Elohim Bijbel

Genesis 2

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

De tuin in Eden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zevende dag: rust

1Zo waren de hemel en de aarde klaar, met alles wat daarin is.
וַיְכֻלּ֛וּ
(vaykhulu)
en ze werden voltooid
הַשָּׁמַ֥יִם
(hashamayim)
de hemel
וְהָאָ֖רֶץ
(vehaarets)
en de aarde
וְכָל
(vekhal)
en al
צְבָאָֽם
(tsevaam)
hun leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Op de zesde dag maakte Elohim het werk af dat Hij gedaan had. Op de zevende dag rustte Hij van al het werk dat Hij had gedaan.
וַיְכַ֤ל
(vaykhal)
en Hij voltooide
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הששי
(hashishshi)
de zesde
מְלַאכְתּ֖וֹ
(melakhto)
Zijn werk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֑ה
(asa)
Hij had gedaan
וַיִּשְׁבֹּת֙
(vayishbot)
en Hij rustte
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
מִכָּל
(mikal)
van al
מְלַאכְתּ֖וֹ
(melakhto)
Zijn werk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָֽׂה
(asa)
Hij had gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Samaritaanse Pentateuch
Uitleg

עָשָׂה (asah) betekent ‘maken’ en ‘doen’.

In 1:31 staat ‘gemaakt’ voor wat Elohim schiep, in 2:2 ‘gedaan’ voor het werk zelf: het is hetzelfde werkwoord.

Het werk is af op de zesde dag en Elohim rust op de zevende (Gen. 1:31–2:3).

De Masoretische tekst heeft beide keren ‘zevende dag’.

De Septuaginta, de Samaritaanse Pentateuch en de Peshitta hebben: voltooid op de zesde dag.

Jubileeën 2:16 bevestigt dit.

Dit vers volgt hen, en de gang van 1:31–2:3.

3Elohim zegende de zevende dag en verklaarde die heilig. Want op die dag rustte Hij van al Zijn werk, dat Elohim scheppend tot stand had gebracht.
וַיְבָ֤רֶךְ
(vayvarekh)
en Hij zegende
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
י֣וֹם
(yom)
dag
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
וַיְקַדֵּ֖שׁ
(vayqadesh)
en Hij heiligde
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
כִּ֣י
(ki)
want
ב֤וֹ
(bo)
erin
שָׁבַת֙
(shavat)
Hij rustte
מִכָּל
(mikal)
van al
מְלַאכְתּ֔וֹ
(melakhto)
Zijn werk
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּרָ֥א
(bara)
schiep
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
om te maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zesde dag, ingezoomd: Yahweh en de mens

4Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, bij hun schepping. Toen Yahweh Elohim aarde en hemel maakte,
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit zijn
תוֹלְד֧וֹת
(toledot)
voortbrengselen van
הַשָּׁמַ֛יִם
(hashamayim)
de hemel
וְהָאָ֖רֶץ
(vehaarets)
en de aarde
בְּהִבָּֽרְאָ֑ם
(behibaream)
bij hun geschapen worden
בְּי֗וֹם
(beyom)
op de dag
עֲשׂ֛וֹת
(asot)
het maken door
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶ֥רֶץ
(erets)
aarde
וְשָׁמָֽיִם
(veshamayim)
en hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹלְדוֹת (toledot): ‘voortbrengselen, geslachten, geschiedenis’; dit woord verdeelt Genesis in onderdelen.

יהוה (Yahweh, JHWH) staat hier voor het eerst in de Bijbel.

Het is de Naam die Elohim aan Mozes openbaart in Exodus 3:14–15.

Hij komt van het werkwoord הָיָה (hayah), ‘zijn’, en wordt gewoonlijk verstaan als ‘Hij is’ of ‘Hij die er is’; het kan ook als toekomst gelezen worden: ‘Hij zal er zijn’.

In Exodus 3:14 zegt Elohim: אֶהְיֶה אֲשֶׁר אֶהְיֶה (ehyeh asher ehyeh), ‘Ik ben die Ik ben’ of ‘Ik zal zijn die Ik zal zijn’.

De klinkers van de Naam zijn niet overgeleverd: de Joodse traditie spreekt hem niet uit en leest אֲדֹנָי (Adonai), ‘Heer’.

‘Yahweh’ is de gangbare wetenschappelijke weergave.

