Elohim Bijbel

2 Koningen 2

12345678910111213141516171819202122232425

Elia wordt opgenomen en Elisa neemt zijn plaats in

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Van Gilgal naar de Jordaan

1Toen Yahweh Elia in een stormwind naar de hemel zou laten opstijgen, gingen Elia en Elisa weg uit Gilgal.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בְּהַעֲל֤וֹת
(behaalot)
bij het opstijgen van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֣לִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
בַּֽסְעָרָ֖ה
(basara)
in een stormwind
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
naar de hemel
וַיֵּ֧לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֵלִיָּ֛הוּ
(eliyahu)
Elia
וֶאֱלִישָׁ֖ע
(veelisha)
en Elisa
מִן
(min)
van
הַגִּלְגָּֽל
(hagilgal)
Gilgal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal (bij Jericho?; ligging onzeker): Het is niet zeker welk Gilgal hier bedoeld is.

Een mogelijkheid is het Gilgal bij Jericho (Jozua 4:19).

Dit is niet zeker.

Zie Gilgal (bij Betel?; ligging onzeker): Een andere mogelijkheid is een Gilgal in het bergland bij Betel, vermoedelijk bij het huidige Jiljilya.

Dit is niet zeker.

Uitleg

Welk Gilgal hier bedoeld wordt, is onzeker.

Het kan het Gilgal bij Jericho zijn (Joz. 4:19), maar in vers 2 gaan zij ‘af’ naar Betel, en dat past beter bij een Gilgal hoger in het bergland.

De ligging is onzeker.

סְעָרָה (se’arah), ‘stormwind’: een sterke wind. Het woord staat ook in vers 11.

2Elia zei tegen Elisa: „Blijf toch hier, want Yahweh heeft mij naar Betel gestuurd.” Elisa zei: „Zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft: ik zal u niet verlaten.” Zij gingen af naar Betel.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
אֵלִיָּ֨הוּ
(eliyahu)
Elia
אֶל
(el)
tot
אֱלִישָׁ֜ע
(elisha)
Elisa
שֵֽׁב
(shev)
blijf
נָ֣א
(na)
toch
פֹ֗ה
(po)
hier
כִּ֤י
(ki)
want
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
עַד
(ad)
tot
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֔ל
(el)
El
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלִישָׁ֔ע
(elisha)
Elisa
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
וְחֵֽי
(vechei)
en levend is
נַפְשְׁךָ֖
(nafshekha)
uw ziel
אִם
(im)
als
אֶעֶזְבֶ֑ךָּ
(eezveka)
ik u verlaat
וַיֵּרְד֖וּ
(vayeredu)
en zij gingen af
בֵּֽית
(beit)
naar Bet
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

Betel ligt bij Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem, op de Westelijke Jordaanoever.

Dat is waarschijnlijk.

Zie ook Gen. 28:19.

חַי יְהוָה וְחֵי נַפְשְׁךָ (chai Yahweh vechei nafshekha), ‘zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft’: een eed. Zie ook 1 Sam. 17:55.

Elia zegt in de verzen 2, 4 en 6 telkens ‘blijf toch hier’. Elisa antwoordt telkens met dezelfde eed.

3De zonen van de profeten die in Betel waren, kwamen naar Elisa toe. Zij zeiden tegen hem: „Weet je dat Yahweh vandaag je heer van boven je hoofd wegneemt?” Hij zei: „Ook ik weet het. Zwijg.”
וַיֵּצְא֨וּ
(vayetseu)
en gingen uit
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
הַנְּבִיאִ֥ים
(haneviim)
de profeten
אֲשֶׁר
(asher)
die
בֵּֽית
(beit)
in Bet
אֵל֮
(el)
El
אֶל
(el)
naar
אֱלִישָׁע֒
(elisha)
Elisa
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
הֲיָדַ֕עְתָּ
(hayadata)
weet je
כִּ֣י
(ki)
dat
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹקֵ֥חַ
(loqeach)
wegneemt
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנֶ֖יךָ
(adoneikha)
je heer
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
רֹאשֶׁ֑ךָ
(roshekha)
je hoofd
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
גַּם
(gam)
ook
אֲנִ֥י
(ani)
ik
יָדַ֖עְתִּי
(yadati)
ik weet het
הֶחֱשֽׁוּ
(hecheshu)
zwijgt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

בְּנֵי הַנְּבִיאִים (bnei hanevi’im), ‘zonen van de profeten’: leerlingen of leden van een groep van profeten.

Zie ook 1 Kon. 20:35.

לֹקֵחַ (loqeach), ‘wegnemen’: hetzelfde werkwoord als bij Henoch in Gen. 5:24.

מֵעַל רֹאשֶׁךָ (me’al roshekha), ‘van boven je hoofd’: letterlijk. Het Hebreeuws zegt niet waarom zij het zo uitdrukken.

הֶחֱשׁוּ (hechesu), ‘zwijg’: Elisa wil er niet over praten.

4Elia zei tegen hem: „Elisa, blijf toch hier, want Yahweh heeft mij naar Jericho gestuurd.” Hij zei: „Zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft: ik zal u niet verlaten.” Zij kwamen in Jericho.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
ל֨וֹ
(lo)
tot hem
אֵלִיָּ֜הוּ
(eliyahu)
Elia
אֱלִישָׁ֣ע
(elisha)
Elisa
שֵֽׁב
(shev)
blijf
נָ֣א
(na)
toch
פֹ֗ה
(po)
hier
כִּ֤י
(ki)
want
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
יְרִיח֔וֹ
(yericho)
naar Jericho
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
וְחֵֽי
(vechei)
en levend is
נַפְשְׁךָ֖
(nafshekha)
uw ziel
אִם
(im)
als
אֶעֶזְבֶ֑ךָּ
(eezveka)
ik u verlaat
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
יְרִיחֽוֹ
(yericho)
in Jericho
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

Jericho ligt bij Tel es-Sultan, in de Jordaanvallei, op de Westelijke Jordaanoever.

Dat is zeker.

Het werd in de dagen van Achab herbouwd (1 Kon. 16:34).

5De zonen van de profeten die in Jericho waren, kwamen dichter bij Elisa. Zij zeiden tegen hem: „Weet je dat Yahweh vandaag je heer van boven je hoofd wegneemt?” Hij zei: „Ook ik weet het. Zwijg.”
וַיִּגְּשׁ֨וּ
(vayigeshu)
en kwamen dichterbij
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
הַנְּבִיאִ֥ים
(haneviim)
de profeten
אֲשֶׁר
(asher)
die
בִּֽירִיחוֹ֮
(biricho)
in Jericho
אֶל
(el)
tot
אֱלִישָׁע֒
(elisha)
Elisa
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
הֲיָדַ֕עְתָּ
(hayadata)
weet je
כִּ֣י
(ki)
dat
הַיּ֗וֹם
(hayom)
vandaag
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹקֵ֥חַ
(loqeach)
wegneemt
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנֶ֖יךָ
(adoneikha)
je heer
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
רֹאשֶׁ֑ךָ
(roshekha)
je hoofd
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
גַּם
(gam)
ook
אֲנִ֥י
(ani)
ik
יָדַ֖עְתִּי
(yadati)
ik weet het
הֶחֱשֽׁוּ
(hecheshu)
zwijgt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

6Elia zei tegen hem: „Blijf toch hier, want Yahweh heeft mij naar de Jordaan gestuurd.” Hij zei: „Zo waar Yahweh leeft en zo waar uw ziel leeft: ik zal u niet verlaten.” Zij gingen beiden.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
ל֨וֹ
(lo)
tot hem
אֵלִיָּ֜הוּ
(eliyahu)
Elia
שֵֽׁב
(shev)
blijf
נָ֣א
(na)
toch
פֹ֗ה
(po)
hier
כִּ֤י
(ki)
want
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
הַיַּרְדֵּ֔נָה
(hayardena)
naar de Jordaan
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
וְחֵֽי
(vechei)
en levend is
נַפְשְׁךָ֖
(nafshekha)
uw ziel
אִם
(im)
als
אֶעֶזְבֶ֑ךָּ
(eezveka)
ik u verlaat
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
שְׁנֵיהֶֽם
(sheneihem)
die twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

7Vijftig man van de zonen van de profeten gingen mee. Zij bleven in de verte staan, tegenover hen. Die twee stonden bij de Jordaan.
וַחֲמִשִּׁ֨ים
(vachamishim)
en vijftig
אִ֜ישׁ
(ish)
man
מִבְּנֵ֤י
(mibenei)
van de zonen van
הַנְּבִיאִים֙
(haneviim)
de profeten
הָֽלְכ֔וּ
(halekhu)
gingen
וַיַּעַמְד֥וּ
(vayaamdu)
en bleven staan
מִנֶּ֖גֶד
(mineged)
tegenover
מֵרָח֑וֹק
(merachoq)
in de verte
וּשְׁנֵיהֶ֖ם
(usheneihem)
en die twee
עָמְד֥וּ
(amedu)
stonden
עַל
(al)
bij
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

מִנֶּגֶד (minneged), ‘tegenover’: in het zicht.

מֵרָחוֹק (merachoq), ‘in de verte’.

8Elia nam zijn mantel, rolde hem op en sloeg op het water. Het water verdeelde zich naar hier en naar daar, en die twee staken over op droog land.
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
אֵלִיָּ֨הוּ
(eliyahu)
Elia
אֶת
(et)
(obj.)
אַדַּרְתּ֤וֹ
(adarto)
zijn mantel
וַיִּגְלֹם֙
(vayiglom)
en rolde hem op
וַיַּכֶּ֣ה
(vayake)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וַיֵּחָצ֖וּ
(vayechatsu)
en het verdeelde zich
הֵ֣נָּה
(hena)
hierheen
וָהֵ֑נָּה
(vahena)
en daarheen
וַיַּעַבְר֥וּ
(vayaavru)
en staken over
שְׁנֵיהֶ֖ם
(sheneihem)
die twee
בֶּחָרָבָֽה
(becharava)
op droog land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַדֶּרֶת (adderet), ‘mantel’: een wijde bovenmantel.

Zie ook 1 Kon. 19:13, 19.

וַיִּגְלֹם (vayyiglom), ‘rolde hem op’: een zeldzaam werkwoord. Elia rolt de mantel op, zodat hij als een staf kan slaan.

Het water dat zich verdeelt, doet denken aan Exod. 14:21–22 en Joz. 3:15–17.

Het verzoek van Elisa

9Toen zij overgestoken waren, zei Elia tegen Elisa: „Vraag wat ik voor je moet doen, voordat ik van je weg word genomen.” Elisa zei: „Laat toch een dubbel deel van uw geest op mij zijn.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כְעָבְרָ֗ם
(keaveram)
bij hun oversteek
וְאֵ֨לִיָּ֜הוּ
(veeliyahu)
en Elia
אָמַ֤ר
(amar)
zei
אֶל
(el)
tot
אֱלִישָׁע֙
(elisha)
Elisa
שְׁאַל֙
(sheal)
vraag
מָ֣ה
(ma)
wat
אֶֽעֱשֶׂה
(eese)
ik zal doen
לָּ֔ךְ
(lakh)
voor je
בְּטֶ֖רֶם
(beterem)
voordat
אֶלָּקַ֣ח
(elaqach)
ik word weggenomen
מֵעִמָּ֑ךְ
(meimakh)
van bij je
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלִישָׁ֔ע
(elisha)
Elisa
וִֽיהִי
(vihi)
laat zijn
נָ֛א
(na)
toch
פִּֽי
(pi)
een mond van
שְׁנַ֥יִם
(shenayim)
twee
בְּרוּחֲךָ֖
(beruchakha)
in uw geest
אֵלָֽי
(elay)
op mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּי שְׁנַיִם (pi shnayim), ‘dubbel deel’: letterlijk ‘mond van twee’.

Zo heet het deel van de oudste zoon in de erfenis (Deut. 21:17).

Elisa vraagt dus om de plaats van de erfgenaam van Elia.

Daarbij past ‘mijn vader’ in vers 12.

רוּחַ (ruach), ‘geest’: ook ‘wind’ of ‘adem’. Hier vertalen wij ‘geest’.

10Hij zei: „Je hebt iets moeilijks gevraagd. Als je mij ziet terwijl ik van je word weggenomen, zal het zo voor je zijn. Zo niet, dan zal het niet zo zijn.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִקְשִׁ֣יתָ
(hiqshita)
je hebt iets moeilijks gevraagd
לִשְׁא֑וֹל
(lishol)
om te vragen
אִם
(im)
als
תִּרְאֶ֨ה
(tire)
je ziet
אֹתִ֜י
(oti)
mij
לֻקָּ֤ח
(luqach)
weggenomen
מֵֽאִתָּךְ֙
(meitakh)
van bij je
יְהִֽי
(yehi)
zal zijn
לְךָ֣
(lekha)
voor je
כֵ֔ן
(ken)
zo
וְאִם
(veim)
en als
אַ֖יִן
(ayin)
niet
לֹ֥א
(lo)
niet
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִקְשִׁיתָ לִשְׁאוֹל (hiqshita lish’ol), ‘je hebt iets moeilijks gevraagd’: letterlijk ‘je hebt het hard gemaakt om te vragen’.

Elia kan dit niet zelf geven.

Het teken is dat Elisa hem ziet worden weggenomen.

Elia wordt opgenomen

11Terwijl zij doorliepen en praatten, zie, daar waren een wagen van vuur en paarden van vuur. Die scheidden de twee van elkaar. Elia steeg in een stormwind op naar de hemel.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
הֹלְכִ֤ים
(holekhim)
gaand
הָלוֹךְ֙
(halokh)
gaan
וְדַבֵּ֔ר
(vedaber)
en pratend
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
רֶֽכֶב
(rekhev)
een wagen van
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
וְס֣וּסֵי
(vesusei)
en paarden van
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
וַיַּפְרִ֖דוּ
(vayafridu)
en zij scheidden
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
שְׁנֵיהֶ֑ם
(sheneihem)
die twee
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en steeg op
אֵ֣לִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
בַּֽסְעָרָ֖ה
(basara)
in een stormwind
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
naar de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֶכֶב אֵשׁ וְסוּסֵי אֵשׁ (rekhev esh vesusei esh), ‘een wagen van vuur en paarden van vuur’.

Elia wordt opgenomen zonder te sterven, zoals Henoch in Gen. 5:24.

12Elisa zag het en riep: „Mijn vader, mijn vader! De wagen van Israël en zijn ruiters!” Hij zag hem niet meer. Hij greep zijn kleren vast en scheurde ze in twee stukken.
וֶאֱלִישָׁ֣ע
(veelisha)
en Elisa
רֹאֶ֗ה
(roe)
ziet
וְה֤וּא
(vehu)
en hij
מְצַעֵק֙
(metsaeq)
roept
אָבִ֣י
(avi)
mijn vader
אָבִ֗י
(avi)
mijn vader
רֶ֤כֶב
(rekhev)
wagen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וּפָ֣רָשָׁ֔יו
(ufarashav)
en zijn ruiters
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
רָאָ֖הוּ
(raahu)
zag hij hem
ע֑וֹד
(od)
meer
וַֽיַּחֲזֵק֙
(vayachazeq)
en greep vast
בִּבְגָדָ֔יו
(bivgadav)
zijn kleren
וַיִּקְרָעֵ֖ם
(vayiqraem)
en scheurde ze
לִשְׁנַ֥יִם
(lishnayim)
in twee
קְרָעִֽים
(qeraim)
stukken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָבִי אָבִי (avi avi), ‘mijn vader, mijn vader’: de aanspreking van een leerling voor zijn leraar.

רֶכֶב יִשְׂרָאֵל וּפָרָשָׁיו (rekhev Yisra’el ufarashav), ‘de wagen van Israël en zijn ruiters’: Elia was voor Israël als een heel leger.

Koning Joas zegt dezelfde woorden over Elisa in 2 Kon. 13:14.

Het scheuren van de kleren is een teken van rouw.

Elisa neemt de mantel over

13Hij raapte de mantel van Elia op, die van hem was gevallen. Hij keerde terug en bleef aan de oever van de Jordaan staan.
וַיָּ֨רֶם֙
(vayarem)
en raapte op
אֶת
(et)
(obj.)
אַדֶּ֣רֶת
(aderet)
de mantel van
אֵלִיָּ֔הוּ
(eliyahu)
Elia
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָפְלָ֖ה
(nafela)
was gevallen
מֵעָלָ֑יו
(mealav)
van hem af
וַיָּ֥שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
וַֽיַּעֲמֹ֖ד
(vayaamod)
en bleef staan
עַל
(al)
aan
שְׂפַ֥ת
(sefat)
de oever van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

Elisa had de mantel van Elia eerder over zich heen gekregen (1 Kon. 19:19).

Nu neemt hij hem zelf op.

14Hij nam de mantel van Elia, die van hem was gevallen, en sloeg op het water. Hij zei: „Waar is Yahweh, de Elohim van Elia?” Ook hij sloeg op het water. Het water verdeelde zich naar hier en naar daar, en Elisa stak over.
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
אַדֶּ֨רֶת
(aderet)
de mantel van
אֵלִיָּ֜הוּ
(eliyahu)
Elia
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָפְלָ֤ה
(nafela)
was gevallen
מֵֽעָלָיו֙
(mealav)
van hem af
וַיַּכֶּ֣ה
(vayake)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en zei
אַיֵּ֕ה
(aye)
waar is
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֵלִיָּ֑הוּ
(eliyahu)
Elia
אַף
(af)
ook
ה֣וּא
(hu)
hij
וַיַּכֶּ֣ה
(vayake)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּ֗יִם
(hamayim)
het water
וַיֵּֽחָצוּ֙
(vayechatsu)
en het verdeelde zich
הֵ֣נָּה
(hena)
hierheen
וָהֵ֔נָּה
(vahena)
en daarheen
וַֽיַּעֲבֹ֖ר
(vayaavor)
en stak over
אֱלִישָֽׁע
(elisha)
Elisa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

אַף הוּא (af hu), ‘ook hij’: wij lezen dit als ‘ook hij (Elisa) sloeg op het water’, zoals Elia deed.

Sommigen lezen ‘ook Hij’ bij de vraag ervoor: ‘Waar is Yahweh, de Elohim van Elia, ook Hij?’

De zonen van de profeten zoeken Elia

15De zonen van de profeten die in Jericho waren, zagen hem van een afstand. Zij zeiden: „De geest van Elia rust op Elisa.” Zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem neer, tot op de grond.
וַיִּרְאֻ֨הוּ
(vayiruhu)
en zagen hem
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
הַנְּבִיאִ֤ים
(haneviim)
de profeten
אֲשֶׁר
(asher)
die
בִּֽירִיחוֹ֙
(biricho)
in Jericho
מִנֶּ֔גֶד
(mineged)
van tegenover
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
נָ֛חָה
(nacha)
rust
ר֥וּחַ
(ruach)
de geest van
אֵלִיָּ֖הוּ
(eliyahu)
Elia
עַל
(al)
op
אֱלִישָׁ֑ע
(elisha)
Elisa
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en kwamen
לִקְרָאת֔וֹ
(liqrato)
hem tegemoet
וַיִּשְׁתַּחֲווּ
(vayishtachavu)
en bogen zich neer
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
אָֽרְצָה
(aretsa)
tot de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

רוּחַ אֵלִיָּהוּ (ruach Eliyyahu), ‘de geest van Elia’: zie bij vers 9.

נָחָה (nachah), ‘rust’: de geest blijft op hem.

16Zij zeiden tegen hem: „Zie toch, er zijn bij uw dienaren vijftig sterke mannen. Laat hen toch gaan en uw heer zoeken. Misschien heeft de Geest van Yahweh hem opgetild en op een van de bergen of in een van de dalen neergeworpen.” Hij zei: „Stuur hen niet.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֡יו
(elav)
tot hem
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֣א
(na)
toch
יֵֽשׁ
(yesh)
er zijn
אֶת
(et)
bij
עֲבָדֶיךָ֩
(avadeikha)
uw dienaren
חֲמִשִּׁ֨ים
(chamishim)
vijftig
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
חַ֗יִל
(chayil)
kracht
יֵ֣לְכוּ
(yelekhu)
laat hen gaan
נָא֮
(na)
toch
וִיבַקְשׁ֣וּ
(vivaqshu)
en laat hen zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנֶיךָ֒
(adoneikha)
uw heer
פֶּן
(pen)
misschien
נְשָׂאוֹ֙
(nesao)
heeft opgetild
ר֣וּחַ
(ruach)
de Geest van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּשְׁלִכֵ֨הוּ֙
(vayashlikhehu)
en heeft hem geworpen
בְּאַחַ֣ד
(beachad)
op één van
הֶהָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
א֖וֹ
(o)
of
בְּאַחַ֣ת
(beachat)
in één van
הַגֵּאָי֑וֹת
(hageayot)
de dalen
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשְׁלָֽחוּ
(tishlachu)
zult sturen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘de Geest van Yahweh’: ruach is ook ‘wind’.

Wij vertalen ‘Geest’, zoals in 1 Kon. 18:12.

בְּנֵי חַיִל (bnei chayil), ‘sterke mannen’: letterlijk ‘zonen van kracht’.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is הגיאות (hagge’iyyot), het qere is הַגֵּאָיוֹת (hagge’ayot).

Beide betekenen ‘de dalen’.

Wij volgen het qere.

17Zij drongen bij hem aan, tot hij zich schaamde. Hij zei: „Stuur hen.” Zij stuurden vijftig man. Die zochten drie dagen, maar vonden hem niet.
וַיִּפְצְרוּ
(vayiftseru)
en zij drongen aan
ב֥וֹ
(bo)
bij hem
עַד
(ad)
tot
בֹּ֖שׁ
(bosh)
schaamte
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁלָ֑חוּ
(shelachu)
stuurt
וַֽיִּשְׁלְחוּ֙
(vayishlechu)
en zij stuurden
חֲמִשִּׁ֣ים
(chamishim)
vijftig
אִ֔ישׁ
(ish)
man
וַיְבַקְשׁ֥וּ
(vayvaqshu)
en zij zochten
שְׁלֹשָֽׁה
(shelosha)
drie
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מְצָאֻֽהוּ
(metsauhu)
vonden zij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַד־בֹּשׁ (ad bosh), ‘tot hij zich schaamde’: letterlijk ‘tot schaamte’.

Elisa kon hun aandringen niet langer weigeren.

18Zij kwamen bij hem terug, terwijl hij in Jericho bleef. Hij zei tegen hen: „Heb ik jullie niet gezegd: ga niet?”
וַיָּשֻׁ֣בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
אֵלָ֔יו
(elav)
naar hem
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
verblijvend
בִּירִיח֑וֹ
(biricho)
in Jericho
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
הֲלֽוֹא
(halo)
is het niet
אָמַ֥רְתִּי
(amarti)
ik heb gezegd
אֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
tot jullie
אַל
(al)
niet
תֵּלֵֽכוּ
(telekhu)
gaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Het water van Jericho

19De mannen van de stad zeiden tegen Elisa: „Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet. Maar het water is slecht, en het land maakt kinderloos.”
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zeiden
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
de mannen van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֶל
(el)
tot
אֱלִישָׁ֔ע
(elisha)
Elisa
הִנֵּה
(hine)
zie
נָ֞א
(na)
toch
מוֹשַׁ֤ב
(moshav)
de ligging van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
ט֔וֹב
(tov)
is goed
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
רֹאֶ֑ה
(roe)
ziet
וְהַמַּ֥יִם
(vehamayim)
maar het water
רָעִ֖ים
(raim)
is slecht
וְהָאָ֥רֶץ
(vehaarets)
en het land
מְשַׁכָּֽלֶת
(meshakalet)
maakt kinderloos
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹשַׁב (moshav), ‘ligging’: de plek waar men woont.

מְשַׁכֶּלֶת (meshakkelet), ‘maakt kinderloos’: van שָׁכֹל (shakol), ‘zijn kinderen verliezen’. Zie ook Lev. 26:22. Het Hebreeuws zegt niet of het om mensen, vee of oogst gaat.

20Hij zei: „Haal voor mij een nieuwe schaal en doe er zout in.” Zij brachten die naar hem toe.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
קְחוּ
(qechu)
neem
לִי֙
(li)
voor mij
צְלֹחִ֣ית
(tselochit)
een schaal
חֲדָשָׁ֔ה
(chadasha)
nieuwe
וְשִׂ֥ימוּ
(vesimu)
en doe
שָׁ֖ם
(sham)
daarin
מֶ֑לַח
(melach)
zout
וַיִּקְח֖וּ
(vayiqchu)
en zij namen
אֵלָֽיו
(elav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hij ging naar de bron van het water en wierp er zout in. Hij zei: „Zo zegt Yahweh: ‘Ik heb dit water genezen. Er zal van daar geen dood meer komen en geen kinderloosheid.’”
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en hij ging uit
אֶל
(el)
naar
מוֹצָ֣א
(motsa)
de bron van
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
וַיַּשְׁלֶךְ
(vayashlekh)
en wierp
שָׁ֖ם
(sham)
daarin
מֶ֑לַח
(melach)
zout
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zei
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
רִפִּ֨אתִי֙
(ripiti)
ik heb genezen
לַמַּ֣יִם
(lamayim)
het water
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
dit
לֹֽא
(lo)
niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal komen
מִשָּׁ֛ם
(misham)
vanaf daar
ע֖וֹד
(od)
meer
מָ֥וֶת
(mavet)
dood
וּמְשַׁכָּֽלֶת
(umeshakalet)
en kinderloosheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bron van Jericho (Ain es-Sultan): De bron van Jericho is traditioneel Ain es-Sultan, aan de voet van Tel es-Sultan, het oude Jericho.

Elisa maakte het water daar gezond.

Uitleg

De bron van Jericho wordt traditioneel gezocht bij Ain es-Sultan, aan de voet van Tel es-Sultan.

Dat is waarschijnlijk.

Elisa spreekt hier namens Yahweh: ‘Zo zegt Yahweh’. Zijn woorden staan zwart, met enkele aanhalingstekens, omdat Elisa Yahweh citeert.

רִפִּאתִי (rippeti), ‘Ik heb genezen’: het werkwoord רָפָא (rafa) voor genezing. Het staat ook in vers 22.

22Het water werd genezen, tot op deze dag, naar het woord van Elisa dat hij gesproken had.
וַיֵּרָפ֣וּ
(vayerafu)
en werd genezen
הַמַּ֔יִם
(hamayim)
het water
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
naar het woord van
אֱלִישָׁ֖ע
(elisha)
Elisa
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֵּֽר
(diber)
hij sprak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De jongens bij Betel

23Hij ging vandaar omhoog naar Betel. Terwijl hij op de weg omhoog ging, kwamen kleine jongens uit de stad. Zij bespotten hem en zeiden tegen hem: „Ga omhoog, kaalkop! Ga omhoog, kaalkop!”
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en ging omhoog
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
בֵּֽית
(beit)
naar Bet
אֵ֑ל
(el)
El
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
עֹלֶ֣ה
(ole)
omhoog gaand
בַדֶּ֗רֶךְ
(baderekh)
op de weg
וּנְעָרִ֤ים
(unearim)
en jongens
קְטַנִּים֙
(qetanim)
kleine
יָצְא֣וּ
(yatseu)
kwamen uit
מִן
(min)
uit
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַיִּתְקַלְּסוּ
(vayitqalesu)
en bespotten
בוֹ֙
(bo)
hem
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
ל֔וֹ
(lo)
tegen hem
עֲלֵ֥ה
(ale)
ga omhoog
קֵרֵ֖חַ
(qereach)
kale
עֲלֵ֥ה
(ale)
ga omhoog
קֵרֵֽחַ
(qereach)
kale
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

נְעָרִים קְטַנִּים (ne’arim qetannim), ‘kleine jongens’: een נַעַר (na’ar) is een jongen of een jonge man.

קָטָן (qatan) betekent ‘klein’ of ‘jong’.

Het Hebreeuws zegt niet hoe oud zij waren.

קֵרֵחַ (qereach), ‘kale’: een man zonder haar op zijn hoofd. Het Hebreeuws zegt niet waarom zij dit riepen.

24Hij keerde zich om, keek naar hen en vervloekte hen in de naam van Yahweh. Toen kwamen er twee berinnen uit het bos. Zij scheurden 42 kinderen van hen stuk.
וַיִּ֤פֶן
(vayifen)
en keerde zich om
אַֽחֲרָיו֙
(acharav)
achter zich
וַיִּרְאֵ֔ם
(vayirem)
en zag hen
וַֽיְקַלְלֵ֖ם
(vayqallem)
en vervloekte hen
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתֵּצֶ֨אנָה
(vatetsena)
en kwamen uit
שְׁתַּ֤יִם
(shetayim)
twee
דֻּבִּים֙
(dubim)
berinnen
מִן
(min)
uit
הַיַּ֔עַר
(hayaar)
het bos
וַתְּבַקַּ֣עְנָה
(vatevaqana)
en scheurden open
מֵהֶ֔ם
(mehem)
van hen
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
וּשְׁנֵ֖י
(ushenei)
en twee
יְלָדִֽים
(yeladim)
kinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְקַלְלֵם בְּשֵׁם יְהוָה (vayqallelem beshem Yahweh), ‘vervloekte hen in de naam van Yahweh’: hij sprak een vloek over hen uit.

Wilde dieren die kinderen wegnemen horen bij de vloeken van het verbond (Lev. 26:22).

יְלָדִים (yeladim), ‘kinderen’: een algemeen woord. ‘Van hen’ verwijst naar de jongens van vers 23.

25Vandaar ging hij naar de berg Karmel, en van daar keerde hij terug naar Samaria.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
אֶל
(el)
naar
הַ֣ר
(har)
de berg
הַכַּרְמֶ֑ל
(hakarmel)
Karmel
וּמִשָּׁ֖ם
(umisham)
en vandaar
שָׁ֥ב
(shav)
keerde terug
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
naar Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa.

De traditionele plek van de ontmoeting van Elia met de profeten van de Baäl is Muhraqa, aan de zuidoostkant.

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

De Karmel is een bergrug bij Haifa, in het noordwesten van Israël.

Zie ook 1 Kon. 18:19.