Zacharia 12
Yahweh maakt Jeruzalem tot een zware steen, giet een geest van genade uit en laat een grote rouwklacht opgaan
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een last over Israël
משׂא (massa), ‘last’: een woord van Yahweh dat als een last op iemand of iets rust.
Zie de Uitleg bij Zach. 9:1.
נאם יהוה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Zach. 1:3. Hier is de formule de aanhef bij een lofprijzing van Yahweh in de derde persoon (‘die de hemel uitspant’), en daarom staat ze zwart. De toespraak van Yahweh zelf begint in vers 2 en loopt door tot en met 13:9.
נטה (noteh shamayim), ‘die de hemel uitspant’: zoals in Jes. 42:5 en 51:13. ויצר רוח אדם בקרבו (veyotser ruach adam beqirbo), ‘en die de geest van de mens in zijn binnenste vormt’: Yahweh geeft elk mens zijn geest, zoals Gen. 2:7 het leven van de mens beschrijft.
ישׂראל (Yisra’el), ‘Israël’: hier het hele volk. In de verzen hierna gaat het vooral om Jeruzalem en Juda.
Jeruzalem, een schaal van duizeling voor de volken
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
סף (saf), ‘schaal’: een kom of beker.
Het woord kan ook ‘drempel’ betekenen.
רעל (ra’al), ‘duizeling’: het waggelen van wie te veel gedronken heeft.
De volken die Jeruzalem aanvallen, waggelen als wie uit zo’n schaal heeft gedronken.
Het tweede deel van het vers (וגם על יהודה יהיה במצור על ירושׁלם) is moeilijk. ‘Ook Juda zal erbij zijn in het beleg tegen Jeruzalem’ kan betekenen dat Juda wordt meegesleept in de belegering, of dat Juda zelf optrekt tegen Jeruzalem. Het Hebreeuws kiest niet. Zie ook vers 4–7 over Juda.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
אבן מעמסה (even ma’amasah), ‘zware steen’: letterlijk ‘steen van last’, een steen die men moet optillen.
שׂרוט ישׂרטו (sarot yissaretu), ‘zij zullen zich diep verwonden’: het werkwoord en het zelfstandig naamwoord staan naast elkaar, voor nadruk. Een sarat is een snijwond (Lev. 21:5).
בתמהון (battimmahon), ‘met verbijstering’, בשׁגעון (bashshiggaon), ‘met waanzin’, en בעורון (ba’ivvaron), ‘met blindheid’: dezelfde drie woorden als in Deut. 28:28.
Yahweh slaat de paarden en hun ruiters met wat de vloek van het verbond aankondigde.
אפקח את עיני (efqach et einai), ‘Ik zal Mijn ogen openen’: Yahweh let met aandacht op Juda en beschermt het.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
אלפי (allufei), ‘vorsten’: de aanvoerders van de families.
Hetzelfde woord staat in Exod. 15:15 (‘de vorsten van Edom’).
אמצה (amtsah), ‘sterkte’: een zeldzame vorm, verwant met het werkwoord אמץ (amats), ‘sterk zijn’. Het woord komt maar hier voor. De vorsten van Juda zien in de inwoners van Jeruzalem een kracht omdat Yahweh van de legermachten hun Elohim is.
ביהוה צבאות אלהיהם (beYahweh Tsevaot Eloheihem), ‘in Yahweh van de legermachten, hun Elohim’: zie voor de naam de Uitleg bij Zach. 1:3.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
ככיור (kikhiyyor), ‘als een pot’: een kom of pan met vuur.
בעמיר (be’amir), ‘tussen de schoven’: gemaaid graan dat gebonden is en snel vlam vat.
Juda wordt door Yahweh een vuur dat de volken verteert.
תחתיה (tachteha), ‘op haar plaats’: letterlijk ‘onder haar’.
Yahweh redt eerst de tenten van Juda
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
אהלי יהודה (aholei Yehudah), ‘de tenten van Juda’: het platteland van Juda, buiten de ommuurde stad.