Doordat de Naam hier aan Elohim wordt toegevoegd, is Yahweh dezelfde als Elohim uit hoofdstuk 1.

יֵשׁוּעַ (Yeshua) betekent ‘Yahweh redt’ (Matt. 1:21).

Vanaf hier staat de godsnaam bij Elohim: ‘Yahweh Elohim’.

Openbaring 1:8 vat de Naam samen als ‘Hij die is, die was en die komt’.

5was er op aarde nog geen struik of plant van het veld gegroeid, want Yahweh Elohim had het nog niet laten regenen op de aarde. Ook was er geen mens om de grond te bewerken.
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en al
שִׂ֣יחַ
(siach)
struik
הַשָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
טֶ֚רֶם
(terem)
nog niet
יִֽהְיֶ֣ה
(yihye)
was er
בָאָ֔רֶץ
(baarets)
op de aarde
וְכָל
(vekhal)
en al
עֵ֥שֶׂב
(esev)
plant
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
טֶ֣רֶם
(terem)
nog niet
יִצְמָ֑ח
(yitsmach)
ontsproot
כִּי֩
(ki)
want
לֹ֨א
(lo)
niet
הִמְטִ֜יר
(himtir)
liet regenen
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
עַל
(al)
op
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְאָדָ֣ם
(veadam)
en mens
אַ֔יִן
(ayin)
er was niet
לַֽעֲבֹ֖ד
(laavod)
om te bewerken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאָדָם (ve’adam) staat zonder lidwoord, omdat het de mens als soort noemt: er was nog niemand die de grond kon bewerken.

Het woord klinkt aan op אֲדָמָה (adamah), ‘grond’.

De persoon Adam komt pas in Gen. 2:16 in beeld (zie de voetnoot daar).

6Maar uit de aarde steeg een damp op, die heel het oppervlak van de grond bevochtigde.
וְאֵ֖ד
(veed)
en damp
יַֽעֲלֶ֣ה
(yaale)
steeg op
מִן
(min)
uit
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְהִשְׁקָ֖ה
(vehishqa)
en besproeide
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
פְּנֵֽי
(penei)
oppervlak
הָֽאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵד (ed), ‘damp’, komt in de Bijbel maar één andere keer voor (Job 36:27, daar ‘nevel’ of ‘damp’).

Het is niet zeker of het een opstijgende mist is of water dat uit de aarde welt; beide zijn mogelijk.

Het beeld is: vóór de regen werd de grond al vochtig.

Zie ookJob 36:27
7Yahweh Elohim vormde de mens uit stof van de grond. Hij blies in zijn neus de adem van leven, en de mens werd een levend wezen.
וַיִּיצֶר֩
(vayitser)
en Hij vormde
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאָדָ֗ם
(haadam)
de mens
עָפָר֙
(afar)
stof
מִן
(min)
uit
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
וַיִּפַּ֥ח
(vayipach)
en hij blies
בְּאַפָּ֖יו
(beapav)
in zijn neus
נִשְׁמַ֣ת
(nishmat)
adem van
חַיִּ֑ים
(chayim)
leven
וַֽיְהִ֥י
(vayhi)
en het werd
הָֽאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
לְנֶ֥פֶשׁ
(lenefesh)
tot wezen
חַיָּֽה
(chaya)
levend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאָדָם (ha’adam), ‘de mens’, is een klankspel met הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’.

נִשְׁמַת חַיִּים (nishmat chayim): ‘adem van leven’.

וַיִּפַּח (vayipach), ‘en Hij blies’, in zijn neus: Yahweh Elohim geeft zelf de adem.

Met lidwoord, dus geen eigennaam: ‘de mens’.

De mens wordt vanaf Gen. 2:16 ‘Adam’ genoemd (zie de voetnoot daar).

De tuin in Eden

8Yahweh Elohim plantte een tuin in Eden, in het oosten, en plaatste daar de mens die Hij gevormd had.
וַיִּטַּ֞ע
(vayita)
en Hij plantte
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
גַּן
(gan)
tuin
בְעֵ֖דֶן
(beeden)
in Eden
מִקֶּ֑דֶם
(miqedem)
van het oosten
וַיָּ֣שֶׂם
(vayasem)
en Hij plaatste
שָׁ֔ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָצָֽר
(yatsar)
Hij had gevormd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

עֵדֶן (Eden): de exacte ligging is onbekend, maar waarschijnlijk nabij het Ararat gebergte.

