Elohim Bijbel

Prediker 5

123456789101112

Woorden voor Elohim en het bezit van rijkdom

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Weinig woorden voor Elohim

1Haast je niet met je mond, en laat je hart zich niet haasten om een woord uit te brengen voor Elohim. Want Elohim is in de hemel en jij bent op de aarde. Laat daarom je woorden weinig zijn.
אַל
(al)
niet
תְּבַהֵ֨ל
(tevahel)
haast je
עַל
(al)
met
פִּ֜יךָ
(pikha)
je mond
וְלִבְּךָ֧
(velibekha)
en je hart
אַל
(al)
niet
יְמַהֵ֛ר
(yemaher)
laat zich haasten
לְהוֹצִ֥יא
(lehotsi)
om uit te brengen
דָבָ֖ר
(davar)
een woord
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
כִּ֣י
(ki)
want
הָאֱלֹהִ֤ים
(haElohim)
Elohim
בַּשָּׁמַ֨יִם֙
(bashamayim)
in de hemel
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
עַל
(al)
op
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
עַֽל
(al)
om
כֵּ֛ן
(ken)
die reden
יִהְי֥וּ
(yihyu)
laten zijn
דְבָרֶ֖יךָ
(devareikha)
je woorden
מְעַטִּֽים
(meatim)
weinig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Hebreeuwse telling begint dit hoofdstuk met wat in Nederlandse bijbels Pred. 5:2 is (zie bij Pred. 4:17).

Hebreeuws 5:1–19 is Nederlands 5:2–20.

אֱלֹהִים (Elohim): in Prediker staat steeds ‘Elohim’, met het lidwoord (הָאֱלֹהִים). Wij schrijven overal ‘Elohim’.

2Want de droom komt bij veel bezigheid, en de stem van een dwaas bij veel woorden.
כִּ֛י
(ki)
want
בָּ֥א
(ba)
komt
הַחֲל֖וֹם
(hachalom)
de droom
בְּרֹ֣ב
(berov)
bij veelheid van
עִנְיָ֑ן
(inyan)
bezigheid
וְק֥וֹל
(veqol)
en de stem van
כְּסִ֖יל
(kesil)
een dwaas
בְּרֹ֥ב
(berov)
bij veelheid van
דְּבָרִֽים
(devarim)
woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִנְיָן (inyan), ‘bezigheid’: wat iemand bezighoudt.

3Wanneer je Elohim een gelofte aflegt, stel het niet uit haar in te lossen. Want in de dwazen is geen behagen. Wat je belooft, los dat in.
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals
תִּדֹּ֨ר
(tidor)
je belooft
נֶ֜דֶר
(neder)
een gelofte
לֵֽאלֹהִ֗ים
(lElohim)
aan Elohim
אַל
(al)
niet
תְּאַחֵר֙
(teacher)
stel uit
לְשַׁלְּמ֔וֹ
(leshalemo)
haar in te lossen
כִּ֛י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet is er
חֵ֖פֶץ
(chefets)
behagen
בַּכְּסִילִ֑ים
(bakesilim)
in de dwazen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תִּדֹּ֖ר
(tidor)
je belooft
שַׁלֵּֽם
(shalem)
los in
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶדֶר (neder), ‘gelofte’; שִׁלֵּם (shillem), ‘inlossen’: een gelofte nakomen, zoals in Deut. 23:22–24 en Num. 30:3.

