Elohim Bijbel

1 Samuël 24

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

David spaart Saul in de grot bij En-Gedi

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David in En-Gedi

1David ging vandaar omhoog en bleef in de bergvestingen van En-Gedi.
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en hij ging op
דָּוִ֖ד
(david)
David
מִשָּׁ֑ם
(misham)
vandaar
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en hij bleef
בִּמְצָד֥וֹת
(bimtsadot)
in de bergvestingen van
עֵֽין
(ein)
En
גֶּֽדִי
(gedi)
Gedi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

En-Gedi (‘bron van het geitje’) is een oase aan de westkant van de Zoutzee, bij Tel Goren (Israël).

Zie ook Joz. 15:62.

Uitleg

De Hebreeuwse telling loopt hier anders dan de Nederlandse.

Dit vers 1 is in Nederlandse Bijbels 1 Sam. 23:29.

Hebreeuws 24:2–23 is gelijk aan Nederlands 24:1–22.

2Toen Saul terugkwam van de Filistijnen, vertelde men hem: „Zie, David is in de woestijn van En-Gedi.”
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כַּֽאֲשֶׁר֙
(kaasher)
toen
שָׁ֣ב
(shav)
terugkeerde
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
מֵאַחֲרֵ֖י
(meacharei)
van achter
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיַּגִּ֤דוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
לוֹ֙
(lo)
hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
דָוִ֔ד
(david)
David
בְּמִדְבַּ֖ר
(bemidbar)
in de woestijn van
עֵ֥ין
(ein)
En
גֶּֽדִי
(gedi)
Gedi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie En-Gedi: En-Gedi is een oase aan de westkant van de Dode Zee.

3Saul nam 3000 uitgelezen mannen uit heel Israël mee. Hij ging op zoek naar David en zijn mannen, bij de rotsen van de steenbokken.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
שְׁלֹ֧שֶׁת
(sheloshet)
drie
אֲלָפִ֛ים
(alafim)
duizend
אִ֥ישׁ
(ish)
man
בָּח֖וּר
(bachur)
uitgelezen
מִכָּל
(mikal)
uit heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
לְבַקֵּ֤שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִד֙
(david)
David
וַֽאֲנָשָׁ֔יו
(vaanashav)
en zijn mannen
עַל
(al)
op
פְּנֵ֖י
(penei)
het gezicht van
צוּרֵ֥י
(tsurei)
rotsen van
הַיְּעֵלִֽים
(hayeelim)
de steenbokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

‘De rotsen van de steenbokken’ (tsurei hajeelim) liggen in het bergland bij En-Gedi.

De precieze plek is onzeker.

Zie Rotsen van de steenbokken (ligging onzeker): De rotsen van de steenbokken lagen in het bergland bij En-Gedi.

De precieze plaats is niet bekend.

David spaart Saul in de grot

4Hij kwam bij de schaapskooien langs de weg. Daar was een grot. Saul ging erin om zijn voeten te bedekken. David en zijn mannen zaten achter in de grot.
וַ֠יָּבֹא
(vayavo)
en hij kwam
אֶל
(el)
naar
גִּדְר֨וֹת
(gidrot)
omheiningen van
הַצֹּ֤אן
(hatson)
het kleinvee
עַל
(al)
langs
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
וְשָׁ֣ם
(vesham)
en daar
מְעָרָ֔ה
(meara)
een grot
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij ging binnen
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לְהָסֵ֣ךְ
(lehasekh)
om te bedekken
אֶת
(et)
(obj.)
רַגְלָ֑יו
(raglav)
zijn voeten
וְדָוִד֙
(vedavid)
en David
וַאֲנָשָׁ֔יו
(vaanashav)
en zijn mannen
בְּיַרְכְּתֵ֥י
(beyarketei)
in de uiterste delen van
הַמְּעָרָ֖ה
(hameara)
de grot
יֹשְׁבִֽים
(yoshevim)
zittend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהָסֵךְ אֶת־רַגְלָיו (lehasech et raglav), letterlijk ‘zijn voeten bedekken’: een beleefde uitdrukking voor zijn behoefte doen.

