Elohim Bijbel

Richteren 19

123456789101112131415161718192021

De Leviet en zijn bijvrouw in Gibea

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Leviet en zijn bijvrouw

1In die dagen was er geen koning in Israël. Er was een man, een Leviet, die als vreemdeling woonde in de uithoeken van het bergland van Efraïm. Hij nam een vrouw voor zich, een bijvrouw, uit Betlehem in Juda.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
וּמֶ֖לֶךְ
(umelekh)
en koning
אֵ֣ין
(ein)
niet is
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en er was
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
לֵוִ֗י
(levi)
een Leviet
גָּ֚ר
(gar)
woonde als vreemdeling
בְּיַרְכְּתֵ֣י
(beyarketei)
in de uithoeken van
הַר
(har)
het bergland van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וַיִּֽקַּֽח
(vayiqach)
en nam
לוֹ֙
(lo)
voor zich
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
פִילֶ֔גֶשׁ
(pilegesh)
een bijvrouw
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit Bet
לֶ֖חֶם
(lechem)
Lechem
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betlehem in Juda: zie de Plaats-voetnoot bij 17:7.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Uitleg

פִּילֶגֶשׁ (pilegesh), ‘bijvrouw’: een vrouw met een lagere status dan de echtgenote, maar wel in het huis van de man (zie Gen. 25:6; 35:22).

Het Hebreeuws noemt haar ook ‘vrouw’ (isha) en haar man ‘haar man’ (ishah).

Dit is het derde refrein ‘In die dagen was er geen koning in Israël’ (zie 17:6 en 18:1). Hier staat alleen de eerste helft.

2Zijn bijvrouw hoereerde tegen hem. Zij ging bij hem weg naar het huis van haar vader in Betlehem in Juda. Zij bleef daar vier maanden.
וַתִּזְנֶ֤ה
(vatizne)
en hoereerde
עָלָיו֙
(alav)
tegen hem
פִּֽילַגְשׁ֔וֹ
(pilagsho)
zijn bijvrouw
וַתֵּ֤לֶךְ
(vatelekh)
en ging weg
מֵֽאִתּוֹ֙
(meito)
van hem
אֶל
(el)
naar
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔יהָ
(aviha)
haar vader
אֶל
(el)
naar
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
לֶ֖חֶם
(lechem)
Lechem
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַתְּהִי
(vatehi)
en zij was
שָׁ֕ם
(sham)
daar
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
אַרְבָּעָ֥ה
(arbaa)
vier
חֳדָשִֽׁים
(chodashim)
maanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

וַתִּזְנֶה (vatizneh), ‘zij hoereerde’: het werkwoord zana betekent ‘hoereren’, dus ontrouw zijn.

Wij vertalen zoals het staat.

Het Hebreeuws zegt niet met wie.

Lezing

Enkele oude vertalingen lijken hier een ander woord te volgen, ‘zij werd boos op hem’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

De Leviet in het huis van zijn schoonvader

3Haar man stond op en ging haar achterna. Hij wilde tot haar hart spreken en haar terugbrengen. Zijn jongen was bij hem, met een paar ezels. Zij bracht hem in het huis van haar vader. De vader van de jonge vrouw zag hem en kwam hem verheugd tegemoet.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en stond op
אִישָׁ֜הּ
(ishah)
haar man
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אַחֲרֶ֗יהָ
(achareiha)
achter haar aan
לְדַבֵּ֤ר
(ledaber)
om te spreken
עַל
(al)
tot
לִבָּהּ֙
(libah)
haar hart
לַהֲשִׁיבָ֔הּ
(lahashivah)
om haar terug te brengen
וְנַעֲר֥וֹ
(venaaro)
en zijn jongen
עִמּ֖וֹ
(imo)
met hem
וְצֶ֣מֶד
(vetsemed)
en een paar
חֲמֹרִ֑ים
(chamorim)
ezels
וַתְּבִיאֵ֨הוּ֙
(vateviehu)
en zij bracht hem
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔יהָ
(aviha)
haar vader
וַיִּרְאֵ֨הוּ֙
(vayirehu)
en zag hem
אֲבִ֣י
(avi)
de vader van
הַֽנַּעֲרָ֔ה
(hanaara)
de jonge vrouw
וַיִּשְׂמַ֖ח
(vayismach)
en hij verheugde zich
לִקְרָאתֽוֹ
(liqrato)
hem tegemoet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְדַבֵּר עַל לִבָּהּ (ledabber al libbah), ‘tot haar hart spreken’: vriendelijk en overtuigend tot haar spreken, om haar terug te winnen.

