hogepriesters en leiders Hem hebben overgeleverd tot een doodvonnis en Hem hebben gekruisigd.
ὅπως
(hopos)
hoe
τε
(te)
en
παρέδωκαν
(paredokan)
overleverden
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἄρχοντες
(archontes)
leiders
ἡμῶν
(hemon)
onze
εἰς
(eis)
tot
κρίμα
(krima)
doodvonnis
θανάτου
(thanatou)
van de dood
καὶ
(kai)
en
ἐσταύρωσαν
(estaurosan)
kruisigden
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
21Wij hoopten dat Hij het was die Israël zou vrijkopen. Maar bij dit alles is het nu al de derde dag sinds dit gebeurd is.
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
δὲ
(de)
maar
ἠλπίζομεν
(elpizomen)
hoopten
ὅτι
(hoti)
dat
αὐτός
(autos)
Hij
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
μέλλων
(mellon)
gaande
λυτροῦσθαι
(lytrousthai)
vrij te kopen
τὸν
(ton)
het
Ἰσραήλ
(Israel)
Israël
ἀλλά
(alla)
maar
γε
(ge)
zeker
καὶ
(kai)
ook
σὺν
(syn)
bij
πᾶσιν
(pasin)
alles
τούτοις
(toutois)
dit
τρίτην
(triten)
derde
ταύτην
(tauten)
deze
ἡμέραν
(hemeran)
dag
ἄγει
(agei)
brengt
ἀφ’
(aph’)
sinds
οὗ
(hou)
wanneer
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurden
Bron: SBLGNT
Uitleg

λυτρόω (lytroo), ‘vrijkopen’: van λύτρον (lytron), ‘losgeld’ (Mark. 10:45).

Het Hebreeuwse pada betekent ‘vrijkopen’.

Zie ookMar 10:45
22Maar ook hebben enkele vrouwen uit onze kring ons verbijsterd. Zij waren vroeg in de morgen bij het graf geweest
ἀλλὰ
(alla)
maar
καὶ
(kai)
ook
γυναῖκές
(gynaikes)
vrouwen
τινες
(tines)
enkele
ἐξ
(ex)
uit
ἡμῶν
(hemon)
ons
ἐξέστησαν
(exestesan)
verbijsterden
ἡμᾶς
(hemas)
ons
γενόμεναι
(genomenai)
geworden
ὀρθριναὶ
(orthrinai)
vroeg in de morgen
ἐπὶ
(epi)
bij
τὸ
(to)
het
μνημεῖον
(mnemeion)
graf
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging.

De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.

Dit is niet zeker.

Uitleg

ἐξίστημι (existemi), ‘verbijsteren’: letterlijk ‘buiten zinnen brengen’.

23en hadden Zijn lichaam niet gevonden. Zij kwamen en zeiden dat zij ook een verschijning van engelen hadden gezien, die zeggen dat Hij leeft.
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
εὑροῦσαι
(heurousai)
gevonden hebbend
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἦλθον
(elthon)
kwamen
λέγουσαι
(legousai)
zeggend
καὶ
(kai)
ook
ὀπτασίαν
(optasian)
verschijning
ἀγγέλων
(angelon)
van engelen
ἑωρακέναι
(heorakenai)
gezien te hebben
οἳ
(hoi)
die
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτὸν
(auton)
Hem
ζῆν
(zen)
te leven
Bron: SBLGNT
24Enkelen van ons zijn naar het graf gegaan en vonden het zo, zoals de vrouwen ook gezegd hadden. Maar Hem hebben zij niet gezien.”
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθόν
(apelthon)
gingen weg
τινες
(tines)
enkelen
τῶν
(ton)
van de
σὺν
(syn)
met
ἡμῖν
(hemin)
ons
ἐπὶ
(epi)
naar
τὸ
(to)
het
μνημεῖον
(mnemeion)
graf
καὶ
(kai)
en
εὗρον
(heuron)
vonden
οὕτως
(houtos)
zo
καθὼς
(kathos)
zoals
καὶ
(kai)
ook
αἱ
(hai)
de
γυναῖκες
(gynaikes)
vrouwen
εἶπον
(eipon)
zeiden
αὐτὸν
(auton)
Hem
δὲ
(de)
maar
οὐκ
(ouk)
niet
εἶδον
(eidon)
zagen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Graf van Jozef van Arimatea (graf van Yeshua; ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging.

