Elohim Bijbel

Jeremia 5

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Is er in Jeruzalem één mens die recht doet? Een volk uit de verte komt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Is er één mens die recht doet?

1„Zwerf rond door de straten van Jeruzalem, kijk toch en let op. Zoek op haar pleinen of jullie een man vinden, of er iemand is die recht doet, die trouw zoekt. Dan zal Ik haar vergeven.
שׁוֹטְט֞וּ
(shotetu)
zwerft rond
בְּחוּצ֣וֹת
(bechutsot)
door de straten van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וּרְאוּ
(ureu)
en kijkt
נָ֤א
(na)
toch
וּדְעוּ֙
(udeu)
en let op
וּבַקְשׁ֣וּ
(uvaqshu)
en zoekt
בִרְחוֹבוֹתֶ֔יהָ
(birchovoteiha)
op haar pleinen
אִם
(im)
of
תִּמְצְא֣וּ
(timtseu)
jullie vinden
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
אִם
(im)
of
יֵ֛שׁ
(yesh)
er is
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
iemand die doet
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
מְבַקֵּ֣שׁ
(mevaqesh)
iemand die zoekt
אֱמוּנָ֑ה
(emuna)
trouw
וְאֶסְלַ֖ח
(veeslach)
dan zal Ik vergeven
לָֽהּ
(lah)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אֱמוּנָה (emunah), ‘trouw’: wat vast en betrouwbaar is.

Wie ‘trouw zoekt’, is trouw aan Yahweh en aan zijn naaste.

Wij vertalen emunah in dit boek met ‘trouw’ (zo ook Jer. 7:28 en 9:2).

Het woord chesed, dat ook ‘trouw’ is, is een ander woord.

Yahweh zoekt één mens in Jeruzalem die recht doet. Zo zou Hij de stad vergeven. Vergelijk Abraham die onderhandelt over Sodom (Gen. 18:23–32).

De rede loopt door vanaf Jer. 4:27 (met onderbrekingen); de aanhaling hier begint opnieuw.

2En ook als zij zeggen: ‘Zo waar Yahweh leeft’, toch zweren zij vals.”
וְאִ֥ם
(veim)
en als
חַי
(chay)
levend is
יְהֹוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יֹאמֵ֑רוּ
(yomeru)
zij zeggen
לָכֵ֥ן
(lakhen)
toch
לַשֶּׁ֖קֶר
(lasheqer)
tot leugen
יִשָּׁבֵֽעוּ
(yishaveu)
zweren zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: de eedformule, zoals in Jer. 4:2.

Zij gebruiken de naam van Yahweh, maar zweren vals.

Zij weigerden terug te keren

3Yahweh, zijn Uw ogen niet gericht op trouw? U hebt hen geslagen, maar zij voelden geen pijn. U hebt hen vernietigd, maar zij weigerden tucht aan te nemen. Zij maakten hun gezicht harder dan een rots. Zij weigerden terug te keren.
יְהֹוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עֵינֶיךָ֮
(eineikha)
Uw ogen
הֲל֣וֹא
(halo)
niet
לֶאֱמוּנָה֒
(leemuna)
naar trouw
הִכִּ֤יתָה
(hikita)
U hebt geslagen
אֹתָם֙
(otam)
hen
וְֽלֹא
(velo)
en niet
חָ֔לוּ
(chalu)
zij werden ziek
כִּלִּיתָ֕ם
(kilitam)
U hebt hen vernietigd
מֵאֲנ֖וּ
(meanu)
zij weigerden
קַ֣חַת
(qachat)
te nemen
מוּסָ֑ר
(musar)
tucht
חִזְּק֤וּ
(chizequ)
zij maakten hard
פְנֵיהֶם֙
(peneihem)
hun gezichten
מִסֶּ֔לַע
(misela)
meer dan een rots
מֵאֲנ֖וּ
(meanu)
zij weigerden
לָשֽׁוּב
(lashuv)
terug te keren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf dit vers spreekt de profeet tot Yahweh.

Daarom staat het zwart, met ‘U/Uw’.

חָלוּ (chalu), ‘zij voelden geen pijn’: letterlijk ‘zij werden niet ziek’. Het werkwoord kan ook ‘kronkelen, beven’ betekenen. Het volk bleef ongevoelig onder de slagen; zie ook Jes. 1:5.

קַחַת מוּסָר (qachat musar), ‘tucht aan te nemen’: zie ook Jer. 2:30.