4Beter dat je niet belooft dan dat je belooft en niet inlost.
ט֖וֹב
(tov)
beter
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
תִדֹּ֑ר
(tidor)
je belooft
מִשֶׁתִּדּ֖וֹר
(mishetidor)
dan dat je belooft
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תְשַׁלֵּֽם
(teshalem)
je inlost
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Laat je mond je lichaam niet laten zondigen. Zeg niet voor de bode: „Het was een vergissing.” Waarom zou Elohim zich vertoornen over je stem en het werk van je handen verderven?
אַל
(al)
niet
תִּתֵּ֤ן
(titen)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֨יךָ֙
(pikha)
je mond
לַחֲטִ֣יא
(lachati)
om te laten zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂרֶ֔ךָ
(besarekha)
je lichaam
וְאַל
(veal)
en niet
תֹּאמַר֙
(tomar)
zeg
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמַּלְאָ֔ךְ
(hamalakh)
de bode
כִּ֥י
(ki)
want
שְׁגָגָ֖ה
(shegaga)
vergissing
הִ֑יא
(hi)
het is
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
יִקְצֹ֤ף
(yiqtsof)
zou Hij zich vertoornen
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
עַל
(al)
over
קוֹלֶ֔ךָ
(qolekha)
je stem
וְחִבֵּ֖ל
(vechibel)
en zou verderven
אֶת
(et)
(obj.)
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
het werk van
יָדֶֽיךָ
(yadeikha)
je handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמַּלְאָךְ (hamal’akh), ‘de bode’: dit kan een tempelbode of priester zijn, of een engel.

Het woord betekent ‘gezant’.

שְׁגָגָה (shegagah), ‘vergissing’: een onopzettelijke fout, zoals in Num. 15:25.

בְּשָׂרֶךָ (besarekha), ‘je lichaam’: letterlijk ‘je vlees’, dus jezelf, je hele persoon.

6Want bij veel dromen is er damp, en bij veel woorden ook. Maar vrees Elohim.
כִּ֣י
(ki)
want
בְרֹ֤ב
(berov)
bij veelheid van
חֲלֹמוֹת֙
(chalomot)
dromen
וַהֲבָלִ֔ים
(vahavalim)
en damp
וּדְבָרִ֖ים
(udevarim)
en woorden
הַרְבֵּ֑ה
(harbe)
veel
כִּ֥י
(ki)
maar
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
יְרָֽא
(yera)
vrees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het vers is kort en moeilijk: ‘want bij veel dromen en damp en woorden veel’.

Wij vullen alleen het nodige aan (‘is er’).

Het tweede כִּי (ki) vertalen wij als ‘maar’; het kan ook ‘ja’ betekenen.

יְרָא (yera), ‘vrees’: de vrees voor Elohim omvat ook ontzag.

Onderdrukking en voordeel

7Als je in de provincie onderdrukking van de berooide ziet en roof van recht en gerechtigheid, verbaas je dan niet over de zaak. Want boven een hoge let een hogere op, en nog hogeren zijn boven hen.
אִם
(im)
als
עֹ֣שֶׁק
(osheq)
onderdrukking van
רָ֠שׁ
(rash)
de berooide
וְגֵ֨זֶל
(vegezel)
en roof van
מִשְׁפָּ֤ט
(mishpat)
recht
וָצֶ֨דֶק֙
(vatsedeq)
en gerechtigheid
תִּרְאֶ֣ה
(tire)
je ziet
בַמְּדִינָ֔ה
(bamedina)
in de provincie
אַל
(al)
niet
תִּתְמַ֖הּ
(titmah)
verbaas je
עַל
(al)
over
הַחֵ֑פֶץ
(hachefets)
de zaak
כִּ֣י
(ki)
want
גָבֹ֜הַּ
(gavoha)
een hoge
מֵעַ֤ל
(meal)
boven
גָּבֹ֨הַ֙
(gavoha)
een hoge
שֹׁמֵ֔ר
(shomer)
let op
וּגְבֹהִ֖ים
(ugevohim)
en hogeren
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
boven hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָשׁ (rash), ‘berooide’: een arme zonder bezit.

מְדִינָה (medinah), ‘provincie’: een gewest van het rijk.

חֵפֶץ (chefets), ‘zaak’: ook ‘plan’ of ‘wens’.

גָבֹהַּ מֵעַל גָּבֹהַּ שֹׁמֵר (gavoha me’al gavoha shomer): letterlijk ‘een hoge boven een hoge let op’. Wij laten open wie de hogere is.

8Het voordeel van het land is in alles: een koning voor een bewerkt veld.
וְיִתְר֥וֹן
(veyitron)
en het voordeel van
אֶ֖רֶץ
(erets)
het land
בַּכֹּ֣ל
(bakol)
in alles
ה֑וּא
(hu)
het is
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
een koning
לְשָׂדֶ֖ה
(lesade)
voor een veld
נֶעֱבָֽד
(neevad)
dat bewerkt wordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een van de moeilijkste verzen van Prediker.

