Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het dal vol beenderen
1De hand van Yahweh kwam over mij. Hij bracht mij naar buiten door de Geest van Yahweh en zette mij neer midden in het dal. Dat was vol beenderen.
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
was
עָלַי֮
(alay)
over mij
יַד
(yad)
hand van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וַיּוֹצִאֵ֤נִי
(vayotsieni)
en bracht mij naar buiten
בְר֨וּחַ֙
(beruach)
door de Geest van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְנִיחֵ֖נִי
(vaynicheni)
en zette mij neer
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הַבִּקְעָ֑ה
(habiqa)
het dal
וְהִ֖יא
(vehi)
en het
מְלֵאָ֥ה
(melea)
vol
עֲצָמֽוֹת
(atsamot)
beenderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יַד יְהוָה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: zo beschrijft Ezechiël dat Yahweh hem grijpt; zie Ezech. 1:3, 3:14 en 8:1.
בְּרוּחַ יְהוָה (beruach Yahweh), ‘door de Geest van Yahweh’: de Geest brengt Ezechiël in een visioen; vergelijk Ezech. 3:12 en 11:1.
הַבִּקְעָה (habbiq’ah), ‘het dal’: dezelfde vlakte als in Ezech. 3:22 en 8:4.
6Ik zal pezen aan jullie geven, vlees op jullie laten komen en huid over jullie heen trekken. Ik zal een geest in jullie geven en jullie zullen leven. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.”
וְנָתַתִּי֩
(venatati)
en Ik zal geven
עֲלֵיכֶ֨ם
(aleikhem)
op jullie
גִּדִ֜ים
(gidim)
pezen
וְֽהַעֲלֵתִ֧י
(vehaaleti)
en Ik zal laten komen
עֲלֵיכֶ֣ם
(aleikhem)
op jullie
בָּשָׂ֗ר
(basar)
vlees
וְקָרַמְתִּ֤י
(veqaramti)
en Ik zal overdekken
עֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
op jullie
ע֔וֹר
(or)
huid
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
בָכֶ֛ם
(bakhem)
in jullie
ר֖וּחַ
(ruach)
geest
וִחְיִיתֶ֑ם
(vichyitem)
en jullie zullen leven
וִידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גִּדִּים (giddim), ‘pezen’: de banden die de beenderen aan elkaar en aan het vlees verbinden.
7Ik profeteerde zoals mij bevolen was. Er klonk een geluid terwijl ik profeteerde, en zie, er was een gedreun. De beenderen kwamen bij elkaar, been bij been.
וְנִבֵּ֖אתִי
(venibeti)
en ik profeteerde
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
צֻוֵּ֑יתִי
(tsuveiti)
mij was bevolen
וַֽיְהִי
(vayhi)
en er was
ק֤וֹל
(qol)
geluid
כְּהִנָּֽבְאִי֙
(kehinavei)
bij mijn profeteren
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
רַ֔עַשׁ
(raash)
gedreun
וַתִּקְרְב֣וּ
(vatiqrevu)
en kwamen dichtbij
עֲצָמ֔וֹת
(atsamot)
beenderen
עֶ֖צֶם
(etsem)
been
אֶל
(el)
naar
עַצְמֽוֹ
(atsmo)
zijn been
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רַעַשׁ (ra’ash), ‘gedreun’: het kan een beving of een gerommel zijn.
8Ik keek, en zie, er kwamen pezen en vlees op hen, en huid overdekte hen van boven. Maar er was geen geest in hen.
