Yahweh antwoordt: Ik liet Mij vinden; Mijn knechten en jullie; een nieuwe hemel en een nieuwe aarde
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Ik liet Mij vinden
1„Ik liet Mij zoeken door wie niet naar Mij vroeg. Ik liet Mij vinden door wie Mij niet zocht. Ik zei: ‘Hier ben Ik, hier ben Ik’, tegen een volk dat niet met Mijn naam genoemd werd.
נִדְרַ֨שְׁתִּי֙
(nidrashti)
Ik liet Mij zoeken
לְל֣וֹא
(lelo)
door wie niet
שָׁאָ֔לוּ
(shaalu)
vroegen
נִמְצֵ֖אתִי
(nimtseti)
Ik liet Mij vinden
לְלֹ֣א
(lelo)
door wie niet
בִקְשֻׁ֑נִי
(biqshuni)
Mij zochten
אָמַ֨רְתִּי֙
(amarti)
Ik zei
הִנֵּ֣נִי
(hineni)
hier ben Ik
הִנֵּ֔נִי
(hineni)
hier ben Ik
אֶל
(el)
tegen
גּ֖וֹי
(goy)
een volk
לֹֽא
(lo)
niet
קֹרָ֥א
(qora)
genoemd werd
בִשְׁמִֽי
(bishmi)
met Mijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt Yahweh zelf; Zijn woorden staan rood.
Het rood loopt, met korte onderbrekingen, door tot het einde van het hoofdstuk.
נִדְרַשְׁתִּי (nidrashti), ‘Ik liet Mij zoeken’: een lijdende vorm. Letterlijk ‘Ik liet Mij raadplegen’ of ‘Ik was te vinden voor wie niet vroeg’. Yahweh biedt Zich aan wie Hem niet zocht.
הִנֵּנִי (hinneni), ‘hier ben Ik’: wat iemand zegt die antwoordt op een roep, zoals Abraham in Gen. 22:1 en Jesaja zelf in Jes. 6:8. Het staat hier tweemaal.
לֹא־קֹרָא בִשְׁמִי (lo qora bishmi), ‘dat niet met Mijn naam genoemd werd’: de vorm kan ook betekenen ‘dat Mijn naam niet aanriep’. Dit vers wordt in Rom. 10:20 aangehaald.
3Het is het volk dat Mij voortdurend tot toorn prikkelt, recht in Mijn gezicht. Het brengt offers in de tuinen en laat offerrook opgaan op de bakstenen.
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
הַמַּכְעִיסִ֥ים
(hamakhisim)
dat tot toorn prikkelt
אוֹתִ֛י
(oti)
Mij
עַל
(al)
in
פָּנַ֖י
(panay)
Mijn gezicht
תָּמִ֑יד
(tamid)
voortdurend
זֹֽבְחִים֙
(zovechim)
die offers brengen
בַּגַּנּ֔וֹת
(baganot)
in de tuinen
וּֽמְקַטְּרִ֖ים
(umeqaterim)
en die offerrook laten opgaan
עַל
(al)
op
הַלְּבֵנִֽים
(halevenim)
de bakstenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמַּכְעִיסִים (hamakhisim), ‘die tot toorn prikkelen’: zoals in Deut. 32:16.
בַּגַּנּוֹת (baggannot), ‘in de tuinen’: heilige tuinen waar vreemde goden werden vereerd; zie ook Jes. 1:29 en 66:17.
עַל הַלְּבֵנִים (al halevenim), ‘op de bakstenen’: waarschijnlijk altaren van baksteen, anders dan het altaar van onbehouwen steen in Exod. 20:25.
5Zij zeggen: ‘Blijf bij jezelf. Kom niet dicht bij mij, want ik ben heilig voor jou.’ Zij zijn rook in Mijn neus, een vuur dat de hele dag brandt.