Zie ook Gen. 34:3.

נַעֲרָה (na’arah), ‘jonge vrouw’: zo heet de dochter hier steeds. נַעַר (na’ar), ‘jongen’: zo heet de dienaar van de Leviet.

צֶמֶד (tsemed), ‘een paar’: twee dieren die samen horen.

4Zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, hield hem vast. Hij bleef drie dagen bij hem. Zij aten en dronken en overnachtten daar.
וַיֶּחֱזַק
(vayechezaq)
en hield vast
בּ֤וֹ
(bo)
aan hem
חֹֽתְנוֹ֙
(choteno)
zijn schoonvader
אֲבִ֣י
(avi)
de vader van
הַֽנַּעֲרָ֔ה
(hanaara)
de jonge vrouw
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij bleef
אִתּ֖וֹ
(ito)
bij hem
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וַיֹּאכְלוּ֙
(vayokhlu)
en zij aten
וַיִּשְׁתּ֔וּ
(vayishtu)
en dronken
וַיָּלִ֖ינוּ
(vayalinu)
en overnachtten
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Op de vierde dag stonden zij ’s morgens vroeg op en hij stond op om te gaan. De vader van de jonge vrouw zei tegen zijn schoonzoon: „Versterk je hart met een stuk brood. Daarna kunnen jullie gaan.”
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הָרְבִיעִ֔י
(harevii)
de vierde
וַיַּשְׁכִּ֥ימוּ
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
בַבֹּ֖קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
לָלֶ֑כֶת
(lalekhet)
om te gaan
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
אֲבִ֨י
(avi)
de vader van
הַֽנַּעֲרָ֜ה
(hanaara)
de jonge vrouw
אֶל
(el)
tot
חֲתָנ֗וֹ
(chatano)
zijn schoonzoon
סְעָ֧ד
(sead)
versterk
לִבְּךָ֛
(libekha)
je hart
פַּת
(pat)
een stuk
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
וְאַחַ֥ר
(veachar)
en daarna
תֵּלֵֽכוּ
(telekhu)
gaan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְעַד לִבְּךָ (se’ad libbekha), ‘versterk je hart’: eet iets om op krachten te komen.

Zo staat het ook in Gen. 18:5.

In dit hoofdstuk heet de vader van de jonge vrouw vanuit de Leviet ‘zijn schoonvader’ en de Leviet vanuit de vader ‘zijn schoonzoon’. Het Hebreeuws gebruikt voor beide hetzelfde woord, chotan.