Letterlijk: ‘en het voordeel van het land in alles is het: een koning voor een bewerkt veld’.

Mogelijke betekenissen: een koning die voor bewerkt land zorgt is een voordeel voor het land, of: ook een koning wordt door het land onderhouden.

Wij vertalen letterlijk.

יִתְרוֹן (yitron), ‘voordeel’: wat overblijft na het zwoegen.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft הִיא (hi), ‘zij’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft הוּא (hu), ‘hij’.

Wij volgen de voorgelezen tekst.

Wie van geld houdt

9Wie geld liefheeft, wordt niet verzadigd van geld. En wie overvloed liefheeft: geen opbrengst. Ook dit is damp.
אֹהֵ֥ב
(ohev)
wie liefheeft
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
geld
לֹא
(lo)
niet
יִשְׂבַּ֣ע
(yisba)
wordt verzadigd
כֶּ֔סֶף
(kesef)
van geld
וּמִֽי
(umi)
en wie
אֹהֵ֥ב
(ohev)
liefheeft
בֶּהָמ֖וֹן
(behamon)
overvloed
לֹ֣א
(lo)
niet
תְבוּאָ֑ה
(tevua)
opbrengst
גַּם
(gam)
ook
זֶ֖ה
(ze)
dit
הָֽבֶל
(havel)
damp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָמוֹן (hamon), ‘overvloed’: menigte, ook ‘rijkdom’.

תְּבוּאָה (tevu’ah), ‘opbrengst’.

Het tweede deel van het vers heeft geen werkwoord; wij laten dat zo.

10Als het goede toeneemt, worden zij talrijk die het eten. En wat is het succes voor zijn bezitters, behalve het zien met zijn ogen?
בִּרְבוֹת֙
(birvot)
als toeneemt
הַטּוֹבָ֔ה
(hatova)
het goede
רַבּ֖וּ
(rabu)
worden talrijk
אוֹכְלֶ֑יהָ
(okheleiha)
wie het eten
וּמַה
(uma)
en wat
כִּשְׁרוֹן֙
(kishron)
succes
לִבְעָלֶ֔יהָ
(livaleiha)
voor zijn bezitters
כִּ֖י
(ki)
dan
אִם
(im)
behalve
רְא֥וּת
(reut)
het zien van
עֵינָֽיו
(einav)
zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּשְׁרוֹן (kishron), ‘succes’: hetzelfde woord als in Pred. 4:4.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft de medeklinkers ראית (r’yt).

De voorgelezen tekst (qere) heeft רְאוּת (re’ut), ‘het zien’.

Wij volgen de voorgelezen tekst.

11Zoet is de slaap van de werkman, of hij weinig of veel eet. Maar de verzadiging van de rijke laat hem niet slapen.
מְתוּקָה֙
(metuqa)
zoet
שְׁנַ֣ת
(shenat)
de slaap van
הָעֹבֵ֔ד
(haoved)
de werkman
אִם
(im)
of
מְעַ֥ט
(meat)
weinig
וְאִם
(veim)
of
הַרְבֵּ֖ה
(harbe)
veel
יֹאכֵ֑ל
(yokhel)
eet hij
וְהַשָּׂבָע֙
(vehasava)
maar de verzadiging van
לֶֽעָשִׁ֔יר
(leashir)
de rijke
אֵינֶ֛נּוּ
(einenu)
niet is
מַנִּ֥יחַֽ
(maniach)
die laat
ל֖וֹ
(lo)
hem
לִישֽׁוֹן
(lishon)
slapen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Rijkdom die verloren gaat

12Er is een ziekmakend kwaad dat ik onder de zon zag: rijkdom die door zijn bezitter bewaard wordt tot zijn onheil.
יֵ֚שׁ
(yesh)
er is
רָעָ֣ה
(raa)
een kwaad
חוֹלָ֔ה
(chola)
ziekmakend
רָאִ֖יתִי
(raiti)
dat ik zag
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
הַשָּׁ֑מֶשׁ
(hashamesh)
de zon
עֹ֛שֶׁר
(osher)
rijkdom
שָׁמ֥וּר
(shamur)
bewaard
לִבְעָלָ֖יו
(livalav)
door zijn bezitter
לְרָעָתֽוֹ
(leraato)
tot zijn onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָעָה חוֹלָה (ra’ah cholah), ‘ziekmakend kwaad’: een kwaad dat pijn doet, letterlijk een ‘zieke’ ramp.