הָאֹֽמְרִים֙
(haomerim)
die zeggen
קְרַ֣ב
(qerav)
blijf
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
bij jezelf
אַל
(al)
niet
תִּגַּשׁ
(tigash)
kom dichtbij
בִּ֖י
(bi)
Mij
כִּ֣י
(ki)
want
קְדַשְׁתִּ֑יךָ
(qedashtikha)
ik ben heilig voor jou
אֵ֚לֶּה
(ele)
dezen
עָשָׁ֣ן
(ashan)
rook
בְּאַפִּ֔י
(beapi)
in Mijn neus
אֵ֥שׁ
(esh)
een vuur
יֹקֶ֖דֶת
(yoqedet)
dat brandt
כָּל
(kal)
heel
הַיּֽוֹם
(hayom)
de dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְרַב אֵלֶיךָ (qerav elekha), ‘blijf bij jezelf’: letterlijk ‘kom dichtbij naar jezelf’.
De spreker houdt anderen op afstand.
קְדַשְׁתִּיךָ (qedashtikha), ‘ik ben heilig voor jou’: letterlijk ‘ik heb je geheiligd’. De spreker zegt dat zijn heiligheid de ander zou treffen. Zie Ezech. 44:19 voor dit denkbeeld.
בְּאַפִּי (be’appi), ‘in Mijn neus’: het woord אַף (af) betekent ‘neus’ en ook ‘toorn’. Rook in de neus is het beeld van toorn die brandt.
7Jullie ongerechtigheden en de ongerechtigheden van jullie vaderen samen, zegt Yahweh. Zij hebben offerrook laten opgaan op de bergen en Mij gehoond op de heuvels. Ik zal hun loon eerst in hun schoot afmeten.”
עֲ֠וֺנֹתֵיכֶם
(avonoteikhem)
jullie ongerechtigheden
וַעֲוֺנֹ֨ת
(vaavonot)
en de ongerechtigheden van
אֲבוֹתֵיכֶ֤ם
(avoteikhem)
jullie vaderen
יַחְדָּו֙
(yachdav)
samen
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
קִטְּרוּ֙
(qiteru)
lieten offerrook opgaan
עַל
(al)
op
הֶ֣הָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
וְעַל
(veal)
en op
הַגְּבָע֖וֹת
(hagevaot)
de heuvels
חֵרְפ֑וּנִי
(cherefuni)
hoonden Mij
וּמַדֹּתִ֧י
(umadoti)
en Ik zal afmeten
פְעֻלָּתָ֛ם
(peulatam)
hun loon
רִֽאשֹׁנָ֖ה
(rishona)
eerst
אֶל
(el)
in
חֵיקָֽם
(cheiqam)
hun schoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het eerste deel van het vers heeft in het Hebreeuws geen werkwoord.
Het hangt samen met het slot: wat zij deden, wordt in hun schoot afgemeten.
פְעֻלָּתָם (peullatam), ‘hun loon’: het woord betekent ‘werk’ en ook ‘loon’ voor werk. רִאשֹׁנָה (rishonah), ‘eerst’: het kan ook ‘het eerste’ of ‘vroegere’ betekenen.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft עַל (al), ‘op’, de voorgelezen tekst (qere) heeft אֶל (el), ‘in’.
8Zo zegt Yahweh: „Zoals de most in de druiventros gevonden wordt en men zegt: ‘Vernietig hem niet, want er is zegen in’, zo zal Ik doen omwille van Mijn knechten. Ik zal niet alles vernietigen.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יִמָּצֵ֤א
(yimatse)
wordt gevonden
הַתִּירוֹשׁ֙
(hatirosh)
de most
בָּֽאֶשְׁכּ֔וֹל
(baeshkol)
in de druiventros
וְאָמַר֙
(veamar)
en men zegt
אַל
(al)
niet
תַּשְׁחִיתֵ֔הוּ
(tashchitehu)
vernietig hem
כִּ֥י
(ki)
want
בְרָכָ֖ה
(berakha)
zegen
בּ֑וֹ
(bo)
in hem
כֵּ֤ן
(ken)
zo
אֶֽעֱשֶׂה֙
(eese)
zal Ik doen
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
עֲבָדַ֔י
(avaday)
Mijn knechten
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
opdat niet
הַֽשְׁחִ֥ית
(hashchit)
Ik vernietig
הַכֹּֽל
(hakol)
alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲבָדַי (avadai), ‘Mijn knechten’: meervoud.