וְרָאִ֜יתִי
(veraiti)
en ik zag
וְהִנֵּֽה
(vehine)
en zie
עֲלֵיהֶ֤ם
(aleihem)
op hen
גִּדִים֙
(gidim)
pezen
וּבָשָׂ֣ר
(uvasar)
en vlees
עָלָ֔ה
(ala)
kwam op
וַיִּקְרַ֧ם
(vayiqram)
en overdekte
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
over hen
ע֖וֹר
(or)
huid
מִלְמָ֑עְלָה
(milmaela)
van boven
וְר֖וּחַ
(veruach)
en geest
אֵ֥ין
(ein)
niet
בָּהֶֽם
(bahem)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij zei tot mij: „Profeteer tegen de geest. Profeteer, mensenkind, en zeg tegen de geest:” Zo zegt Heer Yahweh: „Kom, geest, van de vier winden en blaas in deze gedoden, zodat ze leven.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
הִנָּבֵ֖א
(hinave)
profeteer
אֶל
(el)
tegen
הָר֑וּחַ
(haruach)
de geest
הִנָּבֵ֣א
(hinave)
profeteer
בֶן
(ben)
zoon van
אָ֠דָם
(adam)
mens
וְאָמַרְתָּ֨
(veamarta)
en zeg
אֶל
(el)
tegen
הָר֜וּחַ
(haruach)
de geest
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵאַרְבַּ֤ע
(mearba)
uit vier
רוּחוֹת֙
(ruchot)
winden
בֹּ֣אִי
(boi)
kom
הָר֔וּחַ
(haruach)
geest
וּפְחִ֛י
(ufechi)
en blaas
בַּהֲרוּגִ֥ים
(baharugim)
in de gedoden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
וְיִֽחְיֽוּ
(veyichyu)
en zij zullen leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֵאַרְבַּע רוּחוֹת (me’arba ruchot), ‘van de vier winden’: uit alle windstreken.
Hier is ruach tegelijk ‘wind’ en ‘geest’; zie de uitleg bij vers 5.
הֲרוּגִים (harugim), ‘gedoden’: mensen die zijn omgebracht, hier de beenderen van de gevallenen.
11Hij zei tot mij: „Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, zij zeggen: ‘Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is verloren. Wij zijn afgesneden.’
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַי֒
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
הָעֲצָמ֣וֹת
(haatsamot)
de beenderen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אֹמְרִ֗ים
(omerim)
zeggend
יָבְשׁ֧וּ
(yaveshu)
zijn verdord
עַצְמוֹתֵ֛ינוּ
(atsmoteinu)
onze beenderen
וְאָבְדָ֥ה
(veaveda)
en is verloren
תִקְוָתֵ֖נוּ
(tiqvatenu)
onze hoop
נִגְזַ֥רְנוּ
(nigzarnu)
wij zijn afgesneden
לָֽנוּ
(lanu)
voor ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִגְזַרְנוּ לָנוּ (nigzarnu lanu), ‘wij zijn afgesneden’: het volk voelt zich van het leven, van de grond en van Yahweh afgesneden.
De beenderen zijn het beeld van het volk in ballingschap.
12Profeteer daarom en zeg tegen hen:” Zo zegt Heer Yahweh: „Zie, Ik open jullie graven en laat jullie uit jullie graven opkomen, Mijn volk. Ik breng jullie naar de grond van Israël.
לָכֵן֩
(lakhen)
daarom
הִנָּבֵ֨א
(hinave)
profeteer
וְאָמַרְתָּ֜
(veamarta)
en zeg
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּה֩
(hine)
zie
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
פֹתֵ֜חַ
(poteach)
openend
אֶת
(et)
(obj.)
קִבְרֽוֹתֵיכֶ֗ם
(qivroteikhem)
jullie graven
וְהַעֲלֵיתִ֥י
(vehaaleiti)
en Ik zal laten opkomen
אֶתְכֶ֛ם
(etkhem)
jullie
מִקִּבְרוֹתֵיכֶ֖ם
(miqivroteikhem)
uit jullie graven
עַמִּ֑י
(ami)
Mijn volk
וְהֵבֵאתִ֥י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
אֶל
(el)
naar
אַדְמַ֥ת
(admat)
grond van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִבְרוֹתֵיכֶם (qivroteikhem), ‘jullie graven’: de ballingschap wordt als een graf voorgesteld.
Het gaat in de eerste plaats om de terugkeer van het volk naar het land.
14Ik zal Mijn Geest in jullie leggen en jullie zullen leven. Ik zal jullie op jullie eigen grond neerzetten. Dan zullen jullie weten dat Ik, Yahweh, het gesproken en gedaan heb, godsspraak van Yahweh.”