13Die rijkdom ging verloren door een kwade bezigheid. Hij verwekte een zoon, en in zijn hand is niets.
וְאָבַ֛ד
(veavad)
en ging verloren
הָעֹ֥שֶׁר
(haosher)
de rijkdom
הַה֖וּא
(hahu)
die
בְּעִנְיַ֣ן
(beinyan)
door een bezigheid
רָ֑ע
(ra)
kwaad
וְהוֹלִ֣יד
(veholid)
en hij verwekte
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is er
בְּיָד֖וֹ
(beyado)
in zijn hand
מְאֽוּמָה
(meuma)
iets
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie de ‘hij’ is die een zoon verwekt, zegt de tekst niet: het is de eigenaar van de rijkdom.

14Zoals hij uit de buik van zijn moeder kwam, zal hij naakt terugkeren, heengaand zoals hij gekomen is. Niets uit zijn zwoegen kan hij dragen om mee te nemen in zijn hand.
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
יָצָא֙
(yatsa)
hij uitging
מִבֶּ֣טֶן
(mibeten)
uit de buik van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
עָר֛וֹם
(arom)
naakt
יָשׁ֥וּב
(yashuv)
zal hij terugkeren
לָלֶ֖כֶת
(lalekhet)
om te gaan
כְּשֶׁבָּ֑א
(kesheba)
zoals hij kwam
וּמְא֨וּמָה֙
(umeuma)
en iets
לֹא
(lo)
niet
יִשָּׂ֣א
(yisa)
zal hij dragen
בַעֲמָל֔וֹ
(baamalo)
uit zijn zwoegen
שֶׁיֹּלֵ֖ךְ
(sheyolekh)
dat hij zal meenemen
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Job 1:21.

15Ook dit is een ziekmakend kwaad: precies zoals hij kwam, zo zal hij gaan. En wat is het voordeel voor hem dat hij zwoegt voor de wind?
וְגַם
(vegam)
en ook
זֹה֙
(zo)
dit
רָעָ֣ה
(raa)
kwaad
חוֹלָ֔ה
(chola)
ziekmakend
כָּל
(kal)
geheel
עֻמַּ֥ת
(umat)
precies zoals
שֶׁבָּ֖א
(sheba)
dat hij kwam
כֵּ֣ן
(ken)
zo
יֵלֵ֑ךְ
(yelekh)
zal hij gaan
וּמַה
(uma)
en wat
יִּתְר֣וֹן
(yitron)
voordeel
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
שֶֽׁיַּעֲמֹ֖ל
(sheyaamol)
dat hij zwoegt
לָרֽוּחַ
(laruach)
voor de wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁיַּעֲמֹל לָרוּחַ (sheya’amol laruach), ‘dat hij zwoegt voor de wind’: רוּחַ (ruach) is hier ‘wind’.

16Ook eet hij al zijn dagen in het donker, met veel ergernis, ziekte en toorn.
גַּ֥ם
(gam)
ook
כָּל
(kal)
al
יָמָ֖יו
(yamav)
zijn dagen
בַּחֹ֣שֶׁךְ
(bachoshekh)
in het donker
יֹאכֵ֑ל
(yokhel)
eet hij
וְכָעַ֥ס
(vekhaas)
en ergernis
הַרְבֵּ֖ה
(harbe)
veel
וְחָלְי֥וֹ
(vechaleyo)
en zijn ziekte
וָקָֽצֶף
(vaqatsef)
en toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּעַס (ka’as), ‘ergernis’: boosheid, verdriet.

In de tekst staat het samen met ‘ziekte’ en ‘toorn’.

