Elohim Bijbel

Numeri 24

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Bileams laatste spreuken

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Geest van Elohim komt op Bileam

1Bileam zag dat het goed was in de ogen van Yahweh om Israël te zegenen. Hij ging niet, zoals de vorige keren, op zoek naar voortekenen, maar richtte zijn gezicht naar de woestijn.
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
בִּלְעָ֗ם
(bilam)
Bileam
כִּ֣י
(ki)
dat
ט֞וֹב
(tov)
goed
בְּעֵינֵ֤י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְבָרֵ֣ךְ
(levarekh)
om te zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְלֹא
(velo)
en niet
הָלַ֥ךְ
(halakh)
ging
כְּפַֽעַם
(kefaam)
zoals telkens
בְּפַ֖עַם
(befaam)
de ene keer na de andere
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
נְחָשִׁ֑ים
(nechashim)
voortekenen
וַיָּ֥שֶׁת
(vayashet)
en richtte
אֶל
(el)
naar
הַמִּדְבָּ֖ר
(hamidbar)
de woestijn
פָּנָֽיו
(panav)
zijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְחָשִׁים (nechashim), ‘voortekenen’: tekens waaruit men de toekomst wil lezen.

Het is hetzelfde woord als in Num. 23:23 (נַחַשׁ).

Bileam zoekt ze nu niet meer.

2Bileam sloeg zijn ogen op en zag Israël, gelegerd per stam. De Geest van Elohim kwam op hem.
וַיִּשָּׂ֨א
(vayisa)
en hief op
בִלְעָ֜ם
(bilam)
Bileam
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינָ֗יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּרְא֙
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שֹׁכֵ֖ן
(shokhen)
gelegerd
לִשְׁבָטָ֑יו
(lishvatav)
per stam
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en kwam
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
ר֥וּחַ
(ruach)
de Geest van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ אֱלֹהִים (ruach Elohim), ‘de Geest van Elohim’: de Geest komt op Bileam, zodat hij zegent wat hij ziet.

Bileams derde spreuk

3Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Uitspraak van Bileam, de zoon van Beor, en uitspraak van de man wiens oog geopend is,
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hij hief op
מְשָׁל֖וֹ
(meshalo)
zijn spreuk
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
נְאֻ֤ם
(neum)
uitspraak van
בִּלְעָם֙
(bilam)
Bileam
בְּנ֣וֹ
(beno)
zoon van
בְעֹ֔ר
(beor)
Beor
וּנְאֻ֥ם
(uneum)
en uitspraak van
הַגֶּ֖בֶר
(hagever)
de man
שְׁתֻ֥ם
(shetum)
wiens geopend is
הָעָֽיִן
(haayin)
het oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם (neum), ‘uitspraak’: de vaste inleiding van een profetische spreuk.

Lezing

שְׁתֻם (shetum).

Wij vertalen ‘geopend’.

Het woord kan ook ‘gesloten’ betekenen; vers 4 zegt dat zijn ogen ‘ontsluierd’ zijn, en dat past bij ‘geopend’.

4uitspraak van wie de woorden van El hoort, die een visioen van Sjaddai ziet, neervallend, met ontsluierde ogen:
נְאֻ֕ם
(neum)
uitspraak van
שֹׁמֵ֖עַ
(shomea)
wie hoort
אִמְרֵי
(imrei)
de woorden van
אֵ֑ל
(el)
El
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
מַחֲזֵ֤ה
(machaze)
het visioen van
שַׁדַּי֙
(shaday)
Sjaddai
יֶֽחֱזֶ֔ה
(yecheze)
ziet
נֹפֵ֖ל
(nofel)
neervallend
וּגְל֥וּי
(ugeluy)
en ontsluierd van
עֵינָֽיִם
(einayim)
ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁדַּי (Sjaddai), ‘Sjaddai’: een oude naam van Elohim, zoals in Exod. 6:3.

5Hoe goed zijn je tenten, Jakob, je woningen, Israël!
מַה
(ma)
hoe
טֹּ֥בוּ
(tovu)
goed zijn
אֹהָלֶ֖יךָ
(ohaleikha)
je tenten
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
מִשְׁכְּנֹתֶ֖יךָ
(mishkenoteikha)
je woningen
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁכְּנוֹתֶיךָ (mishkenotecha), ‘je woningen’: komt van hetzelfde woord als מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’.

