Elohim Bijbel

Genesis 8

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Het water zakt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elohim denkt aan Noach

1Elohim dacht aan Noach en aan alle wilde dieren en al het vee dat bij hem in de ark was. Elohim liet een wind over de aarde gaan, en het water zakte.
וַיִּזְכֹּ֤ר
(vayizkor)
en dacht
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
וְאֵ֤ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הַֽחַיָּה֙
(hachaya)
het wilde dier
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
הַבְּהֵמָ֔ה
(habehema)
het vee
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בַּתֵּבָ֑ה
(bateva)
in de ark
וַיַּעֲבֵ֨ר
(vayaaver)
en liet voorbijgaan
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
ר֨וּחַ֙
(ruach)
wind
עַל
(al)
over
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וַיָּשֹׁ֖כּוּ
(vayashoku)
en zakten
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach) is ‘wind’ of ‘Geest’, hetzelfde woord als in 1:2.

Hier staat het zonder ‘van Elohim’ en is het vertaald als ‘wind’.

2De bronnen van de watermassa en de luiken van de hemel werden gesloten. De regen uit de hemel werd tegengehouden.
וַיִּסָּֽכְרוּ֙
(vayisakheru)
en werden gesloten
מַעְיְנֹ֣ת
(mayenot)
bronnen van
תְּה֔וֹם
(tehom)
watermassa
וַֽאֲרֻבֹּ֖ת
(vaarubot)
en vensters van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וַיִּכָּלֵ֥א
(vayikale)
en werd tegengehouden
הַגֶּ֖שֶׁם
(hageshem)
de regen
מִן
(min)
van
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Het water week steeds verder van de aarde terug. Na 150 dagen was het water afgenomen.
וַיָּשֻׁ֧בוּ
(vayashuvu)
en keerden terug
הַמַּ֛יִם
(hamayim)
het water
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
הָל֣וֹךְ
(halokh)
gaand
וָשׁ֑וֹב
(vashov)
en terugkerend
וַיַּחְסְר֣וּ
(vayachseru)
en namen af
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
מִקְצֵ֕ה
(miqtse)
aan het einde van
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
וּמְאַ֖ת
(umeat)
en honderd
יֽוֹם
(yom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4In de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, kwam de ark tot rust op de bergen van Ararat.
וַתָּ֤נַח
(vatanach)
en kwam tot rust
הַתֵּבָה֙
(hateva)
de ark
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
בְּשִׁבְעָה
(beshiva)
op zeven
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
י֖וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
עַ֖ל
(al)
op
הָרֵ֥י
(harei)
bergen van
אֲרָרָֽט
(ararat)
Ararat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

אֲרָרָט (Ararat) is het gebied Urartu, nu in het oosten van Turkije.

Het Hebreeuws zegt ‘de bergen van Ararat’, niet één berg.

Uitleg

וַתָּנַח (vatanach), ‘en ze kwam tot rust’, klinkt aan op נֹחַ (Noach), ‘rust’; ook מָנוֹחַ (manoach), ‘rustplaats’, in vers 9.

Lezing

Dit is hetzelfde bergland waar volgens de voetnoot bij Gen. 2:8 vermoedelijk Eden lag.

Dat past bij het nieuwe begin: in Gen. 9:1 krijgt Noach dezelfde opdracht tot vermenigvuldiging als de mens in Gen. 1:28.

Aanvullend

Jubileeën 5:28 noemt de berg Lubar, een van de bergen van Ararat.

5Het water nam steeds verder af tot de tiende maand. In de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar.
וְהַמַּ֗יִם
(vehamayim)
en het water
הָיוּ֙
(hayu)
was
הָל֣וֹךְ
(halokh)
gaand
וְחָס֔וֹר
(vechasor)
en afnemend
עַ֖ד
(ad)
tot
הַחֹ֣דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
הָֽעֲשִׂירִ֑י
(haasiri)
de tiende
בָּֽעֲשִׂירִי֙
(baasiri)
in de tiende
בְּאֶחָ֣ד
(beechad)
op één
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
נִרְא֖וּ
(niru)
werden gezien
רָאשֵׁ֥י
(rashei)
toppen van
הֶֽהָרִֽים
(heharim)
de bergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zevende maand (vers 4) is volgens de herfstkalender ongeveer april, volgens de lentekalender ongeveer oktober.

De eerste dag van de tiende maand is ongeveer 1 juli of 1 januari.

Van 7:11 tot 8:4 zijn het vijf maanden, 150 dagen (7:24; 8:3), als elke maand 30 dagen heeft.

