2 Tessalonicenzen 3
Gebed om voorspraak, ordeloos leven en werk, en de slotgroet
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Bid voor ons
τὸ λοιπόν (to loipon), ‘verder’. τρέχω (trecho), ‘rennen’: het woord ‘rent’, het gaat snel van plaats naar plaats; vergelijk Ps. 147:15: ‘zeer snel loopt Zijn woord’. δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’. λόγος τοῦ κυρίου (logos tou kyriou), ‘het woord van de Heer’: zie 1 Tess. 1:8.
De zin loopt door in vers 2.
Zie ook Ps. 147:15; 1 Tess. 1:8.
ῥύομαι (rhyomai), ‘bevrijden’: zie 1 Tess. 1:10. ἄτοπος (atopos), ‘verkeerd’: eigenlijk ‘ongepast, niet op zijn plaats’. πονηρός (poneros), ‘kwaad’. οὐ πάντων ἡ πίστις (ou panton he pistis), ‘het geloof is niet van allen’: niet allen hebben het geloof.
πιστός (pistos), ‘trouw’: zie 1 Tess. 5:24.
‘De Heer’ is hier Yeshua; zie ook de verzen 5 en 16. στηρίζω (sterizo), ‘versterken’; φυλάσσω (fylasso), ‘bewaren’. ἀπὸ τοῦ πονηροῦ (apo tou ponerou), ‘voor de boze’: het Griekse woord kan ‘de boze’ of ‘het kwade’ betekenen; in Matt. 6:13 vertalen wij hetzelfde woord met ‘de boze’.
Zie ook Matt. 6:13.
πείθω (peitho), ‘vertrouwen’: het perfect πεποίθαμεν betekent ‘wij zijn overtuigd en vertrouwen’.
Wij gebruiken dezelfde zin als in Gal. 5:10. παραγγέλλω (parangello), ‘opdragen’: zie 1 Tess. 4:11.
Zie ook Gal. 5:10; 1 Tess. 4:11.
κατευθύνω (kateuthyno), ‘richten’: zie 1 Tess. 3:11.
‘De liefde van Elohim’ kan Elohims liefde voor ons zijn of onze liefde voor Elohim.
‘De volharding van de Messias’ kan de volharding zijn die de Messias toont of de volharding waarmee men op Hem wacht.
De Griekse genitieven laten beide toe; wij houden de woorden zoals ze zijn.
Werk en ordeloos leven
στέλλομαι (stellomai), ‘zich onttrekken’: letterlijk ‘zich terugtrekken’, afstand nemen. ἀτάκτως (ataktos), ‘ordeloos’: zie 1 Tess. 5:14. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: zie 1 Tess. 2:12. παράδοσις (paradosis), ‘overlevering’: zie 2:15.
Het Grieks heeft ‘zij ontvingen’ (meervoud) bij ‘iedere broer’; wij laten dat staan.
Wij hebben de zin gesplitst; het Grieks heeft één zin.
Voor ‘zij ontvingen’ (παρελάβοσαν, parelabosan) verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.
μιμέομαι (mimeomai), ‘navolgen’: zie ook vers 9. ἀτακτέω (ataktoo), ‘ordeloos zijn’: bij ἀτάκτως, vers 6.
δωρεάν (dorean), ‘om niet’: gratis. κόπος (kopos), ‘moeite’ en μόχθος (mochthos), ‘zware arbeid’: zie 1 Tess. 2:9. ἐπιβαρέω (epibareo), ‘tot last zijn’.
Zie ook 1 Tess. 2:9; Hand. 18:3; Hand. 20:34.
ἐξουσία (exousia), ‘recht’: ook ‘gezag, macht’.
Hier gaat het om het recht om van de gemeente te leven; vergelijk Luc. 10:7: ‘de arbeider is zijn loon waard’. τύπος (typos), ‘voorbeeld’: zie 1 Tess. 1:7.
Zie ook Luc. 10:7; 1 Kor. 9:14; 1 Tess. 1:7.
παραγγέλλω (parangello), ‘opdragen’: het Griekse imperfect παρηγγέλλομεν (parengellomen) laat zien dat zij dit herhaaldelijk zeiden.
Wij zetten de woorden tussen aanhalingstekens, omdat Paulus ze als eerder gegeven opdracht aanhaalt.
περιεργάζομαι (periergazomai), ‘zich bemoeien’: eigenlijk ‘rondwerken’, bezig zijn met allerlei zaken behalve het eigen werk.
Het Grieks speelt met woorden: ‘niets werkend’ (μηδὲν ἐργαζομένους) en ‘rondwerkend’ (περιεργαζομένους); dat spel is in het Nederlands niet na te bootsen.
ἡσυχία (hesychia), ‘rust’: stilte en kalmte, tegenover onrust.
‘Hun eigen brood eten’: zelf voor hun levensonderhoud zorgen; vergelijk 1 Tess. 4:11.
Zie ook 1 Tess. 4:11.
ἐγκακέω (enkakeo), ‘moedeloos worden’: het opgeven. καλοποιέω (kalopoieo), ‘het goede doen’: een zeldzaam woord, ‘het schone/goede doen’.
σημειόω (semeioo), ‘aanmerken’: een teken zetten bij, markeren. συναναμίγνυμι (synanamignymi), ‘omgang hebben’: zich met iemand vermengen. ἐντρέπομαι (entrepomai), ‘beschaamd worden’. διὰ τῆς ἐπιστολῆς (dia tes epistoles), ‘door de brief’: de woordgroep kan bij ‘ons woord’ horen (het woord in deze brief) of bij ‘gehoorzaamt’.
ἐχθρός (echthros), ‘vijand’; νουθετέω (noutheteo), ‘vermanen’: zie 1 Tess. 5:12.
Slotgroet
ὁ κύριος τῆς εἰρήνης (ho kyrios tes eirenes), ‘de Heer van de vrede’: in 1 Tess. 5:23 staat ‘de Elohim van de vrede’.
Wij schrijven hier ‘de Heer’ en bedoelen Yeshua. διὰ παντός (dia pantos), ‘voortdurend’: ‘door alles heen’, altijd. τρόπος (tropos), ‘manier’.
ἀσπασμός (aspasmos), ‘groet’.
‘Met mijn eigen hand’: de groet is door Paulus zelf geschreven, als kenmerk (σημεῖον, semeion, ‘teken’) in elke brief.
Paulus zegt hier ‘ik’, zoals in 1 Tess. 5:27.
Zie ook Gal. 6:11; 1 Tess. 5:27.
χάρις (charis), ‘genade’.
Het Grieks heeft geen werkwoord; wij vullen ‘zij’ aan, omdat het een wens is.
Vergelijk 1 Tess. 5:28, waar ‘met jullie’ staat; hier ‘met jullie allen’.