Het zijn de trouwe overgeblevenen van het volk, niet de ‘Knecht’ van de knechtsliederen.
Daarom staat het woord met een kleine letter.
הַתִּירוֹשׁ (hattirosh), ‘de most’: nieuwe wijn die nog in de druif zit. Wie een druiventros met sap vindt, bewaart die om de zegen die erin zit. Zo spaart Yahweh de Zijnen.
9Ik laat uit Jakob nageslacht voortkomen en uit Juda een erfgenaam van Mijn bergen. Mijn uitverkorenen zullen het erven, en Mijn knechten zullen daar wonen.
וְהוֹצֵאתִ֤י
(vehotseti)
en Ik laat voortkomen
מִֽיַּעֲקֹב֙
(miyaaqov)
uit Jakob
זֶ֔רַע
(zera)
nageslacht
וּמִיהוּדָ֖ה
(umihuda)
en uit Juda
יוֹרֵ֣שׁ
(yoresh)
een erfgenaam van
הָרָ֑י
(haray)
Mijn bergen
וִירֵשׁ֣וּהָ
(vireshuha)
en zij zullen het erven
בְחִירַ֔י
(bechiray)
Mijn uitverkorenen
וַעֲבָדַ֖י
(vaavaday)
en Mijn knechten
יִשְׁכְּנוּ
(yishkenu)
zullen wonen
שָֽׁמָּה
(shama)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹרֵשׁ הָרָי (yoresh harai), ‘een erfgenaam van Mijn bergen’: de bergen zijn het land van Juda met de heilige berg.
Zie vers 25.
בְחִירַי (bechirai), ‘Mijn uitverkorenen’: dezelfde mensen als ‘Mijn knechten’. Het woord staat ook in de verzen 15 en 22.
10De Saron wordt een weide voor kleinvee en het dal van Achor een rustplaats voor runderen, voor Mijn volk dat Mij gezocht heeft.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal worden
הַשָּׁרוֹן֙
(hasharon)
de Saron
לִנְוֵה
(linve)
tot een weide van
צֹ֔אן
(tson)
kleinvee
וְעֵ֥מֶק
(veemeq)
en het dal van
עָכ֖וֹר
(akhor)
Achor
לְרֵ֣בֶץ
(lerevets)
tot een rustplaats van
בָּקָ֑ר
(baqar)
runderen
לְעַמִּ֖י
(leami)
voor Mijn volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דְּרָשֽׁוּנִי
(derashuni)
Mij zocht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Saron: Saron is de vruchtbare kustvlakte langs de Middellandse Zee, ten noorden van Jafo tot aan de Karmel.
De bloem van de Saron is een bloem uit deze vlakte.
Zie Dal van Achor (ligging onzeker): Het dal van Achor lag bij Jericho, aan de noordgrens van Juda.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
שָּׁרוֹן (Sharon), ‘de Saron’: de vruchtbare kustvlakte tussen Jafo en de Karmel.
Het was weidegrond voor kleinvee.
עֵמֶק עָכוֹר (emeq Akhor), ‘het dal van Achor’: bij Jericho, waar Achan werd gestenigd (Joz. 7:24–26). Het is een dal van onheil dat tot rust komt. Zie ook Hos. 2:17.
12jullie wijs Ik toe aan het zwaard. Jullie allen zullen je buigen voor de slacht. Omdat Ik riep en jullie niet antwoordden, Ik sprak en jullie niet luisterden, deden jullie wat kwaad is in Mijn ogen en kozen jullie waar Ik geen behagen in had.”
