Elohim Bijbel

Genesis 9

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Het verbond met Noach

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elohim zegent Noach

1Elohim zegende Noach en zijn zonen en zei tot hen: „Wees vruchtbaar en word talrijk, vul de aarde.
וַיְבָ֣רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נֹ֖חַ
(noach)
Noach
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בָּנָ֑יו
(banav)
zijn zonen
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֛ם
(lahem)
tot hen
פְּר֥וּ
(peru)
wees vruchtbaar
וּרְב֖וּ
(urevu)
en word talrijk
וּמִלְא֥וּ
(umilu)
en vul
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde opdracht als aan de mens in 1:28, maar zonder ‘onderwerp haar’ en ‘heers’.

Daarvoor in de plaats komt in vers 2 de vrees van de dieren.

Aanvullend

Jasher 6:35 laat Yahweh zelf Noach zegenen; in Genesis staat Elohim.

2Vrees en schrik voor jullie zullen komen over alle wilde dieren van de aarde en over alle vogels van de hemel. Ze komen ook over alles wat zich over de grond voortbeweegt en over alle vissen van de zee. In jullie hand zijn ze gegeven.
וּמוֹרַאֲכֶ֤ם
(umoraakhem)
en vrees voor jullie
וְחִתְּכֶם֙
(vechitekhem)
en schrik voor jullie
יִֽהְיֶ֔ה
(yihye)
zal zijn
עַ֚ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
חַיַּ֣ת
(chayat)
wild dier van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְעַ֖ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alle
ע֣וֹף
(of)
vogel van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
בְּכֹל֩
(bekhol)
in alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
תִּרְמֹ֧שׂ
(tirmos)
zich voortbeweegt
הָֽאֲדָמָ֛ה
(haadama)
de grond
וּֽבְכָל
(uvekhal)
en in alle
דְּגֵ֥י
(degei)
vissen van
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
בְּיֶדְכֶ֥ם
(beyedkhem)
in jullie hand
נִתָּֽנוּ
(nitanu)
zijn gegeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Alles wat zich voortbeweegt en leeft, zal jullie tot voedsel zijn. Ook het groene gewas heb Ik jullie gegeven; nu geef Ik jullie alles.
כָּל
(kal)
alles
רֶ֨מֶשׂ֙
(remes)
wat zich voortbeweegt
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הוּא
(hu)
het
חַ֔י
(chay)
levend
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
לְאָכְלָ֑ה
(leakhela)
tot voedsel
כְּיֶ֣רֶק
(keyereq)
als groen
עֵ֔שֶׂב
(esev)
gewas
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כֹּֽל
(kol)
alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In 1:29 gaf Elohim alleen planten tot voedsel.

Nu mag de mens ook dieren eten, maar niet met het bloed erin (vers 4).

כְּיֶרֶק עֵשֶׂב (keyereq eseb) staat er letterlijk: ‘als groen gewas’; in de tekst staat ‘ook het groene gewas’.

4Alleen vlees met zijn leven erin, dat is zijn bloed, mogen jullie niet eten.
אַךְ
(akh)
alleen
בָּשָׂ֕ר
(basar)
vlees
בְּנַפְשׁ֥וֹ
(benafsho)
met zijn leven
דָמ֖וֹ
(damo)
zijn bloed
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכֵֽלוּ
(tokhelu)
zullen jullie eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנַפְשׁוֹ דָמוֹ (benafsho damo), letterlijk ‘in zijn leven, zijn bloed’: het bloed is het leven van het vlees (Lev. 17:11).

נֶפֶשׁ (nefesh) is ‘leven’, ‘adem’, ook ‘ziel’.

5Maar ook jullie bloed, jullie leven, zal Ik terugeisen. Van elk dier eis Ik het terug. Van de mens, van ieder mens voor zijn medemens, eis Ik het leven van de mens terug.
וְאַ֨ךְ
(veakh)
en alleen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּמְכֶ֤ם
(dimkhem)
jullie bloed
לְנַפְשֹֽׁתֵיכֶם֙
(lenafshoteikhem)
voor jullie levens
אֶדְרֹ֔שׁ
(edrosh)
Ik zal terugeisen
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
כָּל
(kal)
elk
חַיָּ֖ה
(chaya)
dier
אֶדְרְשֶׁ֑נּוּ
(edreshenu)
Ik zal het terugeisen
וּמִיַּ֣ד
(umiyad)
en uit de hand van
הָֽאָדָ֗ם
(haadam)
de mens
מִיַּד֙
(miyad)
uit de hand van
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
אֶדְרֹ֖שׁ
(edrosh)
Ik zal terugeisen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
leven van
הָֽאָדָֽם
(haadam)
de mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶדְרֹשׁ (edrosh) is ‘Ik zal eisen’, ‘terugeisen’: Elohim eist genoegdoening en vraagt rekenschap voor vergoten bloed, ook van een dier en van de mens zelf.

