2 Timotheüs 4
Verkondig het woord; Paulus' afscheid: de strijd gestreden, de krans; opdrachten, namen en groeten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Verkondig het woord
διαμαρτύρομαι (diamartyromai), ‘plechtig getuigen, plechtig vermanen’: Paulus roept Elohim en de Messias als getuigen aan, zoals in 1 Tim. 5:21. κρίνω (krino), ‘oordelen’. ἐπιφάνεια (epifaneia), ‘verschijning’: het komen van Yeshua op de laatste dag; in 1:10 staat hetzelfde woord voor Zijn komst in de wereld.
‘Zijn verschijning en Zijn koninkrijk’ staan in het Grieks in de vierde naamval, direct na ‘ik getuig plechtig’; de constructie wordt verschillend verstaan (‘bij’ of ‘met het oog op’).
Wij vertalen ‘bij’.
‘Die levenden en doden zal oordelen’ is de Messias Yeshua.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het eerste woord ‘ik getuig plechtig’ (Διαμαρτύρομαι), bij de woorden Χριστοῦ Ἰησοῦ (Christou Iesou), ‘de Messias Yeshua’, en bij het woordje καί (kai), ‘en’, voor ‘Zijn verschijning’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 5:21; 1 Tim. 6:13–14; Hand. 10:42; 2 Tim. 1:10.
κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen als een heraut’. ἐφίστημι (efistemi), ‘klaarstaan, optreden’. εὐκαίρως ἀκαίρως (eukairos akairos), ‘gelegen, ongelegen’: of het uitkomt of niet. ἐλέγχω (elencho), ‘terechtwijzen’, ‘aan het licht brengen’; ἐπιτιμάω (epitimao), ‘bestraffen’; παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’: ook ‘bemoedigen, troosten’. μακροθυμία (makrothymia), ‘geduld’. διδαχή (didache), ‘onderricht’.
‘Het woord’ is de boodschap die Timoteüs moet verkondigen; vergelijk vers 5 (‘een verkondiger van de goede boodschap’).
Zie ook Tit. 1:9; Tit. 2:15; 1 Tim. 4:13.
ὑγιαίνουσα διδασκαλία (hygiainousa didaskalia), ‘gezond onderwijs’: zoals in 1:13 (‘gezonde woorden’), 1 Tim. 1:10 en Tit. 1:9; 2:1. ἀνέχομαι (anechomai), ‘verdragen’. ἐπισωρεύω (episoreuo), ‘ophopen’: een stapel leraren verzamelen. κνήθω (knetho), ‘jeuken, kriebelen’: het beeld is dat het gehoor verlangt naar wat prettig klinkt. ἀκοή (akoe), ‘gehoor’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ἰδίας ἐπιθυμίας (idias epithymias), ‘eigen begeerten’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 1:10; 6:3; Tit. 1:9; Tit. 2:1.
νήφω (nefo), ‘nuchter zijn’: helder en bezonnen. κακοπαθέω (kakopatheo), ‘kwaad lijden’; ook in 2:9. εὐαγγελιστής (euangelistes), ‘verkondiger van de goede boodschap’. πληροφορέω (pleroforeo), ‘volledig uitvoeren, vervullen’. διακονία (diakonia), ‘dienst’.
Zie ook Ef. 4:11; Hand. 21:8; 2 Tim. 2:9.
De strijd is gestreden
σπένδομαι (spendomai), ‘als drankoffer uitgegoten worden’: wijn die bij een offer over het offer wordt uitgegoten.
Paulus gebruikt hetzelfde werkwoord in Fil. 2:17. ἀνάλυσις (analysis), ‘vertrek’: letterlijk ‘losmaking’; Paulus bedoelt zijn heengaan uit dit leven. ἐφίστημι (efistemi), ‘aanstaande zijn’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden ἀναλύσεώς μου (analyseos mou), ‘mijn vertrek’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Fil. 2:17; Fil. 1:23.
ἀγών (agon), ‘strijd, wedstrijd’; ἀγωνίζομαι (agonizomai), ‘strijden’. δρόμος (dromos), ‘loop’, de wedloop. τελέω (teleo), ‘voltooien’. τηρέω (tereo), ‘bewaren’: zoals de παραθήκη (1:12, 1:14) bewaard wordt.
Het beeld van de wedstrijd staat ook in 2:5.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden καλὸν ἀγῶνα (kalon agona), ‘goede strijd’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Kor. 9:24–27; Fil. 3:12–14; Hand. 20:24; 1 Tim. 6:12.
ἀπόκειται (apokeitai), ‘ligt klaar, is weggelegd’. στέφανος τῆς δικαιοσύνης (stefanos tes dikaiosynes), ‘de krans van de gerechtigheid’: de overwinnaarskrans (zie 2:5); het Grieks kan ook zijn ‘de krans die bij de gerechtigheid hoort’.
‘Die dag’: de dag van het oordeel, zoals in 1:12 en 1:18.
