Yeshua spreekt over de schriftgeleerden en Farizeeën en klaagt over Jeruzalem
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Doe niet wat zij doen
1Toen sprak Yeshua tot de menigten en tot Zijn leerlingen
Τότε
(Tote)
toen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
τοῖς
(tois)
tot de
ὄχλοις
(ochlois)
menigten
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
tot de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
Zie ook Mark. 12:38–40; Luc. 11:37–54; 20:45–47.
De toespraak die in vers 2 begint, loopt in dit evangelie door tot en met Matt. 25:46, met een onderbreking in Matt. 24:1–3.
2en zei: „Op de zetel van Mozes zijn de schriftgeleerden en de Farizeeën gaan zitten.
λέγων
(legon)
zeggend
Ἐπὶ
(Epi)
op
τῆς
(tes)
de
Μωϋσέως
(Moyseos)
van Mozes
καθέδρας
(kathedras)
zetel
ἐκάθισαν
(ekathisan)
zijn gaan zitten
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
Bron: SBLGNT
Uitleg
καθέδρα (kathedra), ‘zetel’: de plaats van waaruit de wet van Mozes werd uitgelegd.
Het gaat om gezag over de uitleg; of er een echte zetel bedoeld is, is niet zeker.
3Alles wat zij jullie dus zeggen, doe het en houd het. Maar doe niet naar hun daden, want zij zeggen het wel, maar doen het niet.
πάντα
(panta)
alles
οὖν
(oun)
dus
ὅσα
(hosa)
wat
ἐὰν
(ean)
ook
εἴπωσιν
(eiposin)
zij zeggen
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ποιήσατε
(poiesate)
doe
καὶ
(kai)
en
τηρεῖτε
(tereite)
houd
κατὰ
(kata)
naar
δὲ
(de)
maar
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
daden
αὐτῶν
(auton)
hun
μὴ
(me)
niet
ποιεῖτε
(poieite)
doe
λέγουσιν
(legousin)
zij zeggen
γὰρ
(gar)
want
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
ποιοῦσιν
(poiousin)
doen zij
Bron: SBLGNT
4Zij binden zware lasten samen en leggen die op de schouders van de mensen. Maar zelf willen zij ze niet met hun vinger verplaatsen.
δεσμεύουσιν
(desmeuousin)
zij binden samen
δὲ
(de)
maar
φορτία
(phortia)
lasten
βαρέα
(barea)
zware
καὶ
(kai)
en
ἐπιτιθέασιν
(epititheasin)
leggen op
ἐπὶ
(epi)
op
τοὺς
(tous)
de
ὤμους
(omous)
schouders
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
αὐτοὶ
(autoi)
zijzelf
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
met de
δακτύλῳ
(daktylo)
vinger
αὐτῶν
(auton)
hun
οὐ
(ou)
niet
θέλουσιν
(thelousin)
willen
κινῆσαι
(kinesai)
verplaatsen
αὐτά
(auta)
ze
Bron: SBLGNT
Zij doen alles om gezien te worden
5Al hun daden doen zij om gezien te worden door de mensen. Want zij maken hun gebedsdoosjes breed en hun kwasten groot.
πάντα
(panta)
alle
δὲ
(de)
maar
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
daden
αὐτῶν
(auton)
hun
ποιοῦσιν
(poiousin)
doen zij
πρὸς
(pros)
om
τὸ
(to)
te
θεαθῆναι
(theathenai)
gezien te worden
τοῖς
(tois)
door de
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
πλατύνουσι
(platynousi)
zij maken breed
γὰρ
(gar)
want
τὰ
(ta)
de
φυλακτήρια
(phylakteria)
gebedsdoosjes
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
μεγαλύνουσι
(megalynousi)
zij maken groot
τὰ
(ta)
de
κράσπεδα
(kraspeda)
kwasten
Bron: SBLGNT
Uitleg
φυλακτήρια (phylakteria), ‘gebedsdoosjes’: kleine doosjes met teksten uit de wet, aan de arm en op het voorhoofd gedragen.
Dit komt voort uit Exod. 13:9 en Deut. 6:8 (‘een teken op je hand’, ‘een gedachtenis’ of ‘band tussen je ogen’); het Hebreeuws heet תְּפִלִּין (tefillin).
