Elohim Bijbel

Nahum 3

123

Het einde van Nineve

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wee de stad van bloed

1Wee de stad van bloed! Zij is vol leugen en roof. De prooi laat zij nooit los.
ה֖וֹי
(hoy)
wee
עִ֣יר
(ir)
stad van
דָּמִ֑ים
(damim)
bloed
כֻּלָּ֗הּ
(kulah)
geheel
כַּ֤חַשׁ
(kachash)
leugen
פֶּ֨רֶק֙
(pereq)
roof
מְלֵאָ֔ה
(melea)
vol
לֹ֥א
(lo)
niet
יָמִ֖ישׁ
(yamish)
laat los
טָֽרֶף
(taref)
prooi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִיר דָּמִים (ir damim), ‘stad van bloed’: een stad die bloed vergiet, zoals in Ezech. 22:2.

הוֹי (hoy), ‘wee’: een klaagroep over iemand die ten dode is opgeschreven; dezelfde roep als in Amos 5:18.

2Het geluid van de zweep, het geluid van dreunende wielen, van jagende paarden en springende wagens.
ק֣וֹל
(qol)
geluid van
שׁ֔וֹט
(shot)
zweep
וְק֖וֹל
(veqol)
en geluid van
רַ֣עַשׁ
(raash)
gedreun van
אוֹפָ֑ן
(ofan)
wiel
וְס֣וּס
(vesus)
en paard
דֹּהֵ֔ר
(doher)
jagend
וּמֶרְכָּבָ֖ה
(umerkava)
en wagen
מְרַקֵּדָֽה
(meraqeda)
springend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 2–3 beschrijven de aanval in beelden en geluiden: zweep, wielen, paarden, wagens, zwaarden, speren.

Het zijn losse woorden zonder werkwoorden; wij houden dat zo.

3De ruiter stormt omhoog. De vlam van het zwaard en de bliksem van de speer! Een menigte gesneuvelden, een zware hoop lijken, en aan de lichamen is geen einde. Zij struikelen over hun lichamen.
פָּרָ֣שׁ
(parash)
ruiter
מַעֲלֶ֗ה
(maale)
stormt omhoog
וְלַ֤הַב
(velahav)
en vlam van
חֶ֨רֶב֙
(cherev)
zwaard
וּבְרַ֣ק
(uveraq)
en bliksem van
חֲנִ֔ית
(chanit)
speer
וְרֹ֥ב
(verov)
en menigte van
חָלָ֖ל
(chalal)
gesneuvelden
וְכֹ֣בֶד
(vekhoved)
en zware
פָּ֑גֶר
(pager)
hoop lijken
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is geen
קֵ֨צֶה֙
(qetse)
einde
לַגְּוִיָּ֔ה
(lageviya)
aan de lichamen
וְכָשְׁל֖וּ
(vekhashelu)
en zij struikelen
בִּגְוִיָּתָֽם
(bigviyatam)
over hun lichamen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּגֶר (peger), ‘lijk’, en גְּוִיָּה (geviyyah), ‘lichaam’: twee woorden voor een dode.

Wij houden het onderscheid.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is יכשלו (yikashelu), ‘zij struikelen’.

Het voorgelezen woord (qere) is וְכָשְׁלוּ (vekhashelu), ‘en zij struikelen’.

Wij volgen de qere.