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal geven
רוּחִ֤י
(ruchi)
Mijn Geest
בָכֶם֙
(bakhem)
in jullie
וִחְיִיתֶ֔ם
(vichyitem)
en jullie zullen leven
וְהִנַּחְתִּ֥י
(vehinachti)
en Ik zal neerzetten
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
עַל
(al)
op
אַדְמַתְכֶ֑ם
(admatkhem)
jullie grond
וִידַעְתֶּ֞ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּי
(ki)
dat
אֲנִ֧י
(ani)
Ik
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּ֥רְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
וְעָשִׂ֖יתִי
(veasiti)
en heb gedaan
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11.
רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: zie ook Ezech. 36:27.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16„En jij, mensenkind, neem één stuk hout en schrijf erop: ‘Voor Juda en voor de zonen van Israël, zijn metgezellen.’ Neem nog een stuk hout en schrijf erop: ‘Voor Jozef, het hout van Efraïm, en heel het huis van Israël, zijn metgezellen.’
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
קַח
(qach)
neem
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
עֵ֣ץ
(ets)
hout
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וּכְתֹ֤ב
(ukhetov)
en schrijf
עָלָיו֙
(alav)
op het
לִֽיהוּדָ֔ה
(lihuda)
voor Juda
וְלִבְנֵ֥י
(velivnei)
en voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
חֲבֵרָ֑יו
(chaverav)
zijn metgezellen
וּלְקַח֙
(uleqach)
en neem
עֵ֣ץ
(ets)
hout
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וּכְת֣וֹב
(ukhetov)
en schrijf
עָלָ֗יו
(alav)
op het
לְיוֹסֵף֙
(leyosef)
voor Jozef
עֵ֣ץ
(ets)
hout van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
חֲבֵרָֽיו
(chaverav)
zijn metgezellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵץ אֶחָד (ets echad), ‘één stuk hout’: een staf of tak waarop men schrijft.
Juda staat voor het zuidelijk koninkrijk, Jozef (Efraïm) voor het noordelijk koninkrijk.
Lezing
In de geschreven tekst staat חֲבֵרוֹ (chavero), ‘zijn metgezel’ (enkelvoud); de overlevering leest חֲבֵרָיו (chaveraw), ‘zijn metgezellen’.
Wij volgen de overlevering; dit geldt ook voor het tweede stuk hout in dit vers en voor vers 19.
19zeg dan tegen hen:” Zo zegt Heer Yahweh: „Zie, Ik neem het hout van Jozef, dat in de hand van Efraïm is, en de stammen van Israël, zijn metgezellen. Ik leg ze erbij, bij het hout van Juda. Ik maak ze tot één stuk hout en zij zullen één zijn in Mijn hand.”
דַּבֵּ֣ר
(daber)
spreek
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּה֩
(hine)
zie
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
לֹקֵ֜חַ
(loqeach)
nemend
אֶת
(et)
(obj.)
עֵ֤ץ
(ets)
hout van
יוֹסֵף֙
(yosef)
Jozef
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וְשִׁבְטֵ֥י
(veshivtei)
en de stammen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
חֲבֵרָ֑יו
(chaverav)
zijn metgezellen
וְנָתַתִּי֩
(venatati)
en Ik zal leggen
אוֹתָ֨ם
(otam)
ze
עָלָ֜יו
(alav)
op het
אֶת
(et)
(obj.)
עֵ֣ץ
(ets)
hout van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וַֽעֲשִׂיתִם֙
(vaasitim)
en Ik zal ze maken
לְעֵ֣ץ
(leets)
tot hout
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
אֶחָ֖ד
(echad)
één
בְּיָדִֽי
(beyadi)
in Mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵץ יוֹסֵף (ets Yosef), ‘het hout van Jozef’, en אֶפְרַיִם (Efrayim): het noordelijk koninkrijk werd vaak Efraïm genoemd, naar de grootste stam.
Zie ook Hos. 5:3.
Lezing
In de geschreven tekst staat חֲבֵרוֹ (chavero), ‘zijn metgezel’; de overlevering leest חֲבֵרָיו (chaveraw), ‘zijn metgezellen’.
21en spreek tot hen:” Zo zegt Heer Yahweh: „Zie, Ik neem de zonen van Israël uit de volken waarheen zij zijn gegaan. Ik zal hen van overal verzamelen en naar hun eigen grond brengen.