4Ik zei: „Het zijn maar armen. Zij handelen dwaas, want zij kennen de weg van Yahweh niet, het recht van hun Elohim.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
אָמַ֔רְתִּי
(amarti)
ik zei
אַךְ
(akh)
alleen
דַּלִּ֖ים
(dalim)
armen
הֵ֑ם
(hem)
zij
נוֹאֲל֕וּ
(noalu)
zij zijn dwaas geweest
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יָדְעוּ֙
(yadeu)
zij kennen
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִשְׁפַּ֖ט
(mishpat)
recht van
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דַּלִּים (dallim), ‘armen’: gewone mensen zonder macht.

De profeet denkt dat alleen zij dwaas zijn, omdat zij de weg niet kennen.

Daarom gaat hij naar de groten (vers 5).

דֶּרֶךְ יְהוָה (derekh Yahweh), ‘de weg van Yahweh’: de manier van leven die Yahweh wil. ‘Het recht van hun Elohim’ (mishpat Elohehem) is dezelfde zaak, zoals in Jer. 8:7.

5Ik zal naar de groten gaan en met hen spreken, want zij kennen de weg van Yahweh, het recht van hun Elohim.” Maar zij hebben samen het juk gebroken en de banden verscheurd.
אֵֽלֲכָה
(elakha)
ik zal gaan
לִּ֤י
(li)
voor mij
אֶל
(el)
naar
הַגְּדֹלִים֙
(hagedolim)
de groten
וַאֲדַבְּרָ֣ה
(vaadabera)
en ik zal spreken
אוֹתָ֔ם
(otam)
met hen
כִּ֣י
(ki)
want
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
יָדְעוּ֙
(yadeu)
kennen
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִשְׁפַּ֖ט
(mishpat)
recht van
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
אַ֣ךְ
(akh)
maar
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
יַחְדָּו֙
(yachdav)
samen
שָׁ֣בְרוּ
(shaveru)
hebben gebroken
עֹ֔ל
(ol)
het juk
נִתְּק֖וּ
(nitequ)
hebben verscheurd
מוֹסֵרֽוֹת
(moserot)
banden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De aanhaling van Jeremia’s gedachte loopt tot ‘hun Elohim’.

Daarna volgt de uitkomst: ook de groten hebben het juk gebroken (zie Jer. 2:20).

Leeuw, wolf en luipaard

6Daarom slaat een leeuw uit het woud hen neer, een wolf van de steppen verwoest hen. Een luipaard waakt bij hun steden: ieder die daaruit gaat, wordt verscheurd. Want hun overtredingen zijn talrijk, hun afvalligheden zijn groot.
עַל
(al)
over
כֵּן֩
(ken)
zo
הִכָּ֨ם
(hikam)
slaat hen neer
אַרְיֵ֜ה
(arye)
leeuw
מִיַּ֗עַר
(miyaar)
uit het woud
זְאֵ֤ב
(zeev)
wolf van
עֲרָבוֹת֙
(aravot)
steppen
יְשָׁדְדֵ֔ם
(yeshadedem)
verwoest hen
נָמֵ֤ר
(namer)
luipaard
שֹׁקֵד֙
(shoqed)
waakt
עַל
(al)
over
עָ֣רֵיהֶ֔ם
(areihem)
hun steden
כָּל
(kal)
ieder
הַיּוֹצֵ֥א
(hayotse)
die uitgaat
מֵהֵ֖נָּה
(mehena)
daaruit
יִטָּרֵ֑ף
(yitaref)
wordt verscheurd
כִּ֤י
(ki)
want
רַבּוּ֙
(rabu)
zijn talrijk
פִּשְׁעֵיהֶ֔ם
(pisheihem)
hun overtredingen
עָצְמ֖וּ
(atsemu)
zijn groot
מְשׁוּבוֹתֵיהֶֽם
(meshuvoteihem)
hun afvalligheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Leeuw, wolf en luipaard zijn beelden van de vijand die van alle kanten aanvalt.

שֹׁקֵד (shoqed), ‘waakt’: hetzelfde woord als in Jer. 1:11–12, waar Yahweh over Zijn woord ‘waakt’. Nu waakt een luipaard bij hun steden.

Waarom zou Ik je vergeven?