Zie Richt. 3:24.

גִּדְרוֹת הַצֹּאן (gidrot hatson), ‘schaapskooien’: omheiningen voor de kudde.

5De mannen van David zeiden tegen hem: „Dit is de dag waarvan Yahweh tegen je heeft gezegd: ‘Zie, Ik geef je vijand in je hand. Doe met hem wat jij goed vindt.’” David stond op en sneed stilletjes de rand van de mantel van Saul af.
וַיֹּאמְרוּ֩
(vayomru)
en zij zeiden
אַנְשֵׁ֨י
(anshei)
de mannen van
דָוִ֜ד
(david)
David
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
הַיּ֜וֹם
(hayom)
de dag
אֲֽשֶׁר
(asher)
die
אָמַ֧ר
(amar)
heeft gezegd
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tegen jou
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
Ik
נֹתֵ֤ן
(noten)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
אֹֽיִבְךָ֙
(oyivkha)
je vijand
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in je hand
וְעָשִׂ֣יתָ
(veasita)
en je zult doen
לּ֔וֹ
(lo)
met hem
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
יִטַ֣ב
(yitav)
goed is
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in je ogen
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
דָּוִ֗ד
(david)
David
וַיִּכְרֹ֛ת
(vayikhrot)
en hij sneed af
אֶת
(et)
(obj.)
כְּנַֽף
(kenaf)
de rand van
הַמְּעִ֥יל
(hameil)
de mantel
אֲשֶׁר
(asher)
die
לְשָׁא֖וּל
(leshaul)
van Saul
בַּלָּֽט
(balat)
in het geheim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De mannen verwijzen naar een woord van Yahweh.

Zo'n woord staat nergens eerder in het verhaal.

Het kan een eerdere belofte zijn, zoals in 1 Sam. 23:4.

Wij zetten hun citaat zwart, tussen enkele aanhalingstekens.

Lezing

Het geschreven woord is ‘je vijanden’ (ketiv); gelezen wordt ‘je vijand’ (qere).

Wij volgen de leeswijze.

6Daarna kreeg David wroeging, omdat hij de rand van de mantel van Saul had afgesneden.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֔ן
(ken)
zo
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en het sloeg
לֵב
(lev)
het hart van
דָּוִ֖ד
(david)
David
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
עַ֚ל
(al)
over
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
כָּרַ֔ת
(karat)
hij sneed af
אֶת
(et)
(obj.)
כָּנָ֖ף
(kanaf)
de rand
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לְשָׁאֽוּל
(leshaul)
van Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּךְ לֵב דָּוִד (vajak lev David), letterlijk ‘het hart van David sloeg hem’: hij kreeg wroeging.

Zie ook 2 Sam. 24:10.

7Hij zei tegen zijn mannen: „Ver zij het van mij, vanwege Yahweh, dat ik dit mijn heer aandoe, de gezalfde van Yahweh. Ik steek mijn hand niet tegen hem uit. Want hij is de gezalfde van Yahweh.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לַאֲנָשָׁ֜יו
(laanashav)
tegen zijn mannen
חָלִ֧ילָה
(chalila)
ver zij het
לִּ֣י
(li)
van mij
מֵֽיהוָ֗ה
(meYahweh)
vanwege Yahweh
אִם
(im)
indien
אֶעֱשֶׂה֩
(eese)
ik doe
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֨ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֤ה
(haze)
deze
לַֽאדֹנִי֙
(ladoni)
aan mijn heer
לִמְשִׁ֣יחַ
(limshiach)
de gezalfde van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לִשְׁלֹ֥חַ
(lishloach)
om uit te steken
יָדִ֖י
(yadi)
mijn hand
בּ֑וֹ
(bo)
tegen hem
כִּֽי
(ki)
want
מְשִׁ֥יחַ
(meshiach)
de gezalfde van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשִׁיחַ יהוה (meshiach Yahweh), ‘gezalfde van Yahweh’: de koning, door Yahweh aangewezen en met olie gezalfd (1 Sam. 10:1; 15:1).