Het oosten is gezien vanuit Kanaän.

Uitleg

מִקֶּדֶם (miqqedem) betekent ‘in het oosten’ of ‘van oudsher’.

הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’.

Met lidwoord, dus geen eigennaam; de naam Adam volgt vanaf 2:16 (zie de voetnoot daar).

Volgens vers 10 komt er één rivier uit Eden die zich daarna in vier splitst, dus Eden ligt bij de bron.

De Eufraat, die ook na de zondvloed wordt genoemd (Gen. 15:18), is daarvoor het vaste punt.

De zondvloed (Gen. 7:11) kan de loop van de rivieren veranderd hebben.

De ark komt tot rust op de bergen van Ararat (Gen. 8:4), hetzelfde bergland.

Dat past bij een nieuw begin in hetzelfde gebied: Elohim geeft Noach dan ook dezelfde opdracht tot vermenigvuldiging als de mens in Gen. 1:28 (Gen. 9:1).

Lezing

Hier wordt aangenomen dat Eden in het Armeense hoogland lag, het gebied van Ararat in Oost-Turkije en Armenië, en dat alle vier de rivieren (vers 11–14) daar in Eden ontspringen.

9Yahweh Elohim liet uit de grond allerlei bomen groeien, begeerlijk om te zien en goed om van te eten. Ook liet Hij, midden in de tuin, de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad groeien.
וַיַּצְמַ֞ח
(vayatsmach)
en Hij liet ontspruiten
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
מִן
(min)
uit
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
כָּל
(kal)
al
עֵ֛ץ
(ets)
boom
נֶחְמָ֥ד
(nechmad)
begeerlijk
לְמַרְאֶ֖ה
(lemare)
voor het zicht
וְט֣וֹב
(vetov)
en goed
לְמַאֲכָ֑ל
(lemaakhal)
voor voedsel
וְעֵ֤ץ
(veets)
en boom
הַֽחַיִּים֙
(hachayim)
het leven
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הַגָּ֔ן
(hagan)
de tuin
וְעֵ֕ץ
(veets)
en boom
הַדַּ֖עַת
(hadaat)
de kennis
ט֥וֹב
(tov)
goed
וָרָֽע
(vara)
en kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Een rivier kwam uit Eden om de tuin water te geven, en vandaar splitste ze zich en werd tot vier takken.
וְנָהָרּ֙
(venahar)
en een rivier
יֹצֵ֣א
(yotse)
uitgaand
מֵעֵ֔דֶן
(meeden)
uit Eden
לְהַשְׁק֖וֹת
(lehashqot)
om te besproeien
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַגָּ֑ן
(hagan)
de tuin
וּמִשָּׁם֙
(umisham)
en vandaar
יִפָּרֵ֔ד
(yipared)
scheidde zich
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en werd
לְאַרְבָּעָ֥ה
(learbaa)
tot vier
רָאשִֽׁים
(rashim)
hoofden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Alle vier de rivieren ontspringen volgens deze lezing in Eden (zie de voetnoot bij Gen. 2:8).

Uitleg

רָאשִׁים (rashim) is letterlijk ‘hoofden’; bij een rivier kan het ‘takken’ of ‘bronnen’ betekenen.

Hier vertaald met ‘takken’, omdat de rivier uit Eden komt en zich daarna splitst.

Tigris en Eufraat lopen nu stroomafwaarts apart.

De zondvloed kan hun loop veranderd hebben (zie de voetnoot bij Gen. 2:8).

11De eerste heet Pison; die loopt om het hele land Havila heen, waar het goud is.
שֵׁ֥ם
(shem)
naam van
הָֽאֶחָ֖ד
(haechad)
de eerste
פִּישׁ֑וֹן
(pishon)
Pison
ה֣וּא
(hu)
hij
הַסֹּבֵ֗ב
(hasovev)
die omringt
אֵ֚ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
הַֽחֲוִילָ֔ה
(hachavila)
Havila
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁ֖ם
(sham)
daar
הַזָּהָֽב
(hazahav)
het goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Als Eden in het Armeense hoogland lag, dan lag Havila daar ook: het land rond de Pison, in de buurt van Eden.

Een voorstel binnen deze lezing: de Pison is de Koera of de Rioni (de oude Phasis), en Havila is dan het oude Kolchis aan de Zwarte Zee, in het huidige Georgië.

