De Leviatan, de wijngaard van Yahweh en het verspreide volk dat terugkeert
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh straft de Leviatan
1Op die dag zal Yahweh met Zijn zwaard straffen, het harde, het grote en het sterke. Hij zal de Leviatan straffen, de vluchtende slang, en de Leviatan, de kronkelende slang. Hij zal het zeemonster doden dat in de zee is.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֡וּא
(hahu)
die
יִפְקֹ֣ד
(yifqod)
Hij zal straffen
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
בְּחַרְב֨וֹ
(becharvo)
met Zijn zwaard
הַקָּשָׁ֜ה
(haqasha)
het harde
וְהַגְּדוֹלָ֣ה
(vehagedola)
en het grote
וְהַֽחֲזָקָ֗ה
(vehachazaqa)
en het sterke
עַ֤ל
(al)
over
לִוְיָתָן֙
(livyatan)
Leviatan
נָחָ֣שׁ
(nachash)
slang
בָּרִ֔חַ
(bariach)
vluchtende
וְעַל֙
(veal)
en over
לִוְיָתָ֔ן
(livyatan)
Leviatan
נָחָ֖שׁ
(nachash)
slang
עֲקַלָּת֑וֹן
(aqalaton)
kronkelende
וְהָרַ֥ג
(veharag)
en Hij zal doden
אֶת
(et)
(obj.)
הַתַּנִּ֖ין
(hatanin)
het zeemonster
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בַּיָּֽם
(bayam)
in de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לִוְיָתָן (livyatan), ‘Leviatan’: een zeemonster.
Zie ook Job 40:25–32 en Ps. 104:26 (vergelijk Job 3:8).
נָחָשׁ (nachash), ‘slang’ en תַּנִּין (tannin), ‘zeemonster’: beelden van een macht die tegen Yahweh en Zijn volk staat. De tekst zegt niet welke macht of welk volk bedoeld wordt.
בָּרִחַ (bariach), ‘vluchtend’: het woord kan ook ‘slingerend’ of ‘ontsnappend’ betekenen. עֲקַלָּתוֹן (aqallaton), ‘kronkelend’: een zeldzaam woord, het betekent ‘gedraaid’.
יִפְקֹד (yifqod), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken’, zoals in Hos. 1:4.
9Daarom wordt hierdoor de schuld van Jakob verzoend. Dit is de hele vrucht van het wegnemen van zijn zonde: dat hij alle stenen van het altaar maakt tot verbrijzelde kalksteen. Heilige palen en wierookaltaren zullen niet meer opstaan.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
בְּזֹאת֙
(bezot)
hierdoor
יְכֻפַּ֣ר
(yekhupar)
wordt verzoend
עֲוֺֽן
(avon)
schuld van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְזֶ֕ה
(veze)
en dit
כָּל
(kal)
hele
פְּרִ֖י
(peri)
vrucht van
הָסִ֣ר
(hasir)
het wegnemen van
חַטָּאת֑וֹ
(chatato)
zijn zonde
בְּשׂוּמ֣וֹ
(besumo)
als hij maakt
כָּל
(kal)
alle
אַבְנֵ֣י
(avnei)
stenen van
מִזְבֵּ֗חַ
(mizbeach)
altaar
כְּאַבְנֵי
(keavnei)
als stenen van
גִר֙
(gir)
kalk
מְנֻפָּצ֔וֹת
(menupatsot)
verbrijzelde
לֹֽא
(lo)
niet
יָקֻ֥מוּ
(yaqumu)
zij zullen opstaan
אֲשֵׁרִ֖ים
(asherim)
heilige palen
וְחַמָּנִֽים
(vechamanim)
en wierookaltaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּפֶּר (kipper), ‘verzoenen’: hetzelfde werkwoord als bij het verzoeningsoffer in de wet, zoals in Lev. 16:30.
Hier is de schuld verzoend doordat de afgodsaltaren worden vernield.
אֲשֵׁרִים (asherim), ‘heilige palen’ en חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis van het tweede woord is niet helemaal zeker. Zie ook Lev. 26:30.
Het Hebreeuws zegt niet wie de altaarstenen verbrijzelt. Wij lezen: Jakob zelf.
10Want de versterkte stad is eenzaam. De woonplaats is weggestuurd en verlaten als de woestijn. Daar graast het kalf, daar ligt het neer en eet het haar takken op.
כִּ֣י
(ki)
want
עִ֤יר
(ir)
stad
בְּצוּרָה֙
(betsura)
versterkte
בָּדָ֔ד
(badad)
eenzaam
נָוֶ֕ה
(nave)
woonplaats
מְשֻׁלָּ֥ח
(meshulach)
weggestuurd
וְנֶעֱזָ֖ב
(veneezav)
en verlaten
כַּמִּדְבָּ֑ר
(kamidbar)
als de woestijn
שָׁ֣ם
(sham)
daar
יִרְעֶ֥ה
(yire)
graast
עֵ֛גֶל
(egel)
kalf
וְשָׁ֥ם
(vesham)
en daar
יִרְבָּ֖ץ
(yirbats)
ligt neer
וְכִלָּ֥ה
(vekhila)
en eet op
סְעִפֶֽיהָ
(seifeiha)
haar takken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָוֶה (naveh), ‘woonplaats’: het woord kan ook ‘weide’ betekenen.