De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.

Dit is niet zeker.

25Hij zei tegen hen: „O onverstandigen, traag van hart om te geloven in alles wat de profeten gesproken hebben!
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hij
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Ὦ
(O)
o
ἀνόητοι
(anoetoi)
onverstandigen
καὶ
(kai)
en
βραδεῖς
(bradeis)
traag
τῇ
(te)
van het
καρδίᾳ
(kardia)
hart
τοῦ
(tou)
het
πιστεύειν
(pisteuein)
geloven
ἐπὶ
(epi)
in
πᾶσιν
(pasin)
alles
οἷς
(hois)
wat
ἐλάλησαν
(elalesan)
spraken
οἱ
(hoi)
de
προφῆται
(prophetai)
profeten
Bron: SBLGNT
26Moest de Messias dit niet lijden en binnengaan in Zijn heerlijkheid?”
οὐχὶ
(ouchi)
niet
ταῦτα
(tauta)
dit
ἔδει
(edei)
moest
παθεῖν
(pathein)
lijden
τὸν
(ton)
de
χριστὸν
(christon)
Messias
καὶ
(kai)
en
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnengaan
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
27Beginnend bij Mozes en bij alle profeten legde Hij hun uit wat er in alle Schriften over Hemzelf staat.
καὶ
(kai)
en
ἀρξάμενος
(arxamenos)
beginnend
ἀπὸ
(apo)
bij
Μωϋσέως
(Moyseos)
Mozes
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
bij
πάντων
(panton)
alle
τῶν
(ton)
de
προφητῶν
(propheton)
profeten
διερμήνευσεν
(diermeneusen)
legde uit
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἐν
(en)
in
πάσαις
(pasais)
alle
ταῖς
(tais)
de
γραφαῖς
(graphais)
Schriften
τὰ
(ta)
de dingen
περὶ
(peri)
over
ἑαυτοῦ
(heautou)
Hemzelf
Bron: SBLGNT
Uitleg

De tekst zegt niet welke teksten uit de Schriften Hij uitlegde.

28Zij kwamen dicht bij het dorp waar zij heen gingen, en Hij deed alsof Hij verder wilde gaan.
Καὶ
(Kai)
en
ἤγγισαν
(engisan)
naderden
εἰς
(eis)
tot
τὴν
(ten)
het
κώμην
(komen)
dorp
οὗ
(hou)
waar
ἐπορεύοντο
(eporeuonto)
gingen zij
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
προσεποιήσατο
(prosepoiesato)
deed alsof
πορρώτερον
(porroteron)
verder
πορεύεσθαι
(poreuesthai)
te gaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

προσποιέομαι (prospoieomai), ‘doen alsof’: de tekst zegt niet waarom Hij zo deed.

29Zij drongen bij Hem aan: „Blijf bij ons. Want het loopt tegen de avond en de dag helt al over.” Hij ging naar binnen om bij hen te blijven.
καὶ
(kai)
en
παρεβιάσαντο
(parebiasanto)
drongen aan
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Μεῖνον
(Meinon)
blijf
μεθ’
(meth’)
bij
ἡμῶν
(hemon)
ons
ὅτι
(hoti)
want
πρὸς
(pros)
naar
ἑσπέραν
(hesperan)
avond
ἐστὶν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
κέκλικεν
(kekliken)
helt over
ἤδη
(ede)
al
ἡ
(he)
de
ἡμέρα
(hemera)
dag
καὶ
(kai)
en
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
ging binnen
τοῦ
(tou)
om
μεῖναι
(meinai)
te blijven
σὺν
(syn)
met
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
30Toen Hij met hen aan tafel lag, nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan hen.
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
κατακλιθῆναι
(kataklithenai)
aan tafel liggen
αὐτὸν
(auton)
Hij
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
λαβὼν
(labon)
nemend
τὸν
(ton)
het
ἄρτον
(arton)
brood
εὐλόγησεν
(eulogesen)
sprak de zegen uit
καὶ
(kai)
en
κλάσας
(klasas)
brekend
ἐπεδίδου
(epedidou)
gaf
αὐτοῖς
(autois)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐλογέω (eulogeo), ‘de zegen uitspreken’: over het brood, zoals bij een maaltijd gebruikelijk.