חָלִילָה (chalilah), ‘ver zij het’: een sterke afwijzing.

8David hield zijn mannen met deze woorden tegen. Hij liet hen niet tegen Saul opstaan. Saul stond op, verliet de grot en ging verder op zijn weg.
וַיְשַׁסַּ֨ע
(vayshasa)
en hij hield tegen
דָּוִ֤ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
אֲנָשָׁיו֙
(anashav)
zijn mannen
בַּדְּבָרִ֔ים
(badevarim)
met woorden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נְתָנָ֖ם
(netanam)
liet hij hen
לָק֣וּם
(laqum)
om op te staan
אֶל
(el)
tegen
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וְשָׁא֛וּל
(veshaul)
en Saul
קָ֥ם
(qam)
stond op
מֵהַמְּעָרָ֖ה
(mehameara)
uit de grot
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
בַּדָּֽרֶךְ
(badarekh)
op de weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְשַׁסַּע (vajeshasa) komt van een werkwoord met de betekenis ‘splijten, uit elkaar scheuren’.

Wij vertalen: David hield zijn mannen met woorden tegen, hij wees hen scherp terecht.

David spreekt Saul toe

9Daarna stond David op en ging de grot uit. Hij riep Saul achterna: „Mijn heer de koning!” Saul keek achterom. David boog zich met zijn gezicht naar de grond en wierp zich neer.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en hij stond op
דָּוִ֜ד
(david)
David
אַחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֗ן
(ken)
zo
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en hij ging uit
מן
(min)
uit
מֵֽהַמְּעָרָ֔ה
(mehameara)
de grot
וַיִּקְרָ֧א
(vayiqra)
en hij riep
אַֽחֲרֵי
(acharei)
achter
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיַּבֵּ֤ט
(vayabet)
en hij keek
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אַֽחֲרָ֔יו
(acharav)
achter zich
וַיִּקֹּ֨ד
(vayiqod)
en hij boog
דָּוִ֥ד
(david)
David
אַפַּ֛יִם
(apayim)
gezicht
אַ֖רְצָה
(artsa)
naar de grond
וַיִּשְׁתָּֽחוּ
(vayishtachu)
en hij wierp zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David buigt zich neer voor Saul als voor de koning.

Lezing

Voor ‘de grot’ staat al het woord ‘uit’ (מן).

Het geschreven woord is ‘de grot’ (ketiv); gelezen wordt ‘uit de grot’ (qere).

Het verandert de betekenis niet.

10David zei tegen Saul: „Waarom luistert u naar de woorden van mensen die zeggen: ‘Zie, David zoekt uw ongeluk’?
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֙
(david)
David
לְשָׁא֔וּל
(leshaul)
tegen Saul
לָ֧מָּה
(lama)
waarom
תִשְׁמַ֛ע
(tishma)
luistert u
אֶת
(et)
naar
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
אָדָ֖ם
(adam)
een mens
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
דָוִ֔ד
(david)
David
מְבַקֵּ֖שׁ
(mevaqesh)
zoekt
רָעָתֶֽךָ
(raatekha)
uw ongeluk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּבְרֵי אָדָם (divrei adam), letterlijk ‘woorden van een mens’: wat mensen zeggen.

11Zie, vandaag hebben uw eigen ogen gezien dat Yahweh u vandaag in mijn hand heeft gegeven, in de grot. Men zei dat ik u moest doden, maar mijn oog had medelijden met u. Ik zei: ‘Ik steek mijn hand niet uit tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van Yahweh.’
הִנֵּה֩
(hine)
zie
הַיּ֨וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֜ה
(haze)
deze
רָא֣וּ
(rau)
hebben gezien
עֵינֶ֗יךָ
(eineikha)
uw ogen
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נְתָנְךָ֩
(netanekha)
heeft u gegeven
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
הַיּ֤וֹם
(hayom)
vandaag
בְּיָדִי֙
(beyadi)
in mijn hand
בַּמְּעָרָ֔ה
(bameara)
in de grot
וְאָמַ֥ר
(veamar)
en hij zei
לַהֲרָגֲךָ֖
(laharagakha)
om u te doden
וַתָּ֣חָס
(vatachas)
en het had medelijden
עָלֶ֑יךָ
(aleikha)
met u
וָאֹמַ֗ר
(vaomar)
en ik zei
לֹא
(lo)
niet
אֶשְׁלַ֤ח
(eshlach)
ik zal uitsteken
יָדִי֙
(yadi)
mijn hand
בַּֽאדֹנִ֔י
(badoni)
tegen mijn heer
כִּי
(ki)
want
מְשִׁ֥יחַ
(meshiach)
de gezalfde van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וַתָּחָס (vatachas) staat in het vrouwelijk: ‘zij had medelijden’.