מִיַּד אִישׁ אָחִיו (miyad ish achiv): letterlijk ‘uit de hand van een man, zijn broer’.

In de tekst staat ‘medemens’: ieder mens is de broer van de ander, en wie het leven van de ander neemt, treft een broer.

Vergelijk Gen. 4:9–10.

הָאָדָם (ha-adam) staat twee keer in dit vers: ‘de mens’.

Met lidwoord, dus geen eigennaam.

6Wie het bloed van de mens vergiet, door de mens zal zijn bloed vergoten worden. Want naar het beeld van Elohim heeft Hij de mens gemaakt.
שֹׁפֵךְ֙
(shofekh)
vergietend
דַּ֣ם
(dam)
bloed van
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
בָּֽאָדָ֖ם
(baadam)
door de mens
דָּמ֣וֹ
(damo)
zijn bloed
יִשָּׁפֵ֑ךְ
(yishafekh)
zal vergoten worden
כִּ֚י
(ki)
want
בְּצֶ֣לֶם
(betselem)
naar het beeld van
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
עָשָׂ֖ה
(asa)
Hij maakte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָדָֽם
(haadam)
de mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּצֶלֶם אֱלֹהִים (betselem Elohim), ‘naar het beeld van Elohim’, zoals in 1:26–27.

Het verbod op moord rust op dat beeld.

Het voorzetsel in בָּאָדָם (ba’adam) kan ‘door de mens’ betekenen of ‘in ruil voor de mens’.

בָּאָדָם (ba’adam) is voorzetsel + lidwoord (‘door de mens’): de mens in het algemeen, niet de persoon Adam.

7Jullie dan: wees vruchtbaar en word talrijk, wemel over de aarde en word er talrijk.”
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
פְּר֣וּ
(peru)
wees vruchtbaar
וּרְב֑וּ
(urevu)
en word talrijk
שִׁרְצ֥וּ
(shirtsu)
wemel
בָאָ֖רֶץ
(baarets)
op de aarde
וּרְבוּ
(urevu)
en word talrijk
בָֽהּ
(bah)
daarop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het verbond en de boog

8Elohim zei tot Noach en tot zijn zonen met hem:
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
וְאֶל
(veel)
en tot
בָּנָ֥יו
(banav)
zijn zonen
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9„Zie, Ik zelf richt Mijn verbond op met jullie en met jullie nageslacht na jullie,
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en Ik
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Ik
מֵקִ֛ים
(meqim)
oprichtend
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֖י
(beriti)
Mijn verbond
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
met jullie
וְאֶֽת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
זַרְעֲכֶ֖ם
(zarakhem)
jullie nageslacht
אַֽחֲרֵיכֶֽם
(achareikhem)
na jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10en met elk levend wezen dat bij jullie is: de vogels, het vee en alle wilde dieren van de aarde bij jullie. Met allen die uit de ark zijn gegaan, met elk wild dier van de aarde.
וְאֵ֨ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
elk
נֶ֤פֶשׁ
(nefesh)
wezen van
הַֽחַיָּה֙
(hachaya)
het levende
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתְּכֶ֔ם
(itekhem)
met jullie
בָּע֧וֹף
(baof)
onder het gevogelte
בַּבְּהֵמָ֛ה
(babehema)
onder het vee
וּֽבְכָל
(uvekhal)
en onder alle
חַיַּ֥ת
(chayat)
wild dier van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
met jullie
מִכֹּל֙
(mikol)
van alle
יֹצְאֵ֣י
(yotseei)
uitgaanders van
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
לְכֹ֖ל
(lekhol)
tot alle
חַיַּ֥ת
(chayat)
wild dier van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Ik richt Mijn verbond met jullie op: nooit meer zal alle vlees worden uitgeroeid door het water van de vloed. Nooit meer komt er een vloed om de aarde te vernietigen.”
וַהֲקִמֹתִ֤י
(vahaqimoti)
en Ik zal oprichten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִי֙
(beriti)
Mijn verbond
אִתְּכֶ֔ם
(itekhem)
met jullie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִכָּרֵ֧ת
(yikaret)
zal worden afgesneden
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֛ר
(basar)
vlees
ע֖וֹד
(od)
nog
מִמֵּ֣י
(mimei)
van het water van
הַמַּבּ֑וּל
(hamabul)
de vloed
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
ע֛וֹד
(od)
nog
מַבּ֖וּל
(mabul)
vloed
לְשַׁחֵ֥ת
(leshachet)
om te vernietigen
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Elohim zei: „Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij en jullie en elk levend wezen bij jullie, voor alle generaties, voor altijd.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
זֹ֤את
(zot)
dit
אֽוֹת
(ot)
teken van
הַבְּרִית֙
(haberit)
het verbond
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
נֹתֵ֗ן
(noten)
gevend
בֵּינִי֙
(beini)
tussen Mij
וּבֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(uveineikhem)
en tussen jullie
וּבֵ֛ין
(uvein)
en tussen
כָּל
(kal)
elk
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּ֖ה
(chaya)
levend
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
met jullie
לְדֹרֹ֖ת
(ledorot)
voor generaties van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Mijn boog heb Ik in de wolk gezet. Die zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde.
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
קַשְׁתִּ֕י
(qashti)
Mijn boog
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
בֶּֽעָנָ֑ן
(beanan)
in de wolk
וְהָֽיְתָה֙
(vehayeta)
en zal zijn
לְא֣וֹת
(leot)
tot teken van
בְּרִ֔ית
(berit)
verbond
בֵּינִ֖י
(beini)
tussen Mij
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קַשְׁתִּי (qashti), ‘Mijn boog’, is hetzelfde woord als voor de oorlogsboog.