6Zij gingen zitten en aten en dronken, die twee samen. De vader van de jonge vrouw zei tegen de man: „Wil toch overnachten en laat je hart goed zijn.”
וַיֵּשְׁב֗וּ
(vayeshevu)
en zij zaten
וַיֹּאכְל֧וּ
(vayokhlu)
en aten
שְׁנֵיהֶ֛ם
(sheneihem)
die twee
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
וַיִּשְׁתּ֑וּ
(vayishtu)
en dronken
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲבִ֤י
(avi)
de vader van
הַֽנַּעֲרָה֙
(hanaara)
de jonge vrouw
אֶל
(el)
tot
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
הֽוֹאֶל
(hoel)
wil
נָ֥א
(na)
toch
וְלִ֖ין
(velin)
en overnacht
וְיִטַ֥ב
(veyitav)
en laat goed zijn
לִבֶּֽךָ
(libekha)
je hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7De man stond op om te gaan. Maar zijn schoonvader drong bij hem aan. Toen bleef hij en overnachtte daar.
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en stond op
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
לָלֶ֑כֶת
(lalekhet)
om te gaan
וַיִּפְצַר
(vayiftsar)
en drong aan
בּוֹ֙
(bo)
op hem
חֹתְנ֔וֹ
(choteno)
zijn schoonvader
וַיָּ֖שָׁב
(vayashav)
en hij bleef
וַיָּ֥לֶן
(vayalen)
en overnachtte
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Op de vijfde dag stond hij ’s morgens vroeg op om te gaan. De vader van de jonge vrouw zei: „Versterk toch je hart. Draal tot de dag begint te hellen.” Zo aten zij, die twee.
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
בַּבֹּ֜קֶר
(baboqer)
in de morgen
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַחֲמִישִׁי֮
(hachamishi)
de vijfde
לָלֶכֶת֒
(lalekhet)
om te gaan
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲבִ֣י
(avi)
de vader van
הַֽנַּעֲרָ֗ה
(hanaara)
de jonge vrouw
סְעָד
(sead)
versterk
נָא֙
(na)
toch
לְבָ֣בְךָ֔
(levavekha)
je hart
וְהִֽתְמַהְמְה֖וּ
(vehitmahmehu)
en draal
עַד
(ad)
tot
נְט֣וֹת
(netot)
het hellen van
הַיּ֑וֹם
(hayom)
de dag
וַיֹּאכְל֖וּ
(vayokhlu)
en zij aten
שְׁנֵיהֶֽם
(sheneihem)
die twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De man stond op om te gaan, hij, zijn bijvrouw en zijn jongen. Zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zei tegen hem: „Zie toch, de dag helt naar de avond. Overnacht toch. Zie, de dag loopt ten einde. Overnacht hier en laat je hart goed zijn. Morgen staan jullie vroeg op voor jullie reis en dan ga je naar je tent.”
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en stond op
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
לָלֶ֔כֶת
(lalekhet)
om te gaan
ה֥וּא
(hu)
hij
וּפִילַגְשׁ֖וֹ
(ufilagsho)
en zijn bijvrouw
וְנַעֲר֑וֹ
(venaaro)
en zijn jongen
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
חֹתְנ֣וֹ
(choteno)
zijn schoonvader
אֲבִ֣י
(avi)
de vader van
הַֽנַּעֲרָ֡ה
(hanaara)
de jonge vrouw
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
נָא֩
(na)
toch
רָפָ֨ה
(rafa)
is verslapt
הַיּ֜וֹם
(hayom)
de dag
לַעֲרֹ֗ב
(laarov)
naar de avond
לִֽינוּ
(linu)
overnacht
נָ֞א
(na)
toch
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
חֲנ֤וֹת
(chanot)
het einde van
הַיּוֹם֙
(hayom)
de dag
לִ֥ין
(lin)
overnacht
פֹּה֙
(po)
hier
וְיִיטַ֣ב
(veyitav)
en laat goed zijn
לְבָבֶ֔ךָ
(levavekha)
je hart
וְהִשְׁכַּמְתֶּ֤ם
(vehishkamtem)
en jullie staan vroeg op
מָחָר֙
(machar)
morgen
לְדַרְכְּכֶ֔ם
(ledarkekhem)
voor jullie weg
וְהָלַכְתָּ֖
(vehalakhta)
en je gaat
לְאֹהָלֶֽךָ
(leohalekha)
naar je tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲנוֹת הַיּוֹם (chanot hayom), ‘het einde van de dag’: het Hebreeuws gebruikt hier een woord dat met ‘kamperen’ samenhangt: de dag gaat ‘rusten’.

Onderweg naar Gibea

10Maar de man wilde niet overnachten. Hij stond op, ging weg en kwam tot tegenover Jebus, dat is Jeruzalem. Bij hem waren een paar gezadelde ezels en zijn bijvrouw.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָבָ֤ה
(ava)
wilde
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
לָל֔וּן
(lalun)
overnachten
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en ging
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
עַד
(ad)
tot
נֹ֣כַח
(nokhach)
tegenover
יְב֔וּס
(yevus)
Jebus
הִ֖יא
(hi)
zij
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְעִמּ֗וֹ
(veimo)
en met hem
צֶ֤מֶד
(tsemed)
een paar
חֲמוֹרִים֙
(chamorim)
ezels
חֲבוּשִׁ֔ים
(chavushim)
gezadeld
וּפִילַגְשׁ֖וֹ
(ufilagsho)
en zijn bijvrouw
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jebus is de oude naam van Jeruzalem; de Jebusieten woonden er (Joz. 18:28).

Het ligt in het bergland van Juda, in het huidige Israël.

De ligging is zeker.

Uitleg

חֲבוּשִׁים (chavushim), ‘gezadeld’: letterlijk ‘vastgebonden’, dus met een zadel erop.

