Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elohim denkt aan Noach
1Elohim dacht aan Noach en aan alle wilde dieren en al het vee dat bij hem in de ark was. Elohim liet een wind over de aarde gaan, en het water zakte.
וַיִּזְכֹּ֤ר
(vayizkor)
en dacht
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
וְאֵ֤ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הַֽחַיָּה֙
(hachaya)
het wilde dier
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הַבְּהֵמָ֔ה
(habehema)
het vee
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בַּתֵּבָ֑ה
(bateva)
in de ark
וַיַּעֲבֵ֨ר
(vayaaver)
en liet voorbijgaan
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
ר֨וּחַ֙
(ruach)
wind
עַל
(al)
over
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וַיָּשֹׁ֖כּוּ
(vayashoku)
en zakten
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוּחַ (ruach) is ‘wind’ of ‘Geest’, hetzelfde woord als in 1:2.
Hier staat het zonder ‘van Elohim’ en is het vertaald als ‘wind’.
9Maar de duif vond geen rustplaats voor haar voet en keerde bij hem terug in de ark. Want er was water over heel de aarde. Hij stak zijn hand uit, nam haar en haalde haar bij zich in de ark.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
מָצְאָה֩
(matsea)
vond
הַיּוֹנָ֨ה
(hayona)
de duif
מָנ֜וֹחַ
(manoach)
rustplaats
לְכַף
(lekhaf)
voor de zool van
רַגְלָ֗הּ
(raglah)
haar voet
וַתָּ֤שָׁב
(vatashav)
en ze keerde terug
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
כִּי
(ki)
want
מַ֖יִם
(mayim)
water
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
כָל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en hij stak uit
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
וַיִּקָּחֶ֔הָ
(vayiqacheha)
en nam haar
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en bracht
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
אֵלָ֖יו
(elav)
naar zich
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָֽה
(hateva)
de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Tegen de avond kwam de duif bij hem terug, en zie: een vers blad van een olijfboom in haar bek. Zo wist Noach dat het water van de aarde was afgenomen.
וַתָּבֹ֨א
(vatavo)
en kwam
אֵלָ֤יו
(elav)
naar hem
הַיּוֹנָה֙
(hayona)
de duif
לְעֵ֣ת
(leet)
op de tijd van
עֶ֔רֶב
(erev)
avond
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
עֲלֵה
(ale)
blad van
זַ֖יִת
(zayit)
olijf
טָרָ֣ף
(taraf)
vers
בְּפִ֑יהָ
(befiha)
in haar bek
וַיֵּ֣דַע
(vayeda)
en wist
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
כִּי
(ki)
dat
קַ֥לּוּ
(qalu)
waren afgenomen
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זַיִת (zayit), ‘olijfboom’: een vers olijfblad laat zien dat het water zo ver gezakt is dat de bomen weer boven water staan.
13In het jaar 601, op de eerste dag van de eerste maand, was het water van de aarde opgedroogd. Noach verwijderde het dek van de ark en keek: het oppervlak van de grond was drooggevallen.
וַֽ֠יְהִי
(vayhi)
en het was
בְּאַחַ֨ת
(beachat)
in één
וְשֵׁשׁ
(veshesh)
en zes
מֵא֜וֹת
(meot)
honderd
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
בָּֽרִאשׁוֹן֙
(barishon)
in de eerste
בְּאֶחָ֣ד
(beechad)
op één
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
חָֽרְב֥וּ
(charevu)
waren opgedroogd
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַיָּ֤סַר
(vayasar)
en verwijderde
נֹ֨חַ֙
(noach)
Noach
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מִכְסֵ֣ה
(mikhse)
dek van
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
וַיַּ֕רְא
(vayar)
en zag
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
חָֽרְב֖וּ
(charevu)
waren opgedroogd
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
הָֽאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De eerste dag van de eerste maand in het jaar 601 is volgens de herfstkalender ongeveer 1 oktober, volgens de lentekalender ongeveer 1 april.
17Laat alle dieren die bij je zijn met je naar buiten gaan, van alle vlees: vogels, vee en alles wat zich over de aarde voortbeweegt. Laat ze op de aarde wemelen, vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.”
כָּל
(kal)
alle
הַחַיָּ֨ה
(hachaya)
het wilde dier
אֲשֶֽׁר
(asher)
dat
אִתְּךָ֜
(itekha)
met jou
מִכָּל
(mikal)
van alle
בָּשָׂ֗ר
(basar)
vlees
בָּע֧וֹף
(baof)
onder het gevogelte
וּבַבְּהֵמָ֛ה
(uvabehema)
en onder het vee
וּבְכָל
(uvekhal)
en onder alle
הָרֶ֛מֶשׂ
(haremes)
het kruipende
הָרֹמֵ֥שׂ
(haromes)
dat zich voortbeweegt
עַל
(al)
op
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
הוצא
(hotse)
breng uit (geschreven)
הַיְצֵ֣א
(haytse)
laat uitgaan (voorgelezen)
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
met jou
וְשָֽׁרְצ֣וּ
(vesharetsu)
en laat wemelen
בָאָ֔רֶץ
(baarets)
in de aarde
וּפָר֥וּ
(ufaru)
en wees vruchtbaar
וְרָב֖וּ
(veravu)
en word talrijk
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In de Hebreeuwse tekst staan hier twee lezingen naast elkaar: הוצא (hotse), ‘breng uit’ (geschreven), en הַיְצֵא (hayetse), ‘laat uitgaan’ (voorgelezen).
21Yahweh rook de rustgevende geur, en Yahweh zei in Zijn hart: „Ik zal de grond niet opnieuw vervloeken vanwege de mens. Want de neiging van het hart van de mens is slecht vanaf zijn jeugd. Ik zal niet opnieuw alles wat leeft slaan, zoals Ik gedaan heb.
וַיָּ֣רַח
(vayarach)
en rook
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רֵ֣יחַ
(reiach)
geur van
הַנִּיחֹחַ֒
(hanichoach)
de rustgevende
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
לִבּ֗וֹ
(libo)
Zijn hart
לֹֽא
(lo)
niet
אֹ֠סִף
(osif)
Ik zal toevoegen
לְקַלֵּ֨ל
(leqalel)
te vervloeken
ע֤וֹד
(od)
nog
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאֲדָמָה֙
(haadama)
de grond
בַּעֲב֣וּר
(baavur)
vanwege
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
כִּ֠י
(ki)
want
יֵ֣צֶר
(yetser)
neiging van
לֵ֧ב
(lev)
hart van
הָאָדָ֛ם
(haadam)
de mens
רַ֖ע
(ra)
kwaad
מִנְּעֻרָ֑יו
(mineurav)
vanaf zijn jeugd
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אֹסִ֥ף
(osif)
Ik zal toevoegen
ע֛וֹד
(od)
nog
לְהַכּ֥וֹת
(lehakot)
te slaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
חַ֖י
(chay)
levend
כַּֽאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשִֽׂיתִי
(asiti)
Ik deed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֵיחַ הַנִּיחֹחַ (reach hanichoach), ‘de rustgevende geur’, heeft dezelfde wortel als נֹחַ (Noach), ‘rust’.
כִּי (ki) kan ‘want’ of ‘ook al’ betekenen: omdat, of hoewel, de neiging van het hart slecht is.
Het is dezelfde neiging (יֵצֶר, yetser) als in 6:5.
הָאָדָם (ha-adam) staat twee keer in dit vers: ‘de mens’ als soort.