Genesis 2
De tuin in Eden
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De zevende dag: rust
עָשָׂה (asah) betekent ‘maken’ en ‘doen’.
In 1:31 staat ‘gemaakt’ voor wat Elohim schiep, in 2:2 ‘gedaan’ voor het werk zelf: het is hetzelfde werkwoord.
Het werk is af op de zesde dag en Elohim rust op de zevende (Gen. 1:31–2:3).
De Masoretische tekst heeft beide keren ‘zevende dag’.
De Septuaginta, de Samaritaanse Pentateuch en de Peshitta hebben: voltooid op de zesde dag.
Jubileeën 2:16 bevestigt dit.
Dit vers volgt hen, en de gang van 1:31–2:3.
De zesde dag, ingezoomd: Yahweh en de mens
תּוֹלְדוֹת (toledot): ‘voortbrengselen, geslachten, geschiedenis’; dit woord verdeelt Genesis in onderdelen.
יהוה (Yahweh, JHWH) staat hier voor het eerst in de Bijbel.
Het is de Naam die Elohim aan Mozes openbaart in Exodus 3:14–15.
Hij komt van het werkwoord הָיָה (hayah), ‘zijn’, en wordt gewoonlijk verstaan als ‘Hij is’ of ‘Hij die er is’; het kan ook als toekomst gelezen worden: ‘Hij zal er zijn’.
In Exodus 3:14 zegt Elohim: אֶהְיֶה אֲשֶׁר אֶהְיֶה (ehyeh asher ehyeh), ‘Ik ben die Ik ben’ of ‘Ik zal zijn die Ik zal zijn’.
De klinkers van de Naam zijn niet overgeleverd: de Joodse traditie spreekt hem niet uit en leest אֲדֹנָי (Adonai), ‘Heer’.
‘Yahweh’ is de gangbare wetenschappelijke weergave.
Doordat de Naam hier aan Elohim wordt toegevoegd, is Yahweh dezelfde als Elohim uit hoofdstuk 1.
יֵשׁוּעַ (Yeshua) betekent ‘Yahweh redt’ (Matt. 1:21).
Vanaf hier staat de godsnaam bij Elohim: ‘Yahweh Elohim’.
Openbaring 1:8 vat de Naam samen als ‘Hij die is, die was en die komt’.
וְאָדָם (ve’adam) staat zonder lidwoord, omdat het de mens als soort noemt: er was nog niemand die de grond kon bewerken.
Het woord klinkt aan op אֲדָמָה (adamah), ‘grond’.
De persoon Adam komt pas in Gen. 2:16 in beeld (zie de voetnoot daar).
אֵד (ed), ‘damp’, komt in de Bijbel maar één andere keer voor (Job 36:27, daar ‘nevel’ of ‘damp’).
Het is niet zeker of het een opstijgende mist is of water dat uit de aarde welt; beide zijn mogelijk.
Het beeld is: vóór de regen werd de grond al vochtig.
הָאָדָם (ha’adam), ‘de mens’, is een klankspel met הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’.
נִשְׁמַת חַיִּים (nishmat chayim): ‘adem van leven’.
וַיִּפַּח (vayipach), ‘en Hij blies’, in zijn neus: Yahweh Elohim geeft zelf de adem.
Met lidwoord, dus geen eigennaam: ‘de mens’.
De mens wordt vanaf Gen. 2:16 ‘Adam’ genoemd (zie de voetnoot daar).
De tuin in Eden
עֵדֶן (Eden): de exacte ligging is onbekend, maar waarschijnlijk nabij het Ararat gebergte.
Het oosten is gezien vanuit Kanaän.
מִקֶּדֶם (miqqedem) betekent ‘in het oosten’ of ‘van oudsher’.
הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’.
Met lidwoord, dus geen eigennaam; de naam Adam volgt vanaf 2:16 (zie de voetnoot daar).
Volgens vers 10 komt er één rivier uit Eden die zich daarna in vier splitst, dus Eden ligt bij de bron.
De Eufraat, die ook na de zondvloed wordt genoemd (Gen. 15:18), is daarvoor het vaste punt.
De zondvloed (Gen. 7:11) kan de loop van de rivieren veranderd hebben.