7„Waarom zou Ik je dit vergeven? Je zonen hebben Mij verlaten en zweren bij wat geen god is. Ik heb hen verzadigd, maar zij pleegden overspel en kwamen in drommen samen in het huis van de hoer.
אֵ֤י
(ei)
waar
לָזֹאת֙
(lazot)
hiervoor
אֶֽסְלַֽח
(eslach)
zal Ik vergeven
לָ֔ךְ
(lakh)
jou
בָּנַ֣יִךְ
(banayikh)
je zonen
עֲזָב֔וּנִי
(azavuni)
hebben Mij verlaten
וַיִּשָּׁבְע֖וּ
(vayishaveu)
en zij zweren
בְּלֹ֣א
(belo)
bij niet
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
goden
וָאַשְׂבִּ֤עַ
(vaasbia)
en Ik verzadigde
אוֹתָם֙
(otam)
hen
וַיִּנְאָ֔פוּ
(vayinafu)
en zij pleegden overspel
וּבֵ֥ית
(uveit)
en huis van
זוֹנָ֖ה
(zona)
hoer
יִתְגֹּדָֽדוּ
(yitgodadu)
verzamelen zij zich in drommen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּלֹא אֱלֹהִים (belo elohim), ‘bij wat geen god is’: de nietige goden.

Wij schrijven hier ‘god’ met kleine letter, omdat het niet om Elohim gaat.

יִתְגֹּדָדוּ (yitgodadu), ‘kwamen in drommen samen’: het werkwoord kan ook betekenen ‘zich insnijden’ (zoals bij de dienaren van Baäl in 1 Kon. 18:28). De betekenis is niet helemaal zeker.

8Goed gevoede, vurige paarden zijn zij geworden: ieder hinnikt naar de vrouw van zijn naaste.
סוּסִ֥ים
(susim)
paarden
מְיֻזָּנִ֖ים
(meyuzanim)
goed gevoed
מַשְׁכִּ֣ים
(mashkim)
vurig
הָי֑וּ
(hayu)
zijn geworden
אִ֛ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
naar
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
de vrouw van
רֵעֵ֖הוּ
(reehu)
zijn naaste
יִצְהָֽלוּ
(yitshalu)
hinniken zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְיֻזָּנִים (meyuzzanim), ‘goed gevoed’, en מַשְׁכִּים (mashkim), ‘vurig’: beide woorden zijn onzeker.

Het beeld is dat van hengsten in hun kracht, die hinniken naar een merrie.

9Zal Ik hierover niet straffen, godsspraak van Yahweh? En zal Mijn ziel zich niet wreken op zo’n volk?
הַֽעַל
(haal)
is het over
אֵ֥לֶּה
(ele)
deze dingen
לוֹא
(lo)
niet
אֶפְקֹ֖ד
(efqod)
zal Ik straffen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאִם֙
(veim)
en als
בְּג֣וֹי
(begoy)
op een volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
כָּזֶ֔ה
(kaze)
zoals dit
לֹ֥א
(lo)
niet
תִתְנַקֵּ֖ם
(titnaqem)
zal zich wreken
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
Mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Ontrouw aan Yahweh

10Trek op door haar wijngaardrijen en richt verwoesting aan, maar maak geen einde. Verwijder haar ranken, want zij zijn niet van Yahweh.
עֲל֤וּ
(alu)
trekt op
בְשָׁרוֹתֶ֨יהָ֙
(besharoteiha)
door haar wijngaardrijen
וְשַׁחֵ֔תוּ
(veshachetu)
en verwoest
וְכָלָ֖ה
(vekhala)
maar vernietiging
אַֽל
(al)
niet
תַּעֲשׂ֑וּ
(taasu)
maakt
הָסִ֨ירוּ֙
(hasiru)
verwijdert
נְטִ֣ישׁוֹתֶ֔יהָ
(netishoteiha)
haar ranken
כִּ֛י
(ki)
want
ל֥וֹא
(lo)
niet
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
van Yahweh
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁרוֹת (sharot), ‘wijngaardrijen’: een zeldzaam woord.

Het kan ook ‘muren’ of ‘terrassen’ betekenen.

De betekenis is niet helemaal zeker.

כָּלָה (kalah), ‘einde’: zie Jer. 4:27. Yahweh geeft de vijand de opdracht te verwoesten, maar geen einde te maken.

נְטִישׁוֹתֶיהָ (netishoteha), ‘haar ranken’: het volk is een wijnstok; zie Jer. 2:21. Wat niet van Yahweh is, wordt weggesneden.