6Als beekdalen strekken zij zich uit, als tuinen langs de rivier, als aloës die Yahweh heeft geplant, als cederbomen langs het water.
כִּנְחָלִ֣ים
(kinchalim)
als beekdalen
נִטָּ֔יוּ
(nitayu)
strekken zij zich uit
כְּגַנֹּ֖ת
(keganot)
als tuinen
עֲלֵ֣י
(alei)
langs
נָהָ֑ר
(nahar)
de rivier
כַּאֲהָלִים֙
(kaahalim)
als aloës
נָטַ֣ע
(nata)
heeft geplant
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲרָזִ֖ים
(kaarazim)
als cederbomen
עֲלֵי
(alei)
langs
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲהָלִים (ahalim), ‘aloës’: geurige bomen.

Het woord lijkt op אֹהָלִים (ohalim), ‘tenten’; de tekst speelt met dat klankverband.

7Water stroomt uit zijn emmers en zijn nageslacht heeft veel water. Zijn koning is hoger dan Agag, zijn koninkrijk wordt verheven.
יִֽזַּל
(yizal)
stroomt
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
מִדָּ֣לְיָ֔ו
(midaleyav)
uit zijn emmers
וְזַרְע֖וֹ
(vezaro)
en zijn nageslacht
בְּמַ֣יִם
(bemayim)
bij water
רַבִּ֑ים
(rabim)
veel
וְיָרֹ֤ם
(veyarom)
en hoger is
מֵֽאֲגַג֙
(meagag)
dan Agag
מַלְכּ֔וֹ
(malko)
zijn koning
וְתִנַּשֵּׂ֖א
(vetinase)
en wordt verheven
מַלְכֻתֽוֹ
(malkhuto)
zijn koninkrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Bij ‘Agag’ hebben de Septuaginta en de Samaritaanse tekst ‘Gog’.

Wij houden de Masoretische lezing: Agag is de koning van Amalek (vergelijk 1 Sam. 15:8).

8El leidt hem uit Egypte. Zijn kracht is als die van een wilde stier. Hij zal volken verslinden, zijn tegenstanders; hun botten zal hij stukbijten en met zijn pijlen zal hij hen verbrijzelen.
אֵ֚ל
(el)
El
מוֹצִיא֣וֹ
(motsio)
die hem uitleidt
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
כְּתוֹעֲפֹ֥ת
(ketoafot)
als de kracht van
רְאֵ֖ם
(reem)
een wilde stier
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
יֹאכַ֞ל
(yokhal)
hij zal verslinden
גּוֹיִ֣ם
(goyim)
volken
צָרָ֗יו
(tsarav)
zijn tegenstanders
וְעַצְמֹתֵיהֶ֛ם
(veatsmoteihem)
en hun botten
יְגָרֵ֖ם
(yegarem)
zal hij stukbijten
וְחִצָּ֥יו
(vechitsav)
en zijn pijlen
יִמְחָֽץ
(yimchats)
zal hij verbrijzelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit vers herhaalt Num. 23:22.

Het onderwerp van ‘verslinden’ is Israël, niet El.

9Hij heeft zich neergebogen en neergelegd als een leeuw, als een leeuwin: wie zal hem doen opstaan? Wie jou zegent, is gezegend, en wie jou vervloekt, is vervloekt.”
כָּרַ֨ע
(kara)
hij heeft zich gebogen
שָׁכַ֧ב
(shakhav)
hij ligt neer
כַּאֲרִ֛י
(kaari)
als een leeuw
וּכְלָבִ֖יא
(ukhelavi)
en als een leeuwin
מִ֣י
(mi)
wie
יְקִימֶ֑נּוּ
(yeqimenu)
zal hem doen opstaan
מְבָרֲכֶ֣יךָ
(mevarakheikha)
wie jou zegent
בָר֔וּךְ
(barukh)
is gezegend
וְאֹרְרֶ֖יךָ
(veorereikha)
en wie jou vervloekt
אָרֽוּר
(arur)
is vervloekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers herinnert aan de zegen aan Abraham (Gen. 12:3) en aan het slot van Gen. 49:9.

Balaks woede

10Balaks toorn ontbrandde tegen Bileam. Hij sloeg zijn handen samen en zei tot Bileam: „Om mijn vijanden te verwensen heb ik je geroepen. En zie, je hebt hen nu al drie keer werkelijk gezegend.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֤ף
(af)
de toorn van
בָּלָק֙
(balaq)
Balak
אֶל
(el)
tegen
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
וַיִּסְפֹּ֖ק
(vayispoq)
en hij sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
כַּפָּ֑יו
(kapav)
zijn handen samen
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּלָ֜ק
(balaq)
Balak
אֶל
(el)
tot
בִּלְעָ֗ם
(bilam)
Bileam
לָקֹ֤ב
(laqov)
om te verwensen
אֹֽיְבַי֙
(oyevay)
mijn vijanden
קְרָאתִ֔יךָ
(qeratikha)
heb ik je geroepen
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
בֵּרַ֣כְתָּ
(berakhta)
je hebt gezegend
בָרֵ֔ךְ
(barekh)
werkelijk
זֶ֖ה
(ze)
nu
שָׁלֹ֥שׁ
(shalosh)
drie
פְּעָמִֽים
(peamim)
keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּסְפֹּק אֶת־כַּפָּיו (wayyispoq et kappav), ‘hij sloeg zijn handen samen’: een gebaar van woede.