De hoer

4Dat is vanwege de vele hoererijen van de hoer. Zij is bekoorlijk en een meesteres van de toverij. Zij verkoopt volken met haar hoererijen en geslachten met haar toverijen.
מֵרֹב֙
(merov)
vanwege de menigte van
זְנוּנֵ֣י
(zenunei)
hoererijen van
זוֹנָ֔ה
(zona)
de hoer
ט֥וֹבַת
(tovat)
bekoorlijk van
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בַּעֲלַ֣ת
(baalat)
meesteres van
כְּשָׁפִ֑ים
(keshafim)
toverijen
הַמֹּכֶ֤רֶת
(hamokheret)
die verkoopt
גּוֹיִם֙
(goyim)
volken
בִּזְנוּנֶ֔יהָ
(biznuneiha)
met haar hoererijen
וּמִשְׁפָּח֖וֹת
(umishpachot)
en geslachten
בִּכְשָׁפֶֽיהָ
(bikhshafeiha)
met haar toverijen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זוֹנָה (zonah), ‘hoer’: een beeld voor Nineve dat met zijn macht en rijkdom volken aan zich bond.

Het Hebreeuws gebruikt hier hetzelfde woord als Hosea voor ontrouw aan Yahweh (Hos. 1:2).

כְּשָׁפִים (keshafim), ‘toverijen’: zoals Exod. 22:17 het verbiedt.

הַמֹּכֶרֶת (hammokheret), ‘die verkoopt’: de hoer maakt volken tot haar bezit. Hoe dat gebeurde, zegt de tekst niet.

‘Dat is’ aan het begin van het vers vullen wij aan; het Hebreeuws begint met ‘vanwege de vele hoererijen van de hoer’.

Ik ben tegen je

5„Zie, Ik ben tegen je, godsspraak van Yahweh van de legermachten. Ik sla je zomen op tot over je gezicht. Ik laat de volken je naaktheid zien en de koninkrijken je schande.
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Ik
אֵלַ֗יִךְ
(elayikh)
ben tegen jou
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
וְגִלֵּיתִ֥י
(vegileiti)
en Ik sla op
שׁוּלַ֖יִךְ
(shulayikh)
je zomen
עַל
(al)
over
פָּנָ֑יִךְ
(panayikh)
je gezicht
וְהַרְאֵיתִ֤י
(vehareiti)
en Ik laat zien
גוֹיִם֙
(goyim)
volken
מַעְרֵ֔ךְ
(marekh)
je naaktheid
וּמַמְלָכ֖וֹת
(umamlakhot)
en koninkrijken
קְלוֹנֵֽךְ
(qelonekh)
je schande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם יְהוָה צְבָאוֹת (ne’um Yahweh Tsevaot), ‘godsspraak van Yahweh van de legermachten’: zie 2:14.

Ook de dreigzin ‘Ik ben tegen je’ is dezelfde als in 2:14.

שׁוּלַיִךְ (shulayikh), ‘je zomen’: de onderkant van een kleed. Als de zomen worden opgeslagen, is een vrouw naakt en te schande gemaakt; vergelijk Hos. 2:12.

6Ik gooi gruwelen op je, Ik onteer je en Ik maak je tot een schouwspel.
וְהִשְׁלַכְתִּ֥י
(vehishlakhti)
en Ik werp
עָלַ֛יִךְ
(alayikh)
op jou
שִׁקֻּצִ֖ים
(shiqutsim)
gruwelen
וְנִבַּלְתִּ֑יךְ
(venibaltikh)
en Ik onteer je
וְשַׂמְתִּ֖יךְ
(vesamtikh)
en Ik maak je
כְּרֹֽאִי
(keroi)
tot een schouwspel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁקֻּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelen’: het woord voor afschuwelijke dingen, vaak voor afgoden (2 Kon. 23:13).

Hier worden zij als vuil op haar gegooid.

נִבַּלְתִּיךְ (nibbaltikh), ‘Ik onteer je’: het werkwoord betekent ‘een dwaas of een nietswaardige maken’.