וְדַבֵּ֣ר
(vedaber)
en spreek
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
לֹקֵ֨חַ֙
(loqeach)
nemend
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִבֵּ֥ין
(mibein)
uit tussen
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
הָֽלְכוּ
(halekhu)
zij zijn gegaan
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וְקִבַּצְתִּ֤י
(veqibatsti)
en Ik zal verzamelen
אֹתָם֙
(otam)
hen
מִסָּבִ֔יב
(misaviv)
van rondom
וְהֵבֵאתִ֥י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
אַדְמָתָֽם
(admatam)
hun grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Ik maak hen tot één volk in het land, op de bergen van Israël. Eén koning zal koning zijn over hen allen. Zij zullen niet meer twee volken zijn en zich niet meer in twee koninkrijken laten verdelen.
וְעָשִׂ֣יתִי
(veasiti)
en Ik zal maken
אֹ֠תָם
(otam)
hen
לְג֨וֹי
(legoy)
tot volk
אֶחָ֤ד
(echad)
één
בָּאָ֨רֶץ֙
(baarets)
in het land
בְּהָרֵ֣י
(beharei)
op de bergen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּמֶ֧לֶךְ
(umelekh)
en koning
אֶחָ֛ד
(echad)
één
יִֽהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לְכֻלָּ֖ם
(lekhulam)
voor hen allen
לְמֶ֑לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִֽהְיוּ
(yihyu)
zullen zijn
עוֹד֙
(od)
meer
לִשְׁנֵ֣י
(lishnei)
tot twee
גוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
וְלֹ֨א
(velo)
en niet
יֵחָ֥צוּ
(yechatsu)
zullen zich delen
ע֛וֹד
(od)
meer
לִשְׁתֵּ֥י
(lishtei)
in twee
מַמְלָכ֖וֹת
(mamlakhot)
koninkrijken
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁנֵי גוֹיִם (shenei goyim), ‘twee volken’, en שְׁתֵּי מַמְלָכוֹת (shetei mamlakhot), ‘twee koninkrijken’: Israël en Juda, gescheiden sinds 1 Kon. 12.
Lezing
In de geschreven tekst staat יִהְיֶה (yihyeh), ‘zal zijn’ (enkelvoud); de overlevering leest יִהְיוּ (yihyu), ‘zullen zijn’.
23Zij zullen zich niet meer onrein maken met hun mestgoden, hun gruwelbeelden en al hun overtredingen. Ik zal hen redden uit al hun woonplaatsen waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn.
וְלֹ֧א
(velo)
en niet
יִֽטַמְּא֣וּ
(yitameu)
zullen zich onrein maken
ע֗וֹד
(od)
meer
בְּגִלּֽוּלֵיהֶם֙
(begiluleihem)
met hun mestgoden
וּבְשִׁקּ֣וּצֵיהֶ֔ם
(uveshiqutseihem)
en met hun gruwelbeelden
וּבְכֹ֖ל
(uvekhol)
en met al
פִּשְׁעֵיהֶ֑ם
(pisheihem)
hun overtredingen
וְהוֹשַׁעְתִּ֣י
(vehoshati)
en Ik zal redden
אֹתָ֗ם
(otam)
hen
מִכֹּ֤ל
(mikol)
uit al
מוֹשְׁבֹֽתֵיהֶם֙
(moshevoteihem)
hun woonplaatsen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarin
חָטְא֣וּ
(chateu)
zij hebben gezondigd
בָהֶ֔ם
(bahem)
in hen
וְטִהַרְתִּ֤י
(vetiharti)
en Ik zal reinigen
אוֹתָם֙
(otam)
hen
וְהָיוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לִ֣י
(li)
voor Mij
לְעָ֔ם
(leam)
tot volk
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en Ik
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
zal zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutsehem), ‘hun gruwelbeelden’: zoals in Ezech. 5:11.
24Mijn knecht David zal koning over hen zijn en zij zullen allen één herder hebben. Zij zullen in Mijn rechtsregels gaan, Mijn voorschriften bewaren en ze doen.