11Want volkomen ontrouw zijn zij aan Mij geweest, het huis van Israël en het huis van Juda, godsspraak van Yahweh.
כִּי֩
(ki)
want
בָג֨וֹד
(bagod)
volkomen
בָּגְד֜וּ
(bagedu)
zij zijn ontrouw geweest
בִּ֗י
(bi)
aan Mij
בֵּ֧ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
וּבֵ֥ית
(uveit)
en huis van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zij hebben Yahweh verloochend en gezegd: ‘Hij is het niet. Onheil zal ons niet overkomen en zwaard en honger zullen wij niet zien.
כִּֽחֲשׁוּ֙
(kichashu)
zij hebben verloochend
בַּיהוָ֔ה
(baYahweh)
Yahweh
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לֹא
(lo)
niet
ה֑וּא
(hu)
Hij
וְלֹא
(velo)
en niet
תָב֤וֹא
(tavo)
zal komen
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
over ons
רָעָ֔ה
(raa)
onheil
וְחֶ֥רֶב
(vecherev)
en zwaard
וְרָעָ֖ב
(veraav)
en honger
ל֥וֹא
(lo)
niet
נִרְאֶֽה
(nire)
zullen wij zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא־הוּא (lo hu), ‘Hij is het niet’: letterlijk ‘niet Hij’.

De zin kan betekenen: ‘Hij is het niet die dit doet’, of ‘Hij doet niets’.

Het volk ontkent dat Yahweh ingrijpt.

13De profeten worden tot wind en het woord is niet in hen. Zo zal het hun vergaan.’”
וְהַנְּבִיאִים֙
(vehaneviim)
en de profeten
יִֽהְי֣וּ
(yihyu)
zullen worden
לְר֔וּחַ
(leruach)
tot wind
וְהַדִּבֵּ֖ר
(vehadiber)
en het woord
אֵ֣ין
(ein)
niet is
בָּהֶ֑ם
(bahem)
in hen
כֹּ֥ה
(ko)
zo
יֵעָשֶׂ֖ה
(yease)
zal gedaan worden
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De zin ‘De profeten worden tot wind’ is waarschijnlijk wat het volk zegt over de profeten die onheil aankondigen.

Wij houden het binnen de aanhaling die in vers 12 begint.

Een andere mogelijkheid is dat Yahweh zelf over de profeten van het volk spreekt.

Mijn woorden worden vuur

14Daarom, zo zegt Yahweh, Elohim van de legermachten: „Omdat jullie dit woord spreken, zie, Ik maak Mijn woorden in je mond tot vuur, en dit volk tot hout. Het zal hen verteren.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
דַּבֶּרְכֶ֔ם
(daberkhem)
jullie spreken
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
נֹתֵן֩
(noten)
Ik maak
דְּבָרַ֨י
(devaray)
Mijn woorden
בְּפִ֜יךָ
(befikha)
in je mond
לְאֵ֗שׁ
(leesh)
tot vuur
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en het volk
הַזֶּ֛ה
(haze)
dit
עֵצִ֖ים
(etsim)
hout
וַאֲכָלָֽתַם
(vaakhalatam)
en het zal hen verteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהֵי צְבָאוֹת (Elohe Tsevaot), ‘Elohim van de legermachten’: wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’, zoals in Jer. 2:19.

Het woord van Yahweh in de mond van de profeet wordt vuur (vergelijk Jer. 23:29). Het volk wordt hout dat verteerd wordt.

Een volk uit de verte

15Zie, Ik breng een volk over jullie uit de verte, huis van Israël, godsspraak van Yahweh. Het is een sterk volk, een volk van oudsher. Het is een volk wiens taal je niet kent, en je verstaat niet wat het zegt.
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
מֵבִיא֩
(mevi)
Ik breng
עֲלֵיכֶ֨ם
(aleikhem)
over jullie
גּ֧וֹי
(goy)
een volk
מִמֶּרְחָ֛ק
(mimerchaq)
uit de verte
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
גּ֣וֹי
(goy)
een volk
אֵיתָ֣ן
(eitan)
sterk
ה֗וּא
(hu)
het is
גּ֤וֹי
(goy)
een volk
מֵעוֹלָם֙
(meolam)
van oudsher
ה֔וּא
(hu)
het is
גּ֚וֹי
(goy)
een volk
לֹא
(lo)
niet
תֵדַ֣ע
(teda)
je kent
לְשֹׁנ֔וֹ
(leshono)
zijn taal
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִשְׁמַ֖ע
(tishma)
je verstaat
מַה
(ma)
wat
יְדַבֵּֽר
(yedaber)
het zegt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גּוֹי אֵיתָן (goy eitan), ‘een sterk volk’: het woord אֵיתָן (eitan) betekent ‘blijvend, krachtig’.

