Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David in En-Gedi
1David ging vandaar omhoog en bleef in de bergvestingen van En-Gedi.
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en hij ging op
דָּוִ֖ד
(david)
David
מִשָּׁ֑ם
(misham)
vandaar
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en hij bleef
בִּמְצָד֥וֹת
(bimtsadot)
in de bergvestingen van
עֵֽין
(ein)
En
גֶּֽדִי
(gedi)
Gedi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
En-Gedi (‘bron van het geitje’) is een oase aan de westkant van de Zoutzee, bij Tel Goren (Israël).
Zie ook Joz. 15:62.
Uitleg
De Hebreeuwse telling loopt hier anders dan de Nederlandse.
Dit vers 1 is in Nederlandse Bijbels 1 Sam. 23:29.
Hebreeuws 24:2–23 is gelijk aan Nederlands 24:1–22.
4Hij kwam bij de schaapskooien langs de weg. Daar was een grot. Saul ging erin om zijn voeten te bedekken. David en zijn mannen zaten achter in de grot.
וַ֠יָּבֹא
(vayavo)
en hij kwam
אֶל
(el)
naar
גִּדְר֨וֹת
(gidrot)
omheiningen van
הַצֹּ֤אן
(hatson)
het kleinvee
עַל
(al)
langs
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
וְשָׁ֣ם
(vesham)
en daar
מְעָרָ֔ה
(meara)
een grot
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij ging binnen
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לְהָסֵ֣ךְ
(lehasekh)
om te bedekken
אֶת
(et)
(obj.)
רַגְלָ֑יו
(raglav)
zijn voeten
וְדָוִד֙
(vedavid)
en David
וַאֲנָשָׁ֔יו
(vaanashav)
en zijn mannen
בְּיַרְכְּתֵ֥י
(beyarketei)
in de uiterste delen van
הַמְּעָרָ֖ה
(hameara)
de grot
יֹשְׁבִֽים
(yoshevim)
zittend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְהָסֵךְ אֶת־רַגְלָיו (lehasech et raglav), letterlijk ‘zijn voeten bedekken’: een beleefde uitdrukking voor zijn behoefte doen.
Zie Richt. 3:24.
גִּדְרוֹת הַצֹּאן (gidrot hatson), ‘schaapskooien’: omheiningen voor de kudde.
5De mannen van David zeiden tegen hem: „Dit is de dag waarvan Yahweh tegen je heeft gezegd: ‘Zie, Ik geef je vijand in je hand. Doe met hem wat jij goed vindt.’” David stond op en sneed stilletjes de rand van de mantel van Saul af.
וַיֹּאמְרוּ֩
(vayomru)
en zij zeiden
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
de mannen van
דָוִ֜ד
(david)
David
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
הַיּ֜וֹם
(hayom)
de dag
אֲֽשֶׁר
(asher)
die
אָמַ֧ר
(amar)
heeft gezegd
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tegen jou
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
Ik
נֹתֵ֤ן
(noten)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
אֹֽיִבְךָ֙
(oyivkha)
je vijand
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in je hand
וְעָשִׂ֣יתָ
(veasita)
en je zult doen
לּ֔וֹ
(lo)
met hem
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
יִטַ֣ב
(yitav)
goed is
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in je ogen
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
דָּוִ֗ד
(david)
David
וַיִּכְרֹ֛ת
(vayikhrot)
en hij sneed af
אֶת
(et)
(obj.)
כְּנַֽף
(kenaf)
de rand van
הַמְּעִ֥יל
(hameil)
de mantel
אֲשֶׁר
(asher)
die
לְשָׁא֖וּל
(leshaul)
van Saul
בַּלָּֽט
(balat)
in het geheim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De mannen verwijzen naar een woord van Yahweh.
Zo'n woord staat nergens eerder in het verhaal.
Het kan een eerdere belofte zijn, zoals in 1 Sam. 23:4.
Wij zetten hun citaat zwart, tussen enkele aanhalingstekens.
Lezing
Het geschreven woord is ‘je vijanden’ (ketiv); gelezen wordt ‘je vijand’ (qere).
7Hij zei tegen zijn mannen: „Ver zij het van mij, vanwege Yahweh, dat ik dit mijn heer aandoe, de gezalfde van Yahweh. Ik steek mijn hand niet tegen hem uit. Want hij is de gezalfde van Yahweh.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לַאֲנָשָׁ֜יו
(laanashav)
tegen zijn mannen
חָלִ֧ילָה
(chalila)
ver zij het
לִּ֣י
(li)
van mij
מֵֽיהוָ֗ה
(meYahweh)
vanwege Yahweh
אִם
(im)
indien
אֶעֱשֶׂה֩
(eese)
ik doe
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֨ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֤ה
(haze)
deze
לַֽאדֹנִי֙
(ladoni)
aan mijn heer
לִמְשִׁ֣יחַ
(limshiach)
de gezalfde van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לִשְׁלֹ֥חַ
(lishloach)
om uit te steken
יָדִ֖י
(yadi)
mijn hand
בּ֑וֹ
(bo)
tegen hem
כִּֽי
(ki)
want
מְשִׁ֥יחַ
(meshiach)
de gezalfde van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְשִׁיחַ יהוה (meshiach Yahweh), ‘gezalfde van Yahweh’: de koning, door Yahweh aangewezen en met olie gezalfd (1 Sam. 10:1; 15:1).