κράσπεδα (kraspeda), ‘kwasten’: de kwasten aan de hoeken van het kleed, Hebreeuws צִיצִת (tsitsit); zie Num. 15:38–39 en Deut. 22:12.
13Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie sluiten het koninkrijk van de hemelen af voor de mensen. Jullie gaan zelf niet naar binnen, en wie naar binnen wil gaan, laten jullie niet binnengaan.
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
δὲ
(de)
maar
ὑμῖν
(hymin)
jullie
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ὑποκριταί
(hypokritai)
huichelaars
ὅτι
(hoti)
omdat
κλείετε
(kleiete)
jullie sluiten af
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
τῶν
(ton)
de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
γὰρ
(gar)
want
οὐκ
(ouk)
niet
εἰσέρχεσθε
(eiserchesthe)
gaan binnen
οὐδὲ
(oude)
en niet
τοὺς
(tous)
wie
εἰσερχομένους
(eiserchomenous)
binnengaan
ἀφίετε
(aphiete)
laten jullie
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
Bron: SBLGNT
Uitleg
Οὐαί (ouai), ‘wee’: een uitroep van smart, die een oordeel aankondigt; vergelijk het Hebreeuwse הוֹי (hoj) in Jes. 5:8. ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: iemand die een rol speelt.
In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet.
15Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie trekken over zee en over land om één proseliet te maken. En wanneer hij het geworden is, maken jullie hem tot een zoon van de Gehenna, twee keer zozeer als jullie zelf.
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
ὑμῖν
(hymin)
jullie
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ὑποκριταί
(hypokritai)
huichelaars
ὅτι
(hoti)
omdat
περιάγετε
(periagete)
jullie trekken rond
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
het
ξηρὰν
(xeran)
droge land
ποιῆσαι
(poiesai)
te maken
ἕνα
(hena)
één
προσήλυτον
(proselyton)
proseliet
καὶ
(kai)
en
ὅταν
(hotan)
wanneer
γένηται
(genetai)
hij is geworden
ποιεῖτε
(poieite)
maakt jullie
αὐτὸν
(auton)
hem
υἱὸν
(huion)
zoon
γεέννης
(geennes)
van de Gehenna
διπλότερον
(diploteron)
tweemaal zozeer
ὑμῶν
(hymon)
als jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
προσήλυτος (proselytos), ‘proseliet’: iemand uit de volken die zich bij het Joodse volk voegt.
γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: zie Matt. 5:22. Het is hier een beeld van het oordeel. ‘Zoon van de Gehenna’ is iemand die daarvoor bestemd is.
16Wee jullie, blinde gidsen, die zeggen: ‘Wie zweert bij het heiligdom, dat is niets. Maar wie zweert bij het goud van het heiligdom, is gebonden.’
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὁδηγοὶ
(hodegoi)
gidsen
τυφλοὶ
(typhloi)
blinde
οἱ
(hoi)
die
λέγοντες
(legontes)
zeggen
Ὃς
(Hos)
wie
ἂν
(an)
ook
ὀμόσῃ
(omose)
zweert
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
ναῷ
(nao)
heiligdom
οὐδέν
(ouden)
niets
ἐστιν
(estin)
is het
ὃς
(hos)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ook
ὀμόσῃ
(omose)
zweert
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
χρυσῷ
(chryso)
goud
τοῦ
(tou)
van het
ναοῦ
(naou)
heiligdom
ὀφείλει
(opheilei)
is gebonden
Bron: SBLGNT
Uitleg
ναός (naos), ‘heiligdom’: het gebouw zelf; ἱερόν (hieron), ‘tempel’, is heel het terrein. ὀφείλει (opheilei), ‘is gebonden’, letterlijk ‘is schuldig’: is verplicht zijn eed na te komen.
17Dwazen en blinden! Wat is groter: het goud, of het heiligdom dat het goud heilig maakt?