Het is een oud volk, dat al lang bestaat.

De taal is vreemd; zie ook Deut. 28:49.

Het volk wordt niet genoemd (in Jer. 4:6 en 6:22 ook niet). Wij identificeren het hier niet.

16Zijn pijlkoker is als een open graf. Zij allen zijn krijgers.
אַשְׁפָּת֖וֹ
(ashpato)
zijn pijlkoker
כְּקֶ֣בֶר
(keqever)
als een graf
פָּת֑וּחַ
(patuach)
open
כֻּלָּ֖ם
(kulam)
zij allen
גִּבּוֹרִֽים
(giborim)
krijgers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zij zullen je oogst en je brood opeten. Zij zullen je zonen en je dochters opeten. Zij zullen je kleinvee en je runderen opeten. Zij zullen je wijnstok en je vijgenboom opeten. Met het zwaard zullen zij je versterkte steden verwoesten, waarop je vertrouwt.
וְאָכַ֨ל
(veakhal)
en het zal opeten
קְצִֽירְךָ֜
(qetsirekha)
je oogst
וְלַחְמֶ֗ךָ
(velachmekha)
en je brood
יֹאכְלוּ֙
(yokhlu)
zullen opeten
בָּנֶ֣יךָ
(baneikha)
je zonen
וּבְנוֹתֶ֔יךָ
(uvenoteikha)
en je dochters
יֹאכַ֤ל
(yokhal)
zal opeten
צֹאנְךָ֙
(tsonkha)
je kleinvee
וּבְקָרֶ֔ךָ
(uveqarekha)
en je runderen
יֹאכַ֥ל
(yokhal)
zal opeten
גַּפְנְךָ֖
(gafnekha)
je wijnstok
וּתְאֵנָתֶ֑ךָ
(uteenatekha)
en je vijgenboom
יְרֹשֵׁ֞שׁ
(yeroshesh)
zal verwoesten
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
מִבְצָרֶ֗יךָ
(mivtsareikha)
je vestingen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
בּוֹטֵ֥חַ
(boteach)
vertrouwt
בָּהֵ֖נָּה
(bahena)
in hen
בֶּחָֽרֶב
(becharev)
met het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De werkwoorden wisselen in het Hebreeuws tussen enkelvoud en meervoud; wij vertalen overal ‘zij zullen’.

Het gaat om dezelfde vijand.

De zin somt de bronnen van leven op: oogst, brood, zonen, dochters, vee, wijnstok en vijgenboom. Alles wordt opgegeten.

18Maar ook in die dagen, godsspraak van Yahweh, zal Ik jullie niet volledig vernietigen.
וְגַ֛ם
(vegam)
en ook
בַּיָּמִ֥ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֖מָּה
(hahema)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
אֶעֱשֶׂ֥ה
(eese)
zal Ik maken
אִתְּכֶ֖ם
(itekhem)
met jullie
כָּלָֽה
(kala)
vernietiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְגַם בַּיָּמִים הָהֵמָּה (vegam bayamim hahemmah), ‘maar ook in die dagen’: ondanks het oordeel blijft er een rest.

Zie ook Jer. 4:27.

19Het zal gebeuren, wanneer jullie zeggen: ‘Waarom heeft Yahweh, onze Elohim, ons dit alles gedaan?’ Dan moet je tegen hen zeggen: ‘Zoals jullie Mij hebben verlaten en in jullie land vreemde goden hebben gediend, zo zullen jullie vreemden dienen in een land dat niet van jullie is.’
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תֹאמְר֔וּ
(tomru)
jullie zeggen
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
מֶ֗ה
(me)
wat
עָשָׂ֨ה
(asa)
heeft gedaan
יְהֹוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֛ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לָ֖נוּ
(lanu)
aan ons
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze dingen
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
dan zul je zeggen
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
עֲזַבְתֶּ֤ם
(azavtem)
jullie hebben verlaten
אוֹתִי֙
(oti)
Mij
וַתַּעַבְד֞וּ
(vataavdu)
en jullie hebben gediend
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
goden van
נֵכָר֙
(nekhar)
vreemden
בְּאַרְצְכֶ֔ם
(beartsekhem)
in jullie land
כֵּ֚ן
(ken)
zo
תַּעַבְד֣וּ
(taavdu)
zullen jullie dienen
זָרִ֔ים
(zarim)
vreemden
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in een land
לֹ֥א
(lo)
niet
לָכֶֽם
(lakhem)
van jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּחַת מֶה (tachat meh), ‘waarom’: letterlijk ‘in plaats van wat’.