7Het zal gebeuren: allen die je zien, vluchten van je weg en zeggen: ‘Nineve is verwoest! Wie zal haar beklagen?’ Waar zal Ik troosters voor je zoeken?”
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָל
(kal)
allen
רֹאַ֨יִךְ֙
(roayikh)
die je zien
יִדּ֣וֹד
(yidod)
vluchten
מִמֵּ֔ךְ
(mimekh)
van jou
וְאָמַר֙
(veamar)
en zij zeggen
שָׁדְּדָ֣ה
(shadeda)
is verwoest
נִֽינְוֵ֔ה
(nineve)
Nineve
מִ֖י
(mi)
wie
יָנ֣וּד
(yanud)
zal beklagen
לָ֑הּ
(lah)
haar
מֵאַ֛יִן
(meayin)
waar vandaan
אֲבַקֵּ֥שׁ
(avaqesh)
zal Ik zoeken
מְנַחֲמִ֖ים
(menachamim)
troosters
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nineve: Nineve lag aan de Tigris, bij het huidige Mosul in Irak.

Uitleg

Dit vers zit nog in de toespraak van Yahweh.

Wat de mensen zeggen, staat tussen enkele aanhalingstekens.

Nineve en No-Amon

8Ben jij beter dan No-Amon, die aan de Nijlarmen woonde? Water was rondom haar. Haar voorwal was de zee, en haar muur kwam uit de zee.
הֲתֵֽיטְבִי֙
(hateitevi)
ben je beter
מִנֹּ֣א
(mino)
dan No
אָמ֔וֹן
(amon)
Amon
הַיֹּֽשְׁבָה֙
(hayosheva)
die woonde
בַּיְאֹרִ֔ים
(bayorim)
bij de Nijlarmen
מַ֖יִם
(mayim)
water
סָבִ֣יב
(saviv)
rondom
לָ֑הּ
(lah)
haar
אֲשֶׁר
(asher)
die
חֵ֣יל
(cheil)
voorwal
יָ֔ם
(yam)
zee
מִיָּ֖ם
(miyam)
uit de zee
חוֹמָתָֽהּ
(chomatah)
haar muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie No-Amon (Thebe): No-Amon is Thebe, de oude hoofdstad van Opper-Egypte, bij het huidige Luxor, aan de Nijl.

Uitleg

נֹא אָמוֹן (No-Amon): de stad Thebe in het zuiden van Egypte.

De naam is ‘stad van Amon’, naar de Egyptische god.

De stad lag aan de Nijl.

יְאֹרִים (ye’orim), ‘Nijlarmen’: het Hebreeuwse woord voor de Nijl is יְאֹר (ye’or); in het meervoud zijn het de armen en kanalen van de rivier.

חֵיל (chel), ‘voorwal’: de lage buitenmuur vóór de eigenlijke stadsmuur.

9Kush was haar kracht, en Egypte, zonder einde. Put en de Libiërs waren je hulp.
כּ֥וּשׁ
(kush)
Kush
עָצְמָ֛ה
(atsema)
was haar kracht
וּמִצְרַ֖יִם
(umitsrayim)
en Egypte
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is geen
קֵ֑צֶה
(qetse)
einde
פּ֣וּט
(put)
Put
וְלוּבִ֔ים
(veluvim)
en Libiërs
הָי֖וּ
(hayu)
waren
בְּעֶזְרָתֵֽךְ
(beezratekh)
je hulp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

כּוּשׁ (Kush) lag ten zuiden van Egypte.

פּוּט (Put) wordt in Gen. 10:6 genoemd; ook in 1 Kron. 1:8.

De ligging van Put is onzeker.

De Libiërs (לוּבִים, Luvim) worden ook in 2 Kron. 12:3 genoemd.