‘De Heer, de rechtvaardige rechter’ is Yeshua, vergelijk vers 1. ἠγαπηκόσι (egapekosi), ‘die liefgehad hebben’: de tegenstelling met Demas, die de tegenwoordige eeuw liefhad (vers 10).
Zie ook 1 Kor. 9:25; 2 Tim. 1:12; 2 Tim. 4:1, 4:10.
Persoonlijke opdrachten
σπουδάζω (spoudazo), ‘zijn best doen’. ταχέως (tacheos), ‘snel’.
Zie ook 2 Tim. 4:21; Tit. 3:12.
Zie Tessalonica (nu Thessaloniki): Tessalonica was de hoofdstad van de Romeinse provincie Macedonië, aan de Thermaïsche Golf in het noorden van Griekenland.
De stad heet nu Thessaloniki.
Zij lag aan de grote weg van oost naar west, de Via Egnatia.
Zie Galatië (ongeveer): Galatië is het binnenland van het huidige Turkije, rond Ankara.
Of Paulus de streek in het noorden bedoelt of de Romeinse provincie, die ook Pisidië en Lykaonië omvatte (met Ikonium, Lystra en Derbe), is niet zeker; het punt is bij benadering.
Zie Dalmatië (ongeveer): Dalmatië was het zuidelijke deel van Illyrië, aan de oostkust van de Adriatische Zee.
Demas wordt ook genoemd in Kol. 4:14 en Filem. 24. ἐγκαταλείπω (enkataleipo), ‘verlaten, in de steek laten’. αἰών (aion), ‘eeuw, wereldtijd’: ‘de tegenwoordige eeuw’ is de huidige wereld en tijd; hetzelfde woord, in dezelfde zin, staat in Tit. 2:12.
Crescens wordt alleen hier genoemd.
Galatië: zie Gal. 1:2; de tekst zegt niet naar welk deel van Galatië hij ging.
Dalmatië is een streek aan de oostkust van de Adriatische Zee; Tessalonica: zie 1 Tess. 1:1.
Bij het werkwoord ἐγκατέλιπεν (enkatelipen), ‘heeft verlaten’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Kol. 4:14; Filem. 24; Gal. 1:2; 1 Tess. 1:1; Tit. 1:4.
Lucas wordt ook genoemd in Kol. 4:14 en Filem. 24.
Markus: zie Hand. 12:12 en 15:37–39 en Kol. 4:10. ἀναλαμβάνω (analambano), ‘meenemen, bij zich nemen’. εὔχρηστος (euchrestos), ‘bruikbaar’: hetzelfde woord als in 2:21. διακονία (diakonia), ‘dienst’; de tekst zegt niet voor welke dienst Markus nuttig is.
Zie ook Kol. 4:10, 4:14; Filem. 24; Hand. 12:12; Hand. 15:37–39.
Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk.
Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia.
Tychicus: zie Hand. 20:4, Ef. 6:21, Kol. 4:7 en Tit. 3:12. ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’.
De tekst zegt niet of Tychicus de brief naar Efeze brengt of Timoteüs vervangt.
Zie ook Hand. 20:4; Ef. 6:21; Kol. 4:7; Tit. 3:12.
Zie Troas (Alexandria Troas): Troas (Alexandria Troas) was een havenstad aan de kust van het noordwesten van Turkije, tegenover het eiland Tenedos.
Vanuit Troas voer Paulus naar Macedonië.
φαιλόνης (failones), ‘mantel’: het Griekse woord komt alleen hier voor. βιβλίον (biblion), ‘boek, boekrol’. μεμβράνα (membrana), ‘perkament’: geprepareerde dierenhuid om op te schrijven.
De tekst zegt niet wat er op de boeken en perkamenten stond.
Troas: zie Hand. 16:8, 20:5–12 en 2 Kor. 2:12.
Carpus wordt alleen hier genoemd.
Bij het werkwoord ἀπέλιπον (apelipon), ‘ik liet achter’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 16:8; Hand. 20:5–12; 2 Kor. 2:12.
Alexander de koperslager (χαλκεύς, chalkeus: smid van koper of brons).
Of dit dezelfde Alexander is als in 1 Tim. 1:20 of Hand. 19:33, zegt de tekst niet. ἐνδείκνυμι (endeiknymi), ‘laten zien, betonen’. ἀποδίδωμι (apodidomi), ‘vergelden’.
‘De Heer’ (ὁ κύριος) is hier Yeshua of Elohim; de zin lijkt op Ps. 62:13 (‘U vergeldt ieder naar zijn werk’) en Spr. 24:12; het Grieks citeert niet letterlijk.
Wij schrijven ‘Heer’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de vorm ἀποδώσει (apodosei), ‘zal vergelden’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ps. 62:13; Spr. 24:12; 1 Tim. 1:20; Hand. 19:33.
φυλάσσομαι (fylassomai), ‘zich hoeden voor’. ἀνθίστημι (anthistemi), ‘zich verzetten’: hetzelfde werkwoord als in 3:8.