וּמָנִ֨יתִי
(umaniti)
en Ik wijs toe
אֶתְכֶ֜ם
(etkhem)
jullie
לַחֶ֗רֶב
(lacherev)
aan het zwaard
וְכֻלְּכֶם֙
(vekhulekhem)
en jullie allen
לַטֶּ֣בַח
(latevach)
voor de slacht
תִּכְרָ֔עוּ
(tikhrau)
zullen je buigen
יַ֤עַן
(yaan)
omdat
קָרָ֨אתִי֙
(qarati)
Ik riep
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
עֲנִיתֶ֔ם
(anitem)
jullie antwoordden
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
Ik sprak
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֑ם
(shematem)
jullie luisterden
וַתַּעֲשׂ֤וּ
(vataasu)
en jullie deden
הָרַע֙
(hara)
wat kwaad is
בְּעֵינַ֔י
(beeinay)
in Mijn ogen
וּבַאֲשֶׁ֥ר
(uvaasher)
en waar
לֹֽא
(lo)
niet
חָפַ֖צְתִּי
(chafatsti)
Ik behagen had in
בְּחַרְתֶּֽם
(bechartem)
kozen jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּמָנִיתִי (umaniti), ‘Ik wijs toe’: een woordspeling met ‘Meni’ in vers 11.
Wie een god van het lot (‘toewijzing’) eert, krijgt van Yahweh een toewijzing: het zwaard.
Deze redenering staat bijna gelijk in 66:4. Vergelijk ook Jer. 7:13.
15Jullie laten jullie naam achter als een eed voor Mijn uitverkorenen. Heer Yahweh zal je doden, maar Zijn knechten zal Hij met een andere naam noemen.
וְהִנַּחְתֶּ֨ם
(vehinachtem)
en jullie laten achter
שִׁמְכֶ֤ם
(shimkhem)
jullie naam
לִשְׁבוּעָה֙
(lishvua)
als een eed
לִבְחִירַ֔י
(livchiray)
voor Mijn uitverkorenen
וֶהֱמִיתְךָ֖
(vehemitekha)
en zal je doden
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלַעֲבָדָ֥יו
(velaavadav)
en Zijn knechten
יִקְרָ֖א
(yiqra)
zal Hij noemen
שֵׁ֥ם
(shem)
naam
אַחֵֽר
(acher)
een andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְהִנַּחְתֶּם שִׁמְכֶם לִשְׁבוּעָה (vehinnachtem shimkhem lishvuah), ‘jullie laten jullie naam achter als een eed’: wie een eed of vloek uitspreekt, zal jullie naam gebruiken; ‘zo moge het mij vergaan als hen’ (vergelijk Jer. 29:22).
Jullie naam wordt een vloekwoord.
וֶהֱמִיתְךָ (vehemitkha), ‘en Hij zal je doden’: ‘je’ is enkelvoud; het gaat om het volk als geheel.
שֵׁם אַחֵר (shem acher), ‘een andere naam’: een nieuwe naam voor wie bij Hem horen, zoals in Jes. 62:2.
16Wie zich zegent in het land, zal zich zegenen door de Elohim van de waarheid. Wie zweert in het land, zal zweren bij de Elohim van de waarheid. Want de vroegere nood is vergeten en voor Mijn ogen verborgen.
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
הַמִּתְבָּרֵ֜ךְ
(hamitbarekh)
wie zich zegent
בָּאָ֗רֶץ
(baarets)
in het land
יִתְבָּרֵךְ֙
(yitbarekh)
zal zich zegenen
בֵּאלֹהֵ֣י
(belohei)
door de Elohim van
אָמֵ֔ן
(amen)
de waarheid
וְהַנִּשְׁבָּ֣ע
(vehanishba)
en wie zweert
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
יִשָּׁבַ֖ע
(yishava)
zal zweren
בֵּאלֹהֵ֣י
(belohei)
bij de Elohim van
אָמֵ֑ן
(amen)
de waarheid
כִּ֣י
(ki)
want
נִשְׁכְּח֗וּ
(nishkechu)
zijn vergeten
הַצָּרוֹת֙
(hatsarot)
de nood
הָרִ֣אשֹׁנ֔וֹת
(harishonot)
de vroegere
וְכִ֥י
(vekhi)
en want
נִסְתְּר֖וּ
(nisteru)
zijn verborgen
מֵעֵינָֽי
(meeinay)
voor Mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֵּאלֹהֵי אָמֵן (be’Elohei amen), ‘door de Elohim van de waarheid’: letterlijk ‘door de Elohim van Amen’.
