Hebreeën 1
Elohim spreekt in een Zoon, die beter is dan de engelen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elohim heeft in een Zoon gesproken
De brief begint zonder afzender en zonder begroeting; hij opent meteen met Elohim die spreekt. πολυμερῶς (polymeros), ‘op veel manieren’, letterlijk ‘in veel delen’, en πολυτρόπως (polytropos), ‘in veel vormen’: Elohim sprak in stukken en op verschillende wijzen. λαλέω (laleo), ‘spreken’.
‘De vaders’ zijn de voorouders van Israël; ‘de profeten’ zijn de sprekers door wie Elohim sprak. ἐν (en) staat bij ‘de profeten’ en in vers 2 bij ‘een Zoon’; wij vertalen het eerst met ‘door’ en dan met ‘in’.
ἐπ᾽ ἐσχάτου τῶν ἡμερῶν τούτων (ep eschatou ton hemeron touton), ‘in het laatste van deze dagen’: de tijd waarin de schrijver en zijn lezers leven. ἐν υἱῷ (en huio), ‘in een Zoon’: het Grieks heeft geen lidwoord; het gaat om wie Hij is, niet alleen om een zoon als persoon. κληρονόμος (kleronomos), ‘erfgenaam’. αἰών (aion), ‘eeuw, tijdperk’: de meervoudsvorm ‘de eeuwen’ kan ook ‘de werelden’ betekenen, alles wat in de tijd bestaat.
Zie ook Joh. 1:3; Kol. 1:16.
De SBLGNT markeert bij ‘Hij ook de eeuwen gemaakt heeft’ (ἐποίησεν τοὺς αἰῶνας) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἀπαύγασμα (apaugasma), ‘afstraling’: het licht dat van een bron uitgaat; het woord kan ook ‘weerschijn’ zijn. χαρακτήρ (charakter), ‘afdruk’: het merk van een stempel of zegel. ὑπόστασις (hypostasis), ‘wezen’: wat iets werkelijk is; het woord komt ook voor in 3:14 (‘grondslag’) en 11:1.
Het Grieks heeft ‘Zijn’ (αὐτοῦ) alleen achter ‘wezen’; het kan ook bij ‘heerlijkheid’ horen.
‘Het woord van Zijn kracht’: bij ‘kracht’ staat in het Grieks geen bezittelijk voornaamwoord; wij vullen ‘Zijn’ aan. φέρω (fero), ‘dragen’. καθαρισμός (katharismos), ‘reiniging’.
‘Aan de rechterhand van de Majesteit’ (μεγαλωσύνη, megalosyne): de plaats van eer en gezag, zoals in Ps. 110:1.
‘In de hoogte’ (ἐν ὑψηλοῖς, en hypselois): letterlijk ‘in de hoge plaatsen’, een omschrijving voor de hemel.
Zie ook Ps. 110:1; Kol. 1:15.
De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘door Zichzelf’ (δι᾽ αὑτοῦ) en bij ‘de zonden bewerkt hebbend’ (τῶν ἁμαρτιῶν ποιησάμενος).
Wij volgen de SBLGNT.
De Zoon, beter dan de engelen
κρείττων (kreitton), ‘beter’: dit woord keert in de brief steeds terug (bijvoorbeeld 7:7, 7:19, 7:22). κεκληρονόμηκεν (kekleronomeken), ‘Hij heeft geërfd’: een voltooide tijd; de naam is Zijn bezit gebleven.
Het Grieks zegt niet welke naam bedoeld is; vers 5 noemt de titel ‘Zoon’.
De Schrift over de Zoon en de engelen
De eerste aanhaling is Ps. 2:7: ‘Mijn zoon ben jij.
Ik heb jou vandaag verwekt.’
De tweede is 2 Sam. 7:14: ‘Ik zal voor hem een vader zijn, en hij zal voor Mij een zoon zijn.’
Ons Hebreeuws heeft in 2 Sam. 7:14 hetzelfde en gaat verder met ‘Wanneer hij verkeerd handelt…’; Hebreeën laat dat deel weg. γεννάω (gennao), ‘verwekken’. ἄγγελος (angelos), ‘engel’: ook ‘bode, boodschapper’.
Beide aanhalingen zijn woorden van Elohim in de eerste persoon; wij zetten ze rood.
Zie ook Ps. 2:7; 2 Sam. 7:14; Hand. 13:33.
πρωτότοκος (prototokos), ‘eerstgeborene’: de eerste in rang en in tijd, zoals in Ps. 89:28 en Kol. 1:15. πάλιν (palin), ‘weer’: het kan bij ‘brengt’ horen (‘opnieuw in de wereld brengt’) of bij ‘zegt’ (‘verder zegt Hij’, zoals in vers 5); wij houden het bij ‘brengt’. οἰκουμένη (oikoumene), ‘de bewoonde wereld’: zoals in Luc. 2:1. προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’.
De woorden staan zwart: Hebreeën zegt dat Elohim ze spreekt, maar ze spreken over Hem in de derde persoon.
Ons Hebreeuws van Deut. 32:43 heeft deze regel niet; Ps. 97:7 heeft ‘Buig je neer voor Hem, alle goden’ (Hebr.
אֱלֹהִים, elohim).
Hebreeën heeft ‘engelen van Elohim’.
Zie ook Deut. 32:43; Ps. 97:7.
πρός (pros) met de vierde naamval kan ‘tegen’ of ‘met het oog op’ betekenen; omdat de woorden over de engelen gaan, vertalen wij ‘over’, en in vers 8, waar de Zoon wordt aangesproken, ‘tegen’.
Aanhaling van Ps. 104:4.
Ons Hebreeuws heeft: ‘U maakt winden tot Uw boodschappers, laaiend vuur tot Uw dienaren’; het Hebreeuws laat ook de lezing ‘U maakt Uw engelen tot winden’ toe.
Hebreeën heeft ‘Hij die Zijn engelen tot geesten maakt’. πνεῦμα (pneuma) is ‘wind’ en ‘geest’. λειτουργός (leitourgos), ‘dienaar’: zoals in Rom. 13:6.
Zie ook Ps. 104:4.
Aanhaling van Ps. 45:7–8 (Hebreeuwse telling; in Nederlandse bijbels Ps. 45:6–7).
Ons Hebreeuws heeft: ‘Uw troon, Elohim, blijft voor eeuwig en altijd.
De scepter van uw koningschap is een scepter van rechtheid.’
De Griekse tekst zet de delen van de tweede zin in andere volgorde. ὁ θεός (ho theos) kan een aanspreking zijn (‘Uw troon, Elohim’), maar het Grieks laat ook ‘Elohim is Uw troon’ toe; wij vertalen als aanspreking, zoals het Hebreeuws.
De woorden worden hier tot de Zoon gericht en gaan over Hem, niet over Elohim in de eerste persoon; daarom staan ze zwart. ῥάβδος (rabdos), ‘scepter’, εὐθύτης (euthytes), ‘rechtheid’.
Zie ook Ps. 45:7–8.
De SBLGNT markeert in dit vers varianten bij ‘en de scepter van de rechtheid’ (καὶ ἡ ῥάβδος τῆς εὐθύτητος) en bij ‘Uw’ (σου).
Wij volgen de SBLGNT.
ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’: leven zonder de wet van Elohim; het Hebreeuws van Ps. 45:8 heeft ‘goddeloosheid’. ἀγαλλίασις (agalliasis), ‘jubel’: uitbundige vreugde; ons Hebreeuws heeft ‘olie van vreugde’. χρίω (chrio), ‘zalven’: hetzelfde grondwoord als Χριστός, ‘Messias, gezalfde’. μέτοχος (metochos), ‘metgezel, deelgenoot’: het woord komt ook voor in 3:1, 3:14 en 6:4, waar wij ‘deelhebbers’ vertalen; hier volgen wij ‘metgezellen’ van Ps. 45:8.
Zie ook Ps. 45:8.
Aanhaling van Ps. 102:26–28 (Hebreeuwse telling; in Nederlandse bijbels Ps. 102:25–27).
In de psalm wordt Yahweh aangesproken.
Het woord κύριε (kyrie), ‘Heer’, staat niet in ons Hebreeuws van dit vers; Hebreeën past de woorden toe op de Zoon. θεμελιόω (themelioo), ‘de grondslag leggen, grondvesten’. κατ᾽ ἀρχάς (kat archas), ‘in het begin’.
Zie ook Ps. 102:26–28; Joh. 1:1–3.
ἀπόλλυμι (apollymi), ‘vergaan’; διαμένω (diameno), ‘blijven, standhouden’; παλαιόω (palaioo), ‘oud worden, verslijten’.
Het ‘zij’ zijn de aarde en de hemelen van vers 10.
περιβόλαιον (peribolaion), ‘mantel’: een omslagkleed. ἑλίσσω (helisso), ‘oprollen’. ἀλλάσσω (allasso), ‘veranderen’; ons Hebreeuws heeft ‘verwisselen’.
‘Uw jaren zullen niet ophouden’ (οὐκ ἐκλείψουσιν, ouk ekleipsousin): zij lopen niet af.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Maar U bent dezelfde, en Uw jaren nemen geen einde.’
De SBLGNT markeert bij ‘als een kleed’ (ὡς ἱμάτιον) een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Aanhaling van Ps. 110:1.
Ons Hebreeuws heeft: ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik je vijanden zet als voetbank voor je voeten.’
Hebreeën laat de inleiding weg en geeft het als woorden van Elohim tot de Zoon; wij zetten ze rood. ὑποπόδιον (hypopodion), ‘voetbank’.
Zie ook Ps. 110:1; Matt. 22:44; Hand. 2:34–35.
λειτουργικός (leitourgikos), ‘dienend’: zij zijn in dienst, zoals de ‘dienaren’ van vers 7. ἀποστέλλω (apostello), ‘uitzenden’. διακονία (diakonia), ‘dienst’.
‘Redding erven’ (κληρονομεῖν σωτηρίαν): de redding is een erfenis; zie ook 1:2 en 1:4.
De vraag verwacht het antwoord ‘ja’.
Zie ook Ps. 91:11.