11Maak nu dat je wegkomt, naar je eigen plaats! Ik had gezegd: ‘Ik zal je zeer eren’, maar zie, Yahweh heeft je van eer afgehouden.”
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
בְּרַח
(berach)
maak dat je wegkomt
לְךָ֣
(lekha)
voor jou
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמֶ֑ךָ
(meqomekha)
je plaats
אָמַ֨רְתִּי֙
(amarti)
ik zei
כַּבֵּ֣ד
(kabed)
zeer
אֲכַבֶּדְךָ֔
(akhabedkha)
ik zal je eren
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
מְנָעֲךָ֥
(menaakha)
heeft je afgehouden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִכָּבֽוֹד
(mikavod)
van eer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Bileam zei tot Balak: „Heb ik niet ook tot je boden gesproken, die je naar mij hebt gestuurd:
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
בִּלְעָ֖ם
(bilam)
Bileam
אֶל
(el)
tot
בָּלָ֑ק
(balaq)
Balak
הֲלֹ֗א
(halo)
niet waar
גַּ֧ם
(gam)
ook
אֶל
(el)
tot
מַלְאָכֶ֛יךָ
(malakheikha)
je boden
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁלַ֥חְתָּ
(shalachta)
je hebt gestuurd
אֵלַ֖י
(elay)
naar mij
דִּבַּ֥רְתִּי
(dibarti)
heb ik gesproken
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13‘Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven. Ik kan het bevel van Yahweh niet overtreden om uit mijzelf iets goeds of iets slechts te doen. Wat Yahweh spreekt, dat zal ik spreken’?
אִם
(im)
als
יִתֶּן
(yiten)
geeft
לִ֨י
(li)
mij
בָלָ֜ק
(balaq)
Balak
מְלֹ֣א
(melo)
vol van
בֵיתוֹ֮
(beito)
zijn huis
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָב֒
(vezahav)
en goud
לֹ֣א
(lo)
niet
אוּכַ֗ל
(ukhal)
kan ik
לַעֲבֹר֙
(laavor)
overtreden
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֣י
(pi)
het bevel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
טוֹבָ֛ה
(tova)
iets goeds
א֥וֹ
(o)
of
רָעָ֖ה
(raa)
iets slechts
מִלִּבִּ֑י
(milibi)
uit mijn hart
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יְדַבֵּ֥ר
(yedaber)
spreekt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֥וֹ
(oto)
het
אֲדַבֵּֽר
(adaber)
zal ik spreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Nu ga ik terug naar mijn volk. Kom, ik zal je raden wat dit volk jouw volk zal doen in de laatste dagen.”
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie mij
הוֹלֵ֖ךְ
(holekh)
ga
לְעַמִּ֑י
(leami)
naar mijn volk
לְכָה֙
(lekha)
kom
אִיעָ֣צְךָ֔
(iatsekha)
ik zal je raden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יַעֲשֶׂ֜ה
(yaase)
zal doen
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֛ה
(haze)
dit
לְעַמְּךָ֖
(leamekha)
aan jouw volk
בְּאַחֲרִ֥ית
(beacharit)
in het einde van
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hajamim), ‘in de laatste dagen’: de verre toekomst.

