Elohim Bijbel

Job 24

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Waarom grijpt Shaddai niet in?

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Waarom zijn Zijn dagen niet zichtbaar?

1„Waarom zijn tijden van oordeel niet door Shaddai opgespaard, en zien wie Hem kennen Zijn dagen niet?
מַדּ֗וּעַ
(madua)
waarom
מִ֭שַּׁדַּי
(mishaday)
door Shaddai
לֹא
(lo)
niet
נִצְפְּנ֣וּ
(nitspenu)
zijn opgespaard
עִתִּ֑ים
(itim)
tijden
וְ֝יֹדְעָ֗יו
(veyodeav)
en Zijn kenners
לֹא
(lo)
niet
חָ֥זוּ
(chazu)
zien
יָמָֽיו
(yamav)
Zijn dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job vraagt waarom Shaddai niet tijden van oordeel vastlegt die voor iedereen zichtbaar zijn.

Wie Hem kennen, zien Zijn ‘dagen’ (dagen van afrekening) niet.

Dit hoofdstuk beschrijft hoe de zwakken onderdrukt worden en Elohim lijkt te zwijgen.

2Mensen verleggen grenzen. Ze roven een kudde en weiden die.
גְּבֻל֥וֹת
(gevulot)
grenzen
יַשִּׂ֑יגוּ
(yasigu)
verleggen ze
עֵ֥דֶר
(eder)
kudde
גָּ֝זְל֗וּ
(gazelu)
roven ze
וַיִּרְעֽוּ
(vayiru)
en weiden die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Grenzen verleggen is in de wet verboden (Deut. 19:14; 27:17).

Met dit voorbeeld begint Job zijn lijst van misdaden die ongestraft blijven.

3De ezel van de wezen drijven ze weg, het rund van de weduwe nemen ze in pand.
חֲמ֣וֹר
(chamor)
ezel van
יְתוֹמִ֣ים
(yetomim)
wezen
יִנְהָ֑גוּ
(yinhagu)
drijven ze weg
יַ֝חְבְּל֗וּ
(yachbelu)
nemen in pand
שׁ֣וֹר
(shor)
rund van
אַלְמָנָֽה
(almana)
een weduwe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Ze duwen de behoeftigen van de weg, de armen van het land moeten zich samen verbergen.
יַטּ֣וּ
(yatu)
duwen weg
אֶבְיוֹנִ֣ים
(evyonim)
behoeftigen
מִדָּ֑רֶךְ
(midarekh)
van de weg
יַ֥חַד
(yachad)
samen
חֻ֝בְּא֗וּ
(chubeu)
verbergen zich
עֲנִיֵּי
(aniyei)
armen van
אָֽרֶץ
(arets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Zie, als wilde ezels in de woestijn gaan ze eropuit bij hun werk, zoekend naar prooi. De steppe geeft brood voor hun jongens.
הֵ֤ן
(hen)
zie
פְּרָאִ֨ים
(peraim)
wilde ezels
בַּֽמִּדְבָּ֗ר
(bamidbar)
in de woestijn
יָצְא֣וּ
(yatseu)
gaan ze uit
בְּ֭פָעֳלָם
(befaolam)
aan hun werk
מְשַׁחֲרֵ֣י
(meshacharei)
zoekend
לַטָּ֑רֶף
(lataref)
naar prooi
עֲרָבָ֥ה
(arava)
de steppe
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
לֶ֝֗חֶם
(lechem)
brood
לַנְּעָרִֽים
(lanearim)
voor jongens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De armen die moeten rondzwerven om voedsel zijn als wilde ezels in de woestijn (vergelijk 39:5–8).