μωροὶ
(moroi)
dwazen
καὶ
(kai)
en
τυφλοί
(typhloi)
blinden
τίς
(tis)
wat
γὰρ
(gar)
want
μείζων
(meizon)
groter
ἐστίν
(estin)
is
ὁ
(ho)
het
χρυσὸς
(chrysos)
goud
ἢ
(e)
of
ὁ
(ho)
het
ναὸς
(naos)
heiligdom
ὁ
(ho)
dat
ἁγιάσας
(hagiasas)
heilig maakt
τὸν
(ton)
het
χρυσόν
(chryson)
goud
Bron: SBLGNT
18En: ‘Wie zweert bij het altaar, dat is niets. Maar wie zweert bij de gave die erop ligt, is gebonden.’
καί
(kai)
en
Ὃς
(Hos)
wie
ἂν
(an)
ook
ὀμόσῃ
(omose)
zweert
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
θυσιαστηρίῳ
(thysiasterio)
altaar
οὐδέν
(ouden)
niets
ἐστιν
(estin)
is het
ὃς
(hos)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ook
ὀμόσῃ
(omose)
zweert
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
de
δώρῳ
(doro)
gave
τῷ
(to)
die
ἐπάνω
(epano)
erboven ligt
αὐτοῦ
(autou)
het
ὀφείλει
(opheilei)
is gebonden
Bron: SBLGNT
Uitleg
θυσιαστήριον (thysiasterion), ‘altaar’. δῶρον (doron), ‘gave’: wat men aan Elohim aanbiedt.
19Blinden! Wat is groter: de gave, of het altaar dat de gave heilig maakt?
τυφλοί
(typhloi)
blinden
τί
(ti)
wat
γὰρ
(gar)
want
μεῖζον
(meizon)
groter
τὸ
(to)
de
δῶρον
(doron)
gave
ἢ
(e)
of
τὸ
(to)
het
θυσιαστήριον
(thysiasterion)
altaar
τὸ
(to)
dat
ἁγιάζον
(hagiazon)
heilig maakt
τὸ
(to)
de
δῶρον
(doron)
gave
Bron: SBLGNT
20Wie dus zweert bij het altaar, zweert erbij en bij alles wat erop ligt.
ὁ
(ho)
die
οὖν
(oun)
dus
ὀμόσας
(omosas)
zweert
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
θυσιαστηρίῳ
(thysiasterio)
altaar
ὀμνύει
(omnyei)
zweert
ἐν
(en)
bij
αὐτῷ
(auto)
het
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
bij
πᾶσι
(pasi)
alles
τοῖς
(tois)
wat
ἐπάνω
(epano)
erboven ligt
αὐτοῦ
(autou)
hem
Bron: SBLGNT
21En wie zweert bij het heiligdom, zweert erbij en bij Hem die erin woont.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
die
ὀμόσας
(omosas)
zweert
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
ναῷ
(nao)
heiligdom
ὀμνύει
(omnyei)
zweert
ἐν
(en)
bij
αὐτῷ
(auto)
het
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
Hem die
κατοικοῦντι
(katoikounti)
woont
αὐτόν
(auton)
erin
Bron: SBLGNT
22En wie zweert bij de hemel, zweert bij de troon van Elohim en bij Hem die erop zit.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
die
ὀμόσας
(omosas)
zweert
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
de
οὐρανῷ
(ourano)
hemel
ὀμνύει
(omnyei)
zweert
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
de
θρόνῳ
(throno)
troon
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
Hem die
καθημένῳ
(kathemeno)
zit
ἐπάνω
(epano)
erboven
αὐτοῦ
(autou)
Hem
Bron: SBLGNT
De tiende van munt en dille
23Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie geven de tiende van munt, dille en komijn. Maar het zwaarste van de wet hebben jullie laten liggen: het recht, de barmhartigheid en het geloof. Dit had men moeten doen, zonder dat andere na te laten.