11Toen zij bij Jebus waren, was de dag ver gedaald. De jongen zei tegen zijn heer: „Kom toch, laten wij naar deze stad van de Jebusieten afslaan en daar overnachten.”
הֵ֣ם
(hem)
zij
עִם
(im)
bij
יְב֔וּס
(yevus)
Jebus
וְהַיּ֖וֹם
(vehayom)
en de dag
רַ֣ד
(rad)
was gedaald
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַנַּ֜עַר
(hanaar)
de jongen
אֶל
(el)
tot
אֲדֹנָ֗יו
(adonav)
zijn heer
לְכָה
(lekha)
kom
נָּ֛א
(na)
toch
וְנָס֛וּרָה
(venasura)
en laten wij afslaan
אֶל
(el)
naar
עִֽיר
(ir)
de stad van
הַיְבוּסִ֥י
(hayvusi)
de Jebusiet
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
וְנָלִ֥ין
(venalin)
en laten wij overnachten
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

12Zijn heer zei tegen hem: „Wij slaan niet af naar een stad van vreemden, die niet bij de zonen van Israël hoort. Wij gaan door tot Gibea.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
אֲדֹנָ֔יו
(adonav)
zijn heer
לֹ֤א
(lo)
niet
נָסוּר֙
(nasur)
laten wij afslaan
אֶל
(el)
naar
עִ֣יר
(ir)
een stad van
נָכְרִ֔י
(nakheri)
vreemden
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הֵ֑נָּה
(hena)
zij
וְעָבַ֖רְנוּ
(veavarnu)
en laten wij doorgaan
עַד
(ad)
tot
גִּבְעָֽה
(giva)
Gibea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.

Uitleg

עִיר נָכְרִי (ir nokhri), ‘een stad van vreemden’: de Jebusieten behoorden niet tot de zonen van Israël (Joz. 15:63).

Zie ookJoz 15:63
13Hij zei tegen zijn jongen: „Kom, laten wij een van deze plaatsen naderen. Dan overnachten wij in Gibea of in Rama.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לְנַעֲר֔וֹ
(lenaaro)
tot zijn jongen
לְךָ֥
(lekha)
kom
וְנִקְרְבָ֖ה
(veniqreva)
en laten wij naderen
בְּאַחַ֣ד
(beachad)
tot een
הַמְּקֹמ֑וֹת
(hameqomot)
van de plaatsen
וְלַ֥נּוּ
(velanu)
en laten wij overnachten
בַגִּבְעָ֖ה
(bagiva)
in Gibea
א֥וֹ
(o)
of
בָרָמָֽה
(barama)
in Rama
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibea ligt waarschijnlijk bij Tell el-Ful, ongeveer 5 kilometer ten noorden van Jeruzalem.

Rama ligt waarschijnlijk bij het huidige er-Ram, ongeveer 8 kilometer ten noorden van Jeruzalem.

Beide zijn waarschijnlijk, niet zeker.

14Zij trokken verder. De zon ging voor hen onder bij Gibea, dat bij Benjamin hoort.
וַיַּעַבְר֖וּ
(vayaavru)
en zij trokken voorbij
וַיֵּלֵ֑כוּ
(vayelekhu)
en gingen
וַתָּבֹ֤א
(vatavo)
en kwam
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
הַשֶּׁ֔מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
אֵ֥צֶל
(etsel)
bij
הַגִּבְעָ֖ה
(hagiva)
Gibea
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לְבִנְיָמִֽן
(levinyamin)
van Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibea: zie vers 13.

Het hoort bij het gebied van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem.

Zie ookRe 19:13
15Zij sloegen daar af om in Gibea te overnachten. Hij ging naar binnen en ging op het plein van de stad zitten. Maar niemand nam hen in huis op om te overnachten.
וַיָּסֻ֣רוּ
(vayasuru)
en zij weken af
שָׁ֔ם
(sham)
daarheen
לָב֖וֹא
(lavo)
om binnen te gaan
לָל֣וּן
(lalun)
om te overnachten
בַּגִּבְעָ֑ה
(bagiva)
in Gibea
וַיָּבֹ֗א
(vayavo)
en hij kwam
וַיֵּ֨שֶׁב֙
(vayeshev)
en zat
בִּרְח֣וֹב
(birchov)
op het plein van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet was
אִ֛ישׁ
(ish)
een man
מְאַסֵּֽף
(measef)
die opnam
אוֹתָ֥ם
(otam)
hen
הַבַּ֖יְתָה
(habayta)
in huis
לָלֽוּן
(lalun)
om te overnachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.

Uitleg

רְחוֹב (rechov), ‘plein’: de open plaats bij de stadspoort, waar reizigers vaak wachtten op een onderkomen (zie Gen. 19:2).