De raaf en de duif

6Na veertig dagen opende Noach het venster van de ark dat hij gemaakt had.
וַֽיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
מִקֵּ֖ץ
(miqets)
aan het einde van
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
י֑וֹם
(yom)
dag
וַיִּפְתַּ֣ח
(vayiftach)
en opende
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חַלּ֥וֹן
(chalon)
venster van
הַתֵּבָ֖ה
(hateva)
de ark
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עָשָֽׂה
(asa)
hij maakte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Hij liet de raaf uitvliegen. Die vloog heen en weer tot het water van de aarde was opgedroogd.
וַיְשַׁלַּ֖ח
(vayshalach)
en hij zond
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽעֹרֵ֑ב
(haorev)
de raaf
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en ze ging uit
יָצוֹא֙
(yatso)
uitgaand
וָשׁ֔וֹב
(vashov)
en terugkerend
עַד
(ad)
tot
יְבֹ֥שֶׁת
(yevoshet)
drogen van
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Daarna liet hij de duif van zich uitvliegen, om te zien of het water van het oppervlak van de grond was afgenomen.
וַיְשַׁלַּ֥ח
(vayshalach)
en hij zond
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיּוֹנָ֖ה
(hayona)
de duif
מֵאִתּ֑וֹ
(meito)
van bij hem
לִרְאוֹת֙
(lirot)
om te zien
הֲקַ֣לּוּ
(haqalu)
waren afgenomen
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
הָֽאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Maar de duif vond geen rustplaats voor haar voet en keerde bij hem terug in de ark. Want er was water over heel de aarde. Hij stak zijn hand uit, nam haar en haalde haar bij zich in de ark.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
מָצְאָה֩
(matsea)
vond
הַיּוֹנָ֨ה
(hayona)
de duif
מָנ֜וֹחַ
(manoach)
rustplaats
לְכַף
(lekhaf)
voor de zool van
רַגְלָ֗הּ
(raglah)
haar voet
וַתָּ֤שָׁב
(vatashav)
en ze keerde terug
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
כִּי
(ki)
want
מַ֖יִם
(mayim)
water
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
כָל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en hij stak uit
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
וַיִּקָּחֶ֔הָ
(vayiqacheha)
en nam haar
וַיָּבֵ֥א
(vayave)
en bracht
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
אֵלָ֖יו
(elav)
naar zich
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָֽה
(hateva)
de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Hij wachtte nog zeven andere dagen en liet de duif opnieuw uit de ark vliegen.
וַיָּ֣חֶל
(vayachel)
en hij wachtte
ע֔וֹד
(od)
nog
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven van
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
וַיֹּ֛סֶף
(vayosef)
en hij voegde toe
שַׁלַּ֥ח
(shalach)
te zenden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיּוֹנָ֖ה
(hayona)
de duif
מִן
(min)
uit
הַתֵּבָֽה
(hateva)
de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Tegen de avond kwam de duif bij hem terug, en zie: een vers blad van een olijfboom in haar bek. Zo wist Noach dat het water van de aarde was afgenomen.
וַתָּבֹ֨א
(vatavo)
en kwam
אֵלָ֤יו
(elav)
naar hem
הַיּוֹנָה֙
(hayona)
de duif
לְעֵ֣ת
(leet)
op de tijd van
עֶ֔רֶב
(erev)
avond
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
עֲלֵה
(ale)
blad van
זַ֖יִת
(zayit)
olijf
טָרָ֣ף
(taraf)
vers
בְּפִ֑יהָ
(befiha)
in haar bek
וַיֵּ֣דַע
(vayeda)
en wist
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
כִּי
(ki)
dat
קַ֥לּוּ
(qalu)
waren afgenomen
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זַיִת (zayit), ‘olijfboom’: een vers olijfblad laat zien dat het water zo ver gezakt is dat de bomen weer boven water staan.