Het antwoord van Yahweh toont het verband tussen het verlaten en het dienen: wie in eigen land vreemde goden dient, zal in een vreemd land vreemden dienen.

Hoor, dwaas volk

20Maak dit bekend in het huis van Jakob en laat het horen in Juda, met deze woorden:
הַגִּ֥ידוּ
(hagidu)
maakt bekend
זֹ֖את
(zot)
dit
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְהַשְׁמִיע֥וּהָ
(vehashmiuha)
en laat het horen
בִיהוּדָ֖ה
(bihuda)
in Juda
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Hoor toch dit, dwaas volk zonder verstand: zij hebben ogen, maar zien niet; zij hebben oren, maar horen niet.
שִׁמְעוּ
(shimu)
hoort
נָ֣א
(na)
toch
זֹ֔את
(zot)
dit
עַ֥ם
(am)
volk
סָכָ֖ל
(sakhal)
dwaas
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is
לֵ֑ב
(lev)
hart
עֵינַ֤יִם
(einayim)
ogen
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִרְא֔וּ
(yiru)
zij zien
אָזְנַ֥יִם
(azenayim)
oren
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִשְׁמָֽעוּ
(yishmau)
zij horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zee kent haar grens

22Vrezen jullie Mij niet, godsspraak van Yahweh? Beven jullie niet voor Mijn aangezicht? Ik heb zand als grens gesteld voor de zee, een bepaling voor eeuwig, die zij niet overschrijdt. Hoe zij ook schudt, zij kan niets doen. Haar golven bruisen, maar zij overschrijden haar niet.
הַאוֹתִ֨י
(haoti)
Mij?
לֹא
(lo)
niet
תִירָ֜אוּ
(tirau)
vrezen jullie
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אִ֤ם
(im)
of
מִפָּנַי֙
(mipanay)
voor Mijn aangezicht
לֹ֣א
(lo)
niet
תָחִ֔ילוּ
(tachilu)
beven jullie
אֲשֶׁר
(asher)
die
שַׂ֤מְתִּי
(samti)
Ik heb gesteld
חוֹל֙
(chol)
zand
גְּב֣וּל
(gevul)
grens
לַיָּ֔ם
(layam)
voor de zee
חָק
(chaq)
bepaling
עוֹלָ֖ם
(olam)
voor eeuwig
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַעַבְרֶ֑נְהוּ
(yaavrenhu)
zal zij hem overschrijden
וַיִּֽתְגָּעֲשׁוּ֙
(vayitgaashu)
en zij schudden
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יוּכָ֔לוּ
(yukhalu)
zullen zij kunnen
וְהָמ֥וּ
(vehamu)
en bruisen
גַלָּ֖יו
(galav)
haar golven
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יַעַבְרֻֽנְהוּ
(yaavrunhu)
zullen zij hem overschrijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חוֹל (chol), ‘zand’: Yahweh heeft de zee een grens gegeven, zoals in Job 38:8–11 en Ps. 104:9.

De machtige zee houdt zich aan Zijn bevel.

Het volk niet.

חָק עוֹלָם (choq olam), ‘een bepaling voor eeuwig’: een vaste wet, nooit te veranderen.

23Maar dit volk heeft een koppig en opstandig hart. Zij zijn afgeweken en weggegaan.
וְלָעָ֤ם
(velaam)
en voor het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
הָיָ֔ה
(haya)
is geweest
לֵ֖ב
(lev)
hart
סוֹרֵ֣ר
(sorer)
koppig
וּמוֹרֶ֑ה
(umore)
en opstandig
סָ֖רוּ
(saru)
zijn afgeweken
וַיֵּלֵֽכוּ
(vayelekhu)
en zijn weggegaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סוֹרֵר וּמוֹרֶה (sorer umoreh), ‘koppig en opstandig’: dezelfde twee woorden als in Deut. 21:18, voor de opstandige zoon.