Bileams vierde spreuk

15Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Uitspraak van Bileam, de zoon van Beor, en uitspraak van de man wiens oog geopend is,
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hij hief op
מְשָׁל֖וֹ
(meshalo)
zijn spreuk
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
נְאֻ֤ם
(neum)
uitspraak van
בִּלְעָם֙
(bilam)
Bileam
בְּנ֣וֹ
(beno)
zoon van
בְעֹ֔ר
(beor)
Beor
וּנְאֻ֥ם
(uneum)
en uitspraak van
הַגֶּ֖בֶר
(hagever)
de man
שְׁתֻ֥ם
(shetum)
wiens geopend is
הָעָֽיִן
(haayin)
het oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16uitspraak van wie de woorden van El hoort en de kennis van de Allerhoogste kent, die een visioen van Sjaddai ziet, neervallend, met ontsluierde ogen:
נְאֻ֗ם
(neum)
uitspraak van
שֹׁמֵ֨עַ֙
(shomea)
wie hoort
אִמְרֵי
(imrei)
de woorden van
אֵ֔ל
(el)
El
וְיֹדֵ֖עַ
(veyodea)
en kent
דַּ֣עַת
(daat)
de kennis van
עֶלְי֑וֹן
(elyon)
de Allerhoogste
מַחֲזֵ֤ה
(machaze)
het visioen van
שַׁדַּי֙
(shaday)
Sjaddai
יֶֽחֱזֶ֔ה
(yecheze)
ziet
נֹפֵ֖ל
(nofel)
neervallend
וּגְל֥וּי
(ugeluy)
en ontsluierd van
עֵינָֽיִם
(einayim)
ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶלְיוֹן (Eljon), ‘de Allerhoogste’: een naam van Elohim, zoals in Gen. 14:18–22.

17Ik zie hem, maar niet nu. Ik aanschouw hem, maar niet dichtbij. Een ster stapt op uit Jakob, een scepter staat op uit Israël. Hij verbrijzelt de slapen van Moab en slaat alle zonen van Set neer.
אֶרְאֶ֨נּוּ֙
(erenu)
ik zie hem
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
עַתָּ֔ה
(ata)
nu
אֲשׁוּרֶ֖נּוּ
(ashurenu)
ik aanschouw hem
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
קָר֑וֹב
(qarov)
dichtbij
דָּרַ֨ךְ
(darakh)
stapt op
כּוֹכָ֜ב
(kokhav)
een ster
מִֽיַּעֲקֹ֗ב
(miyaaqov)
uit Jakob
וְקָ֥ם
(veqam)
en staat op
שֵׁ֨בֶט֙
(shevet)
een scepter
מִיִּשְׂרָאֵ֔ל
(miyisrael)
uit Israël
וּמָחַץ֙
(umachats)
en verbrijzelt
פַּאֲתֵ֣י
(paatei)
de slapen van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וְקַרְקַ֖ר
(veqarqar)
en slaat neer
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵי
(benei)
zonen van
שֵֽׁת
(shet)
Set
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁבֶט (shevet), ‘scepter’: dit woord betekent ook ‘stam’.

Wij nemen ‘scepter’, omdat het bij ‘ster’ en ‘heerser’ in vers 19 past.

Lezing

פַּאֲתֵי מוֹאָב (paatei Moab), ‘de slapen van Moab’: de zijkanten van het hoofd.

Het kan ook ‘de hoeken van Moab’ betekenen.

וְקַרְקַר (weqarqar) vertalen wij ‘slaat neer’. ‘Zonen van Set’ is onzeker: sommigen lezen ‘zonen van het rumoer’. Wij houden de naam Set (Gen. 4:25).

18Edom wordt een bezit, en Seïr wordt een bezit: zijn vijanden. Israël toont kracht.
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en wordt
אֱד֜וֹם
(edom)
Edom
יְרֵשָׁ֗ה
(yeresha)
een bezit
וְהָיָ֧ה
(vehaya)
en wordt
יְרֵשָׁ֛ה
(yeresha)
een bezit
שֵׂעִ֖יר
(seir)
Seïr
אֹיְבָ֑יו
(oyevav)
zijn vijanden
וְיִשְׂרָאֵ֖ל
(veyisrael)
en Israël
עֹ֥שֶׂה
(ose)
doet
חָֽיִל
(chayil)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Edom en Seïr liggen ten zuiden en zuidoosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Seïr is het bergland van Edom.

19Hij zal heersen uit Jakob en wie uit de stad ontkomt, laten omkomen.”
וְיֵ֖רְדְּ
(veyerd)
en heerst
מִֽיַּעֲקֹ֑ב
(miyaaqov)
uit Jakob
וְהֶֽאֱבִ֥יד
(veheevid)
en laat omkomen
שָׂרִ֖יד
(sarid)
de overlevende
מֵעִֽיר
(meir)
uit de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וְיֵרְדְּ (weyerd), ‘en hij zal heersen’: van רָדָה (radah), ‘heersen’.

Het onderwerp is niet genoemd; wij nemen de heerser uit vers 17.

