Elohim Bijbel

Ezechiël 19

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Een klaaglied over de vorsten van Israël: de leeuwin en de wijnstok

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Een klaaglied over de vorsten

1„En jij, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël.
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
שָׂ֣א
(sa)
hef aan
קִינָ֔ה
(qina)
klaaglied
אֶל
(el)
over
נְשִׂיאֵ֖י
(nesiei)
vorsten van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קִינָה (qinah), ‘klaaglied’: een lied bij een sterfgeval of een ramp.

Het hoofdstuk bestaat uit twee beelden: de leeuwin (vers 2–9) en de wijnstok (vers 10–14).

נְשִׂיאֵי יִשְׂרָאֵל (nesi’ei Yisra’el), ‘vorsten van Israël’: Ezechiël noemt de leiders van het volk vaak ‘vorst’ (nasi). Namen staan er niet. Wat de twee jonge leeuwen betekenen, zegt de tekst niet. Vaak denkt men aan Joachaz, die naar Egypte werd gebracht (2 Kon. 23:31–34), en aan een van de laatste koningen, die naar Babel ging (2 Kon. 24:15; 25:7).

Hier spreekt Yahweh tot de profeet. Het klaaglied zelf, vanaf vers 2, is voor het volk bestemd en staat zwart.

2Zeg:” „Wat was je moeder? Een leeuwin! Tussen de leeuwen lag zij. Te midden van jonge leeuwen bracht zij haar welpen groot.
וְאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
en je zult zeggen
מָ֤ה
(ma)
wat
אִמְּךָ֙
(imekha)
je moeder
לְבִיָּ֔א
(leviya)
een leeuwin
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
אֲרָי֖וֹת
(arayot)
leeuwen
רָבָ֑צָה
(ravatsa)
lag zij
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
כְּפִרִ֖ים
(kefirim)
jonge leeuwen
רִבְּתָ֥ה
(ribeta)
bracht zij groot
גוּרֶֽיהָ
(gureiha)
haar welpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְבִיָּא (levi’a), ‘leeuwin’: een groot vrouwtje van de leeuw.

Ook Juda wordt in Gen. 49:9 met een leeuw vergeleken.

De ‘moeder’ is dus waarschijnlijk Juda of het koningshuis, maar de tekst noemt dat niet.

כְּפִירִים (kefirim), ‘jonge leeuwen’, en גּוּר (gur), ‘welp’: drie woorden voor de leeuw in verschillende leeftijden. Wij houden ‘leeuw’, ‘jonge leeuw’ en ‘welp’ steeds vast.

3Zij liet een van haar welpen opgroeien. Hij werd een jonge leeuw. Hij leerde prooi te scheuren en at mensen.
וַתַּ֛עַל
(vataal)
en liet opgroeien
אֶחָ֥ד
(echad)
een
מִגֻּרֶ֖יהָ
(migureiha)
van haar welpen
כְּפִ֣יר
(kefir)
jonge leeuw
הָיָ֑ה
(haya)
hij werd
וַיִּלְמַ֥ד
(vayilmad)
en leerde
לִטְרָף
(litraf)
om te scheuren
טֶ֖רֶף
(teref)
prooi
אָדָ֥ם
(adam)
mens
אָכָֽל
(akhal)
at hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: een leeuw in de kracht van zijn leven.

4Volken hoorden over hem. In hun kuil werd hij gevangen. Met haken brachten zij hem naar het land Egypte.
וַיִּשְׁמְע֥וּ
(vayishmeu)
en hoorden
אֵלָ֛יו
(elav)
over hem
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
בְּשַׁחְתָּ֣ם
(beshachtam)
in hun kuil
נִתְפָּ֑שׂ
(nitpas)
werd gevangen
וַיְבִאֻ֥הוּ
(vayviuhu)
en zij brachten hem
בַֽחַחִ֖ים
(bachachim)
met haken
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

חַחִים (chachim), ‘haken’: ringen of haken door neus of kaak, waarmee men een dier of gevangene leidt; zie ook 2 Kon. 19:28 (‘Mijn haak in je neus’).

שַׁחַת (shachat), ‘kuil’: een valkuil voor wilde dieren.

5Zij zag dat zij had gewacht en dat haar hoop verloren was. Toen nam zij nog een van haar welpen en maakte hem tot jonge leeuw.
וַתֵּ֨רֶא֙
(vatere)
en zag
כִּ֣י
(ki)
dat
נֽוֹחֲלָ֔ה
(nochala)
zij had gewacht
אָבְדָ֖ה
(aveda)
was verloren
תִּקְוָתָ֑הּ
(tiqvatah)
haar hoop
וַתִּקַּ֛ח
(vatiqach)
en nam
אֶחָ֥ד
(echad)
een
מִגֻּרֶ֖יהָ
(migureiha)
van haar welpen
כְּפִ֥יר
(kefir)
jonge leeuw
שָׂמָֽתְהוּ
(samatehu)
maakte zij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נוֹחֲלָה (nochalah), ‘zij had gewacht’: het werkwoord is onzeker.

