Elohim Bijbel

Job 28

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Lied over de wijsheid

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De mijn: de mens zoekt het verborgene

1„Want er is een mijn voor zilver en een plaats waar goud wordt gezuiverd.
כִּ֤י
(ki)
want
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is
לַכֶּ֣סֶף
(lakesef)
voor zilver
מוֹצָ֑א
(motsa)
een vindplaats
וּ֝מָק֗וֹם
(umaqom)
en plaats
לַזָּהָ֥ב
(lazahav)
voor goud
יָזֹֽקּוּ
(yazoqu)
waar men zuivert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk is een zelfstandig lied over de wijsheid.

Het begint met een beschrijving van mijnbouw (vers 1–11): de mens kan diep in de aarde dringen en schatten vinden, maar de wijsheid vindt hij niet (vers 12–22).

Alleen Elohim kent haar weg (vers 23–27).

Wie spreekt, laat de tekst niet merken; het past bij Job, maar kan ook een dichterlijke tussenstem zijn.

2IJzer wordt uit de grond gehaald, en uit gesmolten steen wordt koper gegoten.
בַּ֭רְזֶל
(barzel)
ijzer
מֵעָפָ֣ר
(meafar)
uit stof
יֻקָּ֑ח
(yuqach)
wordt genomen
וְ֝אֶ֗בֶן
(veeven)
en steen
יָצ֥וּק
(yatsuq)
wordt gesmolten
נְחוּשָֽׁה
(nechusha)
koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Aan de duisternis maakt men een einde, en tot het uiterste doorzoekt men de steen van donker en diepe schaduw.
קֵ֤ץ
(qets)
een einde
שָׂ֤ם
(sam)
stelt men
לַחֹ֗שֶׁךְ
(lachoshekh)
aan duisternis
וּֽלְכָל
(ulekhal)
en tot elk
תַּ֭כְלִית
(takhlit)
uiterste
ה֣וּא
(hu)
hij
חוֹקֵ֑ר
(choqer)
doorzoekt
אֶ֖בֶן
(even)
steen van
אֹ֣פֶל
(ofel)
donkerte
וְצַלְמָֽוֶת
(vetsalmavet)
en diepe schaduw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Ver van waar mensen wonen, breekt men een schacht open. Vergeten door de voet hangen ze, ver van mensen zwaaien ze heen en weer.
פָּ֤רַץ
(parats)
hij breekt open
נַ֨חַל
(nachal)
een schacht
מֵֽעִם
(meim)
ver van
גָּ֗ר
(gar)
wie verblijft
הַֽנִּשְׁכָּחִ֥ים
(hanishkachim)
vergeten
מִנִּי
(mini)
door
רָ֑גֶל
(ragel)
voet
דַּ֖לּוּ
(dalu)
hangen
מֵאֱנ֣וֹשׁ
(meenosh)
ver van mensen
נָֽעוּ
(nau)
zwaaien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Vers 4 is moeilijk.

Wij begrijpen: mijnwerkers laten zich aan touwen in een schacht zakken, ver van bewoonde streken, en hangen heen en weer.

Andere vertalingen lezen de eerste helft als ‘een stroom breekt door ver van de bewoner’.