6Op het veld oogsten ze het voer van een ander, en in de wijngaard van de goddeloze lezen ze na.
בַּ֭שָּׂדֶה
(basade)
op het veld
בְּלִיל֣וֹ
(belilo)
zijn voer
יִקְצ֑וֹרוּ
(yiqtsoru)
oogsten ze
וְכֶ֖רֶם
(vekherem)
en wijngaard van
רָשָׁ֣ע
(rasha)
een goddeloze
יְלַקֵּֽשׁוּ
(yelaqeshu)
lezen ze na
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Naakt brengen ze de nacht door, zonder kleding en zonder dekking in de kou.
עָר֣וֹם
(arom)
naakt
יָ֭לִינוּ
(yalinu)
brengen ze de nacht door
מִבְּלִ֣י
(mibeli)
zonder
לְב֑וּשׁ
(levush)
kleding
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is er
כְּ֝ס֗וּת
(kesut)
bedekking
בַּקָּרָֽה
(baqara)
in de kou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Door de stortregen van de bergen worden ze nat, en zonder schuilplaats omhelzen ze de rots.
מִזֶּ֣רֶם
(mizerem)
van de stortvloed van
הָרִ֣ים
(harim)
bergen
יִרְטָ֑בוּ
(yirtavu)
worden ze nat
וּֽמִבְּלִ֥י
(umibeli)
en zonder
מַ֝חְסֶ֗ה
(machse)
schuilplaats
חִבְּקוּ
(chibequ)
omhelzen ze
צֽוּר
(tsur)
rots
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Ze rukken de wees van de borst en nemen pand van de arme.
יִ֭גְזְלוּ
(yigzelu)
ze roven
מִשֹּׁ֣ד
(mishod)
van de borst
יָת֑וֹם
(yatom)
een wees
וְֽעַל
(veal)
en van
עָנִ֥י
(ani)
de arme
יַחְבֹּֽלוּ
(yachbolu)
nemen ze pand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Naakt lopen ze rond zonder kleding, en hongerig dragen ze de schoof.
עָר֣וֹם
(arom)
naakt
הִ֭לְּכוּ
(hilekhu)
lopen ze
בְּלִ֣י
(beli)
zonder
לְב֑וּשׁ
(levush)
kleding
וּ֝רְעֵבִ֗ים
(ureevim)
en hongerig
נָ֣שְׂאוּ
(naseu)
dragen ze
עֹֽמֶר
(omer)
schoof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Tussen hun rijen persen ze olie. Ze treden de persen en hebben dorst.
בֵּין
(bein)
tussen
שׁוּרֹתָ֥ם
(shurotam)
hun rijen
יַצְהִ֑ירוּ
(yatshiru)
persen ze olie
יְקָבִ֥ים
(yeqavim)
persen
דָּ֝רְכ֗וּ
(darekhu)
treden ze
וַיִּצְמָֽאוּ
(vayitsmau)
en hebben dorst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Uit de stad kermen stervenden, en de ziel van gewonden roept om hulp. Maar Eloah rekent het niemand aan.
מֵ֘עִ֤יר
(meir)
uit de stad
מְתִ֨ים
(metim)
stervenden
יִנְאָ֗קוּ
(yinaqu)
kermen
וְנֶֽפֶשׁ
(venefesh)
en de ziel van
חֲלָלִ֥ים
(chalalim)
gewonden
תְּשַׁוֵּ֑עַ
(teshavea)
schreeuwt om hulp
וֶ֝אֱל֗וֹהַּ
(veeloha)
en Eloah
לֹא
(lo)
niet
יָשִׂ֥ים
(yasim)
schrijft toe
תִּפְלָֽה
(tifla)
ongepastheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

תִפְלָה (tifla), ‘ongepastheid’ (zie 1:22), staat hier zonder duidelijke betekenis.

Wij vertalen ‘Eloah rekent het niemand aan’.

Sommige handschriften lezen תְּפִלָּה (tefilla), ‘gebed’: ‘Eloah let niet op hun gebed’.

De misdadigers van het donker

13Dezen horen bij de opstandigen tegen het licht. Ze kennen Zijn wegen niet en blijven niet op Zijn paden.
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
הָיוּ֮
(hayu)
behoren
בְּֽמֹרְדֵ֫י
(bemoredei)
tot de opstandigen van
א֥וֹר
(or)
licht
לֹֽא
(lo)
niet
הִכִּ֥ירוּ
(hikiru)
kennen
דְרָכָ֑יו
(derakhav)
Zijn wegen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָ֝שְׁב֗וּ
(yashevu)
blijven
בִּנְתִיבֹתָֽיו
(bintivotav)
op Zijn paden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 13–17 beschrijven de misdadigers van het donker: moordenaars, overspeligen en inbrekers die het licht schuwen.