De oude man van Gibea

16En zie, een oude man kwam ’s avonds van zijn werk op het veld. De man was uit het bergland van Efraïm en woonde als vreemdeling in Gibea. De mannen van die plaats waren Benjaminieten.
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
זָקֵ֗ן
(zaqen)
oud
בָּ֣א
(ba)
kwam
מִֽן
(min)
van
מַעֲשֵׂ֤הוּ
(maasehu)
zijn werk
מִן
(min)
van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
בָּעֶ֔רֶב
(baerev)
in de avond
וְהָאִישׁ֙
(vehaish)
en de man
מֵהַ֣ר
(mehar)
uit het bergland van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וְהוּא
(vehu)
en hij
גָ֖ר
(gar)
woonde als vreemdeling
בַּגִּבְעָ֑ה
(bagiva)
in Gibea
וְאַנְשֵׁ֥י
(veanshei)
en de mannen van
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יְמִינִֽי
(yemini)
de Jeminiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.

Uitleg

בְּנֵי יְמִינִי (bene yemini), ‘zonen van de Jeminiet’: dat is een andere naam voor de Benjaminieten.

Wij schrijven ‘Benjaminieten’.

17Hij sloeg zijn ogen op en zag de reiziger op het plein van de stad. De oude man zei: „Waar ga je heen en waar kom je vandaan?”
וַיִּשָּׂ֣א
(vayisa)
en hij hief op
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּ֛רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֥ישׁ
(haish)
de man
הָאֹרֵ֖חַ
(haoreach)
de reiziger
בִּרְחֹ֣ב
(birchov)
op het plein van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הָאִ֧ישׁ
(haish)
de man
הַזָּקֵ֛ן
(hazaqen)
de oude
אָ֥נָה
(ana)
waarheen
תֵלֵ֖ךְ
(telekh)
ga je
וּמֵאַ֥יִן
(umeayin)
en vanwaar
תָּבֽוֹא
(tavo)
kom je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hij zei tegen hem: „Wij reizen van Betlehem in Juda naar de uithoeken van het bergland van Efraïm. Daar kom ik vandaan. Ik was naar Betlehem in Juda gegaan en ik ga naar het huis van Yahweh. Niemand neemt mij in huis op.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
עֹבְרִ֨ים
(overim)
gaande
אֲנַ֜חְנוּ
(anachnu)
wij
מִבֵּֽית
(mibeit)
uit Bet
לֶ֣חֶם
(lechem)
Lechem
יְהוּדָה֮
(yehuda)
Juda
עַד
(ad)
tot
יַרְכְּתֵ֣י
(yarketei)
de uithoeken van
הַר
(har)
het bergland van
אֶפְרַיִם֒
(efrayim)
Efraïm
מִשָּׁ֣ם
(misham)
vandaar
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
וָאֵלֵ֕ךְ
(vaelekh)
en ik ging
עַד
(ad)
tot
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
לֶ֖חֶם
(lechem)
Lechem
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲנִ֣י
(ani)
ik
הֹלֵ֔ךְ
(holekh)
ga
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet
אִ֔ישׁ
(ish)
man
מְאַסֵּ֥ף
(measef)
die opneemt
אוֹתִ֖י
(oti)
mij
הַבָּֽיְתָה
(habayeta)
in huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

Lezing

In de Masoretische tekst staat hier ‘het huis van Yahweh’ (בֵּית יְהוָה).

De Septuaginta heeft hier ‘mijn huis’ (בֵּיתִי).

Wij volgen de Masoretische tekst.

Het kan zijn dat de Leviet naar het heiligdom in Silo gaat (zie Richt. 18:31).

19Er is stro en voer voor onze ezels. Er is ook brood en wijn voor mij, voor je dienares en voor de jongen bij je dienaren. Aan niets is gebrek.”
וְגַם
(vegam)
en ook
תֶּ֤בֶן
(teven)
stro
גַּם
(gam)
ook
מִסְפּוֹא֙
(mispo)
voer
יֵ֣שׁ
(yesh)
is er
לַחֲמוֹרֵ֔ינוּ
(lachamoreinu)
voor onze ezels
וְ֠גַם
(vegam)
en ook
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood
וָיַ֤יִן
(vayayin)
en wijn
יֶשׁ
(yesh)
is er
לִי֙
(li)
voor mij
וְלַֽאֲמָתֶ֔ךָ
(velaamatekha)
en voor je dienares
וְלַנַּ֖עַר
(velanaar)
en voor de jongen
עִם
(im)
met
עֲבָדֶ֑יךָ
(avadeikha)
je dienaren
אֵ֥ין
(ein)
niet is
מַחְס֖וֹר
(machsor)
gebrek
כָּל
(kal)
aan alles
דָּבָֽר
(davar)
ding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Leviet spreekt de oude man beleefd aan en noemt zichzelf en de zijnen ‘je dienaren’ en de bijvrouw ‘je dienares’.