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
ὑμῖν
(hymin)
jullie
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ὑποκριταί
(hypokritai)
huichelaars
ὅτι
(hoti)
omdat
ἀποδεκατοῦτε
(apodekatoute)
jullie geven de tiende van
τὸ
(to)
de
ἡδύοσμον
(hedyosmon)
munt
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
ἄνηθον
(anethon)
dille
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
κύμινον
(kyminon)
komijn
καὶ
(kai)
en
ἀφήκατε
(aphekate)
hebben laten liggen
τὰ
(ta)
het
βαρύτερα
(barytera)
zwaarste
τοῦ
(tou)
van de
νόμου
(nomou)
wet
τὴν
(ten)
het
κρίσιν
(krisin)
recht
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
ἔλεος
(eleos)
barmhartigheid
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
het
πίστιν
(pistin)
geloof
ταῦτα
(tauta)
dit
ἔδει
(edei)
moest
ποιῆσαι
(poiesai)
gedaan worden
κἀκεῖνα
(kakeina)
en dat andere
μὴ
(me)
niet
ἀφιέναι
(aphienai)
nalaten
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀποδεκατόω (apodekatoo), ‘de tiende geven van’: zie Lev. 27:30 en Deut. 14:22. ἡδύοσμον (hedyosmon), ‘munt’, ἄνηθον (anethon), ‘dille’ en κύμινον (kyminon), ‘komijn’ zijn keukenkruiden.
ἔλεος (eleos), ‘barmhartigheid’: vergelijk Hos. 6:6 en Micha 6:8, waar ons Hebreeuws חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, heeft. πίστις (pistis) is ‘geloof’, maar kan ook ‘trouw’ betekenen, vergelijk אֱמוּנָה (emunah).
25Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie reinigen de buitenkant van de beker en van de schaal, maar van binnen zijn ze vol roof en gebrek aan zelfbeheersing.
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
ὑμῖν
(hymin)
jullie
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ὑποκριταί
(hypokritai)
huichelaars
ὅτι
(hoti)
omdat
καθαρίζετε
(katharizete)
jullie reinigen
τὸ
(to)
de
ἔξωθεν
(exothen)
buitenkant
τοῦ
(tou)
van de
ποτηρίου
(poteriou)
beker
καὶ
(kai)
en
τῆς
(tes)
van de
παροψίδος
(paropsidos)
schaal
ἔσωθεν
(esothen)
binnenin
δὲ
(de)
maar
γέμουσιν
(gemousin)
zijn vol
ἐξ
(ex)
van
ἁρπαγῆς
(harpages)
roof
καὶ
(kai)
en
ἀκρασίας
(akrasias)
gebrek aan zelfbeheersing
Bron: SBLGNT
Uitleg
παροψίς (paropsis), ‘schaal’. ἀκρασία (akrasia), ‘gebrek aan zelfbeheersing’.
26Blinde Farizeeër! Reinig eerst de binnenkant van de beker en van de schaal, zodat ook de buitenkant ervan rein wordt.
Φαρισαῖε
(Pharisaie)
Farizeeër
τυφλέ
(typhle)
blinde
καθάρισον
(katharison)
reinig
πρῶτον
(proton)
eerst
τὸ
(to)
de
ἐντὸς
(entos)
binnenkant
τοῦ
(tou)
van de
ποτηρίου
(poteriou)
beker
καὶ
(kai)
en
τῆς
(tes)
van de
παροψίδος
(paropsidos)
schaal
ἵνα
(hina)
opdat
γένηται
(genetai)
wordt
καὶ
(kai)
ook
τὸ
(to)
de
ἐκτὸς
(ektos)
buitenkant
αὐτοῦ
(autou)
ervan
καθαρόν
(katharon)
rein
Bron: SBLGNT
27Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie lijken op witgepleisterde graven, die van buiten mooi zijn, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid.
Οὐαὶ
(Ouai)
wee
ὑμῖν
(hymin)
jullie
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
ὑποκριταί
(hypokritai)
huichelaars
ὅτι
(hoti)
omdat
παρομοιάζετε
(paromoiazete)
jullie lijken op
τάφοις
(taphois)
graven
κεκονιαμένοις
(kekoniamenois)
witgepleisterde
οἵτινες
(hoitines)
die
ἔξωθεν
(exothen)
van buiten
μὲν
(men)
wel
φαίνονται
(phainontai)
schijnen
ὡραῖοι
(horaioi)
mooi
ἔσωθεν
(esothen)
van binnen
δὲ
(de)
maar
γέμουσιν
(gemousin)
zijn vol
ὀστέων
(osteon)
van botten
νεκρῶν
(nekron)
van doden
καὶ
(kai)
en
πάσης
(pases)
van alle
ἀκαθαρσίας
(akatharsias)
onreinheid
Bron: SBLGNT
Uitleg
κεκονιαμένοις (kekoniamenois), ‘witgepleisterd’: met kalk wit gemaakt.