Sommige uitleggers zien vers 18–24 als een uitspraak van een vriend, omdat de inhoud het standpunt van de vrienden volgt (de zondaar gaat ten onder).

Wij laten alles bij Job, zoals de Masoretische tekst het presenteert.

14Bij het eerste licht staat de moordenaar op. Hij doodt de arme en de behoeftige, en in de nacht is hij als een dief.
לָא֡וֹר
(laor)
bij het licht
יָ֘ק֤וּם
(yaqum)
staat op
רוֹצֵ֗חַ
(rotseach)
een moordenaar
יִֽקְטָל
(yiqtal)
doodt
עָנִ֥י
(ani)
de arme
וְאֶבְי֑וֹן
(veevyon)
en de behoeftige
וּ֝בַלַּ֗יְלָה
(uvalayla)
en in de nacht
יְהִ֣י
(yehi)
is hij
כַגַּנָּֽב
(kaganav)
als een dief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Het oog van de overspelige wacht op de schemering en zegt: ‘Geen oog zal mij zien.’ En hij legt een sluier over zijn gezicht.
וְעֵ֤ין
(veein)
en het oog van
נֹאֵ֨ף
(noef)
een overspelige
שָׁ֤מְרָֽה
(shamera)
wacht op
נֶ֣שֶׁף
(neshef)
de schemering
לֵ֭אמֹר
(lemor)
zeggend
לֹא
(lo)
niet
תְשׁוּרֵ֣נִי
(teshureni)
ziet mij
עָ֑יִן
(ayin)
oog
וְסֵ֖תֶר
(veseter)
en een sluier
פָּנִ֣ים
(panim)
gezicht
יָשִֽׂים
(yasim)
legt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het oog van de overspelige wacht op de schemering: hij verbergt zich en denkt dat niemand hem ziet.

Vergelijk Spr. 7:9.

16In het donker breken ze in huizen in, overdag sluiten ze zich op. Ze kennen het licht niet.
חָתַ֥ר
(chatar)
hij breekt in
בַּחֹ֗שֶׁךְ
(bachoshekh)
in het donker
בָּ֫תִּ֥ים
(batim)
huizen
יוֹמָ֥ם
(yomam)
overdag
חִתְּמוּ
(chitemu)
sluiten zich op
לָ֗מוֹ
(lamo)
voor zichzelf
לֹא
(lo)
niet
יָ֥דְעוּ
(yadeu)
kennen ze
אֽוֹר
(or)
licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Want voor hen allen is de morgen diepe schaduw. Ze zijn vertrouwd met de verschrikkingen van de diepe schaduw.
כִּ֤י
(ki)
want
יַחְדָּ֨ו
(yachdav)
samen
בֹּ֣קֶר
(boqer)
morgen
לָ֣מוֹ
(lamo)
voor hen
צַלְמָ֑וֶת
(tsalmavet)
diepe schaduw
כִּֽי
(ki)
want
יַ֝כִּ֗יר
(yakir)
ze zijn vertrouwd met
בַּלְה֥וֹת
(balhot)
verschrikkingen van
צַלְמָֽוֶת
(tsalmavet)
diepe schaduw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het lot van de zondaar

18Snel is hij op het water. Vervloekt is hun akker op de aarde. Hij slaat de weg van de wijngaarden niet in.
קַֽל
(qal)
snel
ה֤וּא
(hu)
hij
עַל
(al)
op
פְּנֵי
(penei)
oppervlak van
מַ֗יִם
(mayim)
water
תְּקֻלַּ֣ל
(tequlal)
vervloekt wordt
חֶלְקָתָ֣ם
(chelqatam)
hun akker
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
op aarde
לֹֽא
(lo)
niet
יִ֝פְנֶה
(yifne)
slaat hij in
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
כְּרָמִֽים
(keramim)
wijngaarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Droogte en hitte roven het sneeuwwater weg. Het dodenrijk doet dat met zondaars.
צִיָּ֤ה
(tsiya)
droogte
גַם
(gam)
en ook
חֹ֗ם
(chom)
hitte
יִגְזְל֥וּ
(yigzelu)
roven
מֵֽימֵי
(meimei)
water van
שֶׁ֗לֶג
(sheleg)
sneeuw
שְׁא֣וֹל
(sheol)
het dodenrijk
חָטָֽאוּ
(chatau)
zondaars
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Net als sneeuwwater door hitte wordt opgeslokt, neemt de dood de zondaar weg.

Dit is wat de vrienden zouden zeggen.

20De moederschoot vergeet hem, de made vindt hem zoet. Hij wordt niet meer herinnerd. Zo wordt onrecht gebroken als een boom.
יִשְׁכָּ֘חֵ֤הוּ
(yishkachehu)
vergeet hem
רֶ֨חֶם
(rechem)
schoot
מְתָ֘ק֤וֹ
(metaqo)
vindt zoet
רִמָּ֗ה
(rima)
de made
ע֥וֹד
(od)
meer
לֹֽא
(lo)
niet
יִזָּכֵ֑ר
(yizakher)
wordt hij herinnerd
וַתִּשָּׁבֵ֖ר
(vatishaver)
en wordt gebroken
כָּעֵ֣ץ
(kaets)
als een boom
עַוְלָֽה
(avla)
onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hij graast op de onvruchtbare die niet baart, en aan de weduwe doet hij geen goed.
רֹעֶ֣ה
(roe)
hij graast op
עֲ֭קָרָה
(aqara)
een onvruchtbare
לֹ֣א
(lo)
niet
תֵלֵ֑ד
(teled)
die baart
וְ֝אַלְמָנָ֗ה
(vealmana)
en aan een weduwe
לֹ֣א
(lo)
niet
יְיֵטִֽיב
(yeyetiv)
doet hij goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Maar Hij trekt de machtigen weg met Zijn kracht. Ze staan op, maar vertrouwen niet op hun leven.
וּמָשַׁ֣ךְ
(umashakh)
en Hij trekt weg
אַבִּירִ֣ים
(abirim)
machtigen
בְּכֹח֑וֹ
(bekhocho)
met Zijn kracht
יָ֝ק֗וּם
(yaqum)
staat op
וְֽלֹא
(velo)
en niet
יַאֲמִ֥ין
(yaamin)
vertrouwt
בַּֽחַיִּֽין
(bachayin)
op het leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij geeft hun zekerheid en ze steunen erop. Maar Zijn ogen zijn op hun wegen.
יִתֶּן
(yiten)
Hij geeft
ל֣וֹ
(lo)
hun
לָ֭בֶטַח
(lavetach)
zekerheid
וְיִשָּׁעֵ֑ן
(veyishaen)
en ze steunen
וְ֝עֵינֵ֗יהוּ
(veeineihu)
en Zijn ogen
עַל
(al)
op
דַּרְכֵיהֶֽם
(darkheihem)
hun wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 23–24 zeggen: ook als de machtigen veilig lijken, zijn Zijn ogen op hun wegen.

Zij worden uiteindelijk neergedrukt, ‘afgesneden als de top van een aar’.

24Even zijn ze verheven en dan zijn ze er niet meer. Ze worden neergedrukt als alle anderen, afgesneden als de top van een aar.
ר֤וֹמּוּ
(romu)
verheven zijn ze
מְּעַ֨ט
(meat)
een weinig
וְֽאֵינֶ֗נּוּ
(veeinenu)
en ze zijn er niet
וְֽהֻמְּכ֗וּ
(vehumekhu)
en ze worden neergedrukt
כַּכֹּ֥ל
(kakol)
als alle (anderen)
יִקָּפְצ֑וּן
(yiqafetsun)
ze worden gesloten
וּכְרֹ֖אשׁ
(ukherosh)
en als top van
שִׁבֹּ֣לֶת
(shibolet)
aar
יִמָּֽלוּ
(yimalu)
worden ze afgesneden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Als het niet zo is, wie zal mij dan van leugen beschuldigen en mijn woord tot niets maken?”
וְאִם
(veim)
en indien
לֹ֣א
(lo)
niet
אֵ֭פוֹ
(efo)
dan
מִ֣י
(mi)
wie
יַכְזִיבֵ֑נִי
(yakhziveni)
zal mij van leugen betichten
וְיָשֵׂ֥ם
(veyasem)
en maken
לְ֝אַ֗ל
(leal)
tot niets
מִלָּתִֽי
(milati)
mijn woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Job daagt zijn vrienden uit: als wat hij zegt niet klopt, laat hen het dan weerleggen.