24Zij zeiden niet in hun hart: ‘Laten wij toch Yahweh, onze Elohim, vrezen. Hij geeft de regen, de vroege regen en de late regen op zijn tijd. Hij bewaart voor ons de weken, de vastgestelde tijden van de oogst.’
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אָמְר֣וּ
(ameru)
zij zeiden
בִלְבָבָ֗ם
(bilvavam)
in hun hart
נִ֤ירָא
(nira)
laten wij vrezen
נָא֙
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הַנֹּתֵ֗ן
(hanoten)
die geeft
גֶּ֛שֶׁם
(geshem)
regen
יוֹרֶ֥ה
(yore)
vroege regen
וּמַלְק֖וֹשׁ
(umalqosh)
en late regen
בְּעִתּ֑וֹ
(beito)
op zijn tijd
שְׁבֻע֛וֹת
(shevuot)
weken van
חֻקּ֥וֹת
(chuqot)
bepalingen van
קָצִ֖יר
(qatsir)
oogst
יִשְׁמָר
(yishmar)
bewaart
לָֽנוּ
(lanu)
voor ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹרֶה (yoreh), ‘vroege regen’, en מַלְקוֹשׁ (malqosh), ‘late regen’: de regen van het najaar en van het voorjaar, zoals in Deut. 11:14.

Zie ook Jer. 3:3.

שְׁבֻעוֹת חֻקּוֹת קָצִיר (shavuot chuqqot qatsir), ‘de weken, de vastgestelde tijden van de oogst’: de zeven weken tussen het begin van de graanoogst en het Wekenfeest (Lev. 23:15–16).

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is ירה (met een voorvoegsel, ‘en vroege regen’); de te lezen vorm (qere) is יוֹרֶה (yoreh), ‘de vroege regen’.

Wij volgen de qere.

25Jullie schuld heeft dit afgebogen en jullie zonden hebben het goede van jullie weggehouden.
עֲוֺנוֹתֵיכֶ֖ם
(avonoteikhem)
jullie schulden
הִטּוּ
(hitu)
hebben afgebogen
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze dingen
וְחַטֹּ֣אותֵיכֶ֔ם
(vechatovteikhem)
en jullie zonden
מָנְע֥וּ
(maneu)
hebben tegengehouden
הַטּ֖וֹב
(hatov)
het goede
מִכֶּֽם
(mikem)
van jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִטּוּ אֵלֶּה (hittu elleh), ‘hebben dit afgebogen’: de schuld heeft de goede dingen van de regen en de oogst afgebogen, weggeleid van het volk.

Goddelozen onder Mijn volk

26Want onder Mijn volk zijn goddelozen gevonden. Zij loeren, zoals vogelvangers zich bukken. Zij zetten een verderfelijke val; mensen vangen zij.
כִּי
(ki)
want
נִמְצְא֥וּ
(nimtseu)
zijn gevonden
בְעַמִּ֖י
(beami)
onder Mijn volk
רְשָׁעִ֑ים
(reshaim)
goddelozen
יָשׁוּר֙
(yashur)
hij loert
כְּשַׁ֣ךְ
(keshakh)
als het bukken van
יְקוּשִׁ֔ים
(yequshim)
vogelvangers
הִצִּ֥יבוּ
(hitsivu)
zij zetten
מַשְׁחִ֖ית
(mashchit)
verderf
אֲנָשִׁ֥ים
(anashim)
mensen
יִלְכֹּֽדוּ
(yilkodu)
vangen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָשׁוּר כְּשַׁךְ יְקוּשִׁים (yashur keshakh yequshim), ‘zij loeren, zoals vogelvangers zich bukken’: de betekenis van de zin is onzeker.

Het beeld is dat van vogelvangers die zich bukken om een val te zetten.