Het kan ook ‘zij was ziek’ of ‘haar hoop was verijdeld’ betekenen.

Wij nemen ‘zij had gewacht’, met de bedoeling: tevergeefs.

6Hij liep rond tussen de leeuwen. Hij werd een jonge leeuw. Hij leerde prooi te scheuren en at mensen.
וַיִּתְהַלֵּ֥ךְ
(vayithalekh)
en liep rond
בְּתוֹךְ
(betokh)
te midden van
אֲרָי֖וֹת
(arayot)
leeuwen
כְּפִ֣יר
(kefir)
jonge leeuw
הָיָ֑ה
(haya)
hij werd
וַיִּלְמַ֥ד
(vayilmad)
en leerde
לִטְרָף
(litraf)
om te scheuren
טֶ֖רֶף
(teref)
prooi
אָדָ֥ם
(adam)
mens
אָכָֽל
(akhal)
at hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Hij kende zijn weduwen en verwoestte hun steden. Het land en alles wat het vulde, werd verwoest door het geluid van zijn gebrul.
וַיֵּ֨דַע֙
(vayeda)
en kende
אַלְמְנוֹתָ֔יו
(almenotav)
zijn weduwen
וְעָרֵיהֶ֖ם
(veareihem)
en hun steden
הֶחֱרִ֑יב
(hecheriv)
verwoestte hij
וַתֵּ֤שַׁם
(vatesham)
en werd verwoest
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
land
וּמְלֹאָ֔הּ
(umeloah)
en wat het vulde
מִקּ֖וֹל
(miqol)
van het geluid van
שַׁאֲגָתֽוֹ
(shaagato)
zijn gebrul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיֵּדַע אַלְמְנוֹתָיו (vayyeda almenotav), ‘hij kende zijn weduwen’: de betekenis is niet zeker.

שְׁאָגָה (she’agah), ‘gebrul’: het geluid van een leeuw.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen dit anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

8De volken rondom, uit de gewesten, stelden zich tegen hem op. Zij spreidden hun net over hem uit. In hun kuil werd hij gevangen.
וַיִּתְּנ֨וּ
(vayitenu)
en stelden op
עָלָ֥יו
(alav)
tegen hem
גּוֹיִ֛ם
(goyim)
volken
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
מִמְּדִינ֑וֹת
(mimedinot)
uit gewesten
וַֽיִּפְרְשׂ֥וּ
(vayifresu)
en spreidden uit
עָלָ֛יו
(alav)
over hem
רִשְׁתָּ֖ם
(rishtam)
hun net
בְּשַׁחְתָּ֥ם
(beshachtam)
in hun kuil
נִתְפָּֽשׂ
(nitpas)
werd hij gevangen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְדִינוֹת (medinot), ‘gewesten’: de landen en streken rondom.

Zij komen samen om het dier te vangen.

9Met haken zetten zij hem in een kooi en brachten hem naar de koning van Babel. Zij brachten hem in vestingen, zodat zijn stem niet meer gehoord zou worden op de bergen van Israël.
וַֽיִּתְּנֻ֤הוּ
(vayitenuhu)
en zetten hem
בַסּוּגַר֙
(basugar)
in een kooi
בַּֽחַחִ֔ים
(bachachim)
met haken
וַיְבִאֻ֖הוּ
(vayviuhu)
en brachten hem
אֶל
(el)
naar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
יְבִאֻ֨הוּ֙
(yeviuhu)
zij brachten hem
בַּמְּצֹד֔וֹת
(bametsodot)
in vestingen
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
לֹא
(lo)
niet
יִשָּׁמַ֥ע
(yishama)
zou gehoord worden
קוֹל֛וֹ
(qolo)
zijn stem
ע֖וֹד
(od)
meer
אֶל
(el)
naar
הָרֵ֥י
(harei)
de bergen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

סוּגַר (sugar), ‘kooi’: de betekenis is niet zeker; het kan ook ‘halsband’ of ‘ketting’ zijn.

מְצֻדוֹת (metsudot), ‘vestingen’: sterke plaatsen, hier voor gevangenschap. Het woord kan ook ‘netten’ betekenen.

De bergen van Israël zijn het land waar de leeuw eerst brulde. Zijn stem wordt daar niet meer gehoord.

De wijnstok in het droge land

10Je moeder was als een wijnstok, in je bloed, geplant aan water. Door het overvloedige water werd zij vol vrucht en ranken.
אִמְּךָ֥
(imekha)
je moeder
כַגֶּ֛פֶן
(kagefen)
als een wijnstok
בְּדָמְךָ֖
(bedamekha)
in je bloed
עַל
(al)
aan
מַ֣יִם
(mayim)
water
שְׁתוּלָ֑ה
(shetula)
geplant
פֹּֽרִיָּה֙
(poriya)
haar vrucht
וַֽעֲנֵפָ֔ה
(vaanefa)
en takken
הָיְתָ֖ה
(hayeta)
werd
מִמַּ֥יִם
(mimayim)
van water
רַבִּֽים
(rabim)
overvloedig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּדָמֵךְ (bedamekh), ‘in je bloed’: de betekenis is hier onzeker.