Zeker is dat niet.

Uitleg

פִּישׁוֹן (Pison) en חֲוִילָה (Chavila; in de tekst: Havila): De rivier Pison bestaat nu niet meer onder die naam.

Havila is het land dat de Pison omringt.

Elders in de Schrift komt Havila als plaats voor als het ene uiteinde van een lijn tot Sur (ten oosten van Egypte), in de richting van Assur (Gen. 25:18; 1 Sam. 15:7).

Daar vestigden de nakomelingen van Ismaël zich ‘tegenover al zijn broers’.

Volgens sommigen wijst dat eerder naar Arabië dan naar het Armeense hoogland.

Havila is ook de naam van twee personen: een zoon van Kus (Gen. 10:7) en een zoon van Joktan (Gen. 10:29).

12Het goud van dat land is goed; daar zijn ook bdellium en sjohamsteen.
וּֽזֲהַ֛ב
(uzahav)
en goud van
הָאָ֥רֶץ
(haarets)
het land
הַהִ֖וא
(hahi)
dat
ט֑וֹב
(tov)
goed
שָׁ֥ם
(sham)
daar
הַבְּדֹ֖לַח
(habedolach)
het bdellium
וְאֶ֥בֶן
(veeven)
en steen
הַשֹּֽׁהַם
(hashoham)
de sjoham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het goud van Havila ligt volgens deze lezing in het Armeense hoogland, rond Eden (zie de voetnoot bij Gen. 2:11).

Het goud zou kunnen passen bij het oude Kolchis, aan de Rioni.

Uitleg

בְּדֹלַח (bedolach), ‘bdellium’, is een geurige, doorschijnende hars van balsemachtige bomen uit Arabië en India, ook gebruikt als wierook; sommigen lezen het als edelsteen.

שֹׁהַם (shoham), ‘sjohamsteen’, is een kostbare edelsteen; welke precies, is onzeker: onyx, kornalijn of beril worden genoemd.

In Numeri 11:7 wordt de manna ermee vergeleken: het zag eruit als bdellium.

Twee stenen van sjoham zaten op de schouderstukken van de efod van de hogepriester, met de namen van de stammen erin gegraveerd (Exodus 28:9–12); ook de borstplaat had een steen van sjoham (Exodus 28:20).

Lezing

‘Het goud van dat land’ wordt hier gezocht in het Armeense hoogland, het land rond de Pison.

13De tweede rivier heet Gihon; die loopt om het hele land Kush heen.
וְשֵֽׁם
(veshem)
en naam van
הַנָּהָ֥ר
(hanahar)
de rivier
הַשֵּׁנִ֖י
(hasheni)
de tweede
גִּיח֑וֹן
(gichon)
Gihon
ה֣וּא
(hu)
hij
הַסּוֹבֵ֔ב
(hasovev)
die omringt
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
heel
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
כּֽוּשׁ
(kush)
Kush
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Volgens deze lezing ontspringt ook de Gihon in Eden (zie de voetnoot bij Gen. 2:8).

Een voorstel binnen deze lezing: de Gihon is de Aras.

Uitleg

גִּיחוֹן (Gichon; in de tekst: Gihon) is hier niet de bron bij Jeruzalem.

Kush (כּוּשׁ) is het land dat de Gihon omringt.

Waar Kush precies lag, is onzeker.

14De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assur. De vierde rivier is de Eufraat.
וְשֵׁ֨ם
(veshem)
en naam van
הַנָּהָ֤ר
(hanahar)
de rivier
הַשְּׁלִישִׁי֙
(hashelishi)
de derde
חִדֶּ֔קֶל
(chideqel)
Tigris
ה֥וּא
(hu)
hij
הַֽהֹלֵ֖ךְ
(haholekh)
die gaat
קִדְמַ֣ת
(qidmat)
ten oosten van
אַשּׁ֑וּר
(ashur)
Assur
וְהַנָּהָ֥ר
(vehanahar)
en de rivier
הָֽרְבִיעִ֖י
(harevii)
de vierde
ה֥וּא
(hu)
hij
פְרָֽת
(perat)
Eufraat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

אַשּׁוּר (Assur) ligt aan de westoever van de Tigris, ten zuiden van het huidige Mosul (Noord-Irak); de Tigris loopt dus ‘ten oosten van Assur’.