12Hij wachtte nog zeven andere dagen en liet de duif uitvliegen. Ze kwam niet meer bij hem terug.
וַיִּיָּ֣חֶל
(vayiyachel)
en hij wachtte
ע֔וֹד
(od)
nog
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven van
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
וַיְשַׁלַּח֙
(vayshalach)
en hij zond
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַיּוֹנָ֔ה
(hayona)
de duif
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָסְפָ֥ה
(yasefa)
voegde toe
שׁוּב
(shuv)
terug te keren
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13In het jaar 601, op de eerste dag van de eerste maand, was het water van de aarde opgedroogd. Noach verwijderde het dek van de ark en keek: het oppervlak van de grond was drooggevallen.
וַֽ֠יְהִי
(vayhi)
en het was
בְּאַחַ֨ת
(beachat)
in één
וְשֵׁשׁ
(veshesh)
en zes
מֵא֜וֹת
(meot)
honderd
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
בָּֽרִאשׁוֹן֙
(barishon)
in de eerste
בְּאֶחָ֣ד
(beechad)
op één
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
חָֽרְב֥וּ
(charevu)
waren opgedroogd
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַיָּ֤סַר
(vayasar)
en verwijderde
נֹ֨חַ֙
(noach)
Noach
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מִכְסֵ֣ה
(mikhse)
dek van
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
וַיַּ֕רְא
(vayar)
en zag
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
חָֽרְב֖וּ
(charevu)
waren opgedroogd
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
הָֽאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De eerste dag van de eerste maand in het jaar 601 is volgens de herfstkalender ongeveer 1 oktober, volgens de lentekalender ongeveer 1 april.

14In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, was de aarde droog.
וּבַחֹ֨דֶשׁ֙
(uvachodesh)
en in de maand
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
בְּשִׁבְעָ֧ה
(beshiva)
op zeven
וְעֶשְׂרִ֛ים
(veesrim)
en twintig
י֖וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
יָבְשָׁ֖ה
(yavesha)
was droog
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zevenentwintigste dag van de tweede maand is ongeveer 27 november of 27 mei.

Van 7:11 tot hier is het een jaar en tien dagen.

חָרְבוּ (charevu), ‘opgedroogd’, in vers 13 en יָבְשָׁה (yaveshah), ‘droog’, in vers 14: eerst is het water weg, daarna is de grond helemaal droog.

Uit de ark

15Elohim sprak tot Noach en zei:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
נֹ֥חַ
(noach)
Noach
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 5:32
16„Ga uit de ark, jij, je vrouw, je zonen en de vrouwen van je zonen met je.
צֵ֖א
(tse)
ga uit
מִן
(min)
uit
הַתֵּבָ֑ה
(hateva)
de ark
אַתָּ֕ה
(ata)
jij
וְאִשְׁתְּךָ֛
(veishtekha)
en je vrouw
וּבָנֶ֥יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
וּנְשֵֽׁי
(uneshei)
en vrouwen van
בָנֶ֖יךָ
(baneikha)
je zonen
אִתָּֽךְ
(itakh)
met jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Laat alle dieren die bij je zijn met je naar buiten gaan, van alle vlees: vogels, vee en alles wat zich over de aarde voortbeweegt. Laat ze op de aarde wemelen, vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.”
כָּל
(kal)
alle
הַחַיָּ֨ה
(hachaya)
het wilde dier
אֲשֶֽׁר
(asher)
dat
אִתְּךָ֜
(itekha)
met jou
מִכָּל
(mikal)
van alle
בָּשָׂ֗ר
(basar)
vlees
בָּע֧וֹף
(baof)
onder het gevogelte
וּבַבְּהֵמָ֛ה
(uvabehema)
en onder het vee
וּבְכָל
(uvekhal)
en onder alle
הָרֶ֛מֶשׂ
(haremes)
het kruipende
הָרֹמֵ֥שׂ
(haromes)
dat zich voortbeweegt
עַל
(al)
op
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
הוצא
(hotse)
breng uit (geschreven)
הַיְצֵ֣א
(haytse)
laat uitgaan (voorgelezen)
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
met jou
וְשָֽׁרְצ֣וּ
(vesharetsu)
en laat wemelen
בָאָ֔רֶץ
(baarets)
in de aarde
וּפָר֥וּ
(ufaru)
en wees vruchtbaar
וְרָב֖וּ
(veravu)
en word talrijk
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse tekst staan hier twee lezingen naast elkaar: הוצא (hotse), ‘breng uit’ (geschreven), en הַיְצֵא (hayetse), ‘laat uitgaan’ (voorgelezen).

Ze geven dezelfde zin.

18Noach ging naar buiten, met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen.
וַיֵּ֖צֵא
(vayetse)
en ging uit
נֹ֑חַ
(noach)
Noach
וּבָנָ֛יו
(uvanav)
en zijn zonen
וְאִשְׁתּ֥וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
וּנְשֵֽׁי
(uneshei)
en vrouwen van
בָנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Alle wilde dieren, alle kruipende dieren, alle vogels, alles wat zich op de aarde voortbeweegt, gingen volgens hun families de ark uit.
כָּל
(kal)
alle
הַֽחַיָּ֗ה
(hachaya)
het wilde dier
כָּל
(kal)
alle
הָרֶ֨מֶשׂ֙
(haremes)
het kruipende
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָע֔וֹף
(haof)
het gevogelte
כֹּ֖ל
(kol)
alles
רוֹמֵ֣שׂ
(romes)
wat zich voortbeweegt
עַל
(al)
op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
לְמִשְׁפְּחֹ֣תֵיהֶ֔ם
(lemishpechoteihem)
naar hun families
יָצְא֖וּ
(yatseu)
gingen uit
מִן
(min)
uit
הַתֵּבָֽה
(hateva)
de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Noachs offer en Yahweh’s belofte