27Als een kooi vol vogels, zo zijn hun huizen vol bedrog. Daarom zijn zij groot en rijk geworden.
כִּכְלוּב֙
(kikhluv)
als een kooi
מָ֣לֵא
(male)
vol
ע֔וֹף
(of)
vogels
כֵּ֥ן
(ken)
zo
בָּתֵּיהֶ֖ם
(bateihem)
hun huizen
מְלֵאִ֣ים
(meleim)
vol
מִרְמָ֑ה
(mirma)
bedrog
עַל
(al)
over
כֵּ֥ן
(ken)
zo
גָּדְל֖וּ
(gadelu)
zijn zij groot geworden
וַֽיַּעֲשִֽׁירוּ
(vayaashiru)
en rijk geworden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Zij zijn vet en glanzend. Zij gaan zelfs ver in kwade zaken. Zij pleiten de zaak niet, de zaak van de wees, en toch hebben zij voorspoed. De armen doen zij geen recht.
שָׁמְנ֣וּ
(shamenu)
zij zijn vet
עָשְׁת֗וּ
(ashetu)
zij glanzen
גַּ֚ם
(gam)
ook
עָֽבְר֣וּ
(averu)
zij gaan te buiten
דִבְרֵי
(divrei)
woorden van
רָ֔ע
(ra)
kwaad
דִּ֣ין
(din)
de zaak
לֹא
(lo)
niet
דָ֔נוּ
(danu)
zij pleiten
דִּ֥ין
(din)
de zaak van
יָת֖וֹם
(yatom)
de wees
וְיַצְלִ֑יחוּ
(veyatslichu)
maar zij hebben voorspoed
וּמִשְׁפַּ֥ט
(umishpat)
en het recht van
אֶבְיוֹנִ֖ים
(evyonim)
de armen
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁפָֽטוּ
(shafatu)
zij brengen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָשְׁתוּ (ashetu), ‘zij zijn glanzend’: het werkwoord is zeldzaam; het betekent waarschijnlijk ‘glanzen van gezondheid’.

Het volk is vet en gezond, terwijl de armen geen recht krijgen.

דִבְרֵי רָע (divrei ra), ‘kwade zaken’: letterlijk ‘woorden van kwaad’.

דִּין (din), ‘rechtszaak’: de zaak van de wees wordt niet behandeld. De rijken verdedigen hem niet, en hij krijgt geen recht (vergelijk Jes. 1:17).

29Zal Ik hierover niet straffen, godsspraak van Yahweh? En zal Mijn ziel zich niet wreken op zo’n volk?”
הַֽעַל
(haal)
is het over
אֵ֥לֶּה
(ele)
deze dingen
לֹֽא
(lo)
niet
אֶפְקֹ֖ד
(efqod)
zal Ik straffen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהֹוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אִ֚ם
(im)
en als
בְּג֣וֹי
(begoy)
op een volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
כָּזֶ֔ה
(kaze)
zoals dit
לֹ֥א
(lo)
niet
תִתְנַקֵּ֖ם
(titnaqem)
zal zich wreken
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
Mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een ontzettende zaak

30Iets ontzettends en afschuwelijks is gebeurd in het land:
שַׁמָּה֙
(shama)
verwoesting
וְשַׁ֣עֲרוּרָ֔ה
(veshaarura)
en afschuwelijkheid
נִהְיְתָ֖ה
(nihyeta)
is gebeurd
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁמָּה (shammah), ‘ontzetting’, en שַׁעֲרוּרָה (sha’arurah), ‘afschuwelijkheid’: twee woorden voor iets wat de mens met afgrijzen vervult.

Het tweede woord staat ook in Jer. 23:14 (‘iets gruwelijks’).

Vanaf hier spreekt de profeet weer zelf; ‘mijn volk’ is de taal van Jeremia (vergelijk Jer. 4:11).

31de profeten profeteren vals, de priesters heersen op hun aanwijzing, en mijn volk heeft het zo graag. Maar wat zullen jullie doen aan het einde ervan?
הַנְּבִיאִ֞ים
(haneviim)
de profeten
נִבְּא֣וּ
(nibeu)
profeteren
בַשֶּׁ֗קֶר
(basheqer)
met leugen
וְהַכֹּהֲנִים֙
(vehakohanim)
en de priesters
יִרְדּ֣וּ
(yirdu)
heersen
עַל
(al)
op
יְדֵיהֶ֔ם
(yedeihem)
hun handen
וְעַמִּ֖י
(veami)
en mijn volk
אָ֣הֲבוּ
(ahavu)
hebben liefgehad
כֵ֑ן
(ken)
zo
וּמַֽה
(uma)
en wat
תַּעֲשׂ֖וּ
(taasu)
zullen jullie doen
לְאַחֲרִיתָֽהּ
(leacharitah)
bij het einde ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִרְדּוּ עַל־יְדֵיהֶם (yirdu al yedeihem), ‘heersen op hun aanwijzing’: letterlijk ‘heersen op hun handen’.

De priesters heersen met de steun van de valse profeten, of op hun aanwijzing.

De betekenis is niet helemaal zeker.

לְאַחֲרִיתָהּ (le’acharitah), ‘aan het einde ervan’: wat zullen jullie doen als het gaat om de uitkomst? Het is de vraag van de profeet aan het volk.