Beide rivieren ontspringen volgens deze lezing in Eden, in het Armeense hoogland.

De lijnen vanuit Eden naar de Tigris op de kaart zijn schematisch.

Uitleg

חִדֶּקֶל (Chiddeqel; in de tekst: Tigris) is de Tigris, פְּרָת (Perat; in de tekst: Eufraat) de Eufraat.

Omdat de Eufraat ook na de zondvloed wordt genoemd (Gen. 15:18), dient zijn bovenloop als vast punt.

Beide rivieren komen uit het Armeense hoogland, en hun bovenlopen liggen dicht bij elkaar.

Het gebod

15Yahweh Elohim nam de mens en plaatste hem in de tuin van Eden om die te bewerken en te bewaren.
וַיִּקַּ֛ח
(vayiqach)
en Hij nam
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאָדָ֑ם
(haadam)
de mens
וַיַּנִּחֵ֣הוּ
(vayanichehu)
en hij liet hem rusten
בְגַן
(began)
in de tuin van
עֵ֔דֶן
(eden)
Eden
לְעָבְדָ֖הּ
(leavedah)
om die te bewerken
וּלְשָׁמְרָֽהּ
(uleshamerah)
en om die te bewaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eden: Eden wordt in deze uitgave vermoedelijk in het Armeense hoogland gezocht, waar de vier rivieren ontspringen.

Uitleg

הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’.

Met lidwoord, dus geen eigennaam; de naam Adam volgt vanaf 2:16 (zie de voetnoot daar).

16Yahweh Elohim gaf Adam dit gebod: „Van alle bomen van de tuin mag je vrij eten,
וַיְצַו֙
(vaytsav)
en Hij gebood
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
עַל
(al)
over
הָֽאָדָ֖ם
(haadam)
Adam
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
om te zeggen
מִכֹּ֥ל
(mikol)
van al
עֵֽץ
(ets)
boom van
הַגָּ֖ן
(hagan)
de tuin
אָכֹ֥ל
(akhol)
eten
תֹּאכֵֽל
(tokhel)
je zult eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta
Uitleg

Vanaf dit vers staat ‘Adam’ waar het Hebreeuws הָאָדָם heeft en de persoon bedoeld is.

Hier wordt hij in de Septuaginta voor het eerst Αδαμ genoemd, vanaf 2:19 ook in de Vulgaat; daarvoor (2:7, 2:8, 2:15) hebben beide ‘mens’, en dat volgt deze vertaling.

Yahweh Elohim, de nabije vorm van Elohim, handelt persoonlijk met hem.

In 2:18 hebben de Septuaginta en de Vulgaat ook ‘mens’ (algemeen), in 3:22 ‘Adam’.

Aanvullend

Jubileeën 3:1–9 en Jasher 1:4 noemen hem Adam in het verhaal van de tuin; Henoch 60:8 noemt hem ‘Adam, de eerste van de mensen’ en Gen. 5:2 zegt: ‘Hij noemde hun naam Adam’.

17maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag je niet eten, want wanneer je daarvan eet, zul je zeker sterven.”
וּמֵעֵ֗ץ
(umeets)
en van boom
הַדַּ֨עַת֙
(hadaat)
de kennis
ט֣וֹב
(tov)
goed
וָרָ֔ע
(vara)
en kwaad
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכַ֖ל
(tokhal)
zul je eten
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
ervan
כִּ֗י
(ki)
want
בְּי֛וֹם
(beyom)
op de dag
אֲכָלְךָ֥
(akhalekha)
dat je eet
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
ervan
מ֥וֹת
(mot)
sterven
תָּמֽוּת
(tamut)
zul je sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּיוֹם (beyom) is letterlijk ‘op de dag dat’, maar het is een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘wanneer, op het moment dat’; het staat zo ook in 2:4 (‘toen Yahweh Elohim aarde en hemel maakte’).

מוֹת תָּמוּת (mot tamut) is ‘sterven, je zult sterven’: de dood is het zekere gevolg.

Adam stierf niet op dezelfde dag van 24 uur, maar wel binnen de dag van 1000 jaar, zoals beschreven in Jubileeën 4:29–30 en 2 Petrus 3:8, op 930-jarige leeftijd (Gen. 5:5).

Vanaf dat moment verandert de mens dus in een sterfelijk wezen; daarvoor was hij dat dus niet.