20Noach bouwde een altaar voor Yahweh. Hij nam van alle reine dieren en van alle reine vogels en bracht brandoffers op het altaar.
וַיִּ֥בֶן
(vayiven)
en bouwde
נֹ֛חַ
(noach)
Noach
מִזְבֵּ֖חַ
(mizbeach)
altaar
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
מִכֹּ֣ל
(mikol)
van alle
הַבְּהֵמָ֣ה
(habehema)
het dier
הַטְּהוֹרָ֗ה
(hatehora)
het reine
וּמִכֹּל֙
(umikol)
en van alle
הָע֣וֹף
(haof)
het gevogelte
הַטָּהֹ֔ר
(hatahor)
het reine
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en liet opgaan
עֹלֹ֖ת
(olot)
opgaande offers
בַּמִּזְבֵּֽחַ
(bamizbeach)
op het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִזְבֵּחַ (mizbeach), ‘altaar’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor.

עֹלֹת (olot), ‘brandoffers’, zijn letterlijk ‘opgaande offers’: het hele dier gaat in de rook omhoog.

Noach neemt van de reine dieren van 7:2.

Aanvullend

Volgens Jubileeën 6:1–3 gaat Noach uit de ark, brengt hij offers en doet hij met het bloed van een bokje verzoening voor de aarde.

21Yahweh rook de rustgevende geur, en Yahweh zei in Zijn hart: „Ik zal de grond niet opnieuw vervloeken vanwege de mens. Want de neiging van het hart van de mens is slecht vanaf zijn jeugd. Ik zal niet opnieuw alles wat leeft slaan, zoals Ik gedaan heb.
וַיָּ֣רַח
(vayarach)
en rook
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
רֵ֣יחַ
(reiach)
geur van
הַנִּיחֹחַ֒
(hanichoach)
de rustgevende
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
לִבּ֗וֹ
(libo)
Zijn hart
לֹֽא
(lo)
niet
אֹ֠סִף
(osif)
Ik zal toevoegen
לְקַלֵּ֨ל
(leqalel)
te vervloeken
ע֤וֹד
(od)
nog
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאֲדָמָה֙
(haadama)
de grond
בַּעֲב֣וּר
(baavur)
vanwege
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
כִּ֠י
(ki)
want
יֵ֣צֶר
(yetser)
neiging van
לֵ֧ב
(lev)
hart van
הָאָדָ֛ם
(haadam)
de mens
רַ֖ע
(ra)
kwaad
מִנְּעֻרָ֑יו
(mineurav)
vanaf zijn jeugd
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אֹסִ֥ף
(osif)
Ik zal toevoegen
ע֛וֹד
(od)
nog
לְהַכּ֥וֹת
(lehakot)
te slaan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alle
חַ֖י
(chay)
levend
כַּֽאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשִֽׂיתִי
(asiti)
Ik deed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵיחַ הַנִּיחֹחַ (reach hanichoach), ‘de rustgevende geur’, heeft dezelfde wortel als נֹחַ (Noach), ‘rust’.

כִּי (ki) kan ‘want’ of ‘ook al’ betekenen: omdat, of hoewel, de neiging van het hart slecht is.

Het is dezelfde neiging (יֵצֶר, yetser) als in 6:5.

הָאָדָם (ha-adam) staat twee keer in dit vers: ‘de mens’ als soort.

Met lidwoord, dus geen eigennaam.

22Zolang de aarde bestaat, zullen zaaitijd en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.”
עֹ֖ד
(od)
nog
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
זֶ֡רַע
(zera)
zaaitijd
וְ֠קָצִיר
(veqatsir)
en oogst
וְקֹ֨ר
(veqor)
en koude
וָחֹ֜ם
(vachom)
en hitte
וְקַ֧יִץ
(veqayits)
en zomer
וָחֹ֛רֶף
(vachoref)
en winter
וְי֥וֹם
(veyom)
en dag
וָלַ֖יְלָה
(valayla)
en nacht
לֹ֥א
(lo)
niet
יִשְׁבֹּֽתוּ
(yishbotu)
zullen ophouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)