De ‘versterkte stad’ is dezelfde als in Jes. 25:2 en 26:5, of een andere stad. De tekst zegt het niet.
11Als haar twijgen droog zijn, worden ze afgebroken. Vrouwen komen en steken ze aan. Want het is geen volk met inzicht. Daarom ontfermt zijn Maker Zich niet over hem, en zijn Vormer is hem niet genadig.
בִּיבֹ֤שׁ
(bivosh)
als verdord
קְצִירָהּ֙
(qetsirah)
haar twijgen
תִּשָּׁבַ֔רְנָה
(tishavarna)
zij worden afgebroken
נָשִׁ֕ים
(nashim)
vrouwen
בָּא֖וֹת
(baot)
komend
מְאִיר֣וֹת
(meirot)
steken aan
אוֹתָ֑הּ
(otah)
het
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
עַם
(am)
volk van
בִּינוֹת֙
(binot)
inzicht
ה֔וּא
(hu)
het
עַל
(al)
over
כֵּן֙
(ken)
zo
לֹֽא
(lo)
niet
יְרַחֲמֶ֣נּוּ
(yerachamenu)
ontfermt Zich over hem
עֹשֵׂ֔הוּ
(osehu)
zijn Maker
וְיֹצְר֖וֹ
(veyotsero)
en zijn Vormer
לֹ֥א
(lo)
niet
יְחֻנֶּֽנּוּ
(yechunenu)
is hem genadig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְצִירָהּ (qetsirah), ‘haar twijgen’: het woord betekent meestal ‘oogst’ of ‘tak’.
Wij lezen ‘twijgen’ omdat de zin gaat over afbreken en aansteken.
עֹשֵׂהוּ (osehu), ‘zijn Maker’ en יֹצְרוֹ (yotsro), ‘zijn Vormer’: titels van Yahweh als Schepper.
רִחַם (richem), ‘zich ontfermen’ en חָנַן (chanan), ‘genadig zijn’: de beide woorden staan naast elkaar. Yahweh toont dit volk geen ontferming.
12Op die dag zal Yahweh afkloppen, vanaf de stroom van de Rivier tot de beek van Egypte. En jullie, zonen van Israël, zullen een voor een worden opgeraapt.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
יַחְבֹּ֧ט
(yachbot)
zal afkloppen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מִשִּׁבֹּ֥לֶת
(mishibolet)
vanaf de stroom van
הַנָּהָ֖ר
(hanahar)
de Rivier
עַד
(ad)
tot
נַ֣חַל
(nachal)
beek van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְאַתֶּ֧ם
(veatem)
en jullie
תְּלֻקְּט֛וּ
(teluqetu)
zullen worden opgeraapt
לְאַחַ֥ד
(leachad)
een voor
אֶחָ֖ד
(echad)
een
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Eufraat (de Rivier): ‘De Rivier’ is de Eufraat, de grote rivier in het noordoosten van het land.
De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.
Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï.
Dit is de zuidwestgrens van het land.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
שִׁבֹּלֶת הַנָּהָר (shibboleth hannahar), ‘de stroom van de Rivier’: het woord shibboleth betekent ‘aar’ en ook ‘stroom’.
‘De Rivier’ is de Eufraat, zoals in 1 Kon. 5:4.
De beek van Egypte is de zuidgrens van het land.
יַחְבֹּט (yachbot), ‘afkloppen’: zoals olijven van de boom worden geslagen (Deut. 24:20). Yahweh klopt Zijn volk als vruchten bijeen en raapt hen één voor één op.
13Op die dag wordt er op een grote ramshoorn geblazen. Dan komen de verlorenen in het land Assyrië, en de verdrevenen in het land Egypte. Zij zullen zich neerbuigen voor Yahweh op de heilige berg in Jeruzalem.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יִתָּקַע֮
(yitaqa)
wordt geblazen
בְּשׁוֹפָ֣ר
(beshofar)
op een ramshoorn
גָּדוֹל֒
(gadol)
grote
וּבָ֗אוּ
(uvau)
en zij zullen komen
הָאֹֽבְדִים֙
(haovedim)
de verlorenen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וְהַנִּדָּחִ֖ים
(vehanidachim)
en de verdrevenen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְהִשְׁתַּחֲו֧וּ
(vehishtachavu)
en zij zullen zich neerbuigen
לַיהוָ֛ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
הַקֹּ֖דֶשׁ
(haqodesh)
de heilige
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
שׁוֹפָר גָּדוֹל (shofar gadol), ‘een grote ramshoorn’: een signaal voor de terugkeer van de verspreide Israëlieten.
Vergelijk Joël 2:1.
הָאֹבְדִים (ha’ovedim), ‘de verlorenen’: zij die omgekomen zijn in een ver land of verloren zijn gegaan.
הִשְׁתַּחֲווּ (hishtachavu), ‘zij zullen zich neerbuigen’: voor Yahweh buigen zij zich diep.