5De aarde: daaruit komt brood voort, en daaronder is ze omgewoeld als door vuur.
אֶ֗רֶץ
(erets)
aarde
מִמֶּ֥נָּה
(mimena)
daaruit
יֵֽצֵא
(yetse)
komt
לָ֑חֶם
(lachem)
brood
וְ֝תַחְתֶּ֗יהָ
(vetachteiha)
en onder haar
נֶהְפַּ֥ךְ
(nehpakh)
is omgewoeld
כְּמוֹ
(kemo)
als
אֵֽשׁ
(esh)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Haar stenen zijn de plaats van saffier, en ze heeft stofgoud.
מְקוֹם
(meqom)
plaats van
סַפִּ֥יר
(sapir)
saffier
אֲבָנֶ֑יהָ
(avaneiha)
haar stenen
וְעַפְרֹ֖ת
(veafrot)
en stof van
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
לֽוֹ
(lo)
heeft zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Een pad dat geen roofvogel kent, en dat het oog van de havik niet heeft gezien.
נָ֭תִיב
(nativ)
een pad
לֹֽא
(lo)
niet
יְדָ֣עוֹ
(yedao)
kent
עָ֑יִט
(ayit)
roofvogel
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שְׁ֝זָפַ֗תּוּ
(shezafatu)
heeft gezien
עֵ֣ין
(ein)
oog van
אַיָּֽה
(aya)
de havik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De trotse dieren hebben het niet betreden, de leeuw is er niet overheen getrokken.
לֹֽא
(lo)
niet
הִדְרִיכֻ֥הוּ
(hidrikhuhu)
betraden het
בְנֵי
(benei)
zonen van
שָׁ֑חַץ
(shachats)
trots
לֹֽא
(lo)
niet
עָדָ֖ה
(ada)
trok
עָלָ֣יו
(alav)
erover
שָֽׁחַל
(shachal)
de leeuw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij slaat zijn hand aan de keisteen. Hij keert bergen om bij de wortel.
בַּֽ֭חַלָּמִישׁ
(bachalamish)
aan de keisteen
שָׁלַ֣ח
(shalach)
slaat hij
יָד֑וֹ
(yado)
zijn hand
הָפַ֖ךְ
(hafakh)
hij keert om
מִשֹּׁ֣רֶשׁ
(mishoresh)
bij de wortel
הָרִֽים
(harim)
bergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10In de rotsen hakt hij kanalen open, en zijn oog ziet alles wat kostbaar is.
בַּ֭צּוּרוֹת
(batsurot)
in rotsen
יְאֹרִ֣ים
(yeorim)
kanalen
בִּקֵּ֑עַ
(biqea)
hakt hij open
וְכָל
(vekhal)
en alles
יְ֝קָ֗ר
(yeqar)
wat kostbaar is
רָאֲתָ֥ה
(raata)
ziet
עֵינֽוֹ
(eino)
zijn oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11De bronnen van de rivieren dicht hij af, en wat verborgen was, brengt hij naar het licht.
מִ֭בְּכִי
(mibekhi)
van de bronnen van
נְהָר֣וֹת
(neharot)
rivieren
חִבֵּ֑שׁ
(chibesh)
dicht hij af
וְ֝תַעֲלֻמָ֗הּ
(vetaalumah)
en wat verborgen is
יֹ֣צִא
(yotsi)
brengt hij uit
אֽוֹר
(or)
naar licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Waar is de wijsheid te vinden?

12Maar de wijsheid, waar is die te vinden? En waar is de plaats van het inzicht?
וְֽ֭הַחָכְמָה
(vehachakhema)
en de wijsheid
מֵאַ֣יִן
(meayin)
waar vandaan
תִּמָּצֵ֑א
(timatse)
wordt gevonden
וְאֵ֥י
(veei)
en waar
זֶ֝ה
(ze)
is
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
בִּינָֽה
(bina)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het refrein van het lied: ‘Waar is de wijsheid te vinden?’

Het komt terug in vers 20.

Het antwoord is: alleen bij Elohim.

13De mens kent haar waarde niet, en in het land van de levenden wordt ze niet gevonden.
לֹא
(lo)
niet
יָדַ֣ע
(yada)
kent
אֱנ֣וֹשׁ
(enosh)
de mens
עֶרְכָּ֑הּ
(erkah)
haar waarde
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִ֝מָּצֵ֗א
(timatse)
wordt ze gevonden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
הַֽחַיִּֽים
(hachayim)
de levenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De oerdiepte zegt: ‘Ze is niet in mij’, en de zee zegt: ‘Ze is niet bij mij.’
תְּה֣וֹם
(tehom)
de oerdiepte
אָ֭מַר
(amar)
zegt
לֹ֣א
(lo)
niet
בִי
(bi)
in mij
הִ֑יא
(hi)
is ze
וְיָ֥ם
(veyam)
en de zee
אָ֝מַ֗ר
(amar)
zegt
אֵ֣ין
(ein)
niet is ze
עִמָּדִֽי
(imadi)
bij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּהוֹם (tehom), ‘oerdiepte’, is de diepe oceaan onder de aarde (Gen. 1:2).