10Ook zij moest in ballingschap gaan, in gevangenschap. Ook haar kleine kinderen werden verpletterd aan het begin van alle straten. Over haar geëerden wierpen zij het lot, en al haar groten werden in boeien gelegd.
גַּם
(gam)
ook
הִ֗יא
(hi)
zij
לַגֹּלָה֙
(lagola)
in ballingschap
הָלְכָ֣ה
(halekha)
ging
בַשֶּׁ֔בִי
(bashevi)
in gevangenschap
גַּ֧ם
(gam)
ook
עֹלָלֶ֛יהָ
(olaleiha)
haar kleine kinderen
יְרֻטְּשׁ֖וּ
(yeruteshu)
werden verpletterd
בְּרֹ֣אשׁ
(berosh)
aan het begin van
כָּל
(kal)
alle
חוּצ֑וֹת
(chutsot)
straten
וְעַל
(veal)
en over
נִכְבַּדֶּ֨יהָ֙
(nikhbadeiha)
haar geëerden
יַדּ֣וּ
(yadu)
wierpen zij
גוֹרָ֔ל
(goral)
het lot
וְכָל
(vekhal)
en al
גְּדוֹלֶ֖יהָ
(gedoleiha)
haar groten
רֻתְּק֥וּ
(rutequ)
werden gelegd
בַזִּקִּֽים
(baziqim)
in boeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גּוֹרָל (goral), ‘het lot’: zoals in Joël 4:3.

Het lot werd geworpen om de gevangenen te verdelen.

זִקִּים (zikkim), ‘boeien’: ketens voor handen of voeten.

11Ook jij zult dronken worden. Je zult verborgen zijn. Ook jij zult een burcht zoeken tegen de vijand.
גַּם
(gam)
ook
אַ֣תְּ
(at)
jij
תִּשְׁכְּרִ֔י
(tishkeri)
zult dronken worden
תְּהִ֖י
(tehi)
zult zijn
נַֽעֲלָמָ֑ה
(naalama)
verborgen
גַּם
(gam)
ook
אַ֛תְּ
(at)
jij
תְּבַקְשִׁ֥י
(tevaqshi)
zult zoeken
מָע֖וֹז
(maoz)
een burcht
מֵאוֹיֵֽב
(meoyev)
tegen de vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶעְלָמָה (ne’lamah), ‘verborgen’: het woord kan ook ‘buiten bewustzijn’ betekenen.

Wij houden het letterlijke ‘verborgen’ aan.

מָעוֹז (ma’oz), ‘burcht’: zie 1:7.

Al je vestingen

12Al je vestingen zijn vijgenbomen met eerste vruchten. Als ze geschud worden, vallen ze in de mond van wie ze eet.
כָּ֨ל
(kal)
al
מִבְצָרַ֔יִךְ
(mivtsarayikh)
je vestingen
תְּאֵנִ֖ים
(teenim)
vijgenbomen
עִם
(im)
met
בִּכּוּרִ֑ים
(bikurim)
eerste vruchten
אִם
(im)
als
יִנּ֕וֹעוּ
(yinou)
ze geschud worden
וְנָפְל֖וּ
(venafelu)
dan vallen ze
עַל
(al)
in
פִּ֥י
(pi)
de mond van
אוֹכֵֽל
(okhel)
wie eet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerste vruchten’: de eerste, rijpe vijgen.

Zij vallen bij de minste schudding in de mond van wie ze wil eten.

Zo valt ook Nineve.

13Zie, je volk is in je midden als vrouwen. Voor je vijanden gaan de poorten van je land wijd open. Het vuur heeft je grendels verteerd.
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
עַמֵּ֤ךְ
(amekh)
je volk
נָשִׁים֙
(nashim)
vrouwen
בְּקִרְבֵּ֔ךְ
(beqirbekh)
in je midden
לְאֹ֣יְבַ֔יִךְ
(leoyevayikh)
voor je vijanden
פָּת֥וֹחַ
(patoach)
wijd
נִפְתְּח֖וּ
(niftechu)
zijn geopend
שַׁעֲרֵ֣י
(shaarei)
de poorten van
אַרְצֵ֑ךְ
(artsekh)
je land
אָכְלָ֥ה
(akhela)
heeft verteerd
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
בְּרִיחָֽיִך
(berichayikh)
je grendels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשִׁים (nashim), ‘vrouwen’: een beeld voor zwakke, weerloze soldaten.