Het sterven van Eva wordt niet vermeld.

Een helper voor de mens

18Yahweh Elohim zei: „Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
לֹא
(lo)
niet
ט֛וֹב
(tov)
goed
הֱי֥וֹת
(heyot)
het zijn van
הָֽאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
לְבַדּ֑וֹ
(levado)
alleen
אֶֽעֱשֶׂהּ
(eeseh)
laat Ik maken
לּ֥וֹ
(lo)
voor hem
עֵ֖זֶר
(ezer)
hulp
כְּנֶגְדּֽוֹ
(kenegdo)
als zijn tegenover
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵזֶר כְּנֶגְדּוֹ (ezer kenegdo): ‘een hulp als tegenover hem’, dat wil zeggen iemand die hem gelijkwaardig is.

עֵזֶר (ezer) wordt elders ook van God gezegd (Ps. 33:20; Exod. 18:4).

הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’.

Hier ‘de mens’ in het algemeen; ook de Septuaginta en de Vulgaat hebben hier ‘mens’.

Zie de voetnoot bij Gen. 2:16.

19Uit de grond vormde Yahweh Elohim alle wilde dieren van het veld en alle vogels van de hemel. Hij bracht ze bij Adam om te zien hoe hij ze zou noemen. En elk levend wezen kreeg de naam die Adam het gaf.
וַיִּצֶר֩
(vayitser)
en Hij vormde
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
מִן
(min)
uit
הָֽאֲדָמָ֗ה
(haadama)
de grond
כָּל
(kal)
al
חַיַּ֤ת
(chayat)
dier van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
וְאֵת֙
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
ע֣וֹף
(of)
vogel van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַיָּבֵא֙
(vayave)
en hij bracht
אֶל
(el)
naar
הָ֣אָדָ֔ם
(haadam)
Adam
לִרְא֖וֹת
(lirot)
om te zien
מַה
(ma)
wat
יִּקְרָא
(yiqra)
hij zou noemen
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וְכֹל֩
(vekhol)
en al
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יִקְרָא
(yiqra)
hij zou noemen
ל֧וֹ
(lo)
aan hem
הָֽאָדָ֛ם
(haadam)
Adam
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּ֖ה
(chaya)
levend
ה֥וּא
(hu)
dat
שְׁמֽוֹ
(shemo)
zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Lezing

De Otiot (de pictografische letters) kunnen hier als moedertaal in gebruik zijn gekomen, getekend in zand of klei.

20Adam gaf namen aan al het vee, aan de vogels van de hemel en aan alle wilde dieren van het veld. Maar voor Adam zelf werd geen helper gevonden die bij hem paste.
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en hij noemde
הָֽאָדָ֜ם
(haadam)
Adam
שֵׁמ֗וֹת
(shemot)
namen
לְכָל
(lekhal)
aan al
הַבְּהֵמָה֙
(habehema)
het vee
וּלְע֣וֹף
(uleof)
en aan vogel van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְכֹ֖ל
(ulekhol)
en aan al
חַיַּ֣ת
(chayat)
dier van
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
וּלְאָדָ֕ם
(uleadam)
en voor Adam
לֹֽא
(lo)
niet
מָצָ֥א
(matsa)
hij vond
עֵ֖זֶר
(ezer)
hulp
כְּנֶגְדּֽוֹ
(kenegdo)
als zijn tegenover
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

וּלְאָדָם (ule’adam) staat hier zonder lidwoord: dit is onmiskenbaar een eigennaam.

Het woord in de eerste zin, הָאָדָם (ha-adam), is hier ook ‘Adam’; zie de voetnoot bij Gen. 2:16.

לֹא־מָצָא (lo matsa), ‘hij vond niet’: het onderwerp staat er niet.

Het kan Yahweh Elohim uit 2:19 zijn, of Adam.

Daarom: ‘werd niet gevonden’.

21Yahweh Elohim liet een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep. Hij nam een van zijn ribben en sloot de plek met vlees.
וַיַּפֵּל֩
(vayapel)
en Hij liet vallen
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֧ים
(Elohim)
Elohim
תַּרְדֵּמָ֛ה
(tardema)
diepe slaap
עַל
(al)
op
הָאָדָ֖ם
(haadam)
Adam
וַיִּישָׁ֑ן
(vayishan)
en hij sliep
וַיִּקַּ֗ח
(vayiqach)
en hij nam
אַחַת֙
(achat)
een
מִצַּלְעֹתָ֔יו
(mitsalotav)
van zijn ribben
וַיִּסְגֹּ֥ר
(vayisgor)
en hij sloot
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
תַּחְתֶּֽנָּה
(tachtena)
in haar plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

צֵלָע (tsela) betekent ‘zijde’; ook van een gebouw of van de ark (Exod. 25:12).