Het onderwerp staat er niet bij.

Wij vullen ‘mijn oog’ aan (zie Deut. 7:16, ‘je oog zal niet sparen’).

Sommige oude vertalingen lezen ‘ik had medelijden’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

12Mijn vader, kijk toch, ja kijk, de rand van uw mantel is in mijn hand. Want ik sneed de rand van uw mantel af en doodde u niet. Weet en zie dat er in mijn hand geen kwaad en geen misdaad is. Ik heb niet tegen u gezondigd. Maar u loert op mijn leven om het te nemen.
וְאָבִ֣י
(veavi)
en mijn vader
רְאֵ֔ה
(ree)
kijk
גַּ֗ם
(gam)
ja
רְאֵ֛ה
(ree)
kijk
אֶת
(et)
(obj.)
כְּנַ֥ף
(kenaf)
de rand van
מְעִילְךָ֖
(meilekha)
uw mantel
בְּיָדִ֑י
(beyadi)
in mijn hand
כִּ֡י
(ki)
want
בְּכָרְתִי֩
(bekhareti)
bij mijn afsnijden
אֶת
(et)
(obj.)
כְּנַ֨ף
(kenaf)
de rand van
מְעִֽילְךָ֜
(meilekha)
uw mantel
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
הֲרַגְתִּ֗יךָ
(haragtikha)
heb ik u gedood
דַּ֤ע
(da)
weet
וּרְאֵה֙
(uree)
en zie
כִּי֩
(ki)
dat
אֵ֨ין
(ein)
er is niet
בְּיָדִ֜י
(beyadi)
in mijn hand
רָעָ֤ה
(raa)
kwaad
וָפֶ֨שַׁע֙
(vafesha)
en misdaad
וְלֹא
(velo)
en niet
חָטָ֣אתִי
(chatati)
heb ik gezondigd
לָ֔ךְ
(lakh)
tegen u
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en u
צֹדֶ֥ה
(tsode)
loert
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn leven
לְקַחְתָּֽהּ
(leqachtah)
om het te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David noemt Saul ‘mijn vader’: Saul is zijn schoonvader (1 Sam. 18:27).

פֶּשַׁע (pesha), ‘misdaad, opstand’.

13Yahweh zij rechter tussen mij en u. Yahweh zal mij op u wreken. Maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
יִשְׁפֹּ֤ט
(yishpot)
moge rechtspreken
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בֵּינִ֣י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶ֔ךָ
(uveinekha)
en tussen u
וּנְקָמַ֥נִי
(uneqamani)
en wreke mij
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִמֶּ֑ךָּ
(mimeka)
op u
וְיָדִ֖י
(veyadi)
en mijn hand
לֹ֥א
(lo)
niet
תִֽהְיֶה
(tihye)
zal zijn
בָּֽךְ
(bakh)
tegen u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ook in 1 Sam. 26:10 laat David de wraak aan Yahweh over.

Zie ook Deut. 32:35.