De poorten gaan ‘wijd open’ (letterlijk ‘open, ze zijn geopend’): een Hebreeuwse versterking.

14Schep water voor de belegering. Versterk je vestingen. Ga in de klei en stamp de leem. Grijp de baksteenvorm stevig vast.
מֵ֤י
(mei)
water van
מָצוֹר֙
(matsor)
belegering
שַֽׁאֲבִי
(shaavi)
schep
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jezelf
חַזְּקִ֖י
(chazeqi)
versterk
מִבְצָרָ֑יִךְ
(mivtsarayikh)
je vestingen
בֹּ֧אִי
(boi)
ga
בַטִּ֛יט
(batit)
in de klei
וְרִמְסִ֥י
(verimsi)
en stamp
בַחֹ֖מֶר
(bachomer)
in de leem
הַחֲזִ֥יקִי
(hachaziqi)
grijp stevig vast
מַלְבֵּֽן
(malben)
de baksteenvorm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is weer een spottende aansporing aan de verdedigers, zoals in 2:2.

מַלְבֵּן (malben), ‘baksteenvorm’: het woord komt nergens anders voor; de betekenis (een vorm of oven voor bakstenen) is onzeker.

Het vuur verteert je

15Daar verteert het vuur je, het zwaard roeit je uit, het verteert je als de vreter. Maak je talrijk als de vreter, maak je talrijk als de sprinkhaan!
שָׁ֚ם
(sham)
daar
תֹּאכְלֵ֣ךְ
(tokhlekh)
zal je verteren
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
תַּכְרִיתֵ֣ךְ
(takhritekh)
zal je uitroeien
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
תֹּאכְלֵ֖ךְ
(tokhlekh)
zal je verteren
כַּיָּ֑לֶק
(kayaleq)
als de vreter
הִתְכַּבֵּ֣ד
(hitkabed)
maak je talrijk
כַּיֶּ֔לֶק
(kayeleq)
als de vreter
הִֽתְכַּבְּדִ֖י
(hitkabedi)
maak je talrijk
כָּאַרְבֶּֽה
(kaarbe)
als de sprinkhaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Joël 1:4 en 2:25 voor de namen van de sprinkhanen.

Hier staan יֶלֶק (yeleq), ‘vreter’, en אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’.

הִתְכַּבֵּד (hitkabbed), ‘maak je talrijk’: letterlijk ‘maak je zwaar’. Het is een spottend bevel: wees zo talrijk als sprinkhanen; het baat niet.

16Je kooplieden heb je talrijker gemaakt dan de sterren van de hemel. De vreter ontvelt zich en vliegt weg.
הִרְבֵּית֙
(hirbeit)
heb je talrijk gemaakt
רֹֽכְלַ֔יִךְ
(rokhelayikh)
je kooplieden
מִכּוֹכְבֵ֖י
(mikokhevei)
meer dan de sterren van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
יֶ֥לֶק
(yeleq)
de vreter
פָּשַׁ֖ט
(pashat)
ontvelt zich
וַיָּעֹֽף
(vayaof)
en vliegt weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹכְלַיִךְ (rokhlayikh), ‘je kooplieden’: handelaren die rijkdom brachten.

De vreter ‘ontvelt zich’ (פָּשַׁט, pashat, ‘uitkleden’): hij werpt zijn omhulsel af en vliegt weg; zo verdwijnen de rijkdommen.