De ark komt tot rust op de bergen van Ararat (Gen. 8:4), hetzelfde bergland.
Dat past bij een nieuw begin in hetzelfde gebied: Elohim geeft Noach dan ook dezelfde opdracht tot vermenigvuldiging als de mens in Gen. 1:28 (Gen. 9:1).
Hier wordt aangenomen dat Eden in het Armeense hoogland lag, het gebied van Ararat in Oost-Turkije en Armenië, en dat alle vier de rivieren (vers 11–14) daar in Eden ontspringen.
Alle vier de rivieren ontspringen volgens deze lezing in Eden (zie de voetnoot bij Gen. 2:8).
רָאשִׁים (rashim) is letterlijk ‘hoofden’; bij een rivier kan het ‘takken’ of ‘bronnen’ betekenen.
Hier vertaald met ‘takken’, omdat de rivier uit Eden komt en zich daarna splitst.
Tigris en Eufraat lopen nu stroomafwaarts apart.
De zondvloed kan hun loop veranderd hebben (zie de voetnoot bij Gen. 2:8).
Als Eden in het Armeense hoogland lag, dan lag Havila daar ook: het land rond de Pison, in de buurt van Eden.
Een voorstel binnen deze lezing: de Pison is de Koera of de Rioni (de oude Phasis), en Havila is dan het oude Kolchis aan de Zwarte Zee, in het huidige Georgië.
Zeker is dat niet.
פִּישׁוֹן (Pison) en חֲוִילָה (Chavila; in de tekst: Havila): De rivier Pison bestaat nu niet meer onder die naam.
Havila is het land dat de Pison omringt.
Elders in de Schrift komt Havila als plaats voor als het ene uiteinde van een lijn tot Sur (ten oosten van Egypte), in de richting van Assur (Gen. 25:18; 1 Sam. 15:7).
Daar vestigden de nakomelingen van Ismaël zich ‘tegenover al zijn broers’.
Volgens sommigen wijst dat eerder naar Arabië dan naar het Armeense hoogland.
Havila is ook de naam van twee personen: een zoon van Kus (Gen. 10:7) en een zoon van Joktan (Gen. 10:29).
Het goud van Havila ligt volgens deze lezing in het Armeense hoogland, rond Eden (zie de voetnoot bij Gen. 2:11).
Het goud zou kunnen passen bij het oude Kolchis, aan de Rioni.
בְּדֹלַח (bedolach), ‘bdellium’, is een geurige, doorschijnende hars van balsemachtige bomen uit Arabië en India, ook gebruikt als wierook; sommigen lezen het als edelsteen.
שֹׁהַם (shoham), ‘sjohamsteen’, is een kostbare edelsteen; welke precies, is onzeker: onyx, kornalijn of beril worden genoemd.
In Numeri 11:7 wordt de manna ermee vergeleken: het zag eruit als bdellium.
Twee stenen van sjoham zaten op de schouderstukken van de efod van de hogepriester, met de namen van de stammen erin gegraveerd (Exodus 28:9–12); ook de borstplaat had een steen van sjoham (Exodus 28:20).
‘Het goud van dat land’ wordt hier gezocht in het Armeense hoogland, het land rond de Pison.
Volgens deze lezing ontspringt ook de Gihon in Eden (zie de voetnoot bij Gen. 2:8).
Een voorstel binnen deze lezing: de Gihon is de Aras.
גִּיחוֹן (Gichon; in de tekst: Gihon) is hier niet de bron bij Jeruzalem.
Kush (כּוּשׁ) is het land dat de Gihon omringt.
Waar Kush precies lag, is onzeker.
אַשּׁוּר (Assur) ligt aan de westoever van de Tigris, ten zuiden van het huidige Mosul (Noord-Irak); de Tigris loopt dus ‘ten oosten van Assur’.
Beide rivieren ontspringen volgens deze lezing in Eden, in het Armeense hoogland.
De lijnen vanuit Eden naar de Tigris op de kaart zijn schematisch.
חִדֶּקֶל (Chiddeqel; in de tekst: Tigris) is de Tigris, פְּרָת (Perat; in de tekst: Eufraat) de Eufraat.
Omdat de Eufraat ook na de zondvloed wordt genoemd (Gen. 15:18), dient zijn bovenloop als vast punt.