28Zo lijken ook jullie van buiten rechtvaardig voor de mensen, maar van binnen zijn jullie vol huichelarij en wetteloosheid.
οὕτως
(houtos)
zo
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ἔξωθεν
(exothen)
van buiten
μὲν
(men)
wel
φαίνεσθε
(phainesthe)
schijnen
τοῖς
(tois)
aan de
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
δίκαιοι
(dikaioi)
rechtvaardig
ἔσωθεν
(esothen)
van binnen
δέ
(de)
maar
ἐστε
(este)
zijn
μεστοὶ
(mestoi)
vol
ὑποκρίσεως
(hypokriseos)
van huichelarij
καὶ
(kai)
en
ἀνομίας
(anomias)
van wetteloosheid
Bron: SBLGNT
De graven van de profeten
29Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Want jullie bouwen de graven van de profeten en versieren de gedenktekens van de rechtvaardigen.
30En jullie zeggen: ‘Als wij in de dagen van onze vaders hadden geleefd, zouden wij geen deelgenoten van hen zijn geweest in het bloed van de profeten.’
καὶ
(kai)
en
λέγετε
(legete)
zeggen jullie
Εἰ
(Ei)
als
ἤμεθα
(emetha)
wij waren
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
τῶν
(ton)
van de
πατέρων
(pateron)
vaders
ἡμῶν
(hemon)
onze
οὐκ
(ouk)
niet
ἂν
(an)
zouden
ἤμεθα
(emetha)
wij zijn geweest
αὐτῶν
(auton)
hun
κοινωνοὶ
(koinonoi)
deelgenoten
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
αἵματι
(haimati)
bloed
τῶν
(ton)
van de
προφητῶν
(propheton)
profeten
Bron: SBLGNT
31Zo getuigen jullie tegen jullie zelf dat jullie zonen zijn van hen die de profeten hebben vermoord.
ὥστε
(hoste)
zodat
μαρτυρεῖτε
(martyreite)
getuigen jullie
ἑαυτοῖς
(heautois)
tegen jullie zelf
ὅτι
(hoti)
dat
υἱοί
(huioi)
zonen
ἐστε
(este)
jullie zijn
τῶν
(ton)
van de
φονευσάντων
(phoneusanton)
vermoorders
τοὺς
(tous)
de
προφήτας
(prophetas)
profeten
Bron: SBLGNT
32Maak dan ook jullie de maat van jullie vaders vol!
καὶ
(kai)
en
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
πληρώσατε
(plerosate)
maak vol
τὸ
(to)
de
μέτρον
(metron)
maat
τῶν
(ton)
van de
πατέρων
(pateron)
vaders
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
μέτρον (metron), ‘maat’: vergelijk Gen. 15:16, waar de schuld van de Amorieten nog niet ‘vol’ is.
34Daarom, zie: Ik zend profeten, wijzen en schriftgeleerden naar jullie toe. Sommigen van hen zullen jullie doden en kruisigen. Anderen van hen zullen jullie geselen in jullie synagogen en van stad tot stad vervolgen.
διὰ
(dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἀποστέλλω
(apostello)
zend
πρὸς
(pros)
naar
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
προφήτας
(prophetas)
profeten
καὶ
(kai)
en
σοφοὺς
(sophous)
wijzen
καὶ
(kai)
en
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
ἐξ
(ex)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
ἀποκτενεῖτε
(apokteneite)
zullen jullie doden
καὶ
(kai)
en
σταυρώσετε
(staurosete)
kruisigen
καὶ
(kai)
en
ἐξ
(ex)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
μαστιγώσετε
(mastigosete)
zullen jullie geselen
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
συναγωγαῖς
(synagogais)
synagogen
ὑμῶν
(hymon)
jullie
καὶ
(kai)
en
διώξετε
(dioxete)
zullen jullie vervolgen
ἀπὸ
(apo)
van
πόλεως
(poleos)
stad
εἰς
(eis)
naar
πόλιν
(polin)
stad
Bron: SBLGNT
35Dit gebeurt, opdat over jullie al het rechtvaardige bloed komt dat op de aarde wordt vergoten. Dat loopt vanaf het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja. Hem hebben jullie vermoord tussen het heiligdom en het altaar.