Het woord אָמֵן (amen) hoort bij het werkwoord אָמַן (aman), ‘vast zijn’, en betekent ‘zeker’, ‘waar’.
Het is verwant met אֱמֶת (emet), ‘waarheid’.
הַצָּרוֹת הָרִאשֹׁנוֹת (hatsarot harishonot), ‘de vroegere nood’: de nood van de ballingschap en wat eraan voorafging.
19Ik zal juichen over Jeruzalem en Mij verheugen over Mijn volk. Er zal in haar geen geluid van wenen meer gehoord worden en geen geluid van een noodkreet.
וְגַלְתִּ֥י
(vegalti)
en Ik zal juichen
בִירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
over Jeruzalem
וְשַׂשְׂתִּ֣י
(vesasti)
en Mij verheugen
בְעַמִּ֑י
(beami)
over Mijn volk
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִשָּׁמַ֥ע
(yishama)
zal gehoord worden
בָּהּ֙
(bah)
in haar
ע֔וֹד
(od)
meer
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
בְּכִ֖י
(bekhi)
wenen
וְק֥וֹל
(veqol)
en geluid van
זְעָקָֽה
(zeaqa)
een noodkreet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
וְשַׂשְׂתִּי בְעַמִּי (vesasti ve’ammi), ‘Ik zal Mij verheugen over Mijn volk’: Yahweh zelf is vol vreugde.
20Er zal daar niet meer zijn een zuigeling van enkele dagen of een oude die zijn dagen niet vervult. Want een jongen sterft als hij 100 jaar oud is, en de zondaar wordt vervloekt als hij 100 jaar oud is.
לֹא
(lo)
niet
יִֽהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
מִשָּׁ֜ם
(misham)
daar
ע֗וֹד
(od)
meer
ע֤וּל
(ul)
een zuigeling van
יָמִים֙
(yamim)
dagen
וְזָקֵ֔ן
(vezaqen)
en een oude
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יְמַלֵּ֖א
(yemale)
vervult
אֶת
(et)
(obj.)
יָמָ֑יו
(yamav)
zijn dagen
כִּ֣י
(ki)
want
הַנַּ֗עַר
(hanaar)
de jongen
בֶּן
(ben)
zoon van
מֵאָ֤ה
(mea)
100
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
יָמ֔וּת
(yamut)
sterft
וְהַ֣חוֹטֶ֔א
(vehachote)
en de zondaar
בֶּן
(ben)
zoon van
מֵאָ֥ה
(mea)
100
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
יְקֻלָּֽל
(yequlal)
wordt vervloekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עוּל יָמִים (ul yamim), ‘een zuigeling van enkele dagen’: letterlijk ‘een zuigeling van dagen’; een kind dat nauwelijks leeft.
הַנַּעַר בֶּן מֵאָה שָׁנָה (hanna’ar ben me’ah shanah), ‘een jongen als hij 100 jaar oud is’: letterlijk ‘de jongen, zoon van honderd jaar’. 100 jaar geldt dan als jong sterven.
יְקֻלָּל (yequllal), ‘wordt vervloekt’: de zondaar sterft, ook als hij 100 jaar oud is, onder de vloek. Het werkwoord kan ook ‘gering geacht worden’ betekenen.
22Zij zullen niet bouwen, zodat een ander er woont. Zij zullen niet planten, zodat een ander eet. Want de dagen van Mijn volk zijn als de dagen van een boom, en het werk van hun handen zullen Mijn uitverkorenen volop genieten.