Vergelijk Luc. 22:19.

Zie ookLuc 22:19
31Hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem. Toen werd Hij onzichtbaar voor hen.
αὐτῶν
(auton)
hun
δὲ
(de)
maar
διηνοίχθησαν
(dienoichthesan)
werden geopend
οἱ
(hoi)
de
ὀφθαλμοὶ
(ophthalmoi)
ogen
καὶ
(kai)
en
ἐπέγνωσαν
(epegnosan)
herkenden
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
ἄφαντος
(aphantos)
onzichtbaar
ἐγένετο
(egeneto)
werd
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

διανοίγω (dianoigo), ‘openen’: staat ook in 24:32 en 24:45.

32Zij zeiden tegen elkaar: „Brandde ons hart niet in ons toen Hij onderweg tot ons sprak, toen Hij ons de Schriften opende?”
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
πρὸς
(pros)
tegen
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
Οὐχὶ
(Ouchi)
niet
ἡ
(he)
het
καρδία
(kardia)
hart
ἡμῶν
(hemon)
ons
καιομένη
(kaiomene)
brandend
ἦν
(en)
was
ἐν
(en)
in
ἡμῖν
(hemin)
ons
ὡς
(hos)
toen
ἐλάλει
(elalei)
sprak
ἡμῖν
(hemin)
tot ons
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
ὡς
(hos)
toen
διήνοιγεν
(dienoigen)
opende
ἡμῖν
(hemin)
ons
τὰς
(tas)
de
γραφάς
(graphas)
Schriften
Bron: SBLGNT
33Op datzelfde uur stonden zij op en keerden terug naar Jeruzalem. Daar vonden zij de elf bijeen, en degenen die bij hen waren.
καὶ
(kai)
en
ἀναστάντες
(anastantes)
opgestaan
αὐτῇ
(aute)
op dat
τῇ
(te)
zelfde
ὥρᾳ
(hora)
uur
ὑπέστρεψαν
(hypestrepsan)
keerden terug
εἰς
(eis)
naar
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
εὗρον
(heuron)
vonden
ἠθροισμένους
(ethroismenous)
bijeengebracht
τοὺς
(tous)
de
ἕνδεκα
(hendeka)
elf
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
σὺν
(syn)
met
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

οἱ ἕνδεκα (hoi hendeka), ‘de elf’: de twaalf zonder Judas.

Zie ook Mark. 16:14.

Zie ookMar 16:14
34Die zeiden: „De Heer is werkelijk opgewekt en aan Simon verschenen.”
λέγοντας
(legontas)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
ὄντως
(ontos)
werkelijk
ἠγέρθη
(egerthe)
is opgewekt
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
καὶ
(kai)
en
ὤφθη
(ophthe)
verscheen
Σίμωνι
(Simoni)
aan Simon
Bron: SBLGNT
Uitleg

Simon is Simon Petrus.

Zie ook 1 Kor. 15:5.

Zie ook1 Kor 15:5
35Ook zij vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het brood.
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zij
ἐξηγοῦντο
(exegounto)
vertelden
τὰ
(ta)
de dingen
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
καὶ
(kai)
en
ὡς
(hos)
hoe
ἐγνώσθη
(egnosthe)
werd herkend
αὐτοῖς
(autois)
door hen
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
κλάσει
(klasei)
breken
τοῦ
(tou)
van het
ἄρτου
(artou)
brood
Bron: SBLGNT

Yeshua verschijnt aan de leerlingen

36Terwijl zij hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden.
Ταῦτα
(Tauta)
dit
δὲ
(de)
maar
αὐτῶν
(auton)
zij
λαλούντων
(lalounton)
sprekend
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
ἔστη
(este)
stond
ἐν
(en)
in
μέσῳ
(meso)
midden
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Joh. 20:19–23; Mark. 16:14.

Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgen hier de woorden ‘En Hij zei tegen hen: Vrede voor jullie’ (vergelijk Joh. 20:19); de SBLGNT heeft ze niet.

37Zij schrokken en werden bang, en dachten een geest te zien.
πτοηθέντες
(ptoethentes)
verschrikt
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
en
ἔμφοβοι
(emphoboi)
bevreesd
γενόμενοι
(genomenoi)
geworden
ἐδόκουν
(edokoun)
dachten
πνεῦμα
(pneuma)
geest
θεωρεῖν
(theorein)
te zien
Bron: SBLGNT
Uitleg

πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier de geest van een gestorvene, geen Heilige Geest; daarom met kleine letter.

38Hij zei tegen hen: „Waarom zijn jullie ontsteld, en waarom komen er twijfels in jullie hart op?
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τί
(Ti)
waarom
τεταραγμένοι
(tetaragmenoi)
ontsteld
ἐστέ
(este)
zijn jullie
καὶ
(kai)
en
διὰ
(dia)
om
τί
(ti)
wat
διαλογισμοὶ
(dialogismoi)
overwegingen
ἀναβαίνουσιν
(anabainousin)
komen op
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
καρδίᾳ
(kardia)
hart
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

διαλογισμός (dialogismos), ‘overweging’: wat iemand bij zichzelf overlegt; hier gaat het om twijfel.

39Kijk naar Mijn handen en Mijn voeten: Ik ben het zelf. Raak Mij aan en kijk, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals jullie zien dat Ik die heb.”
ἴδετε
(idete)
kijk
τὰς
(tas)
de
χεῖράς
(cheiras)
handen
μου
(mou)
Mijn
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
μου
(mou)
Mijn
ὅτι
(hoti)
dat
ἐγώ
(ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
αὐτός
(autos)
zelf
ψηλαφήσατέ
(pselaphesate)
raak aan
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
ἴδετε
(idete)
kijk
ὅτι
(hoti)
dat
πνεῦμα
(pneuma)
geest
σάρκα
(sarka)
vlees
καὶ
(kai)
en
ὀστέα
(ostea)
beenderen
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχει
(echei)
heeft
καθὼς
(kathos)
zoals
ἐμὲ
(eme)
Mij
θεωρεῖτε
(theoreite)
jullie zien
ἔχοντα
(echonta)
hebbend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψηλαφάω (psilafao), ‘aanraken, betasten’.

Zie ook Joh. 20:20, 20:27.

40Nadat Hij dit gezegd had, liet Hij hun Zijn handen en Zijn voeten zien.
καὶ
(kai)
en
τοῦτο
(touto)
dit
εἰπὼν
(eipon)
gezegd hebbend
ἔδειξεν
(edeixen)
liet zien
αὐτοῖς
(autois)
hun
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
Bron: SBLGNT
Lezing

De SBLGNT zet dit vers tussen rechte haken.

In sommige oude handschriften ontbreekt het.

Wij vertalen het.

41Terwijl zij van vreugde nog steeds niet geloofden en zich verwonderden, zei Hij tegen hen: „Hebben jullie hier iets te eten?”
ἔτι
(eti)
nog
δὲ
(de)
maar
ἀπιστούντων
(apistounton)
ongelovig zijnd
αὐτῶν
(auton)
zij
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
χαρᾶς
(charas)
vreugde
καὶ
(kai)
en
θαυμαζόντων
(thaumazonton)
zich verwonderend
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἔχετέ
(Echete)
hebben jullie
τι
(ti)
iets
βρώσιμον
(brosimon)
eetbaars
ἐνθάδε
(enthade)
hier
Bron: SBLGNT
Uitleg

χαρά (chara), ‘vreugde’: ook in 24:52.