‘Onze woorden’: de tekst zegt niet of Paulus en Timoteüs of Paulus en zijn medewerkers bedoeld worden.
Bij het werkwoord ἀντέστη (antesté), ‘hij verzette zich’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
De Heer stond mij bij
ἀπολογία (apologia), ‘verdediging’, voor een rechter.
De tekst zegt niet welke zitting ‘de eerste verdediging’ was. παραγίνομαι (paraginomai), ‘aanwezig zijn, terzijde staan’. ἐγκαταλείπω (enkataleipo), ‘verlaten’: zoals Demas in vers 10. λογισθείη (logistheie), ‘moge toegerekend worden’: een wens.
De gedachte lijkt op het gebed van Stefanus in Hand. 7:60.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de werkwoorden παρεγένετο (paregeneto), ‘stond terzijde’, en ἐγκατέλιπον (enkatelipon), ‘verlieten’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 7:60; 2 Tim. 1:15; 2 Tim. 4:10.
παρίστημι (paristemi), ‘terzijde staan’: de tegenstelling met vers 16, waar niemand Paulus terzijde stond. ἐνδυναμόω (endynamoo), ‘kracht geven’: zoals in 2:1. κήρυγμα (kerygma), ‘verkondiging’. πληροφορέω (pleroforeo), ‘volledig uitvoeren’: zoals in vers 5. ἔθνη (ethne), ‘volken’.
‘Uit de muil van een leeuw’ is beeldspraak voor groot levensgevaar; zie het gebed in Ps. 22:22 en Dan. 6:21–23.
De tekst zegt niet wat het gevaar was.
Bij het werkwoord ἀκούσωσιν (akousosin), ‘zouden horen’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ps. 22:22; Dan. 6:21–23; Hand. 23:11; Hand. 27:23–24.
ῥύομαι (ryomai), ‘redden, bevrijden’: zoals in vers 17 en 3:11. ἐπουράνιος (epouranios), ‘hemels’. βασιλεία ἐπουράνιος (basileia epouranios), ‘hemels koninkrijk’.
De lofprijs ‘Hem zij de heerlijkheid tot in de eeuwen der eeuwen’ is gericht tot de Heer. ἀμήν (amen), ‘amen’: Hebreeuws, ‘zo is het’; de gebruikelijke afsluiting van een lofprijs.
Bij het werkwoord ῥύσεταί (rysetai), ‘zal redden’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 2 Tim. 3:11; Gal. 1:5; 2 Tim. 4:8.
Groeten en slot
Priska en Aquila: in Handelingen 18 heet zij Priscilla (Hand. 18:2, 18, 26); in deze brief, zoals in Rom. 16:3 en 1 Kor. 16:19, Priska.
Onesiforus: zie 1:16–18.
Zie ook Hand. 18:2; Hand. 18:18; Hand. 18:26; Rom. 16:3; 1 Kor. 16:19; 2 Tim. 1:16–18.
Zie Korinte: Korinte lag op de landengte tussen het vasteland van Griekenland en de Peloponnesos, met een haven aan elke kant.
Het was de hoofdstad van de Romeinse provincie Achaje.
Zie Milete: Milete lag aan de westkust van Turkije, ongeveer 50 km ten zuiden van Efeze.
Daar nam Paulus afscheid van de oudsten van Efeze.
Erastus: zie ook Hand. 19:22 en Rom. 16:23; of het dezelfde man is, zegt de tekst niet.
Trofimus: zie Hand. 20:4 en Hand. 21:29.
Milete: zie Hand. 20:15, 17. ἀσθενέω (astheneo), ‘ziek zijn’: de tekst zegt niet wat Trofimus mankeerde. ἀπολείπω (apoleipo), ‘achterlaten’.
Bij het werkwoord ἀπέλιπον (apelipon), ‘ik liet achter’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 19:22; Rom. 16:23; Hand. 20:4; Hand. 21:29; Hand. 20:15, 17.
πρὸ χειμῶνος (pro cheimonos), ‘vóór de winter’; vergelijk Tit. 3:12 (overwinteren) en Hand. 27:9–12.
Eubulus, Pudens, Linus en Claudia worden alleen hier genoemd.
Claudia is een vrouwennaam. ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het woord omvat in de gemeente ook de zusters.
Zie ook Tit. 3:12; Hand. 27:9–12; 2 Tim. 4:9.
‘Met je geest’ (σου, singular) en ‘met jullie’ (ὑμῶν, plural): de eerste wens is voor Timoteüs, de tweede voor allen die de brief horen.
‘De genade zij met …’ staat ook in de slotgroeten van andere brieven van Paulus, zoals Gal. 6:18 en Kol. 4:18.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woord κύριος (kyrios), ‘Heer’, en bij het woord ὑμῶν (hymon), ‘jullie’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Gal. 6:18; Fil. 4:23; Kol. 4:18; 1 Tim. 6:21.