Beide rivieren komen uit het Armeense hoogland, en hun bovenlopen liggen dicht bij elkaar.
Het gebod
Zie Eden: Eden wordt in deze uitgave vermoedelijk in het Armeense hoogland gezocht, waar de vier rivieren ontspringen.
הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’.
Met lidwoord, dus geen eigennaam; de naam Adam volgt vanaf 2:16 (zie de voetnoot daar).
Vanaf dit vers staat ‘Adam’ waar het Hebreeuws הָאָדָם heeft en de persoon bedoeld is.
Hier wordt hij in de Septuaginta voor het eerst Αδαμ genoemd, vanaf 2:19 ook in de Vulgaat; daarvoor (2:7, 2:8, 2:15) hebben beide ‘mens’, en dat volgt deze vertaling.
Yahweh Elohim, de nabije vorm van Elohim, handelt persoonlijk met hem.
In 2:18 hebben de Septuaginta en de Vulgaat ook ‘mens’ (algemeen), in 3:22 ‘Adam’.
Jubileeën 3:1–9 en Jasher 1:4 noemen hem Adam in het verhaal van de tuin; Henoch 60:8 noemt hem ‘Adam, de eerste van de mensen’ en Gen. 5:2 zegt: ‘Hij noemde hun naam Adam’.
בְּיוֹם (beyom) is letterlijk ‘op de dag dat’, maar het is een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘wanneer, op het moment dat’; het staat zo ook in 2:4 (‘toen Yahweh Elohim aarde en hemel maakte’).
מוֹת תָּמוּת (mot tamut) is ‘sterven, je zult sterven’: de dood is het zekere gevolg.
Adam stierf niet op dezelfde dag van 24 uur, maar wel binnen de dag van 1000 jaar, zoals beschreven in Jubileeën 4:29–30 en 2 Petrus 3:8, op 930-jarige leeftijd (Gen. 5:5).
Vanaf dat moment verandert de mens dus in een sterfelijk wezen; daarvoor was hij dat dus niet.
Het sterven van Eva wordt niet vermeld.
Een helper voor de mens
עֵזֶר כְּנֶגְדּוֹ (ezer kenegdo): ‘een hulp als tegenover hem’, dat wil zeggen iemand die hem gelijkwaardig is.
עֵזֶר (ezer) wordt elders ook van God gezegd (Ps. 33:20; Exod. 18:4).
הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’.
Hier ‘de mens’ in het algemeen; ook de Septuaginta en de Vulgaat hebben hier ‘mens’.
Zie de voetnoot bij Gen. 2:16.
וּלְאָדָם (ule’adam) staat hier zonder lidwoord: dit is onmiskenbaar een eigennaam.
Het woord in de eerste zin, הָאָדָם (ha-adam), is hier ook ‘Adam’; zie de voetnoot bij Gen. 2:16.
לֹא־מָצָא (lo matsa), ‘hij vond niet’: het onderwerp staat er niet.
Het kan Yahweh Elohim uit 2:19 zijn, of Adam.
Daarom: ‘werd niet gevonden’.
צֵלָע (tsela) betekent ‘zijde’; ook van een gebouw of van de ark (Exod. 25:12).
De Septuaginta en de Vulgaat hebben ‘rib’.
Dat volgt deze vertaling.
תַּרְדֵּמָה (tardemah): diepe slaap.
Jasher 1:4 en Jubileeën 3:8 hebben ook ‘rib’.
הַפַּעַם (hapa’am) is letterlijk ‘de keer’, ‘deze keer’: na alle dieren (vers 20) is dit nu het wezen dat bij hem past.
זֹאת (zot), ‘deze’ (vrouwelijk), staat vooraan en achteraan in de uitspraak.
אִישׁ (ish), ‘man’, en אִשָּׁה (ishah), ‘vrouw’, klinken op elkaar; dat woordspel is in het Nederlands niet te horen.
De vrouw heeft nog geen eigen naam: Eva (Gen. 3:20) volgt later.
Eén vlees
Dit vers is een opmerking van de verteller.
Yeshua schrijft het toe aan de Schepper en gebruikt het als grondslag voor het huwelijk (Matt. 19:4–5).
Adam heeft zijn uitspraak in 2:23 afgerond.