42Zij gaven Hem een stuk gebraden vis.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἐπέδωκαν
(epedokan)
gaven
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἰχθύος
(ichthyos)
van vis
ὀπτοῦ
(optou)
gebraden
μέρος
(meros)
stuk
Bron: SBLGNT
43Hij nam het en at het voor hun ogen.
καὶ
(kai)
en
λαβὼν
(labon)
nemend
ἐνώπιον
(enopion)
voor
αὐτῶν
(auton)
hun ogen
ἔφαγεν
(ephagen)
at
Bron: SBLGNT

De opdracht en de belofte

44Hij zei tegen hen: „Dit zijn Mijn woorden die Ik tot jullie sprak toen Ik nog bij jullie was. Alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes, de profeten en de psalmen, moet vervuld worden.”
Εἶπεν
(Eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτούς
(autous)
hen
Οὗτοι
(Houtoi)
dit
οἱ
(hoi)
de
λόγοι
(logoi)
woorden
μου
(mou)
Mijn
οὓς
(hous)
die
ἐλάλησα
(elalesa)
sprak Ik
πρὸς
(pros)
tot
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἔτι
(eti)
nog
ὢν
(on)
zijnde
σὺν
(syn)
met
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὅτι
(hoti)
dat
δεῖ
(dei)
moet
πληρωθῆναι
(plerothenai)
vervuld worden
πάντα
(panta)
alles
τὰ
(ta)
het
γεγραμμένα
(gegrammena)
geschrevene
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
νόμῳ
(nomo)
wet
Μωϋσέως
(Moyseos)
van Mozes
καὶ
(kai)
en
προφήταις
(prophetais)
profeten
καὶ
(kai)
en
ψαλμοῖς
(psalmois)
psalmen
περὶ
(peri)
over
ἐμοῦ
(emou)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

Hier staan de drie delen van de Schriften van Israël naast elkaar: de wet (Torah), de profeten en de psalmen.

45Toen opende Hij hun verstand om de Schriften te begrijpen.
τότε
(tote)
toen
διήνοιξεν
(dienoixen)
opende
αὐτῶν
(auton)
hun
τὸν
(ton)
het
νοῦν
(noun)
verstand
τοῦ
(tou)
om
συνιέναι
(synienai)
te begrijpen
τὰς
(tas)
de
γραφάς
(graphas)
Schriften
Bron: SBLGNT
Uitleg

νοῦς (nous), ‘verstand’: het vermogen om te begrijpen.

46Hij zei tegen hen: „Zo staat geschreven dat de Messias zou lijden en op de derde dag uit de doden zou opstaan,
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὅτι
(hoti)
dat
οὕτως
(houtos)
zo
γέγραπται
(gegraptai)
is geschreven
παθεῖν
(pathein)
lijden
τὸν
(ton)
de
χριστὸν
(christon)
Messias
καὶ
(kai)
en
ἀναστῆναι
(anastenai)
opstaan
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
τῇ
(te)
op de
τρίτῃ
(trite)
derde
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
Bron: SBLGNT
47en dat in Zijn naam bekering en vergeving van zonden verkondigd zou worden aan alle volken, te beginnen in Jeruzalem.
καὶ
(kai)
en
κηρυχθῆναι
(kerychthenai)
verkondigd worden
ἐπὶ
(epi)
in
τῷ
(to)
de
ὀνόματι
(onomati)
naam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
μετάνοιαν
(metanoian)
bekering
καὶ
(kai)
en
ἄφεσιν
(aphesin)
vergeving
ἁμαρτιῶν
(hamartion)
van zonden
εἰς
(eis)
tot
πάντα
(panta)
alle
τὰ
(ta)
de
ἔθνη
(ethne)
volken
ἀρξάμενοι
(arxamenoi)
beginnend
ἀπὸ
(apo)
vanaf
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Zie ook Matt. 28:19–20; Mark. 16:15. μετάνοια (metanoia), ‘bekering’: zie 3:3. ἀρξάμενοι (arxamenoi), ‘te beginnen’: de vorm is meervoud en kan bij ‘jullie’ in 24:48 horen (‘jullie, beginnend in Jeruzalem, zijn getuigen’).