Spreuken over Amalek, de Kenieten en Assur

20Hij zag Amalek, hief zijn spreuk aan en zei: „Het eerste onder de volken was Amalek, maar zijn einde is de ondergang.”
וַיַּרְא֙
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמָלֵ֔ק
(amaleq)
Amalek
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hief op
מְשָׁל֖וֹ
(meshalo)
zijn spreuk
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
רֵאשִׁ֤ית
(reshit)
het eerste van
גּוֹיִם֙
(goyim)
de volken
עֲמָלֵ֔ק
(amaleq)
Amalek
וְאַחֲרִית֖וֹ
(veacharito)
en zijn einde
עֲדֵ֥י
(adei)
tot
אֹבֵֽד
(oved)
ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Amalek was het eerste volk dat Israël aanviel (Exod. 17:8).

Zijn einde wordt hier aangekondigd; vergelijk Exod. 17:14.

21Hij zag de Kenieten, hief zijn spreuk aan en zei: „Je woonplaats is stevig, je nest ligt op de rots.
וַיַּרְא֙
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַקֵּינִ֔י
(haqeini)
de Keniet
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hief op
מְשָׁל֖וֹ
(meshalo)
zijn spreuk
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
אֵיתָן֙
(eitan)
stevig
מֽוֹשָׁבֶ֔ךָ
(moshavekha)
je woonplaats
וְשִׂ֥ים
(vesim)
en geplaatst
בַּסֶּ֖לַע
(basela)
op de rots
קִנֶּֽךָ
(qinekha)
je nest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Kenieten woonden in het zuiden van Kanaän, in de Negev, en in de bergen van Edom.

De ligging is niet zeker.

Uitleg

קֵינִי (Keni), ‘Keniet’, en קֵן (qen), ‘nest’: een woordspeling.

De Kenieten woonden in rotsachtig land, in het zuiden.

22Toch zal Kaïn worden vernietigd. Hoe lang nog, dan voert Assur je gevangen weg?”
כִּ֥י
(ki)
want
אִם
(im)
zeker
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
לְבָ֣עֵֽר
(levaer)
tot vernietiging
קָ֑יִן
(qayin)
Kaïn
עַד
(ad)
tot
מָ֖ה
(ma)
hoe lang
אַשּׁ֥וּר
(ashur)
Assur
תִּשְׁבֶּֽךָּ
(tishbeka)
voert je gevangen weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

Kaïn is hier de naam van de Kenieten.

Assur is Assyrië, het rijk in het noorden van het huidige Irak.

Lezing

Wij lezen ‘Kaïn’ als volksnaam; het kan ook de stamvader Kaïn zijn (Gen. 4:1).

23Hij hief zijn spreuk aan en zei: „Wee! Wie blijft in leven als El dit doet?
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en hief op
מְשָׁל֖וֹ
(meshalo)
zijn spreuk
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
א֕וֹי
(oy)
wee
מִ֥י
(mi)
wie
יִחְיֶ֖ה
(yichye)
zal leven
מִשֻּׂמ֥וֹ
(misumo)
als Hij dit doet
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מִשֻּׂמוֹ (mishumo) is moeilijk.

Wij vertalen ‘als El dit doet’.

De Septuaginta heeft ‘wie zal leven, wanneer El dit doet’.

24Schepen komen uit de hoek van Kittim. Zij onderdrukken Assur en onderdrukken Eber, maar ook hij gaat ten onder.”
וְצִים֙
(vetsim)
en schepen
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
כִּתִּ֔ים
(kitim)
Kittim
וְעִנּ֥וּ
(veinu)
en zij onderdrukken
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assur
וְעִנּוּ
(veinu)
en zij onderdrukken
עֵ֑בֶר
(ever)
Eber
וְגַם
(vegam)
en ook
ה֖וּא
(hu)
hij
עֲדֵ֥י
(adei)
tot
אֹבֵֽד
(oved)
ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kittim is Cyprus en de kusten van de Middellandse Zee.

Zie Gen. 10:4.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

Eber verwijst naar de volken ‘aan de overkant’ van de rivier, in het oosten.

De betekenis van Eber hier is niet helemaal zeker.

Lezing

In de tekst staat צִים (tsim), ‘schepen’, uit de ‘hand’ van Kittim: de zeemacht uit het westen.

‘Hij’ aan het slot is waarschijnlijk de macht die Assur en Eber onderdrukt.

Bileam en Balak gaan terug

25Bileam stond op, ging weg en keerde terug naar zijn plaats. Ook Balak ging zijn weg.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
בִּלְעָ֔ם
(bilam)
Bileam
וַיֵּ֖לֶךְ
(vayelekh)
en ging
וַיָּ֣שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
לִמְקֹמ֑וֹ
(limqomo)
naar zijn plaats
וְגַם
(vegam)
en ook
בָּלָ֖ק
(balaq)
Balak
הָלַ֥ךְ
(halakh)
ging
לְדַרְכּֽוֹ
(ledarko)
zijn weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)