Zelfs zij weet niet waar de wijsheid is.

15Ze is niet te koop voor gezuiverd goud, en zilver wordt niet gewogen als haar prijs.
לֹא
(lo)
niet
יֻתַּ֣ן
(yutan)
wordt gegeven
סְג֣וֹר
(segor)
gezuiverd goud
תַּחְתֶּ֑יהָ
(tachteiha)
in ruil voor haar
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִ֝שָּׁקֵ֗ל
(yishaqel)
wordt gewogen
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
מְחִירָֽהּ
(mechirah)
als haar prijs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Ze kan niet worden afgewogen tegen goud van Ofir, tegen kostbare onyx en saffier.
לֹֽא
(lo)
niet
תְ֭סֻלֶּה
(tesule)
kan worden afgewogen
בְּכֶ֣תֶם
(bekhetem)
tegen goud van
אוֹפִ֑יר
(ofir)
Ofir
בְּשֹׁ֖הַם
(beshoham)
tegen onyx
יָקָ֣ר
(yaqar)
kostbare
וְסַפִּֽיר
(vesapir)
en saffier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ofir (אוֹפִיר): zie 22:24.

De ligging is onzeker; het land is bekend om het fijnste goud.

17Goud en glas kunnen haar niet evenaren, en een ruil voor sieraden van fijn goud is niet mogelijk.
לֹא
(lo)
niet
יַעַרְכֶ֣נָּה
(yaarkhena)
kunnen haar evenaren
זָ֭הָב
(zahav)
goud
וּזְכוֹכִ֑ית
(uzekhokhit)
en glas
וּתְמ֖וּרָתָ֣הּ
(utemuratah)
en haar ruil
כְּלִי
(keli)
sieraden van
פָֽז
(paz)
fijn goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Koraal en kristal worden niet eens genoemd. Het bezit van wijsheid is meer waard dan parels.
רָאמ֣וֹת
(ramot)
koraal
וְ֭גָבִישׁ
(vegavish)
en kristal
לֹ֣א
(lo)
niet
יִזָּכֵ֑ר
(yizakher)
worden genoemd
וּמֶ֥שֶׁךְ
(umeshekh)
en het bezit van
חָ֝כְמָ֗ה
(chakhema)
wijsheid
מִפְּנִינִֽים
(mipeninim)
meer dan parels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De topaas van Kush evenaart haar niet. Met zuiver goud kan ze niet worden afgewogen.
לֹֽא
(lo)
niet
יַ֭עַרְכֶנָּה
(yaarkhena)
evenaart haar
פִּטְדַת
(pitdat)
topaas van
כּ֑וּשׁ
(kush)
Kush
בְּכֶ֥תֶם
(bekhetem)
met goud
טָ֝ה֗וֹר
(tahor)
zuiver
לֹ֣א
(lo)
niet
תְסֻלֶּֽה
(tesule)
kan ze worden afgewogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kush (כּוּשׁ): het gebied ten zuiden van Egypte, het huidige Noord-Soedan (Nubië) en Zuid-Egypte.

De topaas van Kush is een kostbare edelsteen.

20Maar de wijsheid, waar komt ze vandaan? En waar is de plaats van het inzicht?
וְֽ֭הַחָכְמָה
(vehachakhema)
en de wijsheid
מֵאַ֣יִן
(meayin)
waar vandaan
תָּב֑וֹא
(tavo)
komt ze
וְאֵ֥י
(veei)
en waar
זֶ֝֗ה
(ze)
is
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
בִּינָֽה
(bina)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Ze is verborgen voor de ogen van al wat leeft, en voor de vogels van de hemel verhuld.
וְֽ֭נֶעֶלְמָה
(veneelma)
en ze is verborgen
מֵעֵינֵ֣י
(meeinei)
voor de ogen van
כָל
(kal)
al
חָ֑י
(chay)
wat leeft
וּמֵע֖וֹף
(umeof)
en voor de vogels van
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
נִסְתָּֽרָה
(nistara)
verhuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22De Afgrond en de Dood zeggen: ‘Met onze oren hebben we geruchten over haar gehoord.’
אֲבַדּ֣וֹן
(avadon)
Afgrond
וָ֭מָוֶת
(vamavet)
en Dood
אָ֣מְר֑וּ
(ameru)
zeggen
בְּ֝אָזְנֵ֗ינוּ
(beazeneinu)
met onze oren
שָׁמַ֥עְנוּ
(shamanu)
hebben wij gehoord
שִׁמְעָֽהּ
(shimah)
haar gerucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲבַדּוֹן וָמָוֶת (Avaddon vamavet), ‘de Afgrond en de Dood’, zijn de poorten van het dodenrijk (zie 26:6).