20De oude man zei: „Vrede zij met je. Alles wat je mist, is aan mij. Maar overnacht niet op het plein.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הַזָּקֵן֙
(hazaqen)
de oude
שָׁל֣וֹם
(shalom)
vrede
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
רַ֥ק
(raq)
alleen
כָּל
(kal)
alles
מַחְסוֹרְךָ֖
(machsorekha)
wat je mist
עָלָ֑י
(alay)
op mij
רַ֥ק
(raq)
alleen
בָּרְח֖וֹב
(barechov)
op het plein
אַל
(al)
niet
תָּלַֽן
(talan)
overnacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hij bracht hem naar zijn huis en gaf de ezels voer. Zij wasten hun voeten, aten en dronken.
וַיְבִיאֵ֣הוּ
(vayviehu)
en hij bracht hem
לְבֵית֔וֹ
(leveito)
naar zijn huis
וַיָּ֖בָול
(vayavavl)
en hij gaf voer
לַחֲמוֹרִ֑ים
(lachamorim)
aan de ezels
וַֽיִּרְחֲצוּ֙
(vayirchatsu)
en zij wasten
רַגְלֵיהֶ֔ם
(ragleihem)
hun voeten
וַיֹּאכְל֖וּ
(vayokhlu)
en aten
וַיִּשְׁתּֽוּ
(vayishtu)
en dronken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De mannen van Gibea

22Terwijl zij hun hart verheugden, zie, de mannen van de stad omsingelden het huis. Het waren mannen, zonen van Belial. Zij bonsden op de deur. Zij zeiden tegen de man, de oude eigenaar van het huis: „Breng de man naar buiten die in je huis is gekomen. Dan hebben wij gemeenschap met hem.”
הֵמָּה֮
(hema)
zij
מֵיטִיבִ֣ים
(meitivim)
verheugden
אֶת
(et)
(obj.)
לִבָּם֒
(libam)
hun hart
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
de mannen van
הָעִ֜יר
(hair)
de stad
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
בְלִיַּ֗עַל
(beliyaal)
Belial
נָסַ֨בּוּ֙
(nasabu)
omringden
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
מִֽתְדַּפְּקִ֖ים
(mitdapeqim)
bonzend
עַל
(al)
op
הַדָּ֑לֶת
(hadalet)
de deur
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
הָ֠אִישׁ
(haish)
de man
בַּ֣עַל
(baal)
de eigenaar van
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַזָּקֵן֙
(hazaqen)
de oude
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הוֹצֵ֗א
(hotse)
breng naar buiten
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֥א
(ba)
kwam
אֶל
(el)
naar
בֵּיתְךָ֖
(beitekha)
je huis
וְנֵדָעֶֽנּוּ
(venedaenu)
en wij zullen hem kennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: ‘waardeloos’ of ‘slecht’.

‘Zonen van Belial’ zijn mannen die zich van elke vaste regel hebben losgemaakt.

Zo staat het ook in Deut. 13:14.

וְנֵדָעֶנּוּ (venedaennu), ‘dan kennen wij hem’: het werkwoord yada, ‘kennen’, betekent hier geslachtsgemeenschap. Wij vertalen ‘gemeenschap hebben’, zoals in Gen. 19:5. De mannen willen de gast misbruiken.

23De man, de eigenaar van het huis, ging naar buiten, naar hen toe, en zei tegen hen: „Nee, mijn broeders, doe toch geen kwaad. Deze man is in mijn huis gekomen. Begaan deze schanddaad niet.
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en hij ging uit
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
naar hen
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
בַּ֣עַל
(baal)
de eigenaar van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
אַל
(al)
niet
אַחַ֖י
(achay)
mijn broeders
אַל
(al)
niet
תָּרֵ֣עוּ
(tareu)
doe kwaad
נָ֑א
(na)
toch
אַ֠חֲרֵי
(acharei)
nadat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֞א
(ba)
kwam
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אַל
(al)
naar
בֵּיתִ֔י
(beiti)
mijn huis
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲשׂ֖וּ
(taasu)
doe
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּבָלָ֥ה
(hanevala)
de schanddaad
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְבָלָה (nevalah), ‘schanddaad’: een daad die de orde van het volk schendt, zie Gen. 34:7 en Deut. 22:21.