לֹ֤א
(lo)
niet
יִבְנוּ֙
(yivnu)
zij zullen bouwen
וְאַחֵ֣ר
(veacher)
en een ander
יֵשֵׁ֔ב
(yeshev)
woont
לֹ֥א
(lo)
niet
יִטְּע֖וּ
(yiteu)
zij zullen planten
וְאַחֵ֣ר
(veacher)
en een ander
יֹאכֵ֑ל
(yokhel)
eet
כִּֽי
(ki)
want
כִימֵ֤י
(kimei)
als de dagen van
הָעֵץ֙
(haets)
de boom
יְמֵ֣י
(yemei)
de dagen van
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
וּמַעֲשֵׂ֥ה
(umaase)
en het werk van
יְדֵיהֶ֖ם
(yedeihem)
hun handen
יְבַלּ֥וּ
(yevalu)
zullen genieten
בְחִירָֽי
(bechiray)
Mijn uitverkorenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּימֵי הָעֵץ (khimei ha’ets), ‘als de dagen van een boom’: een boom kan eeuwen oud worden.
Welke boom bedoeld is, laat het Hebreeuws open.
יְבַלּוּ (yevallu), ‘zullen volop genieten’: letterlijk ‘zullen opmaken’ of ‘verslijten’; zij gebruiken het werk van hun handen tot het op is, en niemand neemt het af.
23Zij zullen zich niet tevergeefs afmatten en niet baren voor plotselinge schrik. Want zij zijn het nageslacht van wie door Yahweh gezegend zijn, en hun nakomelingen zijn bij hen.
לֹ֤א
(lo)
niet
יִֽיגְעוּ֙
(yigeu)
zullen zich afmatten
לָרִ֔יק
(lariq)
tevergeefs
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יֵלְד֖וּ
(yeledu)
zullen baren
לַבֶּהָלָ֑ה
(labehala)
voor plotselinge schrik
כִּ֣י
(ki)
want
זֶ֜רַע
(zera)
nageslacht van
בְּרוּכֵ֤י
(berukhei)
gezegenden van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הֵ֔מָּה
(hema)
zijn zij
וְצֶאֱצָאֵיהֶ֖ם
(vetseetsaeihem)
en hun nakomelingen
אִתָּֽם
(itam)
bij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לַבֶּהָלָה (labbehalah), ‘voor plotselinge schrik’: hetzelfde woord als in Lev. 26:16.
Kinderen worden niet geboren om door een ramp te worden weggerukt.
25De wolf en het lam grazen samen, en de leeuw eet stro als het rund. En de slang: stof is haar brood. Zij zullen geen kwaad doen en geen verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg, zegt Yahweh.”
זְאֵ֨ב
(zeev)
wolf
וְטָלֶ֜ה
(vetale)
en lam
יִרְע֣וּ
(yiru)
grazen
כְאֶחָ֗ד
(keechad)
samen
וְאַרְיֵה֙
(vearye)
en leeuw
כַּבָּקָ֣ר
(kabaqar)
als het rund
יֹֽאכַל
(yokhal)
eet
תֶּ֔בֶן
(teven)
stro
וְנָחָ֖שׁ
(venachash)
en slang
עָפָ֣ר
(afar)
stof
לַחְמ֑וֹ
(lachmo)
is haar brood
לֹֽא
(lo)
niet
יָרֵ֧עוּ
(yareu)
zullen kwaad doen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַשְׁחִ֛יתוּ
(yashchitu)
zullen verderf aanrichten
בְּכָל
(bekhal)
op heel
הַ֥ר
(har)
berg
קָדְשִׁ֖י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is voor een groot deel gelijk aan Jes. 11:6–9.
Het Hebreeuws van ‘de leeuw eet stro als het rund’ en ‘zij zullen geen kwaad doen en geen verderf aanrichten op heel Mijn heilige berg’ is gelijk; daarom staan daar dezelfde Nederlandse woorden.
וְנָחָשׁ עָפָר לַחְמוֹ (venachash afar lachmo), ‘en de slang: stof is haar brood’: vergelijk Gen. 3:14, waar de slang stof moet eten. Hier heeft de slang geen kracht meer om kwaad te doen.
אָמַר יְהוָה (amar Yahweh), ‘zegt Yahweh’: hier sluit de toespraak af.