Elohim Bijbel

Genesis 1

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Schepping

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het begin

1In het begin schiep Elohim de hemel en de aarde.
בְּרֵאשִׁ֖ית
(bereshith)
in het begin
בָּרָ֣א
(bara)
schiep
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
אֵ֥ת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וְאֵ֥ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהִים (Elohim) heeft een meervoudsvorm (de uitgang -im), maar het werkwoord בָּרָא (bara), ‘schiep’, staat in het enkelvoud.

Eén God, met een meervoudsvorm.

Veel christenen zien hierin een aanwijzing voor de drie-eenheid: Elohim als de ene God in drie personen, die in dit hoofdstuk samen optreden: Elohim (vers 1), de Geest van Elohim (vers 2) en het Woord waarmee Hij spreekt (vers 3; zie Joh. 1:1–3).

Dat sluit aan bij ‘Laten Wij’ in vers 26, een meervoud dat wordt verklaard als de drie-eenheid of als overleg van Elohim met de hemelse raad.

2De aarde was woest en leeg. Het was donker boven de watermassa. De Geest van Elohim zweefde boven het water.
וְהָאָ֗רֶץ
(vehaarets)
en de aarde
הָיְתָ֥ה
(hayeta)
was
תֹ֨הוּ֙
(tohu)
woest
וָבֹ֔הוּ
(vavohu)
en leeg
וְחֹ֖שֶׁךְ
(vechoshekh)
en duisternis
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
oppervlak
תְה֑וֹם
(tehom)
watermassa
וְר֣וּחַ
(veruach)
en geest
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
מְרַחֶ֖פֶת
(merachefet)
zwevend
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
oppervlak
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ אֱלֹהִים (ruach Elohim): ‘Geest van Elohim’.

מְרַחֶפֶת (merachefet) is een deelwoord: ‘zwevend, broedend, zich bewegend’.

תְהוֹם (tehom) is de grote watermassa waarmee de aarde bedekt was; het woord komt ook voor in Genesis 7:11 en 8:2.

‘Watermassa’ is gekozen omdat ‘diepte’ in het Nederlands een maat aanduidt en niet een plaats vol water.

Vers 2 beschrijft de aarde als woest, leeg, donker en vol water.

De tekst vermeldt niet hoelang de hier beschreven toestand duurde.

Dag één: licht

3Elohim zei: „Laat er licht zijn.” En er was licht.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
יְהִ֣י
(yehi)
laat zijn
א֑וֹר
(or)
licht
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
אֽוֹר
(or)
licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De bron van dit licht is nog niet de zon, de maan of de sterren: die worden pas in vers 16 geplaatst.

Later zegt de Schrift dat Yahweh zelf het eeuwige licht is, in plaats van zon en maan (Jes. 60:19; vgl.

Openb. 21:23 en 22:5).

Hij is hier mogelijk de bron van het licht.

4Elohim zag dat het licht goed was, en Elohim scheidde het licht van de duisternis.
וַיַּ֧רְא
(vayar)
en Hij zag
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָא֖וֹר
(haor)
het licht
כִּי
(ki)
dat
ט֑וֹב
(tov)
goed
וַיַּבְדֵּ֣ל
(vayavdel)
en Hij scheidde
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הָא֖וֹר
(haor)
het licht
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הַחֹֽשֶׁךְ
(hachoshekh)
de duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Elohim noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd morgen: dag één.
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en Hij noemde
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
לָאוֹר֙
(laor)
aan het licht
י֔וֹם
(yom)
dag
וְלַחֹ֖שֶׁךְ
(velachoshekh)
en aan de duisternis
קָ֣רָא
(qara)
Hij noemde
לָ֑יְלָה
(layela)
nacht
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
עֶ֥רֶב
(erev)
avond
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
בֹ֖קֶר
(boqer)
morgen
י֥וֹם
(yom)
dag
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶרֶב (erev), ‘avond’, en בֹּקֶר (boqer), ‘morgen’, staan samen voor één volledige dag.

יוֹם אֶחָד (yom echad) is letterlijk ‘dag één’: hier staat het hoofdtelwoord ‘één’, bij de volgende dagen een rangtelwoord (‘de tweede dag’, ‘de derde dag’…).

Elohim bepaalt hier het ritme van dag en nacht, nog vóór de zon en de maan (vers 16) worden gemaakt.

De formule ‘het werd avond en het werd morgen’ sluit elke scheppingsdag af.

Leviticus 23:32 noemt elders een periode ‘van avond tot avond’.

Dag twee: het uitspansel

6Elohim zei: „Laat er een uitspansel komen midden in het water, dat water van water scheidt.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
יְהִ֥י
(yehi)
laat zijn
רָקִ֖יעַ
(raqia)
uitspansel
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וִיהִ֣י
(vihi)
en laat zijn
מַבְדִּ֔יל
(mavdil)
scheidend
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
מַ֖יִם
(mayim)
water
לָמָֽיִם
(lamayim)
en water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָקִיעַ (raqia) komt van רָקַע (raqa), ‘uitkloppen, uitspreiden’, en is dus ‘iets dat is uitgespreid’.

Het Hebreeuws noemt geen vorm.

De Bijbel gebruikt voor de hemel verschillende beelden: een uitgespannen tentdoek (Jes. 40:22; Ps. 104:2), een uitgeklopte metalen plaat (Ex. 39:3, met dezelfde wortel), een gegoten spiegel (Job 37:18) en een boekrol die wordt opgerold (Jes. 34:4).

‘Uitspansel’ is het traditionele Nederlandse woord en noemt geen vorm.

Overal in dit hoofdstuk vertaald als ‘uitspansel’.

7Elohim maakte het uitspansel en scheidde het water onder het uitspansel van het water boven het uitspansel. En zo gebeurde het.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en Hij maakte
אֱלֹהִים֮
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָרָקִיעַ֒
(haraqia)
het uitspansel
וַיַּבְדֵּ֗ל
(vayavdel)
en hij scheidde
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
הַמַּ֨יִם֙
(hamayim)
het water
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
מִתַּ֣חַת
(mitachat)
onder
לָרָקִ֔יעַ
(laraqia)
het uitspansel
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
מֵעַ֣ל
(meal)
boven
לָרָקִ֑יעַ
(laraqia)
het uitspansel
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Elohim noemde het uitspansel hemel. Het werd avond en het werd morgen: de tweede dag.
וַיִּקְרָ֧א
(vayiqra)
en Hij noemde
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
לָֽרָקִ֖יעַ
(laraqia)
aan het uitspansel
שָׁמָ֑יִם
(shamayim)
hemel
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
עֶ֥רֶב
(erev)
avond
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
בֹ֖קֶר
(boqer)
morgen
י֥וֹם
(yom)
dag
שֵׁנִֽי
(sheni)
tweede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Dag drie: land en planten

9Elohim zei: „Laat het water onder de hemel zich verzamelen op één plaats, en laat het droge zichtbaar worden.” En zo gebeurde het. Het water onder de hemel kwam samen in zijn verzamelplaatsen en het droge werd zichtbaar.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
יִקָּו֨וּ
(yiqavu)
laat zich verzamelen
הַמַּ֜יִם
(hamayim)
het water
מִתַּ֤חַת
(mitachat)
onder
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
אֶל
(el)
naar
מָק֣וֹם
(maqom)
plaats
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וְתֵרָאֶ֖ה
(veterae)
en laat zichtbaar worden
הַיַּבָּשָׁ֑ה
(hayabasha)
het droge
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
כֵֽן
(ken)
zo
ויקוו
(vayyiqqavu)
en het kwam samen
המים
(hammayim)
het water
מתחת
(mittachat)
onder
השמים
(hashamayim)
de hemel
אל
(el)
naar
מקויהם
(miqvehem)
hun plaatsen
ותראה
(vatere)
en werd zichtbaar
היבשה
(hayabbashah)
het droge
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta
Uitleg

De Septuaginta heeft hier een extra zin: ‘en het water onder de hemel kwam samen in zijn verzamelplaatsen en het droge werd zichtbaar’.

Vers 9 zegt ‘op één plaats’ (Septuaginta: ‘tot één verzameling’). De extra zin heeft in de Septuaginta het meervoud ‘verzamelplaatsen’, zoals ook vers 10 het ene verzamelde water ‘zeeën’ noemt.

Het Qumran-handschrift 4QGen-k bewaart alleen het slot van deze extra zin: ‘en het droge werd zichtbaar’.

De Masoretische tekst heeft die zin niet; deze vertaling volgt hier de Septuaginta.

10Elohim noemde het droge aarde, en het verzamelde water noemde Hij zeeën. Elohim zag dat het goed was.
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en Hij noemde
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
לַיַּבָּשָׁה֙
(layabasha)
aan het droge
אֶ֔רֶץ
(erets)
aarde
וּלְמִקְוֵ֥ה
(ulemiqve)
en aan de verzameling van
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
קָרָ֣א
(qara)
Hij noemde
יַמִּ֑ים
(yamim)
zeeën
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en Hij zag
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
כִּי
(ki)
dat
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Elohim zei: „Laat de aarde jong groen voortbrengen: planten die zaad dragen, en vruchtbomen die vrucht dragen, ieder naar zijn soort, met het zaad erin, op de aarde.” En zo gebeurde het.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
תַּֽדְשֵׁ֤א
(tadshe)
laat uitspruiten
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
דֶּ֔שֶׁא
(deshe)
jong groen
עֵ֚שֶׂב
(esev)
plant
מַזְרִ֣יעַ
(mazria)
zaad voortbrengend
זֶ֔רַע
(zera)
zaad
עֵ֣ץ
(ets)
boom
פְּרִ֞י
(peri)
vrucht
עֹ֤שֶׂה
(ose)
makend
פְּרִי֙
(peri)
vrucht
לְמִינ֔וֹ
(lemino)
naar zijn soort
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
זַרְעוֹ
(zaro)
zijn zaad
ב֖וֹ
(bo)
erin
עַל
(al)
op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12De aarde bracht jong groen voort: planten die zaad dragen, ieder naar zijn soort, en bomen die vrucht dragen, met het zaad erin, ieder naar zijn soort. Elohim zag dat het goed was.
וַתּוֹצֵ֨א
(vatotse)
en zij bracht voort
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
de aarde
דֶּ֠שֶׁא
(deshe)
jong groen
עֵ֣שֶׂב
(esev)
plant
מַזְרִ֤יעַ
(mazria)
zaad voortbrengend
זֶ֨רַע֙
(zera)
zaad
לְמִינֵ֔הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
וְעֵ֧ץ
(veets)
en boom
עֹֽשֶׂה
(ose)
makend
פְּרִ֛י
(peri)
vrucht
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
זַרְעוֹ
(zaro)
zijn zaad
ב֖וֹ
(bo)
erin
לְמִינֵ֑הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en Hij zag
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
כִּי
(ki)
dat
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Het werd avond en het werd morgen: de derde dag.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
עֶ֥רֶב
(erev)
avond
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
בֹ֖קֶר
(boqer)
morgen
י֥וֹם
(yom)
dag
שְׁלִישִֽׁי
(shelishi)
derde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Dag vier: lichten aan het uitspansel

14Elohim zei: „Laat er lichten komen aan het uitspansel van de hemel, om de dag van de nacht te scheiden. Ze moeten dienen als tekens: voor de vaste tijden, voor dagen en jaren.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
יְהִ֤י
(yehi)
laat zijn
מְאֹרֹת֙
(meorot)
lichten
בִּרְקִ֣יעַ
(birqia)
in het uitspansel
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
לְהַבְדִּ֕יל
(lehavdil)
om te scheiden
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הַיּ֖וֹם
(hayom)
de dag
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
de nacht
וְהָי֤וּ
(vehayu)
en laat ze zijn
לְאֹתֹת֙
(leotot)
tot tekens
וּלְמ֣וֹעֲדִ֔ים
(ulemoadim)
en tot vaste tijden
וּלְיָמִ֖ים
(uleyamim)
en tot dagen
וְשָׁנִֽים
(veshanim)
en jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Ze moeten dienen als lichten aan het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde.” En zo gebeurde het.
וְהָי֤וּ
(vehayu)
en laat ze zijn
לִמְאוֹרֹת֙
(limorot)
tot lichten
בִּרְקִ֣יעַ
(birqia)
in het uitspansel
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
לְהָאִ֖יר
(lehair)
om te verlichten
עַל
(al)
op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 2:8
16Elohim maakte de twee grote lichten: het grote licht om over de dag te regeren, het kleine licht om over de nacht te regeren. Ook de sterren.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en Hij maakte
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
הַמְּאֹרֹ֖ת
(hameorot)
de lichten
הַגְּדֹלִ֑ים
(hagedolim)
de grote
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמָּא֤וֹר
(hamaor)
het licht
הַגָּדֹל֙
(hagadol)
het grote
לְמֶמְשֶׁ֣לֶת
(lememshelet)
tot heerschappij van
הַיּ֔וֹם
(hayom)
de dag
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַמָּא֤וֹר
(hamaor)
het licht
הַקָּטֹן֙
(haqaton)
het kleine
לְמֶמְשֶׁ֣לֶת
(lememshelet)
tot heerschappij van
הַלַּ֔יְלָה
(halayla)
de nacht
וְאֵ֖ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַכּוֹכָבִֽים
(hakokhavim)
de sterren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zon en maan worden hier niet bij naam genoemd: het Hebreeuws zegt מָאוֹר (ma’or), ‘lichtgever’: ‘het grote licht’ en ‘het kleine licht’.

De woorden voor zon, שֶׁמֶשׁ (shemesh), en maan, יָרֵחַ (yareach), komen in dit hoofdstuk niet voor.

17Elohim zette ze aan het uitspansel van de hemel om licht te geven op de aarde,
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en Hij zette
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
בִּרְקִ֣יעַ
(birqia)
in het uitspansel
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
לְהָאִ֖יר
(lehair)
om te verlichten
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18om te regeren over de dag en de nacht en het licht van de duisternis te scheiden. Elohim zag dat het goed was.
וְלִמְשֹׁל֙
(velimshol)
en om te heersen
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
in de dag
וּבַלַּ֔יְלָה
(uvalayla)
en in de nacht
וּֽלֲהַבְדִּ֔יל
(ulahavdil)
en om te scheiden
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הָא֖וֹר
(haor)
het licht
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַחֹ֑שֶׁךְ
(hachoshekh)
de duisternis
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en Hij zag
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
כִּי
(ki)
dat
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Het werd avond en het werd morgen: de vierde dag.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
עֶ֥רֶב
(erev)
avond
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
בֹ֖קֶר
(boqer)
morgen
י֥וֹם
(yom)
dag
רְבִיעִֽי
(revii)
vierde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 2:8

Dag vijf: vissen en vogels

20Elohim zei: „Laat het water wemelen van levende wezens, en laat vogels vliegen boven de aarde, langs het uitspansel van de hemel.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
יִשְׁרְצ֣וּ
(yishretsu)
laat wemelen
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
שֶׁ֖רֶץ
(sherets)
gewemel
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּ֑ה
(chaya)
levend
וְעוֹף֙
(veof)
en gevogelte
יְעוֹפֵ֣ף
(yeofef)
laat vliegen
עַל
(al)
boven
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
עַל
(al)
op
פְּנֵ֖י
(penei)
oppervlak
רְקִ֥יעַ
(reqia)
uitspansel
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Elohim schiep de grote zeedieren en alle levende wezens die zich voortbewegen, waarvan het water wemelt, ieder naar zijn soort. Ook schiep Hij alle vogels, ieder naar zijn soort. Elohim zag dat het goed was.
וַיִּבְרָ֣א
(vayivra)
en Hij schiep
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַתַּנִּינִ֖ם
(hataninim)
de zeedieren
הַגְּדֹלִ֑ים
(hagedolim)
de grote
וְאֵ֣ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
wezen
הַֽחַיָּ֣ה
(hachaya)
het levende
הָֽרֹמֶ֡שֶׂת
(haromeset)
het zich voortbewegende
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
שָׁרְצ֨וּ
(sharetsu)
wemelden
הַמַּ֜יִם
(hamayim)
het water
לְמִֽינֵהֶ֗ם
(leminehem)
naar hun soort
וְאֵ֨ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
ע֤וֹף
(of)
vogel
כָּנָף֙
(kanaf)
vleugel
לְמִינֵ֔הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en Hij zag
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
כִּי
(ki)
dat
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַתַּנִּינִם (hatanninim), ‘de grote zeedieren’.

In andere teksten is de tannin een slang of zeemonster, een symbool van chaos (Ps. 74:13; Jes. 27:1).

Hier zijn het gewoon grote schepselen die Elohim zelf maakt.

Daarom staat er ‘zeedieren’ en niet ‘zeemonsters’.

22Elohim zegende ze en zei: „Wees vruchtbaar en word talrijk. Vul de zeeën. Laat de vogels talrijk worden op de aarde.”
וַיְבָ֧רֶךְ
(vayvarekh)
en Hij zegende
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
om te zeggen
פְּר֣וּ
(peru)
wees vruchtbaar
וּרְב֗וּ
(urevu)
en word talrijk
וּמִלְא֤וּ
(umilu)
en vul
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמַּ֨יִם֙
(hamayim)
het water
בַּיַּמִּ֔ים
(bayamim)
in de zeeën
וְהָע֖וֹף
(vehaof)
en het gevogelte
יִ֥רֶב
(yirev)
laat talrijk worden
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Het werd avond en het werd morgen: de vijfde dag.
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
עֶ֥רֶב
(erev)
avond
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
בֹ֖קֶר
(boqer)
morgen
י֥וֹם
(yom)
dag
חֲמִישִֽׁי
(chamishi)
vijfde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJub 2:11

Dag zes: de dieren op het land

24Elohim zei: „Laat de aarde levende wezens voortbrengen, ieder naar zijn soort: vee, kruipende dieren en wilde dieren van de aarde, ieder naar zijn soort.” En zo gebeurde het.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
תּוֹצֵ֨א
(totse)
laat voortbrengen
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
de aarde
נֶ֤פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּה֙
(chaya)
levend
לְמִינָ֔הּ
(leminah)
naar haar soort
בְּהֵמָ֥ה
(behema)
vee
וָרֶ֛מֶשׂ
(varemes)
en kruipend dier
וְחַֽיְתוֹ
(vechayto)
en dier van
אֶ֖רֶץ
(erets)
aarde
לְמִינָ֑הּ
(leminah)
naar haar soort
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְמִינָהּ (leminah), ‘naar haar soort’, staat in enkelvoud, omdat נֶפֶשׁ חַיָּה (nefesh chayah), ‘levend wezen’, een verzameling is.

‘Ieder naar zijn soort’ geeft dat enkelvoud weer: elke diersoort brengt zijn eigen soort voort.

25Elohim maakte de wilde dieren van de aarde naar zijn soort, het vee naar zijn soort, en alle kruipende dieren van de grond naar zijn soort. Elohim zag dat het goed was.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en Hij maakte
אֱלֹהִים֩
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חַיַּ֨ת
(chayat)
dier van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
de aarde
לְמִינָ֗הּ
(leminah)
naar haar soort
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
הַבְּהֵמָה֙
(habehema)
het vee
לְמִינָ֔הּ
(leminah)
naar haar soort
וְאֵ֛ת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
רֶ֥מֶשׂ
(remes)
kruipend dier
הָֽאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
לְמִינֵ֑הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en Hij zag
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
כִּי
(ki)
dat
טֽוֹב
(tov)
goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De mens naar het beeld van Elohim

26Elohim zei: „Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. Zij moeten heersen over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee en de hele aarde, en over alles wat zich over de aarde voortbeweegt.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
נַֽעֲשֶׂ֥ה
(naase)
laten wij maken
אָדָ֛ם
(adam)
mens
בְּצַלְמֵ֖נוּ
(betsalmenu)
in ons beeld
כִּדְמוּתֵ֑נוּ
(kidmutenu)
naar onze gelijkenis
וְיִרְדּוּ֩
(veyirdu)
en laat ze heersen
בִדְגַ֨ת
(bidgat)
over de vis van
הַיָּ֜ם
(hayam)
de zee
וּבְע֣וֹף
(uveof)
en over het gevogelte van
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
וּבַבְּהֵמָה֙
(uvabehema)
en over het vee
וּבְכָל
(uvekhal)
en over al
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וּבְכָל
(uvekhal)
en over al
הָרֶ֖מֶשׂ
(haremes)
het kruipende dier
הָֽרֹמֵ֥שׂ
(haromes)
het zich voortbewegende
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָדָם (adam) staat hier zonder lidwoord.

Dat wijst elders op de eigennaam Adam (zie 2:20; 3:17; 4:25), maar hier niet: het meervoud ‘Zij moeten heersen’ laat zien dat de mensheid als geheel bedoeld is.

Daarom staat er ‘mensen’.

In vers 27 staat het met lidwoord (הָאָדָם, ha’adam), daar vertaald als ‘de mens’.

נַעֲשֶׂה (na’aseh), ‘laten Wij maken’, is een meervoud, net als in 3:22 en 11:7.

בְּצַלְמֵנוּ כִּדְמוּתֵנוּ (betsalmenu kidmutenu), ‘naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis’, heeft hetzelfde meervoud; in vers 27 staat het enkelvoud: בְּצַלְמוֹ (betsalmo), ‘naar Zijn beeld’.

Hier is niet de persoon Adam bedoeld.

Wij schrijven de eigennaam Adam vanaf Gen. 2:16: daar heeft de Septuaginta Ἀδάμ (Adam), waar de Masoretische tekst הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’, heeft (zie de voetnoot daar).

Het meervoud ‘Laten Wij’ wordt verklaard als de drie-eenheid (zie de voetnoot bij vers 1) of als overleg van Elohim met de hemelse raad.

27Elohim schiep de mens naar Zijn beeld. Hij schiep hem naar het beeld van Elohim. Hij schiep hen mannelijk en vrouwelijk.
וַיִּבְרָ֨א
(vayivra)
en Hij schiep
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאָדָם֙
(haadam)
de mens
בְּצַלְמ֔וֹ
(betsalmo)
in Zijn beeld
בְּצֶ֥לֶם
(betselem)
in het beeld van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
בָּרָ֣א
(bara)
schiep
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
זָכָ֥ר
(zakhar)
mannelijk
וּנְקֵבָ֖ה
(uneqeva)
en vrouwelijk
בָּרָ֥א
(bara)
schiep
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאָדָם (ha’adam) is ‘de mens’ als soort.

In dit vers wisselen ‘hem’ en ‘hen’.

28Elohim zegende hen, en Elohim zei tegen hen: „Wees vruchtbaar en word talrijk, vul de aarde en onderwerp haar. Heers over de vissen van de zee, de vogels van de hemel en alle levende wezens die zich over de aarde voortbewegen.”
וַיְבָ֣רֶךְ
(vayvarekh)
en Hij zegende
אֹתָם֮
(otam)
hen
אֱלֹהִים֒
(Elohim)
Elohim
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֜ם
(lahem)
tot hen
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
פְּר֥וּ
(peru)
wees vruchtbaar
וּרְב֛וּ
(urevu)
en word talrijk
וּמִלְא֥וּ
(umilu)
en vul
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וְכִבְשֻׁ֑הָ
(vekhivshuha)
en onderwerp haar
וּרְד֞וּ
(uredu)
en heers
בִּדְגַ֤ת
(bidgat)
over de vis van
הַיָּם֙
(hayam)
de zee
וּבְע֣וֹף
(uveof)
en over het gevogelte van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וּבְכָל
(uvekhal)
en over al
חַיָּ֖ה
(chaya)
levend wezen
הָֽרֹמֶ֥שֶׂת
(haromeset)
het zich voortbewegende
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרֹמֶשֶׂת (haromeset), ‘wat zich voortbeweegt’, is het werkwoord רמשׂ (ramas), ‘zich voortbewegen’.

Het zelfstandig naamwoord רֶמֶשׂ (remes), ‘kruipend dier’, in 1:24–25 en 6:20 wijst op een eigen groep naast het vee en de wilde dieren.

Het slaat op alle levende wezens op aarde, niet alleen op dieren die kruipen.

Dit werkwoord komt ook voor in 1:26 en 1:30, 7:8, 7:14, 7:21, 8:17, 8:19 en 9:2.

29Elohim zei: „Zie, Ik geef jullie alle planten die zaad dragen, overal op de aarde, en alle bomen met vruchten die zaad dragen. Dat zal jullie voedsel zijn.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
הִנֵּה֩
(hine)
zie
נָתַ֨תִּי
(natati)
ik heb gegeven
לָכֶ֜ם
(lakhem)
aan jullie
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
עֵ֣שֶׂב
(esev)
plant
זֹרֵ֣עַ
(zorea)
zaad zaaiend
זֶ֗רַע
(zera)
zaad
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
oppervlak
כָל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
הָעֵ֛ץ
(haets)
de boom
אֲשֶׁר
(asher)
die
בּ֥וֹ
(bo)
erin
פְרִי
(peri)
vrucht van
עֵ֖ץ
(ets)
boom
זֹרֵ֣עַ
(zorea)
zaad zaaiend
זָ֑רַע
(zara)
zaad
לָכֶ֥ם
(lakhem)
aan jullie
יִֽהְיֶ֖ה
(yihye)
het zal zijn
לְאָכְלָֽה
(leakhela)
tot voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30En alle wilde dieren van de aarde, alle vogels van de hemel en alles wat zich over de aarde voortbeweegt, alles waarin leven is: voor hen geef Ik alle groene planten tot voedsel.” En zo gebeurde het.
וּֽלְכָל
(ulekhal)
en aan al
חַיַּ֣ת
(chayat)
dier van
הָ֠אָרֶץ
(haarets)
de aarde
וּלְכָל
(ulekhal)
en aan al
ע֨וֹף
(of)
vogel van
הַשָּׁמַ֜יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְכֹ֣ל
(ulekhol)
en aan al
רוֹמֵ֣שׂ
(romes)
wat zich voortbeweegt
עַל
(al)
op
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
אֲשֶׁר
(asher)
die
בּוֹ֙
(bo)
erin
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
wezen
חַיָּ֔ה
(chaya)
levend
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
יֶ֥רֶק
(yereq)
groen
עֵ֖שֶׂב
(esev)
plant
לְאָכְלָ֑ה
(leakhela)
tot voedsel
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
כֵֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31En Elohim keek naar alles wat Hij gemaakt had, en zie: het was zeer goed. Het werd avond en het werd morgen: de zesde dag.
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en Hij zag
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
al
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֔ה
(asa)
Hij had gemaakt
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
ט֖וֹב
(tov)
goed
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
עֶ֥רֶב
(erev)
avond
וַֽיְהִי
(vayhi)
en het werd
בֹ֖קֶר
(boqer)
morgen
י֥וֹם
(yom)
dag
הַשִּׁשִּֽׁי
(hashishi)
de zesde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)