14Zoals het spreekwoord van de ouden zegt: ‘Uit goddelozen komt goddeloosheid voort.’ Maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
יֹאמַ֗ר
(yomar)
zegt
מְשַׁל֙
(meshal)
het spreekwoord van
הַקַּדְמֹנִ֔י
(haqadmoni)
de ouden
מֵרְשָׁעִ֖ים
(mereshaim)
van goddelozen
יֵ֣צֵא
(yetse)
gaat uit
רֶ֑שַׁע
(resha)
goddeloosheid
וְיָדִ֖י
(veyadi)
en mijn hand
לֹ֥א
(lo)
niet
תִֽהְיֶה
(tihye)
zal zijn
בָּֽךְ
(bakh)
tegen u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשַׁל הַקַּדְמֹנִי (meshal hakadmoni), ‘spreekwoord van de ouden’: een oude uitspraak.

David zegt daarmee: ik ben niet goddeloos.

15Achter wie is de koning van Israël uitgetrokken? Achter wie jaagt u aan? Achter een dode hond, achter één vlo.
אַחֲרֵ֨י
(acharei)
achter
מִ֤י
(mi)
wie
יָצָא֙
(yatsa)
is uitgetrokken
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
מִ֖י
(mi)
wie
אַתָּ֣ה
(ata)
u
רֹדֵ֑ף
(rodef)
jaagt aan
אַֽחֲרֵי֙
(acharei)
achter
כֶּ֣לֶב
(kelev)
hond
מֵ֔ת
(met)
dode
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
פַּרְעֹ֥שׁ
(parosh)
vlo
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Een dode hond’ en ‘één vlo’ zijn beeldspraak voor iets kleins en onbelangrijks.

David maakt zichzelf klein tegenover de koning.

16Yahweh zal rechter zijn en oordelen tussen mij en u. Hij zal ernaar kijken en mijn zaak voeren. Hij zal mij recht doen tegenover u.”
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְדַיָּ֔ן
(ledayan)
tot rechter
וְשָׁפַ֖ט
(veshafat)
en zal oordelen
בֵּינִ֣י
(beini)
tussen mij
וּבֵינֶ֑ךָ
(uveinekha)
en tussen u
וְיֵ֨רֶא֙
(veyere)
en Hij zal zien
וְיָרֵ֣ב
(veyarev)
en Hij zal bepleiten
אֶת
(et)
(obj.)
רִיבִ֔י
(rivi)
mijn rechtszaak
וְיִשְׁפְּטֵ֖נִי
(veyishpeteni)
en Hij zal mij recht doen
מִיָּדֶֽךָ
(miyadekha)
uit uw hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְיָרֵב אֶת־רִיבִי (vejarev et rivi), ‘hij zal mijn rechtszaak voeren’: Yahweh treedt op als verdediger.

Saul huilt en erkent David

17Toen David deze woorden tot Saul had uitgesproken, zei Saul: „Is dat jouw stem, mijn zoon David?” Saul verhief zijn stem en huilde.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כְּכַלּ֣וֹת
(kekhalot)
toen hij klaar was
דָּוִ֗ד
(david)
David
לְדַבֵּ֞ר
(ledaber)
om te spreken
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֤ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
אֶל
(el)
tot
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
הֲקֹלְךָ֥
(haqolekha)
is jouw stem
זֶ֖ה
(ze)
dit
בְּנִ֣י
(beni)
mijn zoon
דָוִ֑ד
(david)
David
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hij verhief
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
קֹל֖וֹ
(qolo)
zijn stem
וַיֵּֽבְךְּ
(vayevek)
en hij huilde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hij zei tegen David: „Jij bent rechtvaardiger dan ik. Want jij hebt mij goed vergolden, en ik heb jou kwaad vergolden.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tegen
דָּוִ֔ד
(david)
David
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
rechtvaardig
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
meer dan ik
כִּ֤י
(ki)
want
אַתָּה֙
(ata)
jij
גְּמַלְתַּ֣נִי
(gemaltani)
hebt mij vergolden
הַטּוֹבָ֔ה
(hatova)
het goede
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
גְּמַלְתִּ֥יךָ
(gemaltikha)
heb jou vergolden
הָרָעָֽה
(haraa)
het kwade
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צַדִּיק (tsaddiq) is ‘rechtvaardig’: Saul erkent dat David in het recht is.

