Afvalligheid, vals recht en de klacht om de breuk van het volk
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De graven worden geopend
1In die tijd, godsspraak van Yahweh, zal men de beenderen van de koningen van Juda uit hun graven halen, en de beenderen van zijn oversten, de beenderen van de priesters, de beenderen van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem.
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֣יא
(hahi)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
יוֹצִ֣יאוּ
(yotsiu)
zullen uithalen
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמ֣וֹת
(atsmot)
beenderen van
מַלְכֵֽי
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָ֣ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַצְמוֹת
(atsmot)
beenderen van
שָׂרָיו֩
(sarav)
zijn oversten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַצְמ֨וֹת
(atsmot)
beenderen van
הַכֹּהֲנִ֜ים
(hakohanim)
de priesters
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
עַצְמ֣וֹת
(atsmot)
beenderen van
הַנְּבִיאִ֗ים
(haneviim)
de profeten
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
עַצְמ֥וֹת
(atsmot)
beenderen van
יוֹשְׁבֵֽי
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִָ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מִקִּבְרֵיהֶֽם
(miqivreihem)
uit hun graven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Dit vers zet de toespraak van Jer. 7:21–34 voort.
Het openbreken van graven en het uitspreiden van de beenderen is een diepe schande: wie niet begraven wordt, vindt geen rust (vergelijk Jer. 7:33 en Deut. 28:26).
2Men zal ze uitspreiden voor de zon, de maan en heel het leger van de hemel, die zij liefhadden, die zij dienden, achter wie zij aan liepen, die zij raadpleegden en voor wie zij zich neerbogen. Ze worden niet verzameld en niet begraven. Ze zullen als mest zijn op de grond.
וּשְׁטָחוּם֩
(ushetachum)
en zij zullen uitspreiden hen
לַשֶּׁ֨מֶשׁ
(lashemesh)
voor de zon
וְלַיָּרֵ֜חַ
(velayareach)
en voor de maan
וּלְכֹ֣ל
(ulekhol)
en voor heel
צְבָ֣א
(tseva)
leger van
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֲהֵב֜וּם
(ahevum)
zij liefhadden hen
וַאֲשֶׁ֤ר
(vaasher)
en die
עֲבָדוּם֙
(avadum)
zij dienden hen
וַֽאֲשֶׁר֙
(vaasher)
en die
הָלְכ֣וּ
(halekhu)
zij liepen
אַֽחֲרֵיהֶ֔ם
(achareihem)
achter hen
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en die
דְּרָשׁ֔וּם
(derashum)
zij raadpleegden hen
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en die
הִֽשְׁתַּחֲו֖וּ
(hishtachavu)
zij bogen zich neer
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
לֹ֤א
(lo)
niet
יֵאָֽסְפוּ֙
(yeasefu)
zullen verzameld worden
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִקָּבֵ֔רוּ
(yiqaveru)
zullen begraven worden
לְדֹ֛מֶן
(ledomen)
tot mest
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
יִֽהְיֽוּ
(yihyu)
zullen zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּלְכֹל צְבָא הַשָּׁמַיִם (ulekhol tseva hashamayim), ‘het leger van de hemel’: de sterren, aanbeden als goden.
Zie ook 2 Kon. 21:3 en 21:5.
לְדֹמֶן (domen), ‘mest’: de lijken liggen verspreid als mest op het land.
De vijf werkwoorden (liefhebben, dienen, achterna lopen, raadplegen, zich neerbuigen) beschrijven de hele eredienst van de sterrengoden.
3Dan wordt de dood verkozen boven het leven door al de overgeblevenen van deze boze familie, op alle plaatsen waar de overgeblevenen zijn. Ik heb hen daarheen verdreven, godsspraak van Yahweh van de legermachten.”
וְנִבְחַ֥ר
(venivchar)
en zal gekozen worden
מָ֨וֶת֙
(mavet)
dood
מֵֽחַיִּ֔ים
(mechayim)
boven leven
לְכֹ֗ל
(lekhol)
door al
הַשְּׁאֵרִית֙
(hasheerit)
de overgeblevenen
הַנִּשְׁאָרִ֔ים
(hanisharim)
die overblijven
מִן
(min)
van
הַמִּשְׁפָּחָ֥ה
(hamishpacha)
de familie
הָֽרָעָ֖ה
(haraa)
de boze
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
בְּכָל
(bekhal)
op alle
הַמְּקֹמ֤וֹת
(hameqomot)
de plaatsen
הַנִּשְׁאָרִים֙
(hanisharim)
die overblijven
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
הִדַּחְתִּ֣ים
(hidachtim)
Ik heb hen verdreven
שָׁ֔ם
(sham)
daar
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמִּשְׁפָּחָה (mishpachah), ‘familie’: hier het hele overgebleven volk.
De overgeblevenen (she’erit) in de ballingschap kiezen liever de dood dan het leven.
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.
Het Hebreeuws heeft hier één zin; wij splitsen ‘waarheen Ik hen verdreven heb’ af als ‘Ik heb hen daarheen verdreven’.
Hiermee eindigt de toespraak die in Jer. 7:21 begon.
5Waarom heeft dit volk, Jeruzalem, zich afgekeerd in blijvende afvalligheid? Zij houden vast aan bedrog. Zij weigeren terug te keren.
מַדּ֨וּעַ
(madua)
waarom
שׁוֹבְבָ֜ה
(shoveva)
heeft zich afgekeerd
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֛ה
(haze)
dit
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מְשֻׁבָ֣ה
(meshuva)
afvalligheid
נִצַּ֑חַת
(nitsachat)
blijvend
הֶחֱזִ֨יקוּ֙
(hecheziqu)
zij houden vast
בַּתַּרְמִ֔ית
(batarmit)
aan bedrog
מֵאֲנ֖וּ
(meanu)
zij weigeren
לָשֽׁוּב
(lashuv)
terug te keren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
שׁוֹבְבָה (shovevah), ‘heeft zich afgekeerd’ en מְשֻׁבָה (meshuvah), ‘afvalligheid’: beide van het werkwoord שׁוּב (shuv), dat ook ‘terugkeren’ betekent.
Het volk heeft zich van Yahweh afgekeerd en keert niet terug.
6Ik heb opgelet en geluisterd: zij spreken niet juist. Niemand heeft berouw over zijn kwaad en zegt: „Wat heb ik gedaan?” Ieder keert terug naar zijn eigen loop, als een paard dat de strijd in stormt.
הִקְשַׁ֤בְתִּי
(hiqshavti)
ik heb opgelet
וָֽאֶשְׁמָע֙
(vaeshma)
en ik heb gehoord
לוֹא
(lo)
niet
כֵ֣ן
(ken)
juist
יְדַבֵּ֔רוּ
(yedaberu)
zij spreken
אֵ֣ין
(ein)
niet is er
אִ֗ישׁ
(ish)
man
נִחָם֙
(nicham)
die berouw heeft
עַל
(al)
over
רָ֣עָת֔וֹ
(raato)
zijn kwaad
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggend
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשִׂ֑יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
כֻּלֹּ֗ה
(kulo)
ieder
שָׁ֚ב
(shav)
keert terug
בִּמְר֣וּצָתָ֔ם
(bimrutsatam)
in hun loop
כְּס֥וּס
(kesus)
als een paard
שׁוֹטֵ֖ף
(shotef)
stormend
בַּמִּלְחָמָֽה
(bamilchama)
in de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִחָם (nicham), ‘heeft berouw’: het werkwoord נָחַם (nacham) in de lijdende vorm.
Bij een mens is dat ‘berouw hebben’; van Yahweh zeggen wij ‘Zich laten rouwen’.
בִּמְרוּצָתָם (bimrutsatam), ‘in hun loop’: de baan, de koers. Ieder gaat zijn eigen weg, als een paard dat het slagveld in stormt.
7Zelfs de ooievaar in de hemel kent haar vaste tijden. De tortelduif, de zwaluw en de kraanvogel houden de tijd van hun komst in acht. Maar Mijn volk kent het recht van Yahweh niet.
גַּם
(gam)
zelfs
חֲסִידָ֣ה
(chasida)
ooievaar
בַשָּׁמַ֗יִם
(bashamayim)
in de hemel
יָֽדְעָה֙
(yadea)
kent
מֽוֹעֲדֶ֔יהָ
(moadeiha)
haar vaste tijden
וְתֹ֤ר
(vetor)
en tortelduif
וְסִיס֙
(vesis)
en zwaluw
וְעָג֔וּר
(veagur)
en kraanvogel
שָׁמְר֖וּ
(shameru)
houden in acht
אֶת
(et)
(obj.)
עֵ֣ת
(et)
tijd van
בֹּאָ֑נָה
(boana)
hun komst
וְעַמִּ֕י
(veami)
en Mijn volk
לֹ֣א
(lo)
niet
יָֽדְע֔וּ
(yadeu)
kennen zij
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מִשְׁפַּ֥ט
(mishpat)
recht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Hoe kunnen jullie zeggen: „Wij zijn wijs, en de wet van Yahweh is bij ons”? Maar zie, tot leugen heeft de leugenpen van de schrijvers haar gemaakt.
אֵיכָ֤ה
(eikha)
hoe
תֹֽאמְרוּ֙
(tomru)
zeggen jullie
חֲכָמִ֣ים
(chakhamim)
wijzen
אֲנַ֔חְנוּ
(anachnu)
wij
וְתוֹרַ֥ת
(vetorat)
en wet van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אִתָּ֑נוּ
(itanu)
met ons
אָכֵן֙
(akhen)
echter
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
לַשֶּׁ֣קֶר
(lasheqer)
tot leugen
עָשָׂ֔ה
(asa)
heeft gemaakt
עֵ֖ט
(et)
pen van
שֶׁ֥קֶר
(sheqer)
leugen
סֹפְרִֽים
(soferim)
schrijvers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְתוֹרַת יְהוָה (vetorat Yahweh), ‘de wet van Yahweh’: תּוֹרָה (torah) is wet en onderwijs.
Het volk beroept zich op de wet.
Het Hebreeuws van het tweede deel is kort en moeilijk: letterlijk ‘tot leugen heeft gemaakt de pen van leugen, de schrijvers’. Wij begrijpen het zo: de schrijvers hebben met hun pen de wet tot leugen gemaakt.
10Daarom geef Ik hun vrouwen aan anderen, hun akkers aan nieuwe bezitters. Want van de kleinste tot de grootste is ieder van hen uit op winst. Van profeet tot priester pleegt ieder bedrog.
לָכֵן֩
(lakhen)
daarom
אֶתֵּ֨ן
(eten)
Ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
נְשֵׁיהֶ֜ם
(nesheihem)
hun vrouwen
לַאֲחֵרִ֗ים
(laacherim)
aan anderen
שְׂדֽוֹתֵיהֶם֙
(sedoteihem)
hun akkers
לְי֣וֹרְשִׁ֔ים
(leyoreshim)
aan bezitters
כִּ֤י
(ki)
want
מִקָּטֹן֙
(miqaton)
van kleinste
וְעַד
(vead)
en tot
גָּד֔וֹל
(gadol)
grootste
כֻּלֹּ֖ה
(kulo)
ieder van hen
בֹּצֵ֣עַ
(botsea)
uit op
בָּ֑צַע
(batsa)
winst
מִנָּבִיא֙
(minavi)
van profeet
וְעַד
(vead)
en tot
כֹּהֵ֔ן
(kohen)
priester
כֻּלֹּ֖ה
(kulo)
ieder van hen
עֹ֥שֶׂה
(ose)
pleegt
שָּֽׁקֶר
(shaqer)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers en de verzen 11 en 12 komen bijna woordelijk overeen met Jer. 6:12–15.
Hier begint het met ‘Daarom geef Ik hun vrouwen aan anderen’; in Jer. 6:12 staat ‘Hun huizen gaan over naar anderen’.
Vanaf ‘Want van de kleinste tot de grootste’ is het vers gelijk aan Jer. 6:13.
12Schamen zij zich, omdat zij gruwel hebben gedaan? Zij schamen zich helemaal niet. Zij weten niet eens wat vernedering is. Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen. In de tijd van hun straf zullen zij struikelen, zegt Yahweh.
הֹבִ֕שׁוּ
(hovishu)
zijn zij beschaamd
כִּ֥י
(ki)
want
תוֹעֵבָ֖ה
(toeva)
gruwel
עָשׂ֑וּ
(asu)
zij deden
גַּם
(gam)
ook
בּ֣וֹשׁ
(bosh)
schamen zich
לֹֽא
(lo)
niet
יֵבֹ֗שׁוּ
(yevoshu)
zij schamen zich
וְהִכָּלֵם֙
(vehikalem)
en vernederd worden
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֔עוּ
(yadau)
zij weten
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
יִפְּל֣וּ
(yipelu)
zullen vallen
בַנֹּפְלִ֗ים
(banofelim)
onder de vallenden
בְּעֵ֧ת
(beet)
in de tijd van
פְּקֻדָּתָ֛ם
(pequdatam)
hun straf
יִכָּשְׁל֖וּ
(yikashelu)
zullen struikelen
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is bijna gelijk aan Jer. 6:15.
Verschillen: ‘Schamen zij zich’ (hier הֹבִשׁוּ, hovashu, in Jer. 6:15 hovishu), ‘vernederd worden’ (וְהִכָּלֵם, vehikkalem, in Jer. 6:15 hakhlim) en ‘In de tijd van hun straf’ (בְּעֵת פְּקֻדָּתָם, be’et peqquddatam, in Jer. 6:15 ‘In de tijd dat Ik hen straf’).
13Ik wil hen volledig wegnemen, godsspraak van Yahweh. Er zijn geen druiven aan de wijnstok en geen vijgen aan de vijgenboom. Het blad is verwelkt. Wat Ik hun gegeven heb, gaat van hen weg.’”
אָסֹ֥ף
(asof)
wegnemen
אֲסִיפֵ֖ם
(asifem)
Ik zal hen wegnemen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵין֩
(ein)
niet is er
עֲנָבִ֨ים
(anavim)
druiven
בַּגֶּ֜פֶן
(bagefen)
aan de wijnstok
וְאֵ֧ין
(veein)
en niet is er
תְּאֵנִ֣ים
(teenim)
vijgen
בַּתְּאֵנָ֗ה
(bateena)
aan de vijgenboom
וְהֶֽעָלֶה֙
(veheale)
en het blad
נָבֵ֔ל
(navel)
is verwelkt
וָאֶתֵּ֥ן
(vaeten)
en Ik gaf
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
יַעַבְרֽוּם
(yaavrum)
zij gaan weg van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws is hier moeilijk.
אָסֹף אֲסִיפֵם (asof asifem), ‘Ik wil hen volledig wegnemen’: het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘bijeenbrengen’ en ook ‘wegnemen’; de herhaling geeft nadruk.
Zo ook Sef. 1:2.
Het slot, וָאֶתֵּן לָהֶם יַעַבְרוּם (va’etten lahem ya’avrum), ‘Wat Ik hun gegeven heb, gaat van hen weg’, is letterlijk ‘en Ik gaf hun, zij gaan over hen heen’; de betekenis is niet zeker. Sommige oude vertalingen lezen anders.
Hier eindigt de toespraak van Yahweh die in vers 4 begon.
14Waarom blijven wij zitten? Verzamel jullie, laten wij naar de versterkte steden gaan en daar zwijgen. Want Yahweh, onze Elohim, heeft ons doen zwijgen en ons gifwater te drinken gegeven, omdat wij tegen Yahweh gezondigd hebben.
עַל
(al)
op
מָה֙
(ma)
wat
אֲנַ֣חְנוּ
(anachnu)
wij
יֹֽשְׁבִ֔ים
(yoshevim)
zitten
הֵֽאָסְפ֗וּ
(heasefu)
verzamelt jullie
וְנָב֛וֹא
(venavo)
en laten wij gaan
אֶל
(el)
naar
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
הַמִּבְצָ֖ר
(hamivtsar)
de vesting
וְנִדְּמָה
(venidema)
en laten wij zwijgen
שָּׁ֑ם
(sham)
daar
כִּי֩
(ki)
want
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הֲדִמָּ֨נוּ֙
(hadimanu)
heeft ons doen zwijgen
וַיַּשְׁקֵ֣נוּ
(vayashqenu)
en heeft ons te drinken gegeven
מֵי
(mei)
water van
רֹ֔אשׁ
(rosh)
gif
כִּ֥י
(ki)
want
חָטָ֖אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לַיהוָֽה
(laYahweh)
tegen Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt het volk, of de profeet namens het volk.
De woorden staan zwart.
מֵי רֹאשׁ (mei rosh), ‘gifwater’: letterlijk ‘water van gif’; zie Deut. 29:17 en Jer. 9:14. הֲדִמָּנוּ (hadimmanu), ‘heeft ons doen zwijgen’: het werkwoord דָּמַם (damam) betekent ‘stil worden’ en ook ‘te gronde gaan’.
הַמִּבְצָר (hammivtsar), ‘de vesting’: de versterkte steden van Juda.
16Vanuit Dan is het snuiven van zijn paarden gehoord. Van het geluid van het hinniken van zijn sterke paarden beeft heel het land. Zij komen en verslinden het land en wat het vult, de stad en haar inwoners.
מִדָּ֤ן
(midan)
vanuit Dan
נִשְׁמַע֙
(nishma)
is gehoord
נַחְרַ֣ת
(nachrat)
snuiven van
סוּסָ֗יו
(susav)
zijn paarden
מִקּוֹל֙
(miqol)
van het geluid van
מִצְהֲל֣וֹת
(mitshalot)
hinniken van
אַבִּירָ֔יו
(abirav)
zijn sterken
רָעֲשָׁ֖ה
(raasha)
beeft
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיָּב֗וֹאוּ
(vayavou)
en zij komen
וַיֹּֽאכְלוּ֙
(vayokhlu)
en zij verslinden
אֶ֣רֶץ
(erets)
land
וּמְלוֹאָ֔הּ
(umeloah)
en wat het vult
עִ֖יר
(ir)
stad
וְיֹ֥שְׁבֵי
(veyoshevei)
en inwoners van
בָֽהּ
(bah)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan).
Uitleg
Dan is de noordelijkste stad van het land.
Wie uit het noorden komt, komt eerst langs Dan.
אַבִּירָיו (abbirav), ‘zijn sterke paarden’: het woord betekent ‘sterken’; hier de hengsten.
17„Want zie, Ik zend slangen onder jullie, giftige slangen waartegen geen bezwering helpt. Zij zullen jullie bijten, godsspraak van Yahweh.”
כִּי֩
(ki)
want
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
מְשַׁלֵּ֜חַ
(meshaleach)
zendend
בָּכֶ֗ם
(bakhem)
onder jullie
נְחָשִׁים֙
(nechashim)
slangen
צִפְעֹנִ֔ים
(tsifonim)
giftige slangen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֵין
(ein)
niet is er
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לָ֑חַשׁ
(lachash)
bezwering
וְנִשְּׁכ֥וּ
(venishekhu)
en zij zullen bijten
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְחָשִׁים צִפְעֹנִים (nechashim tsif’onim), ‘slangen, giftige slangen’: נָחָשׁ (nachash) is de gewone slang, צִפְעֹנִי (tsif’oni) een giftige slang, zoals in Jes. 11:8.
לָחַשׁ (lachash), ‘bezwering’: de fluisterende spreuk van een slangenbezweerder; vergelijk Ps. 58:5–6.
19Zie, het geschreeuw van de Dochter van mijn volk uit een ver land: „Is Yahweh niet in Sion? Is haar Koning niet in haar?” „Waarom hebben zij Mij tot toorn geprikkeld met hun gesneden beelden, met vreemde nietigheden?”
הִנֵּה
(hine)
zie
ק֞וֹל
(qol)
geluid van
שַֽׁוְעַ֣ת
(shavat)
geschreeuw van
בַּת
(bat)
dochter van
עַמִּ֗י
(ami)
mijn volk
מֵאֶ֨רֶץ֙
(meerets)
uit het land van
מַרְחַקִּ֔ים
(marchaqim)
verre
הַֽיהוָה֙
(haYahweh)
is Yahweh
אֵ֣ין
(ein)
niet
בְּצִיּ֔וֹן
(betsiyon)
in Sion
אִם
(im)
of
מַלְכָּ֖הּ
(malkah)
haar koning
אֵ֣ין
(ein)
niet
בָּ֑הּ
(bah)
in haar
מַדּ֗וּעַ
(madua)
waarom
הִכְעִס֛וּנִי
(hikhisuni)
hebben Mij tot toorn geprikkeld
בִּפְסִלֵיהֶ֖ם
(bifsileihem)
met hun gesneden beelden
בְּהַבְלֵ֥י
(behavlei)
met nietigheden van
נֵכָֽר
(nekhar)
vreemde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
De profeet hoort het geschreeuw van het volk uit een ver land, de ballingschap.
Het volk vraagt: ‘Is Yahweh niet in Sion?’
Daarop antwoordt Yahweh: ‘Waarom hebben zij Mij geprikkeld met hun gesneden beelden?’
Zijn woorden staan rood.
בְּהַבְלֵי נֵכָר (havlei nekhar), ‘vreemde nietigheden’: הֶבֶל (hevel) is eigenlijk ‘damp, adem’, hier de nietigheid van de goden van andere volken. De afgoden vormen de reden van de ramp.
Het woord ‘Koning’ heeft een hoofdletter: de vraag gaat over Yahweh Zelf als Koning van Sion.