48Jullie zijn getuigen hiervan.
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ἐστε
(este)
zijn
μάρτυρες
(martyres)
getuigen
τούτων
(touton)
hiervan
Bron: SBLGNT
49En zie, Ik zend de belofte van Mijn Vader op jullie. Blijf in de stad totdat jullie bekleed worden met kracht uit de hoogte.”
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἐξαποστέλλω
(exapostello)
zend
τὴν
(ten)
de
ἐπαγγελίαν
(epangelian)
belofte
τοῦ
(tou)
van de
πατρός
(patros)
Vader
μου
(mou)
Mijn
ἐφ’
(eph’)
op
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
καθίσατε
(kathisate)
blijf
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πόλει
(polei)
stad
ἕως
(heos)
totdat
οὗ
(hou)
wanneer
ἐνδύσησθε
(endysesthe)
bekleed worden
ἐξ
(ex)
uit
ὕψους
(hypsous)
hoogte
δύναμιν
(dynamin)
kracht
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπαγγελία (epangelia), ‘belofte’. ἐξαποστέλλω (exapostello), ‘zenden’.

De tekst noemt niet wat de belofte van de Vader is; zie Hand. 1:4–5. ὕψος (hypsos), ‘hoogte’: de hemel.

De hemelvaart

50Hij leidde hen naar buiten, tot bij Betanië, hief Zijn handen op en zegende hen.
Ἐξήγαγεν
(Exegagen)
leidde naar buiten
δὲ
(de)
maar
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἕως
(heos)
tot
πρὸς
(pros)
naar
Βηθανίαν
(Bethanian)
Betanië
καὶ
(kai)
en
ἐπάρας
(eparas)
opheffend
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εὐλόγησεν
(eulogesen)
zegende
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betanië: Betanië (el-Azariya) lag aan de oostkant van de Olijfberg, ongeveer 3 km ten oosten van Jeruzalem.

Uitleg

Vergelijk Lev. 9:22, waar Aäron zijn handen opheft en het volk zegent.

Zie ook Mark. 16:19–20; Hand. 1:9–12.

51Terwijl Hij hen zegende, scheidde Hij van hen en werd omhooggedragen naar de hemel.
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
εὐλογεῖν
(eulogein)
zegenen
αὐτὸν
(auton)
Hij
αὐτοὺς
(autous)
hen
διέστη
(dieste)
scheidde
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
καὶ
(kai)
en
ἀνεφέρετο
(anephereto)
werd omhooggedragen
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
οὐρανόν
(ouranon)
hemel
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀναφέρω (anafero), ‘omhoogdragen’: letterlijk ‘omhoog brengen’; zie ook Mark. 16:19 en Hand. 1:9–11.

Lezing

De SBLGNT zet de woorden ‘en werd omhooggedragen naar de hemel’ tussen rechte haken.

In sommige oude handschriften ontbreken ze.

Wij vertalen ze.

52Zij bogen zich voor Hem neer en keerden met grote vreugde terug naar Jeruzalem.
καὶ
(kai)
en
αὐτοὶ
(autoi)
zij
προσκυνήσαντες
(proskynesantes)
zich neerbuigend
αὐτὸν
(auton)
voor Hem
ὑπέστρεψαν
(hypestrepsan)
keerden terug
εἰς
(eis)
naar
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
μετὰ
(meta)
met
χαρᾶς
(charas)
vreugde
μεγάλης
(megales)
grote
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’.

Lezing

De SBLGNT zet de woorden over het zich neerbuigen voor Hem tussen rechte haken.

In sommige oude handschriften ontbreken ze.

Wij vertalen ze.

53Zij waren voortdurend in de tempel en zegenden Elohim.
καὶ
(kai)
en
ἦσαν
(esan)
waren
διὰ
(dia)
door
παντὸς
(pantos)
voortdurend
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
εὐλογοῦντες
(eulogountes)
zegenend
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’: Elohim zegenen is Hem prijzen (vergelijk Ps. 103:1).

Zie ookPs 103:1