De Septuaginta en de Vulgaat hebben ‘rib’.

Dat volgt deze vertaling.

תַּרְדֵּמָה (tardemah): diepe slaap.

Aanvullend

Jasher 1:4 en Jubileeën 3:8 hebben ook ‘rib’.

22Yahweh Elohim bouwde de rib die Hij uit Adam genomen had tot een vrouw. Hij bracht haar bij Adam.
וַיִּבֶן֩
(vayiven)
en Hij bouwde
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֧ים
(Elohim)
Elohim
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַצֵּלָ֛ע
(hatsela)
de zijde
אֲשֶׁר
(asher)
die
לָקַ֥ח
(laqach)
Hij had genomen
מִן
(min)
uit
הָֽאָדָ֖ם
(haadam)
Adam
לְאִשָּׁ֑ה
(leisha)
tot vrouw
וַיְבִאֶ֖הָ
(vayvieha)
en Hij bracht haar
אֶל
(el)
naar
הָֽאָדָֽם
(haadam)
Adam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
23Adam zei: „Deze keer is het bot van mijn botten en vlees van mijn vlees. Zij zal vrouw heten, want uit de man is zij genomen.”
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en hij zei
הָֽאָדָם֒
(haadam)
Adam
זֹ֣את
(zot)
deze
הַפַּ֗עַם
(hapaam)
de keer
עֶ֚צֶם
(etsem)
been
מֵֽעֲצָמַ֔י
(meatsamay)
van mijn gebeente
וּבָשָׂ֖ר
(uvasar)
en vlees
מִבְּשָׂרִ֑י
(mibesari)
van mijn vlees
לְזֹאת֙
(lezot)
voor deze
יִקָּרֵ֣א
(yiqare)
zal heten
אִשָּׁ֔ה
(isha)
vrouw
כִּ֥י
(ki)
want
מֵאִ֖ישׁ
(meish)
uit man
לֻֽקֳחָה
(luqocha)
is genomen
זֹּֽאת
(zot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

הַפַּעַם (hapa’am) is letterlijk ‘de keer’, ‘deze keer’: na alle dieren (vers 20) is dit nu het wezen dat bij hem past.

זֹאת (zot), ‘deze’ (vrouwelijk), staat vooraan en achteraan in de uitspraak.

אִישׁ (ish), ‘man’, en אִשָּׁה (ishah), ‘vrouw’, klinken op elkaar; dat woordspel is in het Nederlands niet te horen.

De vrouw heeft nog geen eigen naam: Eva (Gen. 3:20) volgt later.

Eén vlees

24Daarom verlaat een man zijn vader en zijn moeder, hecht hij zich aan zijn vrouw en worden zij tot één vlees.
עַל
(al)
daarom
כֵּן֙
(ken)
(samen: daarom)
יַֽעֲזָב
(yaazav)
verlaat
אִ֔ישׁ
(ish)
man
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
אִמּ֑וֹ
(imo)
zijn moeder
וְדָבַ֣ק
(vedavaq)
en hij hecht zich
בְּאִשְׁתּ֔וֹ
(beishto)
aan zijn vrouw
וְהָי֖וּ
(vehayu)
en ze worden
לְבָשָׂ֥ר
(levasar)
tot vlees
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is een opmerking van de verteller.

Yeshua schrijft het toe aan de Schepper en gebruikt het als grondslag voor het huwelijk (Matt. 19:4–5).

Adam heeft zijn uitspraak in 2:23 afgerond.

25Zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw, en ze schaamden zich niet.
וַיִּֽהְי֤וּ
(vayihyu)
en ze waren
שְׁנֵיהֶם֙
(sheneihem)
hun beiden
עֲרוּמִּ֔ים
(arumim)
naakt
הָֽאָדָ֖ם
(haadam)
Adam
וְאִשְׁתּ֑וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
יִתְבֹּשָֽׁשׁוּ
(yitboshashu)
ze schaamden zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat