Is er in Jeruzalem één mens die recht doet? Een volk uit de verte komt
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Is er één mens die recht doet?
1„Zwerf rond door de straten van Jeruzalem, kijk toch en let op. Zoek op haar pleinen of jullie een man vinden, of er iemand is die recht doet, die trouw zoekt. Dan zal Ik haar vergeven.
שׁוֹטְט֞וּ
(shotetu)
zwerft rond
בְּחוּצ֣וֹת
(bechutsot)
door de straten van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וּרְאוּ
(ureu)
en kijkt
נָ֤א
(na)
toch
וּדְעוּ֙
(udeu)
en let op
וּבַקְשׁ֣וּ
(uvaqshu)
en zoekt
בִרְחוֹבוֹתֶ֔יהָ
(birchovoteiha)
op haar pleinen
אִם
(im)
of
תִּמְצְא֣וּ
(timtseu)
jullie vinden
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
אִם
(im)
of
יֵ֛שׁ
(yesh)
er is
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
iemand die doet
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
מְבַקֵּ֣שׁ
(mevaqesh)
iemand die zoekt
אֱמוּנָ֑ה
(emuna)
trouw
וְאֶסְלַ֖ח
(veeslach)
dan zal Ik vergeven
לָֽהּ
(lah)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
אֱמוּנָה (emunah), ‘trouw’: wat vast en betrouwbaar is.
Wie ‘trouw zoekt’, is trouw aan Yahweh en aan zijn naaste.
Wij vertalen emunah in dit boek met ‘trouw’ (zo ook Jer. 7:28 en 9:2).
Het woord chesed, dat ook ‘trouw’ is, is een ander woord.
Yahweh zoekt één mens in Jeruzalem die recht doet. Zo zou Hij de stad vergeven. Vergelijk Abraham die onderhandelt over Sodom (Gen. 18:23–32).
De rede loopt door vanaf Jer. 4:27 (met onderbrekingen); de aanhaling hier begint opnieuw.
3Yahweh, zijn Uw ogen niet gericht op trouw? U hebt hen geslagen, maar zij voelden geen pijn. U hebt hen vernietigd, maar zij weigerden tucht aan te nemen. Zij maakten hun gezicht harder dan een rots. Zij weigerden terug te keren.
יְהֹוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עֵינֶיךָ֮
(eineikha)
Uw ogen
הֲל֣וֹא
(halo)
niet
לֶאֱמוּנָה֒
(leemuna)
naar trouw
הִכִּ֤יתָה
(hikita)
U hebt geslagen
אֹתָם֙
(otam)
hen
וְֽלֹא
(velo)
en niet
חָ֔לוּ
(chalu)
zij werden ziek
כִּלִּיתָ֕ם
(kilitam)
U hebt hen vernietigd
מֵאֲנ֖וּ
(meanu)
zij weigerden
קַ֣חַת
(qachat)
te nemen
מוּסָ֑ר
(musar)
tucht
חִזְּק֤וּ
(chizequ)
zij maakten hard
פְנֵיהֶם֙
(peneihem)
hun gezichten
מִסֶּ֔לַע
(misela)
meer dan een rots
מֵאֲנ֖וּ
(meanu)
zij weigerden
לָשֽׁוּב
(lashuv)
terug te keren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf dit vers spreekt de profeet tot Yahweh.
Daarom staat het zwart, met ‘U/Uw’.
חָלוּ (chalu), ‘zij voelden geen pijn’: letterlijk ‘zij werden niet ziek’. Het werkwoord kan ook ‘kronkelen, beven’ betekenen. Het volk bleef ongevoelig onder de slagen; zie ook Jes. 1:5.
קַחַת מוּסָר (qachat musar), ‘tucht aan te nemen’: zie ook Jer. 2:30.
4Ik zei: „Het zijn maar armen. Zij handelen dwaas, want zij kennen de weg van Yahweh niet, het recht van hun Elohim.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
אָמַ֔רְתִּי
(amarti)
ik zei
אַךְ
(akh)
alleen
דַּלִּ֖ים
(dalim)
armen
הֵ֑ם
(hem)
zij
נוֹאֲל֕וּ
(noalu)
zij zijn dwaas geweest
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יָדְעוּ֙
(yadeu)
zij kennen
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִשְׁפַּ֖ט
(mishpat)
recht van
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דַּלִּים (dallim), ‘armen’: gewone mensen zonder macht.
De profeet denkt dat alleen zij dwaas zijn, omdat zij de weg niet kennen.
Daarom gaat hij naar de groten (vers 5).
דֶּרֶךְ יְהוָה (derekh Yahweh), ‘de weg van Yahweh’: de manier van leven die Yahweh wil. ‘Het recht van hun Elohim’ (mishpat Elohehem) is dezelfde zaak, zoals in Jer. 8:7.
5Ik zal naar de groten gaan en met hen spreken, want zij kennen de weg van Yahweh, het recht van hun Elohim.” Maar zij hebben samen het juk gebroken en de banden verscheurd.
אֵֽלֲכָה
(elakha)
ik zal gaan
לִּ֤י
(li)
voor mij
אֶל
(el)
naar
הַגְּדֹלִים֙
(hagedolim)
de groten
וַאֲדַבְּרָ֣ה
(vaadabera)
en ik zal spreken
אוֹתָ֔ם
(otam)
met hen
כִּ֣י
(ki)
want
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
יָדְעוּ֙
(yadeu)
kennen
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִשְׁפַּ֖ט
(mishpat)
recht van
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
אַ֣ךְ
(akh)
maar
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
יַחְדָּו֙
(yachdav)
samen
שָׁ֣בְרוּ
(shaveru)
hebben gebroken
עֹ֔ל
(ol)
het juk
נִתְּק֖וּ
(nitequ)
hebben verscheurd
מוֹסֵרֽוֹת
(moserot)
banden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De aanhaling van Jeremia’s gedachte loopt tot ‘hun Elohim’.
Daarna volgt de uitkomst: ook de groten hebben het juk gebroken (zie Jer. 2:20).
6Daarom slaat een leeuw uit het woud hen neer, een wolf van de steppen verwoest hen. Een luipaard waakt bij hun steden: ieder die daaruit gaat, wordt verscheurd. Want hun overtredingen zijn talrijk, hun afvalligheden zijn groot.
עַל
(al)
over
כֵּן֩
(ken)
zo
הִכָּ֨ם
(hikam)
slaat hen neer
אַרְיֵ֜ה
(arye)
leeuw
מִיַּ֗עַר
(miyaar)
uit het woud
זְאֵ֤ב
(zeev)
wolf van
עֲרָבוֹת֙
(aravot)
steppen
יְשָׁדְדֵ֔ם
(yeshadedem)
verwoest hen
נָמֵ֤ר
(namer)
luipaard
שֹׁקֵד֙
(shoqed)
waakt
עַל
(al)
over
עָ֣רֵיהֶ֔ם
(areihem)
hun steden
כָּל
(kal)
ieder
הַיּוֹצֵ֥א
(hayotse)
die uitgaat
מֵהֵ֖נָּה
(mehena)
daaruit
יִטָּרֵ֑ף
(yitaref)
wordt verscheurd
כִּ֤י
(ki)
want
רַבּוּ֙
(rabu)
zijn talrijk
פִּשְׁעֵיהֶ֔ם
(pisheihem)
hun overtredingen
עָצְמ֖וּ
(atsemu)
zijn groot
מְשׁוּבוֹתֵיהֶֽם
(meshuvoteihem)
hun afvalligheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Leeuw, wolf en luipaard zijn beelden van de vijand die van alle kanten aanvalt.
שֹׁקֵד (shoqed), ‘waakt’: hetzelfde woord als in Jer. 1:11–12, waar Yahweh over Zijn woord ‘waakt’. Nu waakt een luipaard bij hun steden.
7„Waarom zou Ik je dit vergeven? Je zonen hebben Mij verlaten en zweren bij wat geen god is. Ik heb hen verzadigd, maar zij pleegden overspel en kwamen in drommen samen in het huis van de hoer.
אֵ֤י
(ei)
waar
לָזֹאת֙
(lazot)
hiervoor
אֶֽסְלַֽח
(eslach)
zal Ik vergeven
לָ֔ךְ
(lakh)
jou
בָּנַ֣יִךְ
(banayikh)
je zonen
עֲזָב֔וּנִי
(azavuni)
hebben Mij verlaten
וַיִּשָּׁבְע֖וּ
(vayishaveu)
en zij zweren
בְּלֹ֣א
(belo)
bij niet
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
goden
וָאַשְׂבִּ֤עַ
(vaasbia)
en Ik verzadigde
אוֹתָם֙
(otam)
hen
וַיִּנְאָ֔פוּ
(vayinafu)
en zij pleegden overspel
וּבֵ֥ית
(uveit)
en huis van
זוֹנָ֖ה
(zona)
hoer
יִתְגֹּדָֽדוּ
(yitgodadu)
verzamelen zij zich in drommen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּלֹא אֱלֹהִים (belo elohim), ‘bij wat geen god is’: de nietige goden.
Wij schrijven hier ‘god’ met kleine letter, omdat het niet om Elohim gaat.
יִתְגֹּדָדוּ (yitgodadu), ‘kwamen in drommen samen’: het werkwoord kan ook betekenen ‘zich insnijden’ (zoals bij de dienaren van Baäl in 1 Kon. 18:28). De betekenis is niet helemaal zeker.
14Daarom, zo zegt Yahweh, Elohim van de legermachten: „Omdat jullie dit woord spreken, zie, Ik maak Mijn woorden in je mond tot vuur, en dit volk tot hout. Het zal hen verteren.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
דַּבֶּרְכֶ֔ם
(daberkhem)
jullie spreken
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
נֹתֵן֩
(noten)
Ik maak
דְּבָרַ֨י
(devaray)
Mijn woorden
בְּפִ֜יךָ
(befikha)
in je mond
לְאֵ֗שׁ
(leesh)
tot vuur
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en het volk
הַזֶּ֛ה
(haze)
dit
עֵצִ֖ים
(etsim)
hout
וַאֲכָלָֽתַם
(vaakhalatam)
en het zal hen verteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלֹהֵי צְבָאוֹת (Elohe Tsevaot), ‘Elohim van de legermachten’: wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’, zoals in Jer. 2:19.
Het woord van Yahweh in de mond van de profeet wordt vuur (vergelijk Jer. 23:29). Het volk wordt hout dat verteerd wordt.
15Zie, Ik breng een volk over jullie uit de verte, huis van Israël, godsspraak van Yahweh. Het is een sterk volk, een volk van oudsher. Het is een volk wiens taal je niet kent, en je verstaat niet wat het zegt.
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
מֵבִיא֩
(mevi)
Ik breng
עֲלֵיכֶ֨ם
(aleikhem)
over jullie
גּ֧וֹי
(goy)
een volk
מִמֶּרְחָ֛ק
(mimerchaq)
uit de verte
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
גּ֣וֹי
(goy)
een volk
אֵיתָ֣ן
(eitan)
sterk
ה֗וּא
(hu)
het is
גּ֤וֹי
(goy)
een volk
מֵעוֹלָם֙
(meolam)
van oudsher
ה֔וּא
(hu)
het is
גּ֚וֹי
(goy)
een volk
לֹא
(lo)
niet
תֵדַ֣ע
(teda)
je kent
לְשֹׁנ֔וֹ
(leshono)
zijn taal
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִשְׁמַ֖ע
(tishma)
je verstaat
מַה
(ma)
wat
יְדַבֵּֽר
(yedaber)
het zegt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zij zullen je oogst en je brood opeten. Zij zullen je zonen en je dochters opeten. Zij zullen je kleinvee en je runderen opeten. Zij zullen je wijnstok en je vijgenboom opeten. Met het zwaard zullen zij je versterkte steden verwoesten, waarop je vertrouwt.
וְאָכַ֨ל
(veakhal)
en het zal opeten
קְצִֽירְךָ֜
(qetsirekha)
je oogst
וְלַחְמֶ֗ךָ
(velachmekha)
en je brood
יֹאכְלוּ֙
(yokhlu)
zullen opeten
בָּנֶ֣יךָ
(baneikha)
je zonen
וּבְנוֹתֶ֔יךָ
(uvenoteikha)
en je dochters
יֹאכַ֤ל
(yokhal)
zal opeten
צֹאנְךָ֙
(tsonkha)
je kleinvee
וּבְקָרֶ֔ךָ
(uveqarekha)
en je runderen
יֹאכַ֥ל
(yokhal)
zal opeten
גַּפְנְךָ֖
(gafnekha)
je wijnstok
וּתְאֵנָתֶ֑ךָ
(uteenatekha)
en je vijgenboom
יְרֹשֵׁ֞שׁ
(yeroshesh)
zal verwoesten
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
מִבְצָרֶ֗יךָ
(mivtsareikha)
je vestingen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
בּוֹטֵ֥חַ
(boteach)
vertrouwt
בָּהֵ֖נָּה
(bahena)
in hen
בֶּחָֽרֶב
(becharev)
met het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De werkwoorden wisselen in het Hebreeuws tussen enkelvoud en meervoud; wij vertalen overal ‘zij zullen’.
Het gaat om dezelfde vijand.
De zin somt de bronnen van leven op: oogst, brood, zonen, dochters, vee, wijnstok en vijgenboom. Alles wordt opgegeten.
19Het zal gebeuren, wanneer jullie zeggen: ‘Waarom heeft Yahweh, onze Elohim, ons dit alles gedaan?’ Dan moet je tegen hen zeggen: ‘Zoals jullie Mij hebben verlaten en in jullie land vreemde goden hebben gediend, zo zullen jullie vreemden dienen in een land dat niet van jullie is.’
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תֹאמְר֔וּ
(tomru)
jullie zeggen
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
מֶ֗ה
(me)
wat
עָשָׂ֨ה
(asa)
heeft gedaan
יְהֹוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֛ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לָ֖נוּ
(lanu)
aan ons
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze dingen
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
dan zul je zeggen
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
עֲזַבְתֶּ֤ם
(azavtem)
jullie hebben verlaten
אוֹתִי֙
(oti)
Mij
וַתַּעַבְד֞וּ
(vataavdu)
en jullie hebben gediend
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
goden van
נֵכָר֙
(nekhar)
vreemden
בְּאַרְצְכֶ֔ם
(beartsekhem)
in jullie land
כֵּ֚ן
(ken)
zo
תַּעַבְד֣וּ
(taavdu)
zullen jullie dienen
זָרִ֔ים
(zarim)
vreemden
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in een land
לֹ֥א
(lo)
niet
לָכֶֽם
(lakhem)
van jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּחַת מֶה (tachat meh), ‘waarom’: letterlijk ‘in plaats van wat’.
Het antwoord van Yahweh toont het verband tussen het verlaten en het dienen: wie in eigen land vreemde goden dient, zal in een vreemd land vreemden dienen.
22Vrezen jullie Mij niet, godsspraak van Yahweh? Beven jullie niet voor Mijn aangezicht? Ik heb zand als grens gesteld voor de zee, een bepaling voor eeuwig, die zij niet overschrijdt. Hoe zij ook schudt, zij kan niets doen. Haar golven bruisen, maar zij overschrijden haar niet.
הַאוֹתִ֨י
(haoti)
Mij?
לֹא
(lo)
niet
תִירָ֜אוּ
(tirau)
vrezen jullie
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אִ֤ם
(im)
of
מִפָּנַי֙
(mipanay)
voor Mijn aangezicht
לֹ֣א
(lo)
niet
תָחִ֔ילוּ
(tachilu)
beven jullie
אֲשֶׁר
(asher)
die
שַׂ֤מְתִּי
(samti)
Ik heb gesteld
חוֹל֙
(chol)
zand
גְּב֣וּל
(gevul)
grens
לַיָּ֔ם
(layam)
voor de zee
חָק
(chaq)
bepaling
עוֹלָ֖ם
(olam)
voor eeuwig
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַעַבְרֶ֑נְהוּ
(yaavrenhu)
zal zij hem overschrijden
וַיִּֽתְגָּעֲשׁוּ֙
(vayitgaashu)
en zij schudden
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יוּכָ֔לוּ
(yukhalu)
zullen zij kunnen
וְהָמ֥וּ
(vehamu)
en bruisen
גַלָּ֖יו
(galav)
haar golven
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יַעַבְרֻֽנְהוּ
(yaavrunhu)
zullen zij hem overschrijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חוֹל (chol), ‘zand’: Yahweh heeft de zee een grens gegeven, zoals in Job 38:8–11 en Ps. 104:9.
De machtige zee houdt zich aan Zijn bevel.
Het volk niet.
חָק עוֹלָם (choq olam), ‘een bepaling voor eeuwig’: een vaste wet, nooit te veranderen.
24Zij zeiden niet in hun hart: ‘Laten wij toch Yahweh, onze Elohim, vrezen. Hij geeft de regen, de vroege regen en de late regen op zijn tijd. Hij bewaart voor ons de weken, de vastgestelde tijden van de oogst.’
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָמְר֣וּ
(ameru)
zij zeiden
בִלְבָבָ֗ם
(bilvavam)
in hun hart
נִ֤ירָא
(nira)
laten wij vrezen
נָא֙
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הַנֹּתֵ֗ן
(hanoten)
die geeft
גֶּ֛שֶׁם
(geshem)
regen
יוֹרֶ֥ה
(yore)
vroege regen
וּמַלְק֖וֹשׁ
(umalqosh)
en late regen
בְּעִתּ֑וֹ
(beito)
op zijn tijd
שְׁבֻע֛וֹת
(shevuot)
weken van
חֻקּ֥וֹת
(chuqot)
bepalingen van
קָצִ֖יר
(qatsir)
oogst
יִשְׁמָר
(yishmar)
bewaart
לָֽנוּ
(lanu)
voor ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹרֶה (yoreh), ‘vroege regen’, en מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘late regen’: de regen van het najaar en van het voorjaar, zoals in Deut. 11:14.
Zie ook Jer. 3:3.
שְׁבֻעוֹת חֻקּוֹת קָצִיר (shavuot chuqqot qatsir), ‘de weken, de vastgestelde tijden van de oogst’: de zeven weken tussen het begin van de graanoogst en het Wekenfeest (Lev. 23:15–16).
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is ירה (met een voorvoegsel, ‘en vroege regen’); de te lezen vorm (qere) is יוֹרֶה (yoreh), ‘de vroege regen’.
28Zij zijn vet en glanzend. Zij gaan zelfs ver in kwade zaken. Zij pleiten de zaak niet, de zaak van de wees, en toch hebben zij voorspoed. De armen doen zij geen recht.
שָׁמְנ֣וּ
(shamenu)
zij zijn vet
עָשְׁת֗וּ
(ashetu)
zij glanzen
גַּ֚ם
(gam)
ook
עָֽבְר֣וּ
(averu)
zij gaan te buiten
דִבְרֵי
(divrei)
woorden van
רָ֔ע
(ra)
kwaad
דִּ֣ין
(din)
de zaak
לֹא
(lo)
niet
דָ֔נוּ
(danu)
zij pleiten
דִּ֥ין
(din)
de zaak van
יָת֖וֹם
(yatom)
de wees
וְיַצְלִ֑יחוּ
(veyatslichu)
maar zij hebben voorspoed
וּמִשְׁפַּ֥ט
(umishpat)
en het recht van
אֶבְיוֹנִ֖ים
(evyonim)
de armen
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁפָֽטוּ
(shafatu)
zij brengen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָשְׁתוּ (ashetu), ‘zij zijn glanzend’: het werkwoord is zeldzaam; het betekent waarschijnlijk ‘glanzen van gezondheid’.
Het volk is vet en gezond, terwijl de armen geen recht krijgen.
דִבְרֵי רָע (divrei ra), ‘kwade zaken’: letterlijk ‘woorden van kwaad’.
דִּין (din), ‘rechtszaak’: de zaak van de wees wordt niet behandeld. De rijken verdedigen hem niet, en hij krijgt geen recht (vergelijk Jes. 1:17).
31de profeten profeteren vals, de priesters heersen op hun aanwijzing, en mijn volk heeft het zo graag. Maar wat zullen jullie doen aan het einde ervan?
הַנְּבִיאִ֞ים
(haneviim)
de profeten
נִבְּא֣וּ
(nibeu)
profeteren
בַשֶּׁ֗קֶר
(basheqer)
met leugen
וְהַכֹּהֲנִים֙
(vehakohanim)
en de priesters
יִרְדּ֣וּ
(yirdu)
heersen
עַל
(al)
op
יְדֵיהֶ֔ם
(yedeihem)
hun handen
וְעַמִּ֖י
(veami)
en mijn volk
אָ֣הֲבוּ
(ahavu)
hebben liefgehad
כֵ֑ן
(ken)
zo
וּמַֽה
(uma)
en wat
תַּעֲשׂ֖וּ
(taasu)
zullen jullie doen
לְאַחֲרִיתָֽהּ
(leacharitah)
bij het einde ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִרְדּוּ עַל־יְדֵיהֶם (yirdu al yedeihem), ‘heersen op hun aanwijzing’: letterlijk ‘heersen op hun handen’.
De priesters heersen met de steun van de valse profeten, of op hun aanwijzing.
De betekenis is niet helemaal zeker.
לְאַחֲרִיתָהּ (le’acharitah), ‘aan het einde ervan’: wat zullen jullie doen als het gaat om de uitkomst? Het is de vraag van de profeet aan het volk.