19Vandaag heb je laten zien dat je goed voor mij bent geweest. Yahweh heeft mij in je hand overgeleverd, maar je hebt mij niet gedood.
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
הִגַּ֣דְתָּ
(higadta)
heb verteld
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשִׂ֥יתָה
(asita)
je hebt gedaan
אִתִּ֖י
(iti)
met mij
טוֹבָ֑ה
(tova)
goed
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
סִגְּרַ֧נִי
(sigerani)
heeft mij overgeleverd
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיָדְךָ֖
(beyadekha)
in je hand
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הֲרַגְתָּֽנִי
(haragtani)
heb je mij gedood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Als iemand zijn vijand vindt, laat hij hem dan op een goede weg gaan? Moge Yahweh jou goed vergelden voor wat je mij vandaag hebt gedaan.
וְכִֽי
(vekhi)
en als
יִמְצָ֥א
(yimtsa)
vindt
אִישׁ֙
(ish)
een man
אֶת
(et)
(obj.)
אֹ֣יְב֔וֹ
(oyevo)
zijn vijand
וְשִׁלְּח֖וֹ
(veshilecho)
en hij stuurt hem weg
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op een weg
טוֹבָ֑ה
(tova)
goede
וַֽיהוָה֙
(vaYahweh)
en Yahweh
יְשַׁלֶּמְךָ֣
(yeshalemkha)
moge u vergelden
טוֹבָ֔ה
(tova)
goed
תַּ֚חַת
(tachat)
in plaats van
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשִׂ֖יתָה
(asita)
je hebt gedaan
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Wij lezen de eerste zin als een vraag.

Het antwoord is: nee, niemand laat zijn vijand zomaar gaan.

21Nu weet ik dat jij zeker koning zult worden. Het koningschap van Israël zal in jouw hand bestaan.
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik weet
כִּ֥י
(ki)
dat
מָלֹ֖ךְ
(malokh)
koning
תִּמְל֑וֹךְ
(timlokh)
je zult regeren
וְקָ֨מָה֙
(veqama)
en zal bestaan
בְּיָ֣דְךָ֔
(beyadekha)
in je hand
מַמְלֶ֖כֶת
(mamlekhet)
koningschap van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Saul erkent dat David koning wordt.

Vergelijk Jonatans woorden in 1 Sam. 23:17 en de belofte aan Juda in Gen. 49:10.

22Zweer mij dan bij Yahweh: je zult mijn nageslacht na mij niet uitroeien. En je zult mijn naam niet vernietigen uit het huis van mijn vader.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הִשָּׁ֤בְעָה
(hishavea)
zweer
לִּי֙
(li)
aan mij
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
bij Yahweh
אִם
(im)
indien
תַּכְרִ֥ית
(takhrit)
je zult uitroeien
אֶת
(et)
(obj.)
זַרְעִ֖י
(zari)
mijn nageslacht
אַֽחֲרָ֑י
(acharay)
na mij
וְאִם
(veim)
en indien
תַּשְׁמִ֥יד
(tashmid)
je zult vernietigen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמִ֖י
(shemi)
mijn naam
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het ‘nageslacht’ (zera) en de ‘naam’ van Saul en zijn vader: Saul vraagt dat zijn familie niet wordt uitgeroeid.

Zie ook 2 Sam. 9:1.

כָּרַת (karat), ‘afsnijden, uitroeien’: hetzelfde woord als bij ‘een verbond sluiten’.

David en Saul gaan uiteen

23David zwoer het aan Saul. Saul ging naar huis. David en zijn mannen gingen omhoog naar de bergvesting.
וַיִּשָּׁבַ֥ע
(vayishava)
en hij zwoer
דָּוִ֖ד
(david)
David
לְשָׁא֑וּל
(leshaul)
aan Saul
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
naar
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וְדָוִד֙
(vedavid)
en David
וַֽאֲנָשָׁ֔יו
(vaanashav)
en zijn mannen
עָל֖וּ
(alu)
gingen op
עַל
(al)
naar
הַמְּצוּדָֽה
(hametsuda)
de bergvesting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)