24Zie, mijn dochter, de maagd, en zijn bijvrouw. Laat mij hen toch naar buiten brengen. Verneder hen en doe met hen wat goed is in jullie ogen. Maar tegen deze man mogen jullie deze schanddaad niet begaan.”
הִנֵּה֩
(hine)
zie
בִתִּ֨י
(biti)
mijn dochter
הַבְּתוּלָ֜ה
(habetula)
de maagd
וּפִֽילַגְשֵׁ֗הוּ
(ufilagshehu)
en zijn bijvrouw
אוֹצִֽיאָה
(otsia)
laat mij naar buiten brengen
נָּ֤א
(na)
toch
אוֹתָם֙
(otam)
hen
וְעַנּ֣וּ
(veanu)
en vernederd
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
וַעֲשׂ֣וּ
(vaasu)
en doet
לָהֶ֔ם
(lahem)
met hen
הַטּ֖וֹב
(hatov)
het goede
בְּעֵינֵיכֶ֑ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
וְלָאִ֤ישׁ
(velaish)
en aan de man
הַזֶּה֙
(haze)
deze
לֹ֣א
(lo)
niet
תַעֲשׂ֔וּ
(taasu)
doet
דְּבַ֖ר
(devar)
zaak van
הַנְּבָלָ֥ה
(hanevala)
de schanddaad
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְעַנּוּ אוֹתָם (ve’annu otam), ‘verneder hen’: het werkwoord anna, ‘vernederen’, wijst op geweld, zoals in Gen. 34:2.

De man biedt zijn eigen dochter en de bijvrouw aan.

Het Hebreeuws laat hem dat zo zeggen; de tekst oordeelt er hier niet over.

25Maar de mannen wilden niet naar hem luisteren. De man greep zijn bijvrouw en bracht haar naar hen toe, naar buiten. Zij kenden haar en misbruikten haar de hele nacht, tot de morgen. Bij het opkomen van de dageraad lieten zij haar gaan.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָב֤וּ
(avu)
wilden
הָאֲנָשִׁים֙
(haanashim)
de mannen
לִשְׁמֹ֣עַֽ
(lishmoa)
om te horen
ל֔וֹ
(lo)
naar hem
וַיַּחֲזֵ֤ק
(vayachazeq)
en greep
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
בְּפִ֣ילַגְשׁ֔וֹ
(befilagsho)
zijn bijvrouw
וַיֹּצֵ֥א
(vayotse)
en bracht naar buiten
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
naar hen
הַח֑וּץ
(hachuts)
naar buiten
וַיֵּדְע֣וּ
(vayedeu)
en zij kenden
א֠וֹתָהּ
(otah)
haar
וַיִּֽתְעַלְּלוּ
(vayitalelu)
en zij misbruikten
בָ֤הּ
(bah)
haar
כָּל
(kal)
heel
הַלַּ֨יְלָה֙
(halayla)
de nacht
עַד
(ad)
tot
הַבֹּ֔קֶר
(haboqer)
de morgen
וַֽיְשַׁלְּח֖וּהָ
(vayshalechuha)
en zij lieten haar gaan
כַּעֲל֥וֹת
(kaalot)
bij het opkomen van
הַשָּֽׁחַר
(hashachar)
de dageraad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיֹּצֵא (vayotse), ‘hij bracht naar buiten’: de man brengt zijn bijvrouw naar de mannen.

Het Hebreeuws zegt wat daarna gebeurt zonder verzachting: zij ‘kenden’ haar (zie vers 22) en ‘misbruikten’ (vayit’allelu) haar heel de nacht.

Wij vertalen even nuchter.