וְעַבְדִּ֤י
(veavdi)
en Mijn knecht
דָוִד֙
(david)
David
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
וְרוֹעֶ֥ה
(veroe)
en herder
אֶחָ֖ד
(echad)
één
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לְכֻלָּ֑ם
(lekhulam)
voor hen allen
וּבְמִשְׁפָּטַ֣י
(uvemishpatay)
en in Mijn rechtsregels
יֵלֵ֔כוּ
(yelekhu)
zullen gaan
וְחֻקֹּתַ֥י
(vechuqotay)
en Mijn voorschriften
יִשְׁמְר֖וּ
(yishmeru)
zullen bewaren
וְעָשׂ֥וּ
(veasu)
en zij zullen doen
אוֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַבְדִּי דָוִד (avdi David), ‘Mijn knecht David’: zoals in Ezech. 34:23–24.
David is de herder uit zijn huis die Yahweh over Zijn volk zal aanstellen.
25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht Jakob gegeven heb, waar jullie vaders gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij, hun zonen en de zonen van hun zonen, voor eeuwig. David, Mijn knecht, zal voor eeuwig hun vorst zijn.
וְיָשְׁב֣וּ
(veyashevu)
en zij zullen wonen
עַל
(al)
op
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
נָתַ֨תִּי֙
(natati)
Ik gaf
לְעַבְדִּ֣י
(leavdi)
aan Mijn knecht
לְיַֽעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
aan Jakob
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
יָֽשְׁבוּ
(yashevu)
woonden
בָ֖הּ
(bah)
daarin
אֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם
(avoteikhem)
jullie vaders
וְיָשְׁב֣וּ
(veyashevu)
en zij zullen wonen
עָלֶ֡יהָ
(aleiha)
daarop
הֵ֠מָּה
(hema)
zij
וּבְנֵיהֶ֞ם
(uveneihem)
en hun zonen
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en zonen van
בְנֵיהֶם֙
(beneihem)
hun zonen
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwigheid
וְדָוִ֣ד
(vedavid)
en David
עַבְדִּ֔י
(avdi)
Mijn knecht
נָשִׂ֥יא
(nasi)
vorst
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: zoals in Ezech. 34:24.
Het volk woont ‘voor eeuwig’ (olam) in het land dat aan Jakob, de aartsvader, is gegeven; zie Gen. 28:13.
26Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten; een eeuwig verbond zal het met hen zijn. Ik zal hen vestigen en talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zetten.
וְכָרַתִּ֤י
(vekharati)
en Ik zal sluiten
לָהֶם֙
(lahem)
met hen
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond van
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
בְּרִ֥ית
(berit)
verbond van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
אוֹתָ֑ם
(otam)
met hen
וּנְתַתִּים֙
(unetatim)
en Ik zal hen vestigen
וְהִרְבֵּיתִ֣י
(vehirbeiti)
en Ik zal talrijk maken
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְנָתַתִּ֧י
(venatati)
en Ik zal zetten
אֶת
(et)
(obj.)
מִקְדָּשִׁ֛י
(miqdashi)
Mijn heiligdom
בְּתוֹכָ֖ם
(betokham)
in hun midden
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּרִית שָׁלוֹם (berit shalom), ‘een verbond van vrede’, en בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘een eeuwig verbond’: zie Ezech. 34:25 en Gen. 17:7.
מִקְדָּשִׁי (miqdashi), ‘Mijn heiligdom’: de plaats die voor Yahweh is afgezonderd; zie ook Ezech. 40–48.
27Mijn woning zal bij hen zijn. Ik zal hun Elohim zijn en zij zullen Mijn volk zijn.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
מִשְׁכָּנִי֙
(mishkani)
Mijn woning
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
bij hen
וְהָיִ֥יתִי
(vehayiti)
en Ik zal zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לֵֽאלֹהִ֑ים
(lElohim)
tot Elohim
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
en zij
יִֽהְיוּ
(yihyu)
zullen zijn
לִ֥י
(li)
voor Mij
לְעָֽם
(leam)
tot volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁכָּנִי (mishkani), ‘Mijn woning’: letterlijk ‘Mijn tabernakel’, de woning van Yahweh midden onder Zijn volk; vergelijk Lev. 26:11–12 en Exod. 25:8.