ὅπως
(hopos)
opdat
ἔλθῃ
(elthe)
komt
ἐφ’
(eph’)
over
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
πᾶν
(pan)
al
αἷμα
(haima)
bloed
δίκαιον
(dikaion)
rechtvaardig
ἐκχυννόμενον
(ekchynnomenon)
vergoten wordend
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
ἀπὸ
(apo)
vanaf
τοῦ
(tou)
het
αἵματος
(haimatos)
bloed
Ἅβελ
(Habel)
van Abel
τοῦ
(tou)
de
δικαίου
(dikaiou)
rechtvaardige
ἕως
(heos)
tot
τοῦ
(tou)
het
αἵματος
(haimatos)
bloed
Ζαχαρίου
(Zachariou)
van Zacharia
υἱοῦ
(huiou)
zoon
Βαραχίου
(Barachiou)
van Berechja
ὃν
(hon)
die
ἐφονεύσατε
(ephoneusate)
vermoordden jullie
μεταξὺ
(metaxy)
tussen
τοῦ
(tou)
het
ναοῦ
(naou)
heiligdom
καὶ
(kai)
en
τοῦ
(tou)
het
θυσιαστηρίου
(thysiasteriou)
altaar
Bron: SBLGNT
Uitleg
Abel: Gen. 4:8–10.
Over Zacharia: twee mannen komen in aanmerking, Zacharia, de zoon van Joiada, die gestenigd werd in de voorhof van het huis van Yahweh (2 Kron. 24:20–22), en de profeet Zacharia, de zoon van Berechja (Zach. 1:1).
37Jeruzalem, Jeruzalem, jij die de profeten doodt en degenen stenigt die naar haar gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik jouw kinderen willen bijeenbrengen, zoals een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels. Maar jullie hebben niet gewild.
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
ἡ
(he)
de
ἀποκτείνουσα
(apokteinousa)
doodende
τοὺς
(tous)
de
προφήτας
(prophetas)
profeten
καὶ
(kai)
en
λιθοβολοῦσα
(lithobolousa)
stenigende
τοὺς
(tous)
de
ἀπεσταλμένους
(apestalmenous)
gezondenen
πρὸς
(pros)
naar
αὐτήν
(auten)
haar
ποσάκις
(posakis)
hoe vaak
ἠθέλησα
(ethelesa)
heb Ik gewild
ἐπισυναγαγεῖν
(episynagagein)
bijeen te brengen
τὰ
(ta)
de
τέκνα
(tekna)
kinderen
σου
(sou)
jouw
ὃν
(hon)
op welke
τρόπον
(tropon)
wijze
ὄρνις
(ornis)
hen
ἐπισυνάγει
(episynagei)
bijeenbrengt
τὰ
(ta)
de
νοσσία
(nossia)
kuikens
αὐτῆς
(autes)
haar
ὑπὸ
(hypo)
onder
τὰς
(tas)
de
πτέρυγας
(pterygas)
vleugels
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἠθελήσατε
(ethelesate)
hebben jullie gewild
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het Grieks gaat van ‘jouw’ (de stad, enkelvoud) over op ‘jullie’ (haar inwoners).
ὄρνις (ornis), ‘hen’: eigenlijk ‘vogel’; hier de hen met haar kuikens. Beschutting onder vleugels is een beeld uit de Psalmen: Ps. 17:8; 91:4.
38Zie, jullie huis wordt aan jullie overgelaten, verlaten.
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἀφίεται
(aphietai)
wordt overgelaten
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὁ
(ho)
het
οἶκος
(oikos)
huis
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἔρημος
(eremos)
verlaten
Bron: SBLGNT
Uitleg
‘Jullie huis’ kan de tempel, de stad of het volk bedoelen; vergelijk Jer. 22:5, ‘dit huis zal een ruïne worden’. ἔρημος (eremos), ‘verlaten’, is ook het woord voor ‘woestijn’ (Matt. 3:1).