Het woord ‘regenboog’ staat er niet.

Elohim hangt Zijn boog in de wolk, als teken dat het geweld voorbij is.

14Als Ik wolken boven de aarde laat samenkomen, wordt de boog zichtbaar in de wolk.
וְהָיָ֕ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּעַֽנְנִ֥י
(beanni)
als Ik bewolk
עָנָ֖ן
(anan)
wolk
עַל
(al)
boven
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְנִרְאֲתָ֥ה
(venirata)
en zal gezien worden
הַקֶּ֖שֶׁת
(haqeshet)
de boog
בֶּעָנָֽן
(beanan)
in de wolk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Dan zal Ik denken aan Mijn verbond tussen Mij en jullie en elk levend wezen, onder al het vlees. Nooit meer worden de wateren een vloed die al het vlees vernietigt.
וְזָכַרְתִּ֣י
(vezakharti)
en Ik zal denken aan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֗י
(beriti)
Mijn verbond
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
בֵּינִי֙
(beini)
tussen Mij
וּבֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(uveineikhem)
en tussen jullie
וּבֵ֛ין
(uvein)
en tussen
כָּל
(kal)
elk
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּ֖ה
(chaya)
levend
בְּכָל
(bekhal)
in alle
בָּשָׂ֑ר
(basar)
vlees
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִֽהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
ע֤וֹד
(od)
nog
הַמַּ֨יִם֙
(hamayim)
het water
לְמַבּ֔וּל
(lemabul)
tot vloed
לְשַׁחֵ֖ת
(leshachet)
om te vernietigen
כָּל
(kal)
alle
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De boog zal in de wolk staan. Ik zal hem zien en denken aan het eeuwige verbond tussen Elohim en elk levend wezen, onder al het vlees dat op de aarde is.”
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en zal zijn
הַקֶּ֖שֶׁת
(haqeshet)
de boog
בֶּֽעָנָ֑ן
(beanan)
in de wolk
וּרְאִיתִ֗יהָ
(ureitiha)
en Ik zal hem zien
לִזְכֹּר֙
(lizkor)
om te denken aan
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwig
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
וּבֵין֙
(uvein)
en tussen
כָּל
(kal)
elk
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּ֔ה
(chaya)
levend
בְּכָל
(bekhal)
in alle
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elohim noemt Zichzelf hier bij naam: ‘tussen Elohim en elk levend wezen’.

17Elohim zei tot Noach: „Dit is het teken van het verbond dat Ik heb opgericht tussen Mij en al het vlees dat op de aarde is.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
נֹ֑חַ
(noach)
Noach
זֹ֤את
(zot)
dit
אֽוֹת
(ot)
teken van
הַבְּרִית֙
(haberit)
het verbond
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הֲקִמֹ֔תִי
(haqimoti)
Ik heb opgericht
בֵּינִ֕י
(beini)
tussen Mij
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zonen van Noach

18De zonen van Noach die uit de ark kwamen, waren Sem, Cham en Jafeth. Cham was de vader van Kanaän.
וַיִּֽהְי֣וּ
(vayihyu)
en waren
בְנֵי
(benei)
zonen van
נֹ֗חַ
(noach)
Noach
הַיֹּֽצְאִים֙
(hayotseim)
de uitgaanders
מִן
(min)
uit
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
שֵׁ֖ם
(shem)
Sem
וְחָ֣ם
(vecham)
en Cham
וָיָ֑פֶת
(vayafet)
en Jafeth
וְחָ֕ם
(vecham)
en Cham
ה֖וּא
(hu)
hij
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
כְנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Deze drie waren de zonen van Noach. Van hen uit is heel de aarde verspreid.
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
בְּנֵי
(benei)
zonen van
נֹ֑חַ
(noach)
Noach
וּמֵאֵ֖לֶּה
(umeele)
en van dezen
נָֽפְצָ֥ה
(nafetsa)
werd verspreid
כָל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָפְצָה (nafetsa), ‘werd verspreid’, heeft een verwante stam als in 11:4 en 11:8, 9 (daar staat פּוּץ, puts), waar de mensen zich over de aarde verspreiden.

De wijngaard

20Noach, een man van de grond, begon een wijngaard te planten.
וַיָּ֥חֶל
(vayachel)
en begon
נֹ֖חַ
(noach)
Noach
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָֽאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
וַיִּטַּ֖ע
(vayita)
en plantte
כָּֽרֶם
(karem)
wijngaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ הָאֲדָמָה (ish ha’adamah), ‘man van de grond’, doet denken aan 5:29, waar Lemech zegt dat Noach troost zal brengen bij het werk van de grond.

Aanvullend

Jubileeën 7:1 zegt dat Noach de wijngaard plantte op de berg Lubar.

21Hij dronk van de wijn en werd dronken. Hij ontblootte zich in zijn tent.
וַיֵּ֥שְׁתְּ
(vayesht)
en dronk
מִן
(min)
van
הַיַּ֖יִן
(hayayin)
de wijn
וַיִּשְׁכָּ֑ר
(vayishkar)
en werd dronken
וַיִּתְגַּ֖ל
(vayitgal)
en ontblootte zich
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
in het midden van
אָהֳלֹֽה
(aholo)
zijn tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de eerste vermelding van wijn en dronkenschap in de Schrift.

וַיִּתְגַּל (vayitgal) is wederkerend: ‘hij ontblootte zichzelf’.

22Cham, de vader van Kanaän, zag de naaktheid van zijn vader. Hij vertelde het buiten aan zijn twee broers.
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en zag
חָ֚ם
(cham)
Cham
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
כְנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֶרְוַ֣ת
(ervat)
naaktheid van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיַּגֵּ֥ד
(vayaged)
en vertelde
לִשְׁנֵֽי
(lishnei)
aan twee van
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
בַּחֽוּץ
(bachuts)
buiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶרְוַת (ervat), ‘naaktheid’.

De tekst zegt alleen dat Cham zag en het buiten vertelde; wat dat ‘zien’ inhield, staat er niet.

In Leviticus 18:7–8 en 20:11 staat ‘de naaktheid van je vader’ voor de vrouw van die man: ‘de naaktheid van je vader, dat is de naaktheid van je moeder’.

Sommige uitleggers lezen Genesis 9:22 daarom als seksuele omgang van Cham met Noachs vrouw (zijn eigen moeder), met Kanaän als kind daarvan; dat zou verklaren waarom de vloek Kanaän treft (vers 25).

Anderen houden het bij het zien van een ontblote vader, een schending van eerbied.

Tegen de eerste lezing pleit dat Sem en Jafeth in vers 23 een kleed over hun vader leggen en dat Noachs vrouw in het verhaal niet genoemd wordt.

23Sem en Jafeth namen het kleed en legden het op hun schouders. Ze liepen achterwaarts en bedekten de naaktheid van hun vader. Hun gezicht was afgewend; de naaktheid van hun vader zagen ze niet.
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
שֵׁ֨ם
(shem)
Sem
וָיֶ֜פֶת
(vayefet)
en Jafeth
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשִּׂמְלָ֗ה
(hasimla)
het kleed
וַיָּשִׂ֨ימוּ֙
(vayasimu)
en zij legden
עַל
(al)
op
שְׁכֶ֣ם
(shekhem)
schouder
שְׁנֵיהֶ֔ם
(sheneihem)
hun beider
וַיֵּֽלְכוּ֙
(vayelekhu)
en zij gingen
אֲחֹ֣רַנִּ֔ית
(achoranit)
achterwaarts
וַיְכַסּ֕וּ
(vaykhasu)
en zij bedekten
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֶרְוַ֣ת
(ervat)
naaktheid van
אֲבִיהֶ֑ם
(avihem)
hun vader
וּפְנֵיהֶם֙
(ufeneihem)
en hun gezichten
אֲחֹ֣רַנִּ֔ית
(achoranit)
achterwaarts
וְעֶרְוַ֥ת
(veervat)
en naaktheid van
אֲבִיהֶ֖ם
(avihem)
hun vader
לֹ֥א
(lo)
niet
רָאֽוּ
(rau)
zagen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Vloek en zegen

24Noach werd wakker uit zijn roes en wist wat zijn jongste zoon hem had aangedaan.
וַיִּ֥יקֶץ
(vayiqets)
en werd wakker
נֹ֖חַ
(noach)
Noach
מִיֵּינ֑וֹ
(miyeino)
van zijn wijn
וַיֵּ֕דַע
(vayeda)
en wist
אֵ֛ת
(et)
(lijdend voorwerp)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָ֥שָׂה
(asa)
had gedaan
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
בְּנ֥וֹ
(beno)
zijn zoon
הַקָּטָֽן
(haqatan)
de kleine
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקָּטָן (haqatan), ‘de kleine’, kan ‘de jongste’ of ‘de geringere’ betekenen.

‘Zoon’ kan ook ‘kleinzoon’ zijn; sommige uitleggers denken daarom aan Kanaän.

מִיֵּינוֹ (miyeno) is letterlijk ‘van zijn wijn’.

Zie ookJub 7:10
25Daarop zei hij: „Vervloekt is Kanaän! Een slaaf van slaven zal hij zijn voor zijn broers.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
אָר֣וּר
(arur)
vervloekt
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
עֶ֥בֶד
(eved)
slaaf van
עֲבָדִ֖ים
(avadim)
slaven
יִֽהְיֶ֥ה
(yihye)
hij zal zijn
לְאֶחָֽיו
(leechav)
voor zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vloek treft Kanaän, niet Cham zelf.

Kanaän is de stamvader van de Kanaänitische volken (10:15–19).

De tekst noemt geen andere volken.

26Ook zei hij: „Gezegend zij Yahweh, de Elohim van Sem! Kanaän zij een slaaf voor hen.
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהֹוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹ֣הֵי
(elohei)
Elohim van
שֵׁ֑ם
(shem)
Sem
וִיהִ֥י
(vihi)
en laat zijn
כְנַ֖עַן
(kenaan)
Kanaän
עֶ֥בֶד
(eved)
slaaf
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Moge Elohim Jafeth ruimte geven. Moge hij wonen in de tenten van Sem, en Kanaän zij een slaaf voor hen.”
יַ֤פְתְּ
(yaft)
moge verruimen
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
לְיֶ֔פֶת
(leyefet)
voor Jafeth
וְיִשְׁכֹּ֖ן
(veyishkon)
en moge wonen
בְּאָֽהֳלֵי
(beaholei)
in de tenten van
שֵׁ֑ם
(shem)
Sem
וִיהִ֥י
(vihi)
en laat zijn
כְנַ֖עַן
(kenaan)
Kanaän
עֶ֥בֶד
(eved)
slaaf
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַפְתְּ (yaft), ‘moge Hij ruimte geven’, speelt met de naam יֶפֶת (Yefet, Jafeth).

Het Hebreeuws laat open wie ‘wonen in de tenten van Sem’: Jafeth of Elohim.

Daarom staat hier ‘hij’ met een kleine letter.

28Noach leefde na de vloed nog 350 jaar.
וַֽיְחִי
(vaychi)
en leefde
נֹ֖חַ
(noach)
Noach
אַחַ֣ר
(achar)
na
הַמַּבּ֑וּל
(hamabul)
de vloed
שְׁלֹ֤שׁ
(shelosh)
drie
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וַֽחֲמִשִּׁ֖ים
(vachamishim)
en vijftig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 6:18
29Noach werd in totaal 950 jaar oud. Toen stierf hij.
וַיִּֽהְיוּ֙
(vayihyu)
en waren
כָּל
(kal)
alle
יְמֵי
(yemei)
dagen van
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
תְּשַׁ֤ע
(tesha)
negen
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וַחֲמִשִּׁ֖ים
(vachamishim)
en vijftig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַיָּמֹֽת
(vayamot)
en stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

600 jaar bij de vloed (7:6) plus 350 jaar is 950 jaar.