17Je vorsten zijn als de sprinkhaan, je bevelhebbers als een zwerm sprinkhanen, die zich op koude dagen in de omheiningen legeren. Zodra de zon opkomt, vliegen ze weg. Hun plaats is niet bekend. Waar zijn zij?
מִנְּזָרַ֨יִךְ֙
(minezarayikh)
je vorsten
כָּֽאַרְבֶּ֔ה
(kaarbe)
zijn als de sprinkhaan
וְטַפְסְרַ֖יִךְ
(vetafserayikh)
en je bevelhebbers
כְּג֣וֹב
(kegov)
als een zwerm van
גֹּבָ֑י
(govay)
sprinkhanen
הַֽחוֹנִ֤ים
(hachonim)
die zich legeren
בַּגְּדֵרוֹת֙
(bagederot)
in de omheiningen
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
קָרָ֔ה
(qara)
koude
שֶׁ֤מֶשׁ
(shemesh)
de zon
זָֽרְחָה֙
(zarecha)
komt op
וְנוֹדַ֔ד
(venodad)
en zij vliegen weg
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נוֹדַ֥ע
(noda)
is bekend
מְקוֹמ֖וֹ
(meqomo)
hun plaats
אַיָּֽם
(ayam)
waar zijn zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גּוֹבַי גּוֹבָי (gov govai), ‘een zwerm sprinkhanen’: het woord komt weinig voor; de betekenis volgt uit het verband.

טַפְסָרַיִךְ (tafsarayikh), ‘je bevelhebbers’: een zeldzaam woord voor een hoge ambtenaar of aanvoerder. De betekenis volgt uit het verband.

Er is geen verlichting voor je breuk

18Je herders sluimeren, koning van Assyrië. Je edelen liggen neer. Je volk is over de bergen verspreid, en niemand verzamelt het.
נָמ֤וּ
(namu)
sluimeren
רֹעֶ֨יךָ֙
(roeikha)
je herders
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
יִשְׁכְּנ֖וּ
(yishkenu)
liggen neer
אַדִּירֶ֑יךָ
(adireikha)
je edelen
נָפֹ֧שׁוּ
(nafoshu)
zijn verspreid
עַמְּךָ֛
(amekha)
je volk
עַל
(al)
op
הֶהָרִ֖ים
(heharim)
de bergen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מְקַבֵּֽץ
(meqabets)
die verzamelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

נָמוּ (namu), ‘sluimeren’: de herders (de leiders) zijn in slaap gevallen; ‘sluimeren’ kan ook een beeld zijn voor de slaap van de dood.

Het Hebreeuws laat dat open.

אַשּׁוּר (Ashur), ‘Assyrië’: de koning van Assyrië is hier de aangesprokene.

19Er is geen verlichting voor je breuk. Je wond is pijnlijk. Allen die het bericht over jou horen, klappen in de handen over jou. Want over wie is je kwaad niet voortdurend heen gegaan?
אֵין
(ein)
er is geen
כֵּהָ֣ה
(keha)
verlichting
לְשִׁבְרֶ֔ךָ
(leshivrekha)
voor je breuk
נַחְלָ֖ה
(nachla)
is pijnlijk
מַכָּתֶ֑ךָ
(makatekha)
je wond
כֹּ֣ל
(kol)
allen
שֹׁמְעֵ֣י
(shomeei)
die horen
שִׁמְעֲךָ֗
(shimakha)
het bericht over jou
תָּ֤קְעוּ
(taqeu)
slaan
כַף֙
(kaf)
de hand
עָלֶ֔יךָ
(aleikha)
over jou
כִּ֗י
(ki)
want
עַל
(al)
over
מִ֛י
(mi)
wie
לֹֽא
(lo)
niet
עָבְרָ֥ה
(avera)
is heengegaan
רָעָתְךָ֖
(raatekha)
je kwaad
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַחְלָה מַכָּתֶךָ (nachlah makkatekha), ‘je wond is pijnlijk’: het werkwoord (חָלָה, chalah) betekent ‘ziek zijn’.

De wond is dus ziek of ongeneeslijk.

תָּקְעוּ כָף (taqe’u khaf), ‘klappen in de handen’: een teken van spot en vreugde bij de val van een tiran.

רָעָתֶךָ (ra’atekha), ‘je kwaad’: het kwaad van Nineve, zoals in Jon. 1:2. Het boek eindigt met een vraag aan Nineve.