De ochtend en de twaalf stukken

26De vrouw kwam bij het aanbreken van de morgen. Zij viel neer bij de ingang van het huis van de man waar haar heer was, tot het licht werd.
וַתָּבֹ֥א
(vatavo)
en kwam
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
לִפְנ֣וֹת
(lifnot)
bij het keren van
הַבֹּ֑קֶר
(haboqer)
de morgen
וַתִּפֹּ֞ל
(vatipol)
en viel
פֶּ֧תַח
(petach)
ingang van
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאִ֛ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
waar
אֲדוֹנֶ֥יהָ
(adoneiha)
haar heer
שָּׁ֖ם
(sham)
daar
עַד
(ad)
tot
הָאֽוֹר
(haor)
het licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Haar heer stond ’s morgens op, opende de deuren van het huis en ging naar buiten om zijn weg te gaan. En zie, de vrouw, zijn bijvrouw, lag neergevallen bij de ingang van het huis, haar handen op de drempel.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en stond op
אֲדֹנֶ֜יהָ
(adoneiha)
haar heer
בַּבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּפְתַּח֙
(vayiftach)
en opende
דַּלְת֣וֹת
(daltot)
de deuren van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וַיֵּצֵ֖א
(vayetse)
en ging uit
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
לְדַרְכּ֑וֹ
(ledarko)
zijn weg
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
הָאִשָּׁ֣ה
(haisha)
de vrouw
פִֽילַגְשׁ֗וֹ
(pilagsho)
zijn bijvrouw
נֹפֶ֨לֶת֙
(nofelet)
gevallen
פֶּ֣תַח
(petach)
ingang van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וְיָדֶ֖יהָ
(veyadeiha)
en haar handen
עַל
(al)
op
הַסַּֽף
(hasaf)
de drempel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Hij zei tegen haar: „Sta op, laten wij gaan.” Er kwam geen antwoord. Hij nam haar op de ezel, stond op en ging naar zijn plaats.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלֶ֛יהָ
(eleiha)
tot haar
ק֥וּמִי
(qumi)
sta op
וְנֵלֵ֖כָה
(venelekha)
en laten wij gaan
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is
עֹנֶ֑ה
(one)
antwoord
וַיִּקָּחֶ֨הָ֙
(vayiqacheha)
en hij nam haar
עַֽל
(al)
op
הַחֲמ֔וֹר
(hachamor)
de ezel
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en ging
לִמְקֹמֽוֹ
(limqomo)
naar zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt alleen: ‘er was geen antwoord’ (ein anah).

Het zegt niet dat zij dood was.

Wij voegen niets toe.

Vers 29 en Richt. 20:4–5 vertellen daarna verder.

29Hij kwam in zijn huis en nam het mes. Hij greep zijn bijvrouw en sneed haar uiteen, naar haar botten, in twaalf stukken. Hij stuurde haar door het hele gebied van Israël.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en hij kwam
אֶל
(el)
naar
בֵּית֗וֹ
(beito)
zijn huis
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמַּאֲכֶ֨לֶת֙
(hamaakhelet)
het mes
וַיַּחֲזֵ֣ק
(vayachazeq)
en greep
בְּפִֽילַגְשׁ֔וֹ
(befilagsho)
zijn bijvrouw
וַֽיְנַתְּחֶ֨הָ֙
(vaynatecheha)
en sneed haar uiteen
לַעֲצָמֶ֔יהָ
(laatsameiha)
naar haar botten
לִשְׁנֵ֥ים
(lishneim)
in twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
נְתָחִ֑ים
(netachim)
stukken
וַֽיְשַׁלְּחֶ֔הָ
(vayshalecheha)
en stuurde haar
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in heel
גְּב֥וּל
(gevul)
het gebied van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְנַתְּחֶהָ לַעֲצָמֶיהָ (vaynattechehah la’atsameha), ‘hij sneed haar uiteen, naar haar botten’: hij verdeelde haar lichaam bij de gewrichten.

Het getal ‘twaalf’ past bij de twaalf stammen van Israël, maar de tekst zegt dat niet.

30Iedereen die het zag, zei: „Zoiets is niet gebeurd en niet gezien sinds de dag dat de zonen van Israël uit het land Egypte optrokken, tot op deze dag. Neem het in overweging, beraadslaag en spreek.”
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het was
כָל
(kal)
iedereen
הָרֹאֶ֗ה
(haroe)
die zag
וְאָמַר֙
(veamar)
en zei
לֹֽא
(lo)
niet
נִהְיְתָ֤ה
(nihyeta)
is geschied
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נִרְאֲתָה֙
(nirata)
is gezien
כָּזֹ֔את
(kazot)
zoiets
לְמִיּ֞וֹם
(lemiyom)
vanaf de dag
עֲל֤וֹת
(alot)
het optrekken van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
שִֽׂימוּ
(simu)
richt
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
erop
עֻ֥צוּ
(utsu)
beraadslaag
וְדַבֵּֽרוּ
(vedaberu)
en spreek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שִׂימוּ לָכֶם עָלֶיהָ (simu lakhem aleiha), ‘richt voor jullie op haar’: richt jullie aandacht erop, neem het in overweging.