חָלִילָה (chalilah), ‘ver zij het’: een sterke afwijzing.
9Daarna stond David op en ging de grot uit. Hij riep Saul achterna: „Mijn heer de koning!” Saul keek achterom. David boog zich met zijn gezicht naar de grond en wierp zich neer.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en hij stond op
דָּוִ֜ד
(david)
David
אַחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֗ן
(ken)
zo
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en hij ging uit
מן
(min)
uit
מֵֽהַמְּעָרָ֔ה
(mehameara)
de grot
וַיִּקְרָ֧א
(vayiqra)
en hij riep
אַֽחֲרֵי
(acharei)
achter
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּבֵּ֤ט
(vayabet)
en hij keek
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אַֽחֲרָ֔יו
(acharav)
achter zich
וַיִּקֹּ֨ד
(vayiqod)
en hij boog
דָּוִ֥ד
(david)
David
אַפַּ֛יִם
(apayim)
gezicht
אַ֖רְצָה
(artsa)
naar de grond
וַיִּשְׁתָּֽחוּ
(vayishtachu)
en hij wierp zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
David buigt zich neer voor Saul als voor de koning.
Lezing
Voor ‘de grot’ staat al het woord ‘uit’ (מן).
Het geschreven woord is ‘de grot’ (ketiv); gelezen wordt ‘uit de grot’ (qere).
11Zie, vandaag hebben uw eigen ogen gezien dat Yahweh u vandaag in mijn hand heeft gegeven, in de grot. Men zei dat ik u moest doden, maar mijn oog had medelijden met u. Ik zei: ‘Ik steek mijn hand niet uit tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van Yahweh.’
הִנֵּה֩
(hine)
zie
הַיּ֨וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֜ה
(haze)
deze
רָא֣וּ
(rau)
hebben gezien
עֵינֶ֗יךָ
(eineikha)
uw ogen
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נְתָנְךָ֩
(netanekha)
heeft u gegeven
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
הַיּ֤וֹם
(hayom)
vandaag
בְּיָדִי֙
(beyadi)
in mijn hand
בַּמְּעָרָ֔ה
(bameara)
in de grot
וְאָמַ֥ר
(veamar)
en hij zei
לַהֲרָגֲךָ֖
(laharagakha)
om u te doden
וַתָּ֣חָס
(vatachas)
en het had medelijden
עָלֶ֑יךָ
(aleikha)
met u
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en ik zei
לֹא
(lo)
niet
אֶשְׁלַ֤ח
(eshlach)
ik zal uitsteken
יָדִי֙
(yadi)
mijn hand
בַּֽאדֹנִ֔י
(badoni)
tegen mijn heer
כִּי
(ki)
want
מְשִׁ֥יחַ
(meshiach)
de gezalfde van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
וַתָּחָס (vatachas) staat in het vrouwelijk: ‘zij had medelijden’.
Het onderwerp staat er niet bij.
Wij vullen ‘mijn oog’ aan (zie Deut. 7:16, ‘je oog zal niet sparen’).
Sommige oude vertalingen lezen ‘ik had medelijden’.
12Mijn vader, kijk toch, ja kijk, de rand van uw mantel is in mijn hand. Want ik sneed de rand van uw mantel af en doodde u niet. Weet en zie dat er in mijn hand geen kwaad en geen misdaad is. Ik heb niet tegen u gezondigd. Maar u loert op mijn leven om het te nemen.
וְאָבִ֣י
(veavi)
en mijn vader
רְאֵ֔ה
(ree)
kijk
גַּ֗ם
(gam)
ja
רְאֵ֛ה
(ree)
kijk
אֶת
(et)
(obj.)
כְּנַ֥ף
(kenaf)
de rand van
מְעִילְךָ֖
(meilekha)
uw mantel
בְּיָדִ֑י
(beyadi)
in mijn hand
כִּ֡י
(ki)
want
בְּכָרְתִי֩
(bekhareti)
bij mijn afsnijden
אֶת
(et)
(obj.)
כְּנַ֨ף
(kenaf)
de rand van
מְעִֽילְךָ֜
(meilekha)
uw mantel
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
הֲרַגְתִּ֗יךָ
(haragtikha)
heb ik u gedood
דַּ֤ע
(da)
weet
וּרְאֵה֙
(uree)
en zie
כִּי֩
(ki)
dat
אֵ֨ין
(ein)
er is niet
בְּיָדִ֜י
(beyadi)
in mijn hand
רָעָ֤ה
(raa)
kwaad
וָפֶ֨שַׁע֙
(vafesha)
en misdaad
וְלֹא
(velo)
en niet
חָטָ֣אתִי
(chatati)
heb ik gezondigd
לָ֔ךְ
(lakh)
tegen u
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en u
צֹדֶ֥ה
(tsode)
loert
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn leven
לְקַחְתָּֽהּ
(leqachtah)
om het te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
David noemt Saul ‘mijn vader’: Saul is zijn schoonvader (1 Sam. 18:27).