Yahweh redt dit eerst, zodat Jeruzalem en het huis van David niet het meest verheerlijkt worden.
Dit vers en het volgende gaan over Yahweh in de derde persoon, binnen Zijn eigen toespraak. Ze staan rood, zoals ook Hos. 1:7.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
כאלהים (ke’elohim), ‘als Elohim’: het woord kan Elohim zelf betekenen of een goddelijk wezen.
Het staat naast ‘als de engel van Yahweh’.
De zwakste onder hen zal sterk zijn als David, en het huis van David als iemand die de goddelijke macht uitstraalt.
הנכשׁל (hannikhshal), ‘wie struikelt’: de zwakke, wie valt of wankelt.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Een geest van genade en smeking
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
רוח חן ותחנונים (ruach chen vetachanunim), ‘een geest van genade en smeking’: chen is genade of gunst, tachanunim zijn smeekbeden, van hetzelfde woord verwant met chanan, ‘genadig zijn’.
Yahweh geeft de geest waardoor zij genade vragen en ontvangen.
והביטו אלי את אשׁר דקרו (vehibbitu elai et asher daqaru), ‘zij zullen opzien naar Mij, naar hem die zij doorstoken hebben’: het Hebreeuws springt van ‘Mij’ naar ‘hem’ (et asher kan ook ‘wie’ of ‘wat’ betekenen). Het zegt niet wie de doorstokene is; wel wordt hij beweend (vers 10–14). Het werkwoord דקרו (daqar), ‘doorsteken’, staat ook in 13:3. Zie ook Joh. 19:37 en Openb. 1:7.
היחיד (hayyachid), ‘de enige’: het woord ‘zoon’ staat er niet en is aangevuld; het kan ook ‘het enige kind’ zijn, zoals in Gen. 22:2.
Het Hebreeuws heeft ‘naar Mij’ en daarna ‘hem die zij doorstoken hebben’.
Sommige oude vertalingen lezen anders.
Wij volgen de Masoretische tekst.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Megiddo: Megiddo (Tel Megiddo) lag aan de rand van de vlakte van Jizreël, aan de weg van de kust naar het noorden.
הדד רמון (Hadad-Rimmon): een naam van een plaats of van een god (Hadad en Rimmon zijn namen van een stormgod).
De ligging is niet zeker; mogelijk lag het bij Megiddo.
Sommige uitleggers verbinden deze rouwklacht met de rouw om Josia, die bij Megiddo sneuvelde (2 Kon. 23:29; 2 Kron. 35:22–25).
Anderen denken aan de rouw om een god van de vruchtbaarheid.
Het blijft onzeker.
בבקעת מגדון (biqat Megiddon), ‘de vallei van Megiddo’: de vlakte van Jizreël bij Megiddo. Zie ook Richt. 5:19 en 2 Kron. 35:22.
Het land rouwklaagt, familie na familie
משׁפחות משׁפחות (mishpachot mishpachot), ‘familie na familie’: de herhaling zegt dat elke familie voor zich rouwklaagt.
לבד (levad), ‘afzonderlijk’: de rouwklacht is persoonlijk.
De mannen en de vrouwen staan elk apart.
בית נתן (beit Natan), ‘het huis van Natan’: Natan, de zoon van David (2 Sam. 5:14; 1 Kron. 3:5), of de profeet Natan. De tekst zegt het niet. Het huis van David en het huis van Natan zijn de koninklijke lijn en een tak ervan; het is onzeker welke bedoeld is.
משׁפחת בית לוי (mishpachat beit Levi), ‘de familie van het huis van Levi’: de priesterlijke stam.
השׁמעי (hashShim’i), ‘de Simieten’: de nakomelingen van Simi, een zoon van Gersjon, de zoon van Levi (Exod. 6:17; Num. 3:18, 3:21).
Het gaat dus om een levitische familie.
Het huis van David en het huis van Levi staan hier voor de wereldlijke en de priesterlijke leiding.