Gefen, de wijnstok, is een vast beeld voor Israël; zie ook Ezech. 17:6–8 en Ps. 80:9–12.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen dit anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

11Zij kreeg sterke takken, scepters voor heersers. Haar stam rees hoog op tussen het gebladerte. Men zag haar hoogte in de menigte van haar ranken.
וַיִּֽהְיוּ
(vayihyu)
en kreeg
לָ֞הּ
(lah)
zij
מַטּ֣וֹת
(matot)
takken van
עֹ֗ז
(oz)
sterkte
אֶל
(el)
tot
שִׁבְטֵי֙
(shivtei)
scepters van
מֹֽשְׁלִ֔ים
(moshelim)
heersers
וַתִּגְבַּ֥הּ
(vatigbah)
en rees hoog
קֽוֹמָת֖וֹ
(qomato)
haar stam
עַל
(al)
boven
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
עֲבֹתִ֑ים
(avotim)
gebladerte
וַיֵּרָ֣א
(vayera)
en werd gezien
בְגָבְה֔וֹ
(begaveho)
in haar hoogte
בְּרֹ֖ב
(berov)
met de menigte van
דָּלִיֹּתָֽיו
(daliyotav)
haar ranken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַטּוֹת עֹז (mattot oz), ‘sterke takken’, en שִׁבְטֵי מֹשְׁלִים (shivtei moshelim), ‘scepters van heersers’: de takken zijn zo sterk dat men er scepters van kan maken.

Het beeld wijst op de koningen uit het huis van David.

עֲבֹתִים (avotim), ‘gebladerte’: dichte takken en bladeren.

12Maar in woede werd zij uitgerukt en op de aarde geworpen. De oostenwind liet haar vrucht verdorren. Haar sterke tak werd afgebroken en verdorde. Vuur verteerde haar.
וַתֻּתַּ֤שׁ
(vatutash)
en werd uitgerukt
בְּחֵמָה֙
(bechema)
in woede
לָאָ֣רֶץ
(laarets)
op de aarde
הֻשְׁלָ֔כָה
(hushlakha)
werd geworpen
וְר֥וּחַ
(veruach)
en wind
הַקָּדִ֖ים
(haqadim)
de oostenwind
הוֹבִ֣ישׁ
(hovish)
liet verdorren
פִּרְיָ֑הּ
(piryah)
haar vrucht
הִתְפָּרְק֧וּ
(hitparequ)
werden afgebroken
וְיָבֵ֛שׁוּ
(veyaveshu)
en verdorden
מַטֵּ֥ה
(mate)
tak van
עֻזָּ֖הּ
(uzah)
haar sterkte
אֵ֥שׁ
(esh)
vuur
אֲכָלָֽתְהוּ
(akhalatehu)
verteerde haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ הַקָּדִים (ruach haqqadim), ‘de oostenwind’: de hete woestijnwind; zie ook Ezech. 17:10.

בְּחֵמָה (bechemah), ‘in woede’: door Yahweh of door vijanden; de tekst zegt het niet.

13Nu is zij geplant in de woestijn, in een dor en dorstig land.
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
שְׁתוּלָ֣ה
(shetula)
geplant
בַמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in een land van
צִיָּ֥ה
(tsiya)
dorheid
וְצָמָֽא
(vetsama)
en dorst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De wijnstok staat nu in de woestijn: het volk in ballingschap, ver van het land.

14Vuur ging uit van een tak van haar twijgen. Het verteerde haar vrucht. Er is in haar geen sterke tak meer, geen scepter om te heersen. Dit is een klaaglied, en het is tot een klaaglied geworden.”
וַתֵּצֵ֨א
(vatetse)
en ging uit
אֵ֜שׁ
(esh)
vuur
מִמַּטֵּ֤ה
(mimate)
uit een tak van
בַדֶּ֨יהָ֙
(badeiha)
haar twijgen
פִּרְיָ֣הּ
(piryah)
haar vrucht
אָכָ֔לָה
(akhala)
verteerde
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֥יָה
(haya)
is
בָ֛הּ
(bah)
in haar
מַטֵּה
(mate)
tak van
עֹ֖ז
(oz)
sterkte
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
scepter
לִמְשׁ֑וֹל
(limshol)
om te heersen
קִ֥ינָה
(qina)
klaaglied
הִ֖יא
(hi)
het is
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en het werd
לְקִינָֽה
(leqina)
tot een klaaglied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קִינָה הִיא וַתְּהִי לְקִינָה (qinah hi vattehi leqinah), ‘Dit is een klaaglied, en het is tot een klaaglied geworden’: het lied wordt een klaaglied in de mond van het volk.

Het slot zegt dat wat is voorspeld nu ook zo wordt gezongen.