Ze kennen de wijsheid alleen van horen zeggen.

Elohim kent haar weg

23Elohim begrijpt haar weg, en Hij weet haar plaats.
אֱ֭לֹהִים
(Elohim)
Elohim
הֵבִ֣ין
(hevin)
begrijpt
דַּרְכָּ֑הּ
(darkah)
haar weg
וְ֝ה֗וּא
(vehu)
en Hij
יָדַ֥ע
(yada)
weet
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
מְקוֹמָֽהּ
(meqomah)
haar plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier wijst Job (of de dichter) van de mens weg naar Elohim: Hij kent de weg van de wijsheid, omdat Hij haar bij de schepping heeft gezien (vers 25–27).

Vergelijk Spr. 8:22–31.

24Want Hij kijkt tot de einden van de aarde en ziet onder de hele hemel.
כִּי
(ki)
want
ה֭וּא
(hu)
Hij
לִקְצוֹת
(liqtsot)
tot de einden van
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
de aarde
יַבִּ֑יט
(yabit)
kijkt
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
heel
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
יִרְאֶֽה
(yire)
ziet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Toen Hij de wind een gewicht gaf en de wateren met een maat afmat,
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
toen Hij gaf
לָר֣וּחַ
(laruach)
aan de wind
מִשְׁקָ֑ל
(mishqal)
gewicht
וּ֝מַ֗יִם
(umayim)
en wateren
תִּכֵּ֥ן
(tiken)
afmat
בְּמִדָּֽה
(bemida)
met een maat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26toen Hij de regen een wet gaf en de bliksemflits een weg,
בַּעֲשֹׂת֣וֹ
(baasoto)
toen Hij gaf
לַמָּטָ֣ר
(lamatar)
aan de regen
חֹ֑ק
(choq)
een wet
וְ֝דֶ֗רֶךְ
(vederekh)
en een weg
לַחֲזִ֥יז
(lachaziz)
aan de flits van
קֹלֽוֹת
(qolot)
donderslagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27toen zag Hij haar en maakte haar bekend. Hij vestigde haar en doorzocht haar ook.
אָ֣ז
(az)
toen
רָ֭אָהּ
(raah)
zag Hij
וַֽיְסַפְּרָ֑הּ
(vaysaperah)
en maakte haar bekend
הֱ֝כִינָ֗הּ
(hekhinah)
vestigde haar
וְגַם
(vegam)
en ook
חֲקָרָֽהּ
(chaqarah)
doorzocht haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28En Hij zei tegen de mens: ‘Zie, ontzag voor Adonai, dat is wijsheid, en het kwaad mijden is inzicht.’”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לָֽאָדָ֗ם
(laadam)
tot de mens
הֵ֤ן
(hen)
zie
יִרְאַ֣ת
(yirat)
ontzag voor
אֲ֭דֹנָי
(adonay)
Adonai
הִ֣יא
(hi)
het is
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְס֖וּר
(vesur)
en wijken
מֵרָ֣ע
(mera)
van kwaad
בִּינָֽה
(bina)
inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de enige plaats in Job waar de naam אֲדֹנָי (Adonai), ‘Heer’, voorkomt.

Een aantal handschriften leest hier יהוה (Yahweh).

De slotzin vat het boek samen: ontzag voor Elohim is de wijsheid (vergelijk 1:1 en 1:8; Spr. 1:7; Ps. 111:10).