Eten en drinken als gave van Elohim

17Zie, wat ik zelf als goed heb gezien, wat mooi is: eten, drinken en het goede beleven. Dat is zo in al het zwoegen waarmee hij onder de zon zwoegt, het aantal dagen van zijn leven dat Elohim hem heeft gegeven. Want dat is zijn deel.
הִנֵּ֞ה
(hine)
zie
אֲשֶׁר
(asher)
wat
רָאִ֣יתִי
(raiti)
ik zag
אָ֗נִי
(ani)
ik
ט֣וֹב
(tov)
goed
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יָפֶ֣ה
(yafe)
mooi is
לֶֽאֶכוֹל
(leekhol)
om te eten
וְ֠לִשְׁתּוֹת
(velishtot)
en te drinken
וְלִרְא֨וֹת
(velirot)
en te zien
טוֹבָ֜ה
(tova)
het goede
בְּכָל
(bekhal)
in al
עֲמָל֣וֹ
(amalo)
zijn zwoegen
שֶׁיַּעֲמֹ֣ל
(sheyaamol)
waarmee hij zwoegt
תַּֽחַת
(tachat)
onder
הַשֶּׁ֗מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
מִסְפַּ֧ר
(mispar)
het aantal van
יְמֵי
(yemei)
de dagen van
חַיָּ֛יו
(chayav)
zijn leven
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָֽתַן
(natan)
heeft gegeven
ל֥וֹ
(lo)
aan hem
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
כִּי
(ki)
want
ה֥וּא
(hu)
dat
חֶלְקֽוֹ
(chelqo)
zijn deel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵלֶק (chelek), ‘deel’: wat iemand van Elohim als zijn aandeel krijgt.

Dit is een sleutelwoord in Prediker.

18Ook elke mens aan wie Elohim rijkdom en bezittingen heeft gegeven, geeft Hij de macht om ervan te eten. Zijn deel te nemen en zich te verheugen in zijn zwoegen: dit is een gave van Elohim.
גַּ֣ם
(gam)
ook
כָּֽל
(kal)
elke
הָאָדָ֡ם
(haadam)
mens
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
aan wie
נָֽתַן
(natan)
heeft gegeven
ל֣וֹ
(lo)
aan hem
הָאֱלֹהִים֩
(haElohim)
Elohim
עֹ֨שֶׁר
(osher)
rijkdom
וּנְכָסִ֜ים
(unekhasim)
en bezittingen
וְהִשְׁלִיט֨וֹ
(vehishlito)
en Hij geeft hem macht
לֶאֱכֹ֤ל
(leekhol)
om te eten
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
ervan
וְלָשֵׂ֣את
(velaset)
en te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
חֶלְק֔וֹ
(chelqo)
zijn deel
וְלִשְׂמֹ֖חַ
(velismoach)
en zich te verheugen
בַּעֲמָל֑וֹ
(baamalo)
in zijn zwoegen
זֹ֕ה
(zo)
dit
מַתַּ֥ת
(matat)
gave van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
הִֽיא
(hi)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהִשְׁלִיטוֹ (vehishlito), ‘en Hij geeft hem macht’: Elohim geeft de mens de ruimte om van het bezit te genieten.

19Want hij zal niet veel denken aan de dagen van zijn leven, omdat Elohim hem bezighoudt met de vreugde van zijn hart.
כִּ֚י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
הַרְבֵּ֔ה
(harbe)
veel
יִזְכֹּ֖ר
(yizkor)
zal hij denken aan
אֶת
(et)
(obj.)
יְמֵ֣י
(yemei)
de dagen van
חַיָּ֑יו
(chayav)
zijn leven
כִּ֧י
(ki)
want
הָאֱלֹהִ֛ים
(haElohim)
Elohim
מַעֲנֶ֖ה
(maane)
houdt bezig
בְּשִׂמְחַ֥ת
(besimchat)
met de vreugde van
לִבּֽוֹ
(libo)
zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲנֶה (ma’aneh), ‘houdt bezig’: ook ‘antwoordt hem’ of ‘laat hem zingen’.