Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elohim zegent Noach
1Elohim zegende Noach en zijn zonen en zei tot hen: „Wees vruchtbaar en word talrijk, vul de aarde.
וַיְבָ֣רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נֹ֖חַ
(noach)
Noach
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
בָּנָ֑יו
(banav)
zijn zonen
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶ֛ם
(lahem)
tot hen
פְּר֥וּ
(peru)
wees vruchtbaar
וּרְב֖וּ
(urevu)
en word talrijk
וּמִלְא֥וּ
(umilu)
en vul
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dezelfde opdracht als aan de mens in 1:28, maar zonder ‘onderwerp haar’ en ‘heers’.
Daarvoor in de plaats komt in vers 2 de vrees van de dieren.
Aanvullend
Jasher 6:35 laat Yahweh zelf Noach zegenen; in Genesis staat Elohim.
2Vrees en schrik voor jullie zullen komen over alle wilde dieren van de aarde en over alle vogels van de hemel. Ze komen ook over alles wat zich over de grond voortbeweegt en over alle vissen van de zee. In jullie hand zijn ze gegeven.
וּמוֹרַאֲכֶ֤ם
(umoraakhem)
en vrees voor jullie
וְחִתְּכֶם֙
(vechitekhem)
en schrik voor jullie
יִֽהְיֶ֔ה
(yihye)
zal zijn
עַ֚ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
חַיַּ֣ת
(chayat)
wild dier van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְעַ֖ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alle
ע֣וֹף
(of)
vogel van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
בְּכֹל֩
(bekhol)
in alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
תִּרְמֹ֧שׂ
(tirmos)
zich voortbeweegt
הָֽאֲדָמָ֛ה
(haadama)
de grond
וּֽבְכָל
(uvekhal)
en in alle
דְּגֵ֥י
(degei)
vissen van
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
בְּיֶדְכֶ֥ם
(beyedkhem)
in jullie hand
נִתָּֽנוּ
(nitanu)
zijn gegeven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Maar ook jullie bloed, jullie leven, zal Ik terugeisen. Van elk dier eis Ik het terug. Van de mens, van ieder mens voor zijn medemens, eis Ik het leven van de mens terug.
וְאַ֨ךְ
(veakh)
en alleen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דִּמְכֶ֤ם
(dimkhem)
jullie bloed
לְנַפְשֹֽׁתֵיכֶם֙
(lenafshoteikhem)
voor jullie levens
אֶדְרֹ֔שׁ
(edrosh)
Ik zal terugeisen
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
כָּל
(kal)
elk
חַיָּ֖ה
(chaya)
dier
אֶדְרְשֶׁ֑נּוּ
(edreshenu)
Ik zal het terugeisen
וּמִיַּ֣ד
(umiyad)
en uit de hand van
הָֽאָדָ֗ם
(haadam)
de mens
מִיַּד֙
(miyad)
uit de hand van
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
אֶדְרֹ֖שׁ
(edrosh)
Ik zal terugeisen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
leven van
הָֽאָדָֽם
(haadam)
de mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶדְרֹשׁ (edrosh) is ‘Ik zal eisen’, ‘terugeisen’: Elohim eist genoegdoening en vraagt rekenschap voor vergoten bloed, ook van een dier en van de mens zelf.
מִיַּד אִישׁ אָחִיו (miyad ish achiv): letterlijk ‘uit de hand van een man, zijn broer’.
In de tekst staat ‘medemens’: ieder mens is de broer van de ander, en wie het leven van de ander neemt, treft een broer.
Vergelijk Gen. 4:9–10.
הָאָדָם (ha-adam) staat twee keer in dit vers: ‘de mens’.
10en met elk levend wezen dat bij jullie is: de vogels, het vee en alle wilde dieren van de aarde bij jullie. Met allen die uit de ark zijn gegaan, met elk wild dier van de aarde.
וְאֵ֨ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
elk
נֶ֤פֶשׁ
(nefesh)
wezen van
הַֽחַיָּה֙
(hachaya)
het levende
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתְּכֶ֔ם
(itekhem)
met jullie
בָּע֧וֹף
(baof)
onder het gevogelte
בַּבְּהֵמָ֛ה
(babehema)
onder het vee
וּֽבְכָל
(uvekhal)
en onder alle
חַיַּ֥ת
(chayat)
wild dier van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
met jullie
מִכֹּל֙
(mikol)
van alle
יֹצְאֵ֣י
(yotseei)
uitgaanders van
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
לְכֹ֖ל
(lekhol)
tot alle
חַיַּ֥ת
(chayat)
wild dier van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Ik richt Mijn verbond met jullie op: nooit meer zal alle vlees worden uitgeroeid door het water van de vloed. Nooit meer komt er een vloed om de aarde te vernietigen.”
וַהֲקִמֹתִ֤י
(vahaqimoti)
en Ik zal oprichten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִי֙
(beriti)
Mijn verbond
אִתְּכֶ֔ם
(itekhem)
met jullie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִכָּרֵ֧ת
(yikaret)
zal worden afgesneden
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֛ר
(basar)
vlees
ע֖וֹד
(od)
nog
מִמֵּ֣י
(mimei)
van het water van
הַמַּבּ֑וּל
(hamabul)
de vloed
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
ע֛וֹד
(od)
nog
מַבּ֖וּל
(mabul)
vloed
לְשַׁחֵ֥ת
(leshachet)
om te vernietigen
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Dan zal Ik denken aan Mijn verbond tussen Mij en jullie en elk levend wezen, onder al het vlees. Nooit meer worden de wateren een vloed die al het vlees vernietigt.
וְזָכַרְתִּ֣י
(vezakharti)
en Ik zal denken aan
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֗י
(beriti)
Mijn verbond
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
בֵּינִי֙
(beini)
tussen Mij
וּבֵ֣ינֵיכֶ֔ם
(uveineikhem)
en tussen jullie
וּבֵ֛ין
(uvein)
en tussen
כָּל
(kal)
elk
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּ֖ה
(chaya)
levend
בְּכָל
(bekhal)
in alle
בָּשָׂ֑ר
(basar)
vlees
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִֽהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
ע֤וֹד
(od)
nog
הַמַּ֨יִם֙
(hamayim)
het water
לְמַבּ֔וּל
(lemabul)
tot vloed
לְשַׁחֵ֖ת
(leshachet)
om te vernietigen
כָּל
(kal)
alle
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De boog zal in de wolk staan. Ik zal hem zien en denken aan het eeuwige verbond tussen Elohim en elk levend wezen, onder al het vlees dat op de aarde is.”
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en zal zijn
הַקֶּ֖שֶׁת
(haqeshet)
de boog
בֶּֽעָנָ֑ן
(beanan)
in de wolk
וּרְאִיתִ֗יהָ
(ureitiha)
en Ik zal hem zien
לִזְכֹּר֙
(lizkor)
om te denken aan
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwig
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
וּבֵין֙
(uvein)
en tussen
כָּל
(kal)
elk
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּ֔ה
(chaya)
levend
בְּכָל
(bekhal)
in alle
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elohim noemt Zichzelf hier bij naam: ‘tussen Elohim en elk levend wezen’.
19Deze drie waren de zonen van Noach. Van hen uit is heel de aarde verspreid.
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
בְּנֵי
(benei)
zonen van
נֹ֑חַ
(noach)
Noach
וּמֵאֵ֖לֶּה
(umeele)
en van dezen
נָֽפְצָ֥ה
(nafetsa)
werd verspreid
כָל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָפְצָה (nafetsa), ‘werd verspreid’, heeft een verwante stam als in 11:4 en 11:8, 9 (daar staat פּוּץ, puts), waar de mensen zich over de aarde verspreiden.
22Cham, de vader van Kanaän, zag de naaktheid van zijn vader. Hij vertelde het buiten aan zijn twee broers.
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en zag
חָ֚ם
(cham)
Cham
אֲבִ֣י
(avi)
vader van
כְנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֶרְוַ֣ת
(ervat)
naaktheid van
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיַּגֵּ֥ד
(vayaged)
en vertelde
לִשְׁנֵֽי
(lishnei)
aan twee van
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
בַּחֽוּץ
(bachuts)
buiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֶרְוַת (ervat), ‘naaktheid’.
De tekst zegt alleen dat Cham zag en het buiten vertelde; wat dat ‘zien’ inhield, staat er niet.
In Leviticus 18:7–8 en 20:11 staat ‘de naaktheid van je vader’ voor de vrouw van die man: ‘de naaktheid van je vader, dat is de naaktheid van je moeder’.
Sommige uitleggers lezen Genesis 9:22 daarom als seksuele omgang van Cham met Noachs vrouw (zijn eigen moeder), met Kanaän als kind daarvan; dat zou verklaren waarom de vloek Kanaän treft (vers 25).
Anderen houden het bij het zien van een ontblote vader, een schending van eerbied.
Tegen de eerste lezing pleit dat Sem en Jafeth in vers 23 een kleed over hun vader leggen en dat Noachs vrouw in het verhaal niet genoemd wordt.
23Sem en Jafeth namen het kleed en legden het op hun schouders. Ze liepen achterwaarts en bedekten de naaktheid van hun vader. Hun gezicht was afgewend; de naaktheid van hun vader zagen ze niet.
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
שֵׁ֨ם
(shem)
Sem
וָיֶ֜פֶת
(vayefet)
en Jafeth
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשִּׂמְלָ֗ה
(hasimla)
het kleed
וַיָּשִׂ֨ימוּ֙
(vayasimu)
en zij legden
עַל
(al)
op
שְׁכֶ֣ם
(shekhem)
schouder
שְׁנֵיהֶ֔ם
(sheneihem)
hun beider
וַיֵּֽלְכוּ֙
(vayelekhu)
en zij gingen
אֲחֹ֣רַנִּ֔ית
(achoranit)
achterwaarts
וַיְכַסּ֕וּ
(vaykhasu)
en zij bedekten
אֵ֖ת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֶרְוַ֣ת
(ervat)
naaktheid van
אֲבִיהֶ֑ם
(avihem)
hun vader
וּפְנֵיהֶם֙
(ufeneihem)
en hun gezichten
אֲחֹ֣רַנִּ֔ית
(achoranit)
achterwaarts
וְעֶרְוַ֥ת
(veervat)
en naaktheid van
אֲבִיהֶ֖ם
(avihem)
hun vader
לֹ֥א
(lo)